Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 2
»Ge zult daarom licht begrijpen, waarom deze prachtige, tot het kattengeslacht behoorende dieren op al de markten van Europa zoo sterk gevraagd zijn en den trots uitmaken der dierentemmers. Wat is het voorwerp der grootste belangstelling in de openbare of bijzondere menagerieën? De tijger! Wanneer siddert ge voor het leven van den dierentemmer? Als hij in het hok van den tijger treedt? Welk dier betalen de rajahs zijn gewicht aan goud voor de versiering hunner koninklijke tuinen? De tijger! Welk dier wordt het duurste betaald op de beurzen van Londen, Antwerpen en Hamburg? De tijger! Bij welke jachten onderscheiden zich de Indische jagers, officieren van het koninklijke leger of die van de inlandsche armée? Bij de tijgerjachten! Weet ge, mijne heeren, welk genot de vorsten van het onafhankelijk Indië hunnen gasten verschaffen? Men voert een koninklijken tijger in een hok aan. Het hok wordt geplaatst te midden van een uitgestrekte vlakte. De rajah, zijne genoodigden, zijne officieren, zijne wachters, zijn gewapend met lansen, revolvers en karabijnen en berijden meestal vurige solidungula [3]."
»Solidungula?" zei kapitein Hod.
»Hunne paarden, als ge de voorkeur geeft aan dit wel wat alledaagsche woord. Doch deze solidungula, verschrikt door de nabijheid van den tijger, den eigenaardigen reuk dien het dier afgeeft, zijne vurige oogen, steigeren, en de berijders hebben al hun behendigheid noodig om ze te bedwingen. Plotseling wordt de deur van het hok geopend. Het monster springt te voorschijn, hij vliegt, hij werpt zich op de hier en daar verspreide groepen, hij offert een menigte slachtoffers aan zijn woede op. Moge het hem een enkele maal gelukken door den kring van ijzer en vuur, die hem omvat, heen te breken, meestal bezwijkt hij, een tegen honderd! Maar zijn dood is althans roemrijk en is vooruit gewroken!"
»Bravo! mijnheer Matthias van Guitt," riep kapitein Hod uit, die op zijn beurt vuurvatte! »Ja, dat moet een prachtig schouwspel zijn. Ja! de tijger is de koning der dieren!"
»Een koningschap dat de omwentelingen tart!" voegde de leverancier er bij.
»En gij moogt er gevangen hebben, mijnheer van Guitt," antwoordde kapitein Hod, »ik heb er gedood en 'k hoop Tarryani niet te verlaten, voordat de vijftigste onder mijne schoten gevallen is!"
»Kapitein," zei de leverancier, de wenkbrauwen fronsende, »'k heb u de wilde zwijnen, de wolven, de beren, de buffels gelaten! Is dat dan nog niet genoeg om uw jagerswoede te koelen?"
Ik merkte, dat onze vriend Hod zich met evenveel vuur als Matthias van Guitt over die netelige vraag ging uitlaten.
Had de een meer tijgers gevangen dan de andere er gedood had, welk een stof ter bespreking! Was het beter ze te vangen dan ze om te brengen? Wie zou deze quaestie beslissen!
Beiden, de kapitein en de leverancier, begonnen reeds driftige woorden met elkander te wisselen, en zelfs tegelijk te spreken zonder elkander meer te begrijpen.
Banks kwam nu tusschenbeiden.
»De tijgers," zeide hij, »zijn de koningen der schepping, dat is zeker, mijne heeren, maar 'k ben zoo vrij er bij te voegen dat het zeer gevaarlijke koningen voor hunne onderdanen zijn. In 1862 als ik me niet bedrieg, hebben deze lieve diertjes al de telegrafisten op het eiland Sangor verslonden. Men verhaalt ook van een tijgerin, die in drie jaren niet minder dan honderdachttien slachtoffers gemaakt heeft, en van een ander, die in hetzelfde tijdsverloop honderdzevenentwintig personen heeft omgebracht. Dat is te veel, zelfs voor koninginnen! Ja zelfs zijn sedert de ontwapening der Sipayers, in een tijdvak van drie jaren, twaalfduizend vijfhonderd vierenvijftig individus onder den aanval van tijgers bezweken."
»Maar, mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt, »u schijnt te vergeten, dat deze dieren omophagen zijn."
»Omophagen?" zei kapitein Hod.
»Ja eters van rauw vleesch, en zelfs beweren de Hindoes dat, zoo zij eens menschenvleesch geproefd hebben, ze geen ander vleesch meer willen!"
»Welnu, mijnheer?..." zei Banks.
»Welnu, mijnheer?" antwoordde glimlachend Matthias van Guitt, »het is hun aard! ... Zij moeten immers eten!"
II.
EEN KONINGIN VAN TARRYANI.
Deze opmerking van den leverancier eindigde ons bezoek aan de kraal. Het was tijd om het Stoomhuis weder op te zoeken.
Om de waarheid te zeggen, scheidden kapitein Hod en Matthias van Guitt niet als de twee beste vrienden van de wereld. De een toch wilde de roofdieren van Tarryani ombrengen, terwijl de ander ze wilde vangen en evenwel waren er genoeg om beiden tevreden te stellen.
Men kwam niettemin overeen, dat de bewoners van de kraal en het sanitarium elkander druk zouden bezoeken. Men zou elkander waarschuwen als er een mooie slag te slaan was. De chikaris van Matthias van Guitt, goed op de hoogte van deze soort van tochten, bekend met de omwegen en schuilhoeken van Tarryani, konden kapitein Hod veel diensten bewijzen, door hem de sporen van dieren aan te wijzen. De leverancier stelde hen welwillend ter zijne beschikking en meer bijzonder Kâlagani. Hoewel deze Hindoe eerst onlangs in het personeel der kraal was opgenomen, deed hij zich als zeer kundig kennen en kon men vast op hem rekenen.
Kapitein Hod van zijn kant beloofde, zooveel hem mogelijk was, bij de vangst der wilde dieren, die nog aan den voorraad van Matthias van Guitt ontbraken, zijn hulp te verleenen.
Alvorens de kraal te verlaten, bedankte Sir Edward Munro, die waarschijnlijk geen plan had er drukke bezoeken te maken, nogmaals Kâlagani, wiens tusschenkomst hem gered had. Hij zeide hem, dat hij altijd welkom in het Stoomhuis zoude zijn.
De Hindoe boog zich koel. Welk gevoel van voldoening hem ook bezielde den man, die hem het leven verschuldigd was, zoo te hooren spreken, liet hij er niets van blijken.
Wij hadden gezorgd vóór het etensuur thuis te zijn. Men kan zich voorstellen, dat Matthias van Guitt de stof tot het gesprek leverde.
»Sakkerloot! wat maakt die leverancier mooie gebaren!" herhaalde kapitein Hod »Welk een woordenschat! Welke uitgezochte uitdrukkingen! Maar als hij nu in de wilde beesten niet anders ziet dan voorwerpen om te laten zien, dan bedriegt hij zich!"
De volgende dagen, 27, 28 en 29 Juni regende het zoo hard, dat de jagers, hoe verzot op de jacht ze ook waren, het Stoomhuis niet konden verlaten. Bij zulk vreeselijk weer zijn trouwens de sporen onmogelijk te herkennen en verlaten de roofdieren, die evenmin van water houden als de katten, niet gaarne hunne schuilplaatsen.
Den 30n Juli was het weer gunstiger en zag de lucht er beter uit. Dinsdag maakten kapitein Hod, Fox, Goûmi en ik onze toebereidselen om naar de kraal af te zakken.
In den loop van den morgen, kwamen eenige bergbewoners ons een bezoek brengen. Zij hadden vernomen, dat een wonderbaarlijke pagode in het Himalayagebergte verschenen was en werden nu door een levendig gevoel van nieuwsgierigheid naar het Stoomhuis gedreven.
Het waren recht schoone menschen, van het ras op de grenzen van Thibet, krijgshaftige inboorlingen, eerlijk en getrouw, op ruime schaal de gastvrijheid beoefenende en zedelijk en lichamelijk verheven boven de Hindoes der vlakte.
De gewaande pagode verbaasde hen wel is waar, maar de IJzeren Reus maakte zulk een overweldigenden indruk op hen, dat zij zich in aanbidding voor hem nederbogen. Hij bevond zich evenwel in rust. Wat zouden de goede lieden opgekeken hebben, als zij gezien hadden, hoe hij rook en vlammen uitspuwende, met vasten tred de ruwe hellingen hunner bergen beklom!
Kolonel Munro bereidde dezen inboorlingen, waarvan eenigen gewoonlijk het grondgebied van Népaul, op de Indo-Chineesche grens doorloopen, een goede ontvangst. Het gesprek liep een oogenblik over dat gedeelte der grenzen waar Nana Sahib een schuilplaats gezocht had, na de nederlaag der Sipayers, toen hij over het geheele grondgebied van Indië werd nagezeten.
Deze bergbewoners wisten eigenlijk niets meer dan 't geen wij zelven wisten. Ook tot hen was het gerucht van den dood van den nabob doorgedrongen en zij schenen hem niet te betwijfelen. Wat de metgezellen betreft, die hem overleefd hadden, zij waren spoorloos verdwenen. Misschien hadden zij een schuilplaats tot Thibet opgezocht, maar het zou moeilijk geweest zijn hen daar te achterhalen.
Indien kolonel Munro, met zijn reis naar het noorden van het schiereiland, werkelijk het plan gehad had alles op te helderen wat van verre of dichtbij aan Nana Sahib herinnerde, was dit antwoord wel geschikt er hem af te brengen. Evenwel bleef hij, na deze bergbewoners gehoord te hebben, in gedachten verdiept en nam hij geen deel meer aan de gesprekken.
Wat kapitein Hod aangaat, deze stelde hun eenige vragen, maar met geheel andere beweegredenen. Zij meldden hem dat werkelijk door wilde dieren, en meer bijzonder door tijgers, vreeselijke verwoestingen in de onderste streek der Himalaya werden aangericht. Landhoeven en zelfs geheele dorpen waren door de bewoners verlaten moeten worden. Reeds waren verscheidene kudden geiten en schapen verslonden, en men telde ook talrijke slachtoffers onder de inlanders. Niettegenstaande de aanzienlijke premie, door het gouvernement uitgeloofd,--driehonderd ropijen per tijgerkop,--scheen toch het aantal dezer dieren niet te verminderen, en men vroeg zich af, of de mensch niet weldra verplicht zou zijn plaats voor hen te maken.
De bergbewoners voegden er ook nog deze bijzonderheid bij: dat namelijk de tijgers zich niet alleen tot in Tarryani terugtrokken. Overal waar de vlakte hun hoog gras, jungles, struikgewas aanbood waarin zij op de loer konden gaan liggen, ontmoette men ze in grooten getale.
»Kwaadaardige dieren!" zeiden zij.
Die brave menschen koesterden, en met recht, zooals men ziet, ten opzichte der tijgers niet dezelfde denkbeelden als de leverancier Matthias van Guitt en onze vriend kapitein Hod.
De bergbewoners gingen heen, zeer ingenomen met de ontvangst door hen genoten en beloofden hun bezoek aan het Stoomhuis te herhalen.
Na hun vertrek waren wij weldra met onze toebereidselen gereed en daalden wij, kapitein Hod, onze beide metgezellen en ik, goed gewapend, op elke ontmoeting voorbereid, naar Tarryani af.
Op de open plek in het bosch, waar de val gesteld was, waaruit wij Matthias van Guitt zoo gelukkig verlost hadden, deed deze zich, niet zonder eenige plechtigheid aan ons voor.
Vijf of zes zijner lieden, waaronder Kâlagani, hielden zich bezig met uit den val een tijger, die zich des nachts had laten vangen, in een rollend hok te doen overgaan.
Werkelijk een prachtig dier, dat door kapitein Hod met wangunst werd aangezien!
»Één minder in Tarryani!" mompelde hij met een zucht, die een weerklank vond in de borst van Fox.
»Eén meer in de menagerie," antwoordde de leverancier. »Nog twee tijgers, een leeuw, twee luipaarden en 'k zal vóór het einde der campagne aan mijne verplichtingen kunnen voldoen. Gaat ge met mij mede naar de kraal, mijne heeren?"
»We zeggen u dank," zei kapitein Hod, »maar van daag jagen we voor eigen rekening."
»Kâlagani is ter uwe beschikking gereed, kapitein Hod", antwoordde de leverancier. »Hij kent het bosch en kan u nuttig zijn."
»We nemen hem gaarne als gids aan."
»Nu, mijne heeren," voegde Matthias van Guitt er bij, »veel geluk! Maar beloof me niet alles te dooden!"
»Wees gerust, we zullen u nog wat overlaten!" antwoordde kapitein Hod.
En Matthias van Guitt verdween, ons deftig groetende, onder de boomen, het rollend hok na.
»Op marsch," zei kapitein Hod, »op marsch, mijne vrienden. Naar mijn twee en veertigsten!"
»Naar mijn acht en dertigsten!" antwoordde Fox.
»Naar mijn eersten!" voegde ik er bij.
Maar de toon waarop ik deze woorden sprak deed den kapitein glimlachen. Blijkbaar miste ik de noodige bezieling.
Hod had zich naar Kâlagani omgewend.
»Ken je Tarryani goed?" vroeg hij hem.
»'k Heb het twintigmaal doorkruist, nacht en dag, in alle richtingen," antwoordde de Hindoe.
»Heb je hooren zeggen, dat een tijger meer bijzonder gezien is in den omtrek van de kraal?"
»Ja, maar die tijger is een tijgerin. Men heeft haar op twee mijlen van hier gezien, boven in het bosch en sedert eenige dagen tracht men zich van haar meester te maken. Wilt u dat...."
»Of we willen!" antwoordde kapitein Hod, zonder den Hindoe den tijd te laten den zin te eindigen.
Wij hadden inderdaad niets beters te doen dan Kâlagani te volgen, hetgeen dan ook gedaan werd.
Het is niet twijfelachtig dat de wilde dieren zeer talrijk zijn in Tarryani en daar, gelijk elders, hebben zij niet minder dan twee runderen per week noodig voor hun bijzonder gebruik! Ga eens na wat dit »onderhoud" het geheele schiereiland kost!
Maar al zijn de tijgers er in menigte voorhanden, moet men zich daarom niet voorstellen, dat zij zonder noodzaak het land doorloopen. Zoolang de honger ze niet aandrijft, blijven ze in hunne schuilhoeken verborgen en men zou zich vergissen als men denkt, dat men ze bij elken voetstap ontmoet. Hoevele reizigers hebben niet de bosschen of de jungles doorloopen, zonder er ooit een ontmoet te hebben! Is er dus een jacht op touw, dan moet men beginnen met de gewone toegangen dezer dieren op te sporen en vooral de beek of de bron ontdekken waarin zij gewoonlijk hun dorst gaan lesschen.
En dit is dikwijls nog niet voldoende, men moet ze nog lokken. Men doet dit vrij gemakkelijk door een stuk ossenvleesch, aan een paal gebonden, op een open plek te brengen, omringd door boomen of rotsen, die den jagers ter beschutting kunnen dienen. Op deze wijze gaat men althans in het bosch te werk.
Op de vlakte gaat het anders toe en wordt de olifant de nuttigste helper van den mensch bij de gevaarlijke drijfjachten. Doch deze dieren moeten hiertoe volkomen afgericht zijn en toch in weerwil hiervan worden zij soms door een paniek overvallen, hetgeen den toestand der jagers, die op hun rug zitten, somtijds zeer gevaarlijk maakt. Ook moet hier gezegd worden, dat de tijger niet aarzelt zich op den olifant te werpen. De worsteling tusschen den mensch en hem heeft dan plaats op den rug van het reusachtige dikhuidige dier, dat zich driftig maakt en het is zeldzaam, dat zij niet ten voordeele van het wilde dier beslist wordt.
Op die wijze evenwel hebben de groote jachten der rajahs en der rijke sportsmen van Indië plaats, waardig om in de jaarboeken der jacht te worden opgenomen.
Doch dit was de wijze niet waarop kapitein Hod wilde tewerkgaan. Te voet ging hij de tijgers opzoeken, te voet was hij gewoon ze te bestrijden.
Intusschen volgden wij Kâlagani, die flink doorstapte. Terughoudend als een Hindoe, praatte hij weinig en bepaalde hij zich kort te antwoorden op de vragen, die hem gedaan werden.
Een uur later, hielden wij halt bij een schuimende beek, welker boorden de nog versche sporen van dieren vertoonden. Te midden eener kleine open plek in het bosch was een paal opgericht waaraan een groot stuk rundvleesch was vastgebonden.
Het lokaas was niet geheel gespaard gebleven. De jakhalzen, de gauwdieven der Indische dierenwereld, altijd op eenige prooi uit, al is de prooi niet voor hen bestemd, hadden er juist even van geproefd. Een dozijn van die roofdieren ging bij onze nadering op de vlucht en liet ons volle vrijheid.
»Kapitein," zei Kâlagani, »hier zullen we de tijgerin afwachten. U ziet dat de plek gunstig is."
Werkelijk was het gemakkelijk zich in de boomen of achter de rotsen te verschuilen, zoodanig, dat men zijn vuur op de alleenstaande paal in het midden der open plek kon kruisen.
Dit werd dan ook onmiddellijk gedaan. Goûmi en ik hadden op denzelfden tak plaatsgenomen. Kapitein Hod en Fox, beiden op de eerste vertakking van twee groote groene eiken geplaatst, zaten recht tegenover elkander.
Kâlagani had zich half verscholen achter een hooge rots, die hij ingeval van dreigend gevaar kon beklimmen.
Het dier zou dus van alle kanten bestookt worden en het moeielijk kunnen ontloopen. Alle kansen waren dus tegen hem, alhoewel men rekening met onvoorziene omstandigheden moest houden.
Wij hadden nu niets anders te doen dan te wachten.
De jakhalzen, hier en daar verspreid, deden altijd hun schor geblaf in het naburig kreupelhout hooren, maar zij dorsten zich niet meer aan het stuk vleesch te wagen.
Nauwelijks was er een uur verloopen, of dit geblaf eindigde plotseling. Bijna op hetzelfde oogenblik, sprongen twee of drie jakhalzen uit het kreupelhout voor den dag, doorkruisten de open plek en verdwenen in het dichtst van het woud.
Een teeken van Kâlagani, die op het punt stond om de rots te beklimmen, waarschuwde ons op te passen.
Inderdaad was geen andere oorzaak voor deze overhaaste vlucht der jakhalzen te vinden dan de nadering van een wild dier,--de tijgerin ongetwijfeld,--en elk oogenblik kon men verwachten haar op een of ander punt der open plek in het bosch te zien verschijnen.
Onze wapenen waren gereed. De karabijnen van kapitein Hod en zijn oppasser, reeds gericht naar de plek van het kreupelbosch waaruit de jakhalzen ontvlucht waren, wachtten slechts op een vingerdruk om los te branden.
Weldra meende ik de bovenste takken van het kreupelhout even te zien bewegen. Op hetzelfde oogenblik deed zich een gekraak van droog hout vernemen. Duidelijk hoorde men nu een dier, welk dan ook, naderen, maar voorzichtig, zonder zich te haasten. Van de jagers, die, onder dicht gebladerte verscholen, hem beloerden, kon hij blijkbaar niets zien. Nochtans moest zijn instinct hem doen gevoelen, dat de plaats niet veilig voor hem was. Zeer zeker zou, indien hij niet door den honger ware gedrongen en het stuk vleesch hem door den reuk niet had verlokt, zich niet verder gewaagd hebben.
Hij vertoonde zich evenwel, half door de takken van een struik verborgen en bleef zich alleen nog uit een gevoel van wantrouwen ophouden.
Het was wel degelijk een tijgerin, groot van stuk, met een prachtigen kop en een lenig lichaam. Zij kwam langzaam langs den grond voortglijdende, met de golvende beweging van een kruipend dier vooruit.
Algemeen kwam men daarin overeen, haar tot aan de paal te laten naderen. Zij rook den grond, ze richtte zich op, kromde den rug als een énorme kat, die niet van plan is een sprong te nemen.
Eensklaps barstten twee karabijnschoten los.
»Twee en veertig!" riep kapitein Hod.
»Acht en dertig!" riep Fox.
De kapitein en zijn oppasser hadden te gelijkertijd geschoten, en zoo juist, dat de tijgerin, getroffen door een, zoo niet door twee kogels, over den grond rolde.
Kâlagani was op het dier toegesneld en ook wij waren op den grond gesprongen.
De tijgerin bewoog zich niet meer.
Doch wien kwam de eer toe haar doodelijk getroffen te hebben? Den kapitein of Fox? Men kan zich voorstellen, dat dit een punt van gewicht was!
Het dier werd geopend. Het hart was door twee kogels doorboord.
»Kom," zei kapitein Hod, niet zonder eenigen spijt, »ieder de helft!"
»De helft, kapitein!" antwoordde Fox op denzelfden toon.
En ik geloof, dat noch de een nog de ander gaarne het deel had afgestaan, dat hem toekwam.
Dit was het merkwaardige schot, waarvan het beste resultaat was, dat het dier zonder worsteling bezweken was en bijgevolg zonder gevaar voor de aanvallers,--een resultaat, dat bij de jachten dezer soort zelden voorkomt.
Fox en Goûmi bleven op het slagveld achter, om het dier van zijn prachtige huid te ontdoen, terwijl Hod en ik naar het Stoomhuis terugkeerden.
Het is mijn voornemen niet de voorvallen onzer tochten in Tarryani tot in de minste bijzonderheden te vermelden, tenzij zij iets merkwaardigs opleveren. Het zij genoeg al dadelijk te zeggen, dat kapitein Hod en Fox zich niet te beklagen hadden.
Den 10n Juli, bij een jacht uit de houddi, namelijk uit de hut, hadden zij opnieuw een gelukkige kans, zonder dat zij werkelijk gevaar geloopen hadden. De houddi, trouwens, is zeer geschikt om de groote roofdieren te belagen. Het is een soort van gecreneleerd fortje, welks muren, door schietgaten doorboord, de oevers van een beek beheerschen, waar de dieren gewoon zijn te gaan drinken. Gewoon aan het gezicht dezer kleine gebouwen, hebben zij geen wantrouwen en stellen zij zich rechtstreeks aan het moorddadig lood bloot. Maar ook daar als overal, komt het er op aan hen doodelijk met het eerste schot te treffen, of de worsteling wordt gevaarlijk, want de houddi behoedt den jager niet altijd voor de geduchte sprongen dezer dieren, die gewond, woedend zijn geworden.
Dit was het nu juist wat gebeurde, zooals men weldra zien zal.
Matthias van Guitt vergezelde ons. Misschien hoopte hij wel, dat een licht gewonde tijger naar de kraal medegenomen zou kunnen worden, waar hij dan de zorg op zich zou nemen hem te verzorgen en te genezen.
Nu had onze troep jagers dien dag met drie tijgers te doen, die door de eerste losbranding niet weerhouden werden de muren van de houddi te bespringen. De twee eerste werden, tot groot verdriet van den leverancier, met een tweeden kogel gedood, toen zij over de gecreneleerde omheining sprongen. Wat den derden betreft, hij nam een sprong tot in het inwendige van het gebouwtje, den schouder gewond, maar overigens niet doodelijk getroffen.
»Dien zullen we dan toch hebben!" riep Matthias van Guitt uit, die zoo sprekende wel wat veel waagde, »we zullen hem levend hebben!...."
Nauwelijks had hij deze onvoorzichtige woorden gesproken, of het dier stortte zich op hem, wierp hem omver en het ware gedaan geweest met den leverancier, had een kogel van kapitein Hod den kop des tijgers niet geraakt, die als door den bliksem getroffen neerzeeg.
Matthias van Guitt was weder snel op de been.
»Hé! kapitein," riep hij uit, in plaats van onzen vriend te bedanken, »u hadt wel kunnen wachten!...."
»Wachten.... wat?...." antwoordde kapitein Hod, »totdat het dier je de borst met zijn klauwen had opengereten?"
»Zoo'n krab is nog niet doodelijk!..."
»Goed!" antwoordde bedaard kapitein Hod. »Een andermaal zal ik wachten!"
Wat er van zij, het dier was buiten staat in de menagerie der kraal te figureeren en had alleen om zijn vel nog eenige waarde; maar deze gelukkige tocht bracht het getal der door den kapitein en zijn oppasser gedoode tijgers op twee en veertig en acht en dertig, zonder de reeds vermelde halve tijgerin mede te rekenen.
Men denke nu niet dat deze groote jachten ons de kleine deden vergeten. Daar zorgde »Monsieur" Parazard wel voor. Een groote verscheidenheid van allerlei wild, zooals patrijzen, hazen, antilopen, gemzen, trapganzen, dat in den omtrek van het Stoomhuis rijk vertegenwoordigd was, prijkte op onze tafel.
Zelden gebeurde het dat Banks ons bij onze tochten in Tarryani vergezelde. Mochten die tochten mij belang beginnen in te boezemen, hem bevielen ze niet bijzonder. Voor hem hadden de hoogere streken der Himalaya meer aantrekkelijkheid, vooral als kolonel Munro hem wilde vergezellen.
Maar een of twee malen slechts hadden de wandelingen van den ingenieur op deze wijze plaats. Hij had opgemerkt, dat Sir Edward Munro in den laatsten tijd weer meer in zich zelven gekeerd en bezorgder geworden was. Hij sprak minder, hield zich meer afgezonderd en had somtijds drukke gesprekken met sergeant Mac Neil. Zouden zij met hun beiden eenig nieuw plan beramen, dat ze wilden verbergen, zelfs voor Banks?
Den 13n Juli kwam Matthias van Guitt ons een bezoek brengen. Hij was minder gelukkig geweest dan kapitein Hod en had zijn menagerie met geen nieuwen gast kunnen verrijken. Geen tijgers, noch leeuwen, noch luipaarden schenen geneigd te zijn zich te laten vangen. De gedachte zich in het verre westen te laten tentoonstellen lachte hun ongetwijfeld niet toe. Vandaar dat de leverancier een ergernis gevoelde, die hij niet trachtte te ontveinzen.
Kâlagani en twee chikaris van het personeel vergezelden Matthias van Guitt bij dit bezoek.
De vestiging van het sanitarium in die bekoorlijke streek behaagde hem buitengemeen. Kolonel Munro noodigde hem te blijven eten. Hij nam het gretig aan en beloofde onze tafel eer aan te doen.