Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 18

Chapter 183,611 wordsPublic domain

»Ter rechter tijd zullen we ons wreken," zei eenvoudig Natalis Van Tricasse, de twee en dertigste voorganger van den tegenwoordigen burgemeester, »en uitstel is geen afstel!"

De inwoners van Virgamen waren bij tijds onderricht. Zij wachtten en dachten niet zonder reden, dat de tijd de herinnering der beleediging wel zou uitwisschen en werkelijk leefden zij gedurende verscheidene eeuwen in de beste verstandhouding met hunne buren van Quiquendone.

Maar zij hadden buiten den waard gerekend, of liever buiten die zonderlinge epidemie, die, terwijl zij het karakter hunner buren ten eenenmale veranderde, het uitgedoofde vuur der wraak in die harten weder oprakelde.

Het was in de club van de Monstrelet-straat, dat de vurige advocaat Schut eensklaps de quaestie te berde bracht, en zijne toehoorders electriseerde door de uitdrukkingen en schilderingen te gebruiken, die in deze omstandigheden in zwang zijn. Hij herinnerde de overtreding, hij herinnerde het ongelijk, der gemeente Quiquendone aangedaan, en waarvoor een natie »naijverig op haar rechten" geen verjaring kon dulden; hij wees op de nog altijd gevoelde beleediging, op de nog altijd bloedende wond; hij sprak van zekere eigenaardige bewegingen van het hoofd der inwoners van Virgamen en die aantoonden hoezeer zij de inwoners van Quiquendone verachtten; hij smeekte zijne landgenooten, die misschien »onbewust" gedurende lange eeuwen die doodelijke beleediging verdragen hadden, hij bezwoer »de kinderen der oude stad" geen ander doel meer voor oogen te houden dan een schitterende voldoening te verkrijgen! Eindelijk deed hij een beroep op de levende strijdkrachten der natie!

Het is onmogelijk in woorden weer te geven met welk een geestdrift deze taal, die voor Quiquendonsche ooren zoo nieuw was, ontvangen werd. Het geheele auditorium was opgestaan en met luide kreten, de armen uitgestrekt, vroegen alle toehoorders den oorlog. Nooit had de advocaat Schut zulk een succes gehad en het moet erkend worden, dat hij prachtig geweest was.

De burgemeester, de wethouder, al de notabelen, die deze gedenkwaardige zitting bijwoonden, zouden zich vruchteloos tegen die vervoering van het volk hebben kunnen verzetten. Trouwens hadden zij er ook niet den minsten lust toe en, zooal niet harder, dan toch even hard, schreeuwden ook zij:

»Naar de grenzen! Naar de grenzen!"

Daar nu deze grenzen slechts drie kilometers van de muren van Quiquendone verwijderd waren, is het zeker, dat de inwoners van Virgamen werkelijk gevaar liepen, want zij konden overmeesterd zijn, alvorens den tijd gehad te hebben tot bezinning te komen.

Inmiddels scheen de achtbare apotheker Josse Liefrinck, onder deze ernstige omstandigheden, alleen zijn zinnen bij elkander gehouden te hebben, want hij maakte de opmerking dat er gebrek was aan geweren, kanonnen en generaals.

Men antwoordde hem en liet dit antwoord van eenige handtastelijke bewijsgronden vergezeld gaan, dat men die generaals, die kanonnen en geweren wel zou vinden en dat het goed recht en de liefde voor het vaderland voldoende waren en een volk onwederstaanbaar maakten.

Daarop nam de burgemeester zelf het woord en brak in een sierlijke, voor de vuist uitgesproken redevoering den staf over die kinderachtige zielen, die achter het masker der voorzichtigheid de vrees verbergen en dit masker rukte hij af met een vaderlandslievende hand.

Men zou op dit oogenblik gezegd hebben, dat de zaal onder de toejuichingen inviel.

Men vroeg stemming.

De stemming geschiedde bij acclamatie, en de kreten verdubbelden:

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!"

De burgemeester nam op zich om het leger mobiel te maken en in den naam der stad beloofde hij dengenen zijner aanstaande generaals, die als overwinnaar zou terugkeeren, de eerbewijzingen der zegepraal, zooals dit ten tijde der Romeinen plaatsgreep.

Evenwel wilde de apotheker Josse Liefrinck, die een eigen hoofd had, en zich niet voor geslagen hield, ofschoon hij het werkelijk was, nog een opmerking maken. Hij zei namelijk, dat te Rome de overwinnende generaals niet in triomf werden ingehaald, of ze moesten vijf duizend vijanden gedood hebben.

»Welnu! welnu!" schreeuwde het publiek in de grootste opgewondenheid.

»... En dat, daar de bevolking der gemeente Virgamen niet meer beloopt dan drie duizend vijf honderd vijf en zeventig inwoners, het moeielijk zou zijn, of men moest verscheidene keeren denzelfden persoon dooden..."

Maar men liet den ongelukkigen logischen apotheker niet uitpraten en gestompt en geslagen werd hij de deur uitgesmeten.

»Burgers," zei daarop Sylvester Pulmacker, een klein kruideniertje, »burgers, laat dien laffen apotheker maar zeggen wat hij wil, ik neem aan vijf duizend Virgamenaars te dooden, als ge mijne diensten wilt aannemen."

»Vijf duizend vijf honderd!" schreeuwde een nog onversaagder vaderlander.

»Zes duizend zes honderd!" hernam de kruidenier.

»Zeven duizend!" riep de banketbakker uit de Hemlingstraat, Jan Orbideck, die op weg was zijn fortuin in de roomgebakjes te maken.

»Toegewezen!" riep burgemeester Van Tricasse uit, toen hij zag, dat niemand hooger bood.

En zoo kwam het dat de banketbakker Jan Orbideck, de generaal, opperbevelhebber der troepen van Quiquendone werd.

XII.

Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft, die driftig door Dr. Ox wordt van de hand gewezen.

»Wel! meester," zei de assistent Ygeen den volgenden dag, terwijl hij emmers met zwavelzuur in den bak zijner enorme batterijen uitstortte.

»Wel!" hernam dokter Ox, »had ik geen gelijk? Daarvan hangt nu niet alleen de physische ontwikkeling van een geheele natie af, maar haar zedelijkheid, haar waardigheid, haar talenten, haar politieke zin! 't Is maar een quaestie van moleculen."

»Zeker, maar..."

»Maar?..."

»Vindt u niet, dat het nu al wel zoo is en dat die arme duivels nu genoeg overprikkeld zijn?"

»Neen! neen!" riep de dokter uit, »neen! 'k houd tot het einde toe vol."

»Zooals u wilt, meester, ofschoon de proef, naar 't me voorkomt, genoeg bewijst en daarom dunkt me, zou het tijd zijn om..."

»Om?..."

»De kraan te sluiten."

»Nu nog mooier!" riep dokter Ox uit. » Probeer het eens als je 't hart hebt!"

XIII.

Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats alle menschelijke nietigheden beheerscht.

»Wat zeg je?" vroeg burgemeester Van Tricasse den wethouder Niklausse.

»'k Zeg, dat deze oorlog noodzakelijk is," antwoordde de wethouder op vasten toon, »en dat het tijd is om onze beleediging te wreken."

»En ik," antwoordde de burgemeester kwaad, »ik zeg, dat als de bevolking van Quiquendone niet van deze gelegenheid gebruik maakte om haar recht te handhaven, ze onwaardig zou zijn haar naam te dragen."

»En ik, 'k houd staande, dat we onmiddellijk onze troepenmassa moeten verzamelen en haar vooruit moeten brengen."

»Ei! mijnheer, ei!" antwoordde Van Tricasse, »en spreekt u zoo tegen mij?"

»Tegen u, mijnheer de burgemeester, en u zult de waarheid hooren, hoe hard ze ook zij."

»En u zult haar zelf hooren, mijnheer de wethouder," gaf Van Tricasse buiten zich zelven ten antwoord, »want ze zal beter uit mijn mond komen dan uit den uwe! Ja! mijnheer, ja, nog langer te wachten zou schande zijn. Sedert negen honderd jaar wacht de stad Quiquendone op het oogenblik van weerwraak en zeg nu wat je wilt, of 't je kan schelen of niet, maar we gaan op den vijand los."

»O! praat je zoo?" antwoordde de wethouder Niklausse heftig. »Welnu! mijnheer, als 't je niet bevalt mee te gaan, zullen we zonder u er op los gaan."

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer."

»En die van een wethouder ook, mijnheer."

»Je beleedigt me met je woorden en werkt me onophoudelijk tegen," riep de burgemeester uit, wiens vuisten zich balden.

»En je beleedigt wederkeerig door aan mijn vaderlandsliefde te twijfelen," riep Niklausse uit, die zich ook slagvaardig stelde.

»'k Zeg u, mijnheer, dat het Quiquendonsche leger binnen twee dagen marschvaardig zal zijn!"

»En ik zeg nog eens, ik, mijnheer, dat er geen achtenveertig uren zullen verloopen, voordat we tegen den vijand optrekken!"

Men zal uit dit gesprek gemakkelijk zien, dat beide sprekers juist hetzelfde denkbeeld voorstonden. Beiden wilden den veldslag, doch hun overspannen gemoedstoestand bracht hen aan 't twisten en Niklausse verstond Van Tricasse niet en Tricasse verstond Niklausse niet. Ware hunne meening omtrent deze ernstige aangelegenheid verdeeld geweest en de burgemeester had liever oorlog, de wethouder daarentegen liever vrede gehad, zou de twist niet heviger hebben kunnen zijn. De twee oude vrienden keken elkander verwoed aan. Aan de versnelde beweging van hun hart, aan hun rood gelaat, aan hunne vernauwde pupillen, aan het trillen hunner spieren, aan hun stem, bevende van ingehouden toorn, begreep men dat ze op het punt stonden zich op elkander te werpen.

Maar een groote klok, die sloeg deed gelukkig de tegenstanders tot bezinning komen op het oogenblik dat zij handgemeen zouden worden.

»Daar slaat het eindelijk," riep de burgemeester uit.

»Wat slaat er?" vroeg de wethouder.

»Wel, het uur om naar den klokketoren te gaan."

»'t Is waar en of 't u bevalt of niet, ik ga, mijnheer!"

»Ik ook."

»Laat ons gaan!"

»Laat ons gaan!"

Uit deze laatste woorden zou men allicht hebben opgemaakt, dat er een ontmoeting zou plaats hebben en de twee tegenstanders zich naar het terrein zouden begeven, maar dat was volstrekt het geval niet. Men was overeengekomen, dat de burgemeester en de wethouder--werkelijk de twee voornaamste notabelen uit de stad--zich naar het stadhuis zouden begeven, dat zij daar den zeer hoogen toren zouden beklimmen en van den omloop het omliggende land zouden verkennen, teneinde zoodanige strategische beschikkingen te nemen als dienstig zouden zijn voor de beweging hunner troepen.

Alhoewel zij het nu hieromtrent volkomen eens waren, hielden zij niet op elkander onderweg de grootste hatelijkheden toe te voegen. Men hoorde op straat hunne twistende stemmen, maar al de voorbijgangers verkeerden in dezelfde driftige stemming als zij en daarom lette men er niet op. In deze omstandigheden zou een bedaard mensch als een monster beschouwd zijn.

Toen de burgemeester en de wethouder in het portaal van den toren waren aangekomen, was hun woede ten top gestegen. Zij waren nu niet rood meer, maar bleek. Hoewel zij het steeds eens waren, had die vijandige woordenwisseling hun krampen in het lijf bezorgd en men weet dat bleekheid het bewijs is van een grenzenloozen toorn.

Onder aan den smallen trap had er een ware uitbarsting plaats. Wie zou voorgaan? Wie zou het eerst den wenteltrap beklimmen? De waarheid verplicht ons te zeggen, dat er een kleine schermutseling plaats had en dat de wethouder Niklausse, geheel uit het oog verliezende wat hij zijn meerdere, den eersten overheidspersoon der stad verschuldigd was, Van Tricasse ruw op zijde duwde en het eerst den smallen trap opvloog.

Beiden klommen nu naar boven, eerst vier treden tegelijk, elkander de gemeenste scheldwoorden naar het hoofd werpende. Men had waarlijk alle reden om te vreezen, dat boven op dien toren, die drie honderd zeven en vijftig voet hoog was, een noodlottige ontknooping zou plaatshebben.

Maar de twee vijanden waren spoedig buiten adem, en klommen na een minuut, bij de tachtigste trede, nog slechts met moeite, en al hijgende.

En toen,--'t was misschien een gevolg hunner kortademigheid,--was hun toorn nog wel niet bedaard, maar uitte ze zich niet meer in een stroom van onbehoorlijke benamingen. Zij zwegen nu, en vreemd genoeg, scheen het wel, dat hun drift bedaarde naarmate zij hooger klommen. Een zekere kalmte maakte zich van hun geest meester. Het opbruisen hunner hersenen bedaarde als dat van een koffiekan, die men van het vuur neemt. Hoe kwam dat?

Wij kunnen geen antwoord hierop geven, maar waar is het, dat, toen de twee tegenstanders, op twee honderd zes en zestig voet boven het niveau, een zeker portaal bereikt hadden, zij gingen zitten en werkelijk veel bedaarder geworden, elkander niet meer boos aankeken.

»Wat is dat hoog!" zei de burgemeester, zijn rood gelaat met zijn zakdoek afvegende.

»Zeer hoog!" antwoordde de wethouder. »U weet, dat we veertien voet hooger zijn dan de St. Michiel van Hamburg?"

»Welzeker weet ik dat," antwoordde de burgemeester op hoogmoedigen toon, te vergeven aan den eersten magistraatspersoon van Quiquendone.

Na eenige oogenblikken zetten de twee notabelen hun reis naar boven voort, onderwijl nieuwsgierige blikken door de schietgaten in den muur van den toren werpende. De burgemeester had zich aan het hoofd van de karavaan gesteld, zonder dat de wethouder de minste aanmerking gemaakt had. Toen Van Tricasse bij de drie honderd vierde trede geheel afgemat was, gebeurde het zelfs, dat Niklausse hem zeer dienstwillig een douwtje in de lendenen gaf. De burgemeester liet hem zijn gang gaan en boven op den omloop van den toren aangekomen, zei hij vriendelijk:

»Dank je, Niklausse, tot wederdienst bereid."

Zooeven nog onder aan den toren, waren het twee wilde beesten, gereed elkander te verscheuren en nu boven gekomen, waren het twee vrienden.

Het was prachtig weer en men was in de Meimaand! De zon had alle dampen verdreven. Welk een reine, heldere lucht! De blik kon in een wijden omtrek de kleine voorwerpen onderscheiden. Op weinige mijlen slechts zag men de glinsterend witte muren van Virgamen, hare roode daken, en hare in den glans der zon schitterende torens. En dat was de stad, bij voorbaat gewijd aan al de verschrikkingen van plundering en brand!

De burgemeester en de wethouder zaten bij elkander op een klein bankje, als twee goede luidjes, wier zielen door nauwe vriendschapsbanden innig met elkander verbonden waren. Al hijgende, keken zij en toen riep na eenige oogenblikken van stilte de burgemeester uit:

»Hoe schoon!" waarop de wethouder antwoordde:

»Ja! 't is prachtig. Dunkt u ook niet, mijn waarde Van Tricasse, dat het veeleer de bestemming is van de menschheid op zulke hoogten te wonen, dan op de korst van onzen aardbol rond te kruipen?"

»Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Niklausse," antwoordde de burgemeester. »Men gevoelt hier beter de uitingen der natuur. Men geniet haar met zijn gansche wezen! Op zulke hoogten moesten philosophen gevormd worden en daar, verheven boven de nietigheden dezer wereld moesten de wijzen wonen!

»Willen we den omloop eens rondgaan?" vroeg de wethouder.

»Laten we den omloop eens rondgaan," antwoordde de burgemeester.

En de twee vrienden wandelden gearmd rond en, even als vroeger, elkanders vragen eerst na lange tusschenpoozen beantwoordende, richtten zij hunne blikken naar alle punten van den horizont.

»'t Zal minstens zeventien jaar geleden zijn, dat ik hier boven op den toren geweest ben," zei Van Tricasse.

»'k Geloof niet, dat ik er ooit geweest ben," antwoordde de wethouder Niklausse, »en 't spijt me, want het gezicht is prachtig van deze hoogte! Ziet ge hoe bekoorlijk de Vaar zich daar tusschen de boomen heen slingert?"

»En verderop de heuvels van St.-Hermandad! Hoe schoon vertoonen ze zich in het verre verschiet! Ziet ge daar die boomen, door de natuur zoo schilderachtig gegroepeerd! O! de natuur, de natuur, Niklausse! Kunnen menschenhanden ooit met haar wedijveren!"

»'t Is een verrukkelijk gezicht, mijn beste vriend," antwoordde de wethouder. »Zie de kudden in de groene weiden grazen, die ossen, koeien, schapen..."

»En de landlieden, zich naar de velden spoedende, als herders van Arcadië. Er ontbreekt hun slechts een schalmei!"

»En boven dat uitgestrekte, vruchtbare land, welft zich de schoone, blauwe, onbewolkte hemel! O! Niklausse, men zou hier dichter worden! 'k Begrijp waarlijk niet dat St.-Simeon, de pilaarheilige, niet een van de grootste dichters der wereld geweest is."

»Dat komt misschien omdat zijn zuil niet hoog genoeg geweest is!" antwoordde de wethouder met een zacht glimlachje.

Op dit oogenblik stelde zich het klokkespel in beweging. De helderklinkende klokken speelden een harer meest welluidende liederen. De twee vrienden waren verrukt.

Toen sprak de burgemeester op zijn ouden, bedaarden toon, »wat zijn we ook boven op den toren komen doen?"

»'k Geloof waarlijk," antwoordde de wethouder, »dat we ons door onze droomerijen laten wegsleepen..."

»Wat zijn we hier toch komen doen?" herhaalde de burgemeester.

»We zijn hier de zuivere lucht komen inademen, die nog niet door de menschelijke zwakheden bedorven is," antwoordde Niklausse.

»Welnu, willen we dan nu maar weder naar beneden gaan, vriend Niklausse?"

»Goed, vriend Van Tricasse, laten we weer naar beneden gaan."

De twee notabelen sloegen nog een laatsten blik op het prachtige panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde; toen ging de burgemeester vooruit en begon met langzamen en afgemeten tred af te klimmen. De wethouder volgde eenige treden achter hem. De twee notabelen kwamen op het portaal waar ze zich bij het naar boven klimmen hadden opgehouden. Daar reeds begonnen hunne wangen te gloeien. Zij hielden een oogenblik stil en hernamen hunne afgebroken nederdaling.

Na verloop van een minuut, verzocht Van Tricasse Niklausse wat langzamer te loopen, aangezien hij voelde dat hij op zijn hielen zat en »hem dit hinderde."

Het deed hem zelfs meer dan hinderen, want twintig treden lager, beval hij den wethouder te blijven staan, omdat hij eerst een beetje vooruit wilde gaan.

De wethouder antwoordde, dat hij geen lust had om voor het pleizier van den burgemeester te blijven staan wachten.

Van Tricasse van zijn kant antwoordde hierop niet zeer vriendelijk.

De wethouder maakte nu een beleedigende zinspeling op den leeftijd van den burgemeester, door familieoverleveringen bestemd om een tweede huwelijk aan te gaan.

De burgemeester klom nog twintig trappen naar beneden en waarschuwde Niklausse driftig, dat dat maar zoo niet ging.

Niklausse antwoordde, dat hij dan in alle geval vooruit zou gaan, en, daar nu de trap zeer smal was, had er een botsing tusschen de twee notabelen plaats, die zich nu in diepe duisternis bevonden.

De woorden domoor en lomperd waren nog de zachtste, die toen gewisseld werden.

»We zullen eens zien," schreeuwde de burgemeester, »we zullen eens zien, welk figuur je in dien oorlog maken zult; 'k geloof niet, dat je een van de voorsten zijn zult!"

»In alle geval vóór jou, ingebeelde gek!" antwoordde Niklausse.

Op deze wijze ging het nog eenigen tijd voort en eindelijk was het alsof ze aan het vechten waren...

Wat gebeurde er toch weder? Hoe waren die gemoederen zoo schielijk veranderd? Waarom waren de schapen van den omloop twee honderd voet lager tijgers geworden?

Hoe het zij, toen de bewaarder van den toren zulk een helsch leven hoorde, opende hij de benedendeur, juist op het oogenblik dat de tegenstanders, gekneusd, met de oogen uit het hoofd, elkander wederkeerig de haren uittrokken, of liever de pruiken afrukten.

»Je zult me voldoening geven!" riep de burgemeester uit, met de gebalde vuist onder den neus van zijn tegenstander.

»Wanneer je maar wilt!" gilde de wethouder het uit, in dreigende houding.

De bewaarder, die zelf woedend was,--waarom is niet bekend,--vond niets vreemds in dit twisttooneel. 'k Weet niet welke persoonlijke overprikkeling hem drong partij te kiezen. Maar hij hield zich in en verspreidde in de gansche buurt de tijding, dat er spoedig een ontmoeting zou plaats hebben tusschen den burgemeester Van Tricasse en den wethouder Niklausse.

XIV.

Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart nemen, dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver een onmiddellijke ontknooping vorderen.

Dit laatste voorval doet zien tot welk een hoogte de opgewondenheid van de Quiquendonsche bevolking gestegen was. Wie had ooit kunnen denken, dat de twee oudste vrienden der stad en daarbij de vreedzaamste,--vóór de treurige bezoeking,--zoo op elkander gebeten konden worden! En dat eenige minuten slechts nadat hunne oude sympathie, hun zacht karakter, hun kalme levensbeschouwing daarboven op den toren weder de overhand hadden gekregen!

Toen dokter Ox hoorde wat er al zoo in het stadje omging, kon hij zijn blijdschap niet inhouden. Hij was het volstrekt niet eens met zijn assistent, die zag dat het niet goed ging. Ook zij, trouwens, deelden in de algemeene overspanning. Zij waren niet minder overprikkeld dan de overige bevolking en geraakten waarlijk ook, evenals de burgemeester en de wethouder, aan het kibbelen.

Evenwel moet erkend worden, dat de voorname quaestie, de quaestie van den dag al de andere verdrong en de voorgenomen duels verschoof totdat de zaak met de inwoners van Virgamen was uitgemaakt. Niemand had het recht zijn bloed nutteloos te vergieten, want het behoorde immers tot den laatsten druppel aan het bedreigde vaderland.

Want inderdaad waren de omstandigheden ernstig en kon men niet teruggaan.

Niettegenstaande al het oorlogsvuur, dat in hem brandde, meende de burgemeester Van Tricasse den vijand niet te moeten aanvallen zonder hem te waarschuwen. Hij had dus den veldwachter, heer Hottering naar Virgamen gezonden en de inwoners gerechtelijk aangemaand hun voldoening te geven voor de overtreding in den jare 1195 op het grondgebied van Quiquendone begaan.

De overheid van Virgamen had er in het eerst geen flauw begrip van gehad, waarvan er toch eigenlijke sprake was en den veldwachter, in weerwil van zijn officieel karakter zonder complimenten buiten de gemeente laten brengen.

Toen zond Van Tricasse een der aides-de-camp van den generaal-banketbakker, den burger Hildevert Shuman, een flinken vent, vol geestkracht, die aan de overheid van Virgamen het origineel bracht van het procesverbaal, opgemaakt in 1195 door den burgemeester Natalis Van Tricasse.

De regeering van Virgamen barstte uit in lachen en het ging met den aide-de-camp precies op dezelfde manier als met den veldwachter.

De burgemeester belegde toen een vergadering van de notabelen der stad. In deze vergadering werd besloten in den vorm van een ultimatum een flinken brief op te maken, waarin de casus belli duidelijk werd uiteengezet en een uitstel van vier en twintig uren aan de schuldige stad gegeven werd om de beleediging, Quiquendone aangedaan, te herstellen.

De brief werd verzonden en kwam eenige uren later terug, in kleine stukjes verscheurd, die als zoovele beleedigingen beschouwd werden. De inwoners van Virgamen kenden van langen datum de lankmoedigheid der Quiquendoners en gaven geen zier om hunne vorderingen, hun casus belli en hun ultimatum.

Er bleef dus nu niets anders over dan het lot der wapenen te laten beslissen, den god der veldslagen aan te roepen en, volgens Pruisische manier, de inwoners van Virgamen aan te tasten voordat zij nog geheel gereed waren.

Dit was het besluit van den raad in een plechtige zitting, waar het met ongekende hevigheid toeging, zoo zelfs, dat het in een vergadering van gekken, een vereeniging van bezetenen of een club van razenden niet oproeriger had kunnen toegaan.