Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 17

Chapter 173,784 wordsPublic domain

Zoo nu peinsde de waardige Van Tricasse, terwijl hij met een zwaar hoofd, dikke tong en hijgende borst onder de dekens lag. Hij had geen den minsten lust om op te staan, wel het tegendeel, en in zijn hersenen ging dien morgen meer om dan anders in veertig jaren tijds. De achtbare magistraat overdacht nog eens alles wat bij die onverklaarbare voorstelling gebeurd was. Hij bracht het in verband met het voorgevallene op de partij ten huize van dokter Ox. Hij zocht naar de redenen van die zonderlinge opgewondenheid, die zich nu ten tweede male bij zijne rustige ingezetenen had voorgedaan.

»Maar wat gebeurt er dan toch?" vroeg hij zich zelf. »Hoe komen in mijn stille stad de zinnen zoo verbijsterd? Staan we op het punt gek te worden en moet de gansche stad een groot hospitaal worden? De gansche stad, want alle notabelen, wethouders, rechters, advocaten, geneesheeren, gestudeerden, allen waren er, en als ik mij goed herinner, zijn we allen even dol geweest! En hoe kwam het, dat die muziek zoo'n helsch spektakel maakte? Onbegrijpelijk! Ik voor mij weet zeker, dat ik niets gegeten, niets gedronken had, dat mij zoo kon opwinden! Och neen, gisteren at ik een doorgaar sneedje kalfsvleesch, een paar schepjes spinazie met suiker, geklutste eieren en ik dronk een paar glaasjes onschuldig bier. Dat stijgt niet naar het hoofd! Neen, er is iets onverklaarbaars in de geheele zaak, en daar ik toch de verantwoordelijke man ben voor hetgeen de ingezetenen van mijne stad doen, zal ik een onderzoek doen instellen."

De stedelijke raad kon zich met dat onderzoek vereenigen, maar het leidde tot niets. De feiten waren niet te loochenen, de oorzaken echter gingen boven het verstand van de magistraten. Overigens waren alle gemoederen nu weer tot kalmte gekomen, en de buitensporigheden geraakten in het vergeetboek. De dagbladen vermeden ook er over te spreken, en in het verslag der voorstelling, dat in de stadscourant verscheen, werd niet eens een toespeling gemaakt op de koortsachtige opgewondenheid van de geheele zaal.

Evenwel, de stad had wel weer haar gewone bedaardheid herkregen, en ze werd wel weer even Vlaamsch als te voren, maar toch was het merkbaar, dat het karakter en de geaardheid der bewoners langzamerhand eene wijziging ondergingen. 't Was of ze meer zenuwen hadden gekregen, zooals de geneesheer Dominicus Custos opmerkte.

Dat vereischt eenige toelichting. De verandering, die onloochenbaar was en ook niet geloochend werd, openbaarde zich slechts in sommige gevallen. Wanneer de Quiquendoners op de straat waren of langs de Vaar wandelden, waren zij dezelfde kalme, geregelde menschen van vroeger. Zoo ook in hunne woningen, waar de een een handwerk uitoefende, de ander met het hoofd werkte, nog een ander niets deed en een vierde zelfs niet dacht. In hun privaat leven waren ze zwijgend, stil en leidden ze een plantenleven als voorheen. Geen twist, geen verwijt in huis; hun hart klopte niet sneller, hunne hersenen werden door niets aangedaan. De gemiddelde polsslag kwam overeen met dien uit den goeden ouden tijd: vijftig a twee en vijftig in de minuut.

Een volkomen onverklaarbaar verschijnsel was het evenwel, een verschijnsel waarop de knapste physiologen der eeuw zich stomp zouden gedacht hebben, dat de Quiquendoners, in hun particulier leven onveranderd dezelfden, merkbaar veranderden zoodra zij in het openbaar te zamen kwamen.

Zoodra zij zich in een openbaar lokaal vereenigden, »was het mis," zooals de commissaris Passauf verklaarde. Op de beurs, op het stadhuis, in de academie, zoowel in raadsvergaderingen als in de bijeenkomsten van geleerden, kwam er meer leven onder de aanwezigen, werden ze aangetast door een vreemde opgewondenheid. Geen uur waren ze daar, of ze waren reeds scherp jegens elkander. Na twee uren was een beraadslaging een dispuut geworden; men werd warm en wierp elkaar persoonlijkheden naar het hoofd. In de kerk, zelfs onder de preek, konden de geloovigen niet meer bedaard naar dominé Van Stabel luisteren, die trouwens van zijn kant zich in zijn preekstoel niet meer zoo rustig als vroeger hield en zijn gehoor krachtiger toesprak dan anders.

In dezen stand van zaken ontstonden helaas nog ernstiger woordenwisselingen dan tusschen den geneesheer Custos en den advocaat Schut, en dat nooit de tusschenkomst der autoriteit werd vereischt, was alleen daaraan te danken, dat de twistenden, zoodra zij thuisgekomen waren, er rust vonden en weldra de beleedigingen van weerskanten vergaten.

Die bijzonderheid had echter nooit in het oog kunnen vallen aan menschen, die volstrekt niet konden waarnemen hetgeen met hen gebeurde. Slechts één persoon in de gansche stad, en wel degeen wiens betrekking al sinds dertig jaren lang op de nominatie stond opgeheven te worden, de commissaris van politie Passauf, had de opmerking gemaakt, dat de opgewondenheid, die in de particuliere woningen niet bestond, zich spoedig in publieke gebouwen openbaarde. Nu dacht hij er met zekere bezorgdheid over wat toch wel gebeuren zou, indien deze prikkelbaarheid eens tot de huizen der ingezetenen doordrong en indien de epidemie--want zoo noemde hij haar--zich tot de straat uitbreidde. Dan werden geen beleedigingen meer vergeten, dan waren er geen oogenblikken van kalmte meer in den waanzin, maar dan zou men voortdurend in de hoogste opgewondenheid verkeeren en met elkander in botsing komen.

»Wat dan?" vroeg de commissaris Passauf met schrik. »Hoe moesten die aanvallen van wilde woede te keer gegaan worden? Hoe moesten die prikkelbare gestellen in toom worden gehouden? Dan zal mijne betrekking waarlijk geen sinecure meer zijn, en dan zal de Raad mijne wedde wel dienen te verdubbelen,--tenminste, als hij mij niet laat oppakken... wegens inbreuk op de openbare orde!"

Die zeer rechtmatige vrees begon zich meer en meer te verwezenlijken. Van de beurs, de kerk, den schouwburg, de raadzaal was het kwaad tot de woningen der particulieren doorgedrongen, en wel twee weken na de verschrikkelijke voorstellingen van de Hugenoten.

In de woning van den bankier Collaert werden de eerste verschijnselen der epidemie waargenomen.

Deze rijke bankier gaf aan de notabelen der stad een bal, of althans een soirée dansante. Eenige maanden te voren was hij er gelukkig in geslaagd eene leening van f 15,000 voor drievierden te plaatsen, en ter viering van dit finantieel succes gaf hij zijn stadgenooten dit feest.

Een feest in Vlaanderen loopt gewoonlijk bedaard en kalm af; bier en eenige zoetigheden vormen het onthaal. Men praat wat over het weer, over den stand van den oogst, over de bloemen in den tuin en vooral over de tulpen; van tijd tot tijd waagt men heel langzaam en bedaard een dansje, maakt een menuet, soms ook een wals, maar dan een van die Duitsche walsjes, waarbij men anderhalven keer omdraait in de minuut, terwijl onder den dans de walsers zoover van elkander afblijven als hunne armen gedoogen. Zoo gaat het gewoonlijk toe op een bal onder de voorname lieden van Quiquendone. Men had getracht er de polka in te voeren en ze daartoe in vier tempo's gedanst, maar de dansende paren kwamen nog altijd bij het orkest achter, hoe langzaam men de maat ook nam, en daarom had men er van moeten afzien.

Deze vreedzame bijeenkomsten, waar jonkmannen en jongedochters zich eerlijk en rustig konden vermaken, hadden nooit eenige schadelijke gevolgen gehad. Maar hoe kwam het dan nu, dat dien avond bij den bankier Collaert die zoete dranken veranderd schenen te zijn in schuimenden wijn, bruisenden champagne, vlammende punch? Hoe kwam het, dat tegen het midden van de partij alle gasten dronken schenen te zijn? Waarom werd de eerzame menuet een rondedans? Waarom verhaastten de muzikanten de maat zoo? Hoe kwam het, dat de kaarsen dien avond, evenals in den schouwburg, zulk een ongewonen glans hadden? Welke electrische stroom liep toch door de salons van den rijken bankier? Hoe kwam het, dat de paren veel dichter bij elkander kwamen, dat de handen elkander hartstochtelijker drukten, dat de »cavaliers seul" ditmaal eenige gewaagde sprongen vertoonden, hoewel ze anders zoo deftig, zoo ernstig, zoo majestueus waren?

Helaas, wie zou het antwoord kunnen geven op al die vragen? De commissaris Passauf was op de partij aanwezig, hij zag den storm aankomen, maar hij kon hem niet bedwingen, hij kon hem niet ontgaan, en zelfs hij voelde zich bevangen! Zijne begeerten en hartstochten werden gedurig sterker; men zag hem herhaaldelijk een aanval doen op het suikerwerk, men zag hem verscheidene schotels ledigen, alsof hij ik weet niet hoelang gevast had!

Inmiddels werd het bal hoe langer hoe geanimeerder. Men begon nu eerst met volle teugen van het dansen te genieten, want het mocht nu werkelijk dansen heeten. De voeten bewogen zich met koortsachtige snelheid. De gezichten werden rood van inspanning, de oogen glinsterden als vurige kolen. De algemeene opgewondenheid had haar hoogste toppunt bereikt.

En toen het orkest de wals uit den Freyschutz aanhief, toen die echt Duitsche en statige wals met dolle woestheid door de muziekanten gespeeld werd, was het meer een met onzinnige snelheid in de rondte draaien, een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Daarna verviel alles in een helschen galop, die niet kon gestuit worden en een uur lang duurde en niet alleen de salons maar al de vertrekken van het prachtige huis in opschudding bracht, waarin allen met hartstochtelijkheid deelden, jongelieden van beide seksen, oudere van iederen leeftijd, de dikke bankier Collaert en Mevr. Collaert, raadslieden, overheidspersonen, de kantonrechter en Niklausse en Mevr. Van Tricasse en de burgemeester Van Tricasse en de commissaris Passauf in eigen persoon, die zich daarna nooit kon herinneren, wie in dien dollen nacht zijne danseres geweest was.

Maar »zij" ze vergat het niet. En sedert dien nacht, zag »zij" in haar droomen den vurigen commissaris weder, haar met hartstochtelijkheid omkneld houdende! En »zij", was niemand anders dan de oude tante!

IX.

Waarin dokter Ox en zijn assistent Ygeen elkander slechts enkele woorden zeggen.

»Wel, Ygeen?"

»Wel, meester, alles is klaar! De buizen zijn gelegd."

»Kom! Dan gaan we nu in het groot en op de massa's werken!"

X.

Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad aantast en welke uitwerking zij teweegbrengt.

In de nu volgende maanden werd het van kwaad tot erger en breidde de epidemie zich van uit de huizen tot op de straat uit. De stad Quiquendone was onherkenbaar geworden.

En, wat nog het vreemdste natuurverschijnsel was, niet alleen het dierenrijk, maar ook het plantenrijk ontsnapte niet aan den algemeenen invloed.

Volgens den gewonen loop der dingen, zijn de epidemieën speciaal, want zij die den mensch treffen tasten de dieren niet aan en zij die de dieren treffen, verschoonen de planten. Heeft men ooit gezien, dat een paard door de pokken werd aangetast of een mensch door de runderpest en krijgen de schapen de aardappelziekte? Maar hier schenen al de wetten der natuur omgekeerd. Niet alleen waren het karakter, het temperament, de denkbeelden der bewoners en bewoonsters van Quiquendone veranderd, maar ook de huisdieren, honden of katten, koeien of paarden, ezels of geiten, alles verkeerde onder dezen epidemischen invloed, en 't scheen dat zij volkomen van aard veranderd waren. De planken zelve »emancipeerden" zich, als men ons deze uitdrukking wel wil veroorloven.

In de tuinen, de moestuinen, de boomgaarden toch deden zich allervreemdste verschijnselen op. De klimplanten klommen met meer stoutmoedigheid. De struiken werden boomen. De zaden, nauwelijks gezaaid, vertoonden kleine groene puntjes en in hetzelfde tijdsverloop, wonnen ze in duimen wat vroeger, onder de gunstigste omstandigheden, ze in strepen wonnen. De asperges werden twee voet hoog; de artisjokken werden zoo groot als meloenen, de meloenen zoo groot als pompoenen, de pompoenen zoo groot als de groote klok uit den toren, die negen voet in diameter mat. De kolen waren kreupelboschjes en de paddestoelen parapluies.

Met de vruchten ging het denzelfden weg op als met de groenten. Één aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. De trossen druiven waren zoo groot als de enorme tros, die voorkomt op het zoo prachtig beschilderde doek van Poussin »de terugkeer der afgezondenen naar het beloofde land."

Hetzelfde was het geval met de bloemen: de groote viooltjes verspreidden doordringerder geuren, de buitengewoon groote rozen schitterden met levendiger kleuren, de seringen vormden binnen weinige dagen ondoordringbare kreupelbosschen; geraniums, madelieven, dahlia's, camelia's, rhododendrons, maakten zich van de paden meester en verstikten elkander! Het snoeimes schoot hier te kort. En de tulpen, de vreugde der Vlamingen, wat brachten ze de liefhebbers in verrukking! De waardige Van Bistrom viel op zekeren dag van louter ontroering bijna omver, toen hij in zijn tuin een eenvoudige tulipa gesneriana van enorme, monsterachtige, reusachtige grootte zag, waarvan de bloemkelk tot nest diende van een gansche familie roodborstjes!

De geheele stad kwam toeloopen om die wonderbaarlijke bloem te zien en gaf haar den naam van tulipa quiquendonia.

Maar, helaas! al kwamen die planten, die vruchten, die bloemen zichtbaar vooruit, al toonden alle gewassen een voorliefde kolossale afmetingen aan te nemen, al bedwelmden de glans hunner kleuren en het doordringende hunner geuren den reuk en de blikken, zoo verwelkten zij daarentegen snel. De lucht, die zij opslorpten, verbrandde ze maar al te spoedig en ze stierven weldra, uitgeput, verwelkt, verteerd.

Dat was het lot van de vermaarde tulp, die na eenige dagen van glans en luister verkwijnde!

Op dezelfde wijze ging het al spoedig met de huisdieren, van den huishond tot de zwijnen in den stal, van het kanarievogeltje in de kooi tot den kalkoen in den hof.

Nu waren die dieren in gewone tijden al even flegmatiek als hunne meesters. Honden en katten leidden meer een plantenleven dan dat ze werkelijk leefden. Nooit sprongen ze in 't rond van blijdschap, nooit werden ze door een aandoening van toorn in hunne kalmte gestoord. De staarten bewogen zich niet levendiger, dan alsof ze uit brons waren gegoten geweest. Sedert onheuglijke tijden had men van geen krabben of bijten gehoord. Wat de dolle honden betreft, deze beschouwde men als denkbeeldige dieren, die onder de griffoenen en andere fantastische dieren uit de Openbaring moesten gerangschikt worden.

Maar welk een verandering in die weinige maanden, waarvan we de geringste voorvallen trachten op te teekenen! Honden en katten begonnen hunne tanden en klauwen te laten zien. Men was verplicht, tengevolge van herhaalde aanvallen, eenigen af te maken. Men zag voor het eerst in de straten van Quiquendone een paard op hol gaan, een os zich met de horens naar omlaag op een zijner natuurgenooten werpen, een ezel omvervallen met de pooten in de lucht en een gebalk uitgalmen, dat niets »dierlijks" meer had, een schaap, zelfs een schaap tegen het mes van den slager dapper de karbonaden verdedigen, die het in zich droeg!

De burgemeester Van Tricasse was verplicht politie-verordeningen uit te vaardigen tegen de huisdieren die, door razernij aangetast, de straten van Quiquendone onveilig maakten.

Maar, helaas! zoo de dieren gek waren, de menschen waren niet wijs meer!

Geen leeftijd was van de plaag verschoond.

De zuigelingen werden zeer spoedig onverdraaglijk, die wezentjes die tot nog toe zoo gemakkelijk waren groot te brengen en voor het eerst moest de kantonrechter Honoré Syntax zijn kroost met de roede straffen.

Op de school ging het ook vrij oproerig toe en wierpen de jongens elkander met dictionnaires naar het hoofd. Men kon ze niet meer op de banken houden en zelfs de onderwijzers, die ze met allerlei taakwerk overlaadden, deelden in de algemeene overprikkeling.

Nog een ander vreemd verschijnsel was het, dat al die inwoners van Quiquendone, die tot nog toe altijd zoo matig waren, en wier voornaamste voedsel uit melkspijzen en zoetigheidjes bestond, zich nu werkelijk in eten en drinken te buiten gingen. Hun gewone leefregel was hun niet genoeg meer. Iedere maag was een afgrond geworden, dien men met enorme hoeveelheden spijzen en dranken moest trachten te dempen. Het verbruik der inwoners was verdriedubbeld. In plaats van twee maaltijden, nam men er zes. De stoornissen in de spijsvertering waren ontelbaar. De wethouder Niklausse kon zich niet verzadigen. De burgemeester Van Tricasse kon zijn dorst niet stillen en was altijd half dronken.

Kortom, dagelijks openbaarden zich de meest verontrustende verschijnselen en deed zich de toekomst donker voor.

Onophoudelijk kwam men dronken menschen tegen en onder deze dronken lieden, dikwijls notabelen.

De geneesheer Dominicus Custos had het verschrikkelijk druk met allerlei maagstoornissen en zenuwachtige aandoeningen, wel een bewijs van de groote prikkelbaarheid, waaraan de zenuwen der bevolking leden.

De vroeger zoo stille straten van Quiquendone, die tegenwoordig zoo druk waren, want niemand kon thuis blijven, waren nu het tooneel van dagelijksche woordenwisselingen en zelfs twisten.

De politie moest versterkt worden, teneinde de rustverstoorders in toom te houden.

Er moest een gevangenis in het gemeentehuis ingericht worden, die dag en nacht met oproermakers was opgevuld. De commissaris Passauf was bekaf.

Er gebeurde iets, dat nog nooit gebeurd was,--binnen den tijd van twee maanden werd er een huwelijk gesloten. Een ongehoord feit! De zoon van den ontvanger Rupp huwde met de dochter van de schoone Augustine de Rovère en dat binnen slechts zevenenvijftig dagen na haar hand gevraagd te hebben!

Nog andere huwelijken werden beslist, die anders jaren lang zouden uitgesteld zijn. De burgemeester kon er zich geen begrip van vormen en ook zijn dochter, de lieve Suze, leed aan dezelfde kwaal en zou spoedig aan zijn handen ontsnappen.

Wat onze waarde oude tante betreft, ze had waarlijk den commissaris Passauf durven polsen over een vereeniging, die haar toescheen alle elementen in zich te bevatten van geluk, fortuin, wederzijdsche achting, jeugd!...

Om de maat vol te meten, had er tot overmaat van ijselijkheid, een duel plaats! Een wezenlijk duel met pistolen, en nog wel met ruiterpistolen, op vijf en twintig pas! En tusschen wie? Onze lezers zullen 't nauwlijks kunnen gelooven!

Tusschen den heer Frans Niklausse, den zachtaardigen hengelaar en den zoon van den rijken bankier, den jongen Simon Collaert.

En de onschuldige oorzaak van dit duel was niemand anders dan de dochter van den burgemeester, op wie Simon dol verliefd was en die hij aan niemand ter wereld wilde afstaan.

XI.

Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig besluit nemen.

Men ziet in welk een betreurenswaardigen toestand de bevolking van Quiquendone zich bevond. De hoofden verkeerden in een onnatuurlijke gisting. Men kende en herkende elkander niet meer. De vreedzaamste menschen waren twistziek geworden. Men moest hen niet met den nek aanzien, of ze zonden dadelijk getuigen op uw dak. Velen lieten hun snorren staan en enkele echte vechtersbazen krulden ze aan de punten om.

Onder dergelijke omstandigheden werd het moeielijk de stad te besturen en de orde op de straten en in de openbare gebouwen te handhaven, want de dienst was voor zulk een stand van zaken niet ingericht. De burgemeester, onze waardige Van Tricasse, dien we zoo zacht, zoo kalm en vreedzaam en zoo besluiteloos gekend hebben, was nu niet meer tot bedaren te brengen. Zijn huis weerklonk den ganschen dag van zijn bevelen. Onophoudelijk beknorde hij zijne agenten en zag in eigen persoon nauwkeurig toe dat zijne orders strikt werden uitgevoerd.

Helaas! Welk een verandering! Waar was de kalmte, die vroeger in het vriendelijke en rustige huis van den burgemeester, die goede Vlaamsche woning, heerschte? Welke treurige huiselijke tooneelen hadden daar nu plaats! Mevrouw Van Tricasse was kregelig, twistziek en kwalijknemend geworden. Mocht het haar man al gelukken haar te overschreeuwen, tot zwijgen kon hij haar niet brengen. De goede vrouw had met haar prikkelbaar humeur op alles en allen wat aan te merken. 't Ging alles verkeerd! Niets werd op zijn tijd gedaan! Zij gaf Lotje en zelfs tante, haar schoonzuster de schuld, die, niet minder slecht gehumeurd, haar scherpe antwoorden gaf. Natuurlijk hield Van Tricasse zijn dienstbode Lotje de hand boven het hoofd, zooals men dat meermalen in de beste huishoudens ziet. Van daar dan voortdurende verbittering van mevrouw de burgemeesteres, hevige verwijten, woordenwisselingen, twisten, tooneelen tot in het oneindige!

»Maar wat scheelt ons toch?" riep dan de ongelukkige burgemeester uit. »Door welk vuur worden we toch verteerd? Zijn we dan van den duivel bezeten? O! mevrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse! Je verhaast mijn dood en zult maken, dat ik vóór u naar het graf gedragen word en hoe zullen dan de overleveringen der familie worden nagekomen!"

Want de lezer zal zeker de vreemde bijzonderheid niet vergeten hebben, dat de heer Van Tricasse weduwnaar moest worden en hertrouwen, om de eenmaal tot wet geworden gewoonte niet te breken.

Evenwel bracht die eigenaardige gesteldheid der gemoederen nog andere vrij zonderlinge uitwerkselen teweeg, die der vermelding over waardig zijn. Die zenuwachtige overspanning, waarvan de oorzaak voor als nog voor ons in het duister ligt, geleidde tot allervreemdste physiologische verschijnselen, die men niet zou verwacht hebben. Talenten, die anders verborgen zouden gebleven zijn, kwamen nu voor den dag. Bij velen openbaarde zich een bijzondere aanleg hier- of daarvoor. Kunstenaars met tot nog toe middelmatige talenten, stelden zich onverwacht in een nieuw licht. Zoowel in de politiek als in de letteren stonden eensklaps tot nog toe onbekende mannen op. Redenaars behandelden de belangrijkste en moeielijkste quaesties en deden een gehoor ontvlammen, dat trouwens zeer vatbaar was om ontvlamd te worden. Uit de zittingen van den raad, ging de beweging over in de openbare bijeenkomsten: er vormde zich een club te Quiquendone, terwijl twintig dagbladen, de Guetteur de Quiquendone, de Impartial van Quiquendone, de Radical de Quiquendone, de Outrancier de Quiquendone, met vuur geschreven, de gewichtigste maatschappelijke vraagpunten behandelden.

Maar naar aanleiding waarvan? vraagt men niet zonder reden. Naar aanleiding van alles en van niets; naar aanleiding van den toren van Oudenaarde, die overhing en dien sommigen wilden afbreken en anderen wilden herstellen; naar aanleiding van de politieverordeningen, door den raad uitgevaardigd en die kwaadgezinde hoofden trachtten tegen te werken, naar aanleiding van het uitdiepen der beken en het schoonhouden der riolen, enz. En als die onstuimige redenaars nu alleen het stedelijk bestuur nog maar hadden aangevallen! Maar neen, door den stroom medegesleept, holden zij maar voort en zouden ze, als de Voorzienigheid niet tusschenbeide was gekomen, hunne stadgenooten, een oorlog op den hals hebben gehaald.

Wat was het geval? Sedert acht of negen honderd jaar smeulde er in de archieven van Quiquendone een zeldzaam schoone casus belli; maar zij bewaarde hem met de grootste zorg, als een reliquie, en werkelijk scheen hij eenige kans te hebben te verschimmelen en zijn kracht te verliezen.

Ziehier hoe die casus belli was in de wereld gekomen.

Het is niet algemeen bekend, dat Quiquendone, in dat hoekje van Vlaanderen, dicht bij de kleine stad Virgamen gelegen is. Het grondgebied beider gemeenten grenst aan elkander.

Nu gebeurde het in 1135, eenigen tijd voor het vertrek van graaf Baudouin naar het Heilige Land, dat een koe van Virgamen--wel te verstaan, geen koe van een inwoner, maar een koe der gemeente--zich verstoutte op het grondgebied van Quiquendone te gaan weiden. Nauwelijks had het ongelukkige dier drie mondjes vol gras verorberd, maar het wanbedrijf, de misdaad als men wil, was bedreven en geconstateerd bij procesverbaal van dien tijd, want te dien tijde begonnen de overheidspersonen de kunst van schrijven te leeren.