Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 16
Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes voor de toekomst maken.
De lezers weten, dat de burgemeester eene dochter had, Suze geheeten. Voor hoe scherpzinnig ik hen nu ook houd, hebben zij toch zeker niet kunnen raden, dat de wethouder Niklausse een zoon had, die Frans heette, en dat die zoon de aanstaande was van Suze. Deze beide jongelieden waren trouwens voor elkaar geschapen, en ze beminden elkaar zooals men te Quiquendone bemint.
Men moet niet denken, dat in deze buitengewone stad de jonge hartjes niet klopten; ze klopten alleen maar wat langzaam. Men trouwde er even goed als in alle andere steden van de wereld, maar men overhaastte zich niet. De verloofden wilden, voordat zij die vreeselijke banden smeedden, elkander leeren kennen en die studie duurde minstens tien jaren.
Tien jaren vrijde men, ja! Is dat dan te veel, als men zich voor het leven wil verbinden? Men studeert soms wel zoo lang om dokter of advocaat te worden, en zou men dan in minder tijd de kundigheden willen verkrijgen die een echtgenoot noodig heeft? Dat mag men niet aannemen, en of het nu wegens het temperament geschiedt of na rijpelijk nadenken, het komt ons voor, dat de Quiquendoners met hun lange studie geen ongelijk hebben. Als men in andere, vrije en vurige steden soms in enkele maanden een huwelijk ziet sluiten, moet men de schouders ophalen, en men zou wel doen, zijn jongens naar het college en zijne meisjes naar de kostschool te Quiquendone te zenden.
In een halve eeuw was het slechts eens voorgekomen, dat een huwelijk binnen de twee jaren tot stand kwam, en dat liep nog bijna slecht af!
Frans Niklausse beminde dus Suze Van Tricasse, maar kalmpjes, zooals men bemint, wanneer men tien jaren vóor zich heeft om het beminde voorwerp eenmaal het zijne te mogen noemen. Eenmaal 's weeks kwam Frans op een bepaald uur zijn Suze afhalen, en ging met haar naar de oevers van de Vaar. Frans nam zijn hengel mede, en Suze vergat nooit haar stremien mede te nemen, waarop haar lieve vingeren de onmogelijkste bloemen tooverden.
We dienen ook nog te zeggen, dat Frans een jonkman van twee en twintig jaar was, dat zijne wangen zich met een licht perzikkendons begonnen te bedekken en ten slotte dat zijne stem nauwelijks meer dan een octaaf omvang had.
Suze was blond en had een rozenkleurtje. Zij telde pas zeventien zomers en had toch geen hekel aan het hengelen, welk een zonderling genoegen het ook moge zijn om de vischjes met een weerhaak te verschalken. Maar het kwam doordat Frans er van hield; 't was juist een vermaak naar zijn aard. Hij was zoo geduldig als 't maar kan, mocht gaarne een weinig droomerig op zijn dobber staren en had geduld genoeg om te wachten totdat, misschien na zes uren zittens, een voorntje zoo goed was, misschien uit medelijden met hem, zich te laten vangen; dan was hij gelukkig, maar altijd met gematigdheid.
Dien zelfden dag hadden de beide aanstaanden zich op den begroeiden oever neergevleid; eenige voeten beneden hen kabbelde de vreedzame Vaar. Suze trok achteloos haar naald heen en weer door het stremien. Frans slingerde werktuiglijk zijn sim van rechts naar links, en liet haar dan met den stroom van links naar rechts drijven. De vorentjes sprongen lustig rond nabij den dobber, terwijl de haak, nog vrij, dieper in het water lag.
Nadat het een poos geduurd had, zei Frans:
»Ik geloof dat ik beet heb, Suze," maar hij keek haar niet aan.
»Zoudt ge denken, Frans?" gaf Suze ten antwoord, terwijl ze voor een oogenblik haar werk liet rusten, en met bewogen oog den dobber van haar aanstaande volgde.
»Neen, toch niet," zeide Frans weer, »ik dacht maar dat ik voelde trekken. Ik heb mij vergist."
Eenigen tijd daarna merkte Suze met haar lieve, zachte stem op:
»Ze zullen wel bijten, Frans, maar vergeet niet tijdig op te halen. Ge zijt altijd eenige seconden te laat, en dan ontsnapt de visch."
»Wilt gij den hengel eens houden, Suze?"
»Gaarne, Frans."
»Geef mij dan uw tappiseriewerk. Ik zal zien of ik beter slaag met de naald dan met den angel."
Nu nam het meisje met bevende hand den hengel, en de jongman haalde ijverig de naald door het stremien.
Zoo wisselden zij uren lang vriendelijke woordjes, en hunne harten klopten als er beweging in den dobber kwam. O, dat ze nooit de heerlijke uren mogen vergeten, waarin ze onder het gekabbel der golfjes bij elkander zaten!
De zon was dien dag reeds een goed eind gedaald, en ondanks de vereenigde talenten van Suze en Frans, had de visch nog maar niet gebeten. De vorentjes hadden ditmaal geen medelijden en lachten wat om de jongelieden, die trouwens veel te redelijk dachten om hun ongelijk te geven.
»Een ander maal zullen we gelukkiger zijn, Frans," zeide Suze, toen de jonge visscher zijn haak weder op het plankje stak.
»Dat zullen we hopen, Suze," gaf Frans ten antwoord.
Daarna sloegen beiden naast elkaar den weg naar huis in zonder een woord te spreken, even zwijgend als de lange schaduwen, die voor hen uitgingen. Suze werd groot, heel groot onder de schuine stralen der ondergaande zon; Frans werd mager, zoo mager als de hengel, dien hij in de hand hield.
Nu had men de woning van den burgemeester bereikt. Tusschen de straatsteenen wiesen geheele grasstruiken, maar men trok ze niet uit, want ze dempten het geluid der voetstappen.
Toen de deur stond geopend te worden, meende Frans tot zijn beminde te moeten zeggen:
»Denkt ge er wel eens aan, Suze, dat de groote dag nadert?"
»Ja, hij nadert zeker, Frans," antwoordde het meisje met neergeslagen blik.
»Ja," hernam Frans, »binnen vijf of zes jaar...."
»Tot ziens, Frans," zeide Suze.
»Tot ziens, Suze," antwoordde Frans.
Daarop werd de deur gesloten, en de jonkman vervolgde met kalmen tred zijn weg naar het huis van den wethouder Niklausse.
VII.
Waarin de »andantes" »allegro's" worden en de »allegro's" in »vivaces" overgaan.
De gemoederen waren bedaard na het voorgevallene tusschen den advocaat Schut en den geneesheer Custos. De zaak had geene gevolgen gehad. Men had dus reden om te hopen, dat Quiquendone tot zijn gewone kalmte zou terugkeeren, die een oogenblik door een onverklaarbaar voorval was gestoord.
Inmiddels vorderde men snel met het leggen der buizen voor het hydro-oxygeengas naar de voornaamste gebouwen der stad. Hoofdbuizen en zijbuizen werden onder de straten van Quiquendone steeds verder voortgeschoven. Branders waren er nog niet, want hunne vervaardiging vereischte bijzonder veel zorg en moest in het buitenland geschieden. Dokter Ox was hier en daar en overal, hij en zijn assistent Ygeen lieten geen oogenblik verloren gaan; zij spoorden onophoudelijk de werklieden aan, werkten aan de voltooiing der gasmeters en hielden dag en nacht de reusachtige electrische batterijen in werking waarmede het water ontleed werd.
De dokter was namelijk al aan het maken van zijn gas, ofschoon het buizennet nog niet voltooid was, iets wat, tusschen ons gezegd, wel wat vreemd scheen. Maar het zou niet lang duren, ten minste dat mocht men hopen, of dokter Ox zou voor het eerst in den schouwburg zijn prachtig licht laten schijnen.
Quiquendone bezat werkelijk een schouwburg, en inderdaad een fraai gebouw ook. In- en uitwendig had het iets van alle bouwstijlen; het had gelijkertijd iets van den Byzantijnschen, van den Romaanschen, van den Gothischen en van den Renaissance-stijl; deuren met rondbogen, spitsboogvensters, ster-rosetten, fantasie-klokketorentjes, kortom, het was een staalkaart van alle mogelijke stijlen. Verwonderen doet het niet, als men weet, dat het gebouw begonnen werd onder den burgemeester Lodewijk Van Tricasse in 1175 en voltooid in 1837 onder den burgemeester Natalis Van Tricasse. Het bouwen had zeven eeuwen geduurd, en achtereenvolgens hadden verschillende modes haar invloed laten gelden. Toch was en bleef het een mooi gebouw, en bij de Romaansche zuilen en Byzantijnsche gewelven, zou het nieuwe lichtgas in het geheel niet misstaan.
In dien schouwburg van Quiquendone werd zoo wat van alles gespeeld, vooral opera en opera-comique. 't Zou evenwel de vraag zijn, of de componisten er wel hun eigen werk herkend zouden hebben, zoo zeer had men het tempo veranderd.
In Quiquendone werd niets haastig gedaan, en dus moesten ook de dramatische werken naar het karakter der Quiquendoners geschikt worden. De schouwburg opende zijne deuren gewoonlijk te vier uren en sloot ze te tien uren, maar in die zes uren tijds waren er nooit meer dan twee bedrijven gespeeld. Voor Robert le diable, les Huguenots, Guillaume Tell, enz. had men gewoonlijk drie avonden noodig, vanwege de langzame wijze waarop die werken uitgevoerd werden. De vivaces ontaardden in den schouwburg van Quiquendone in ware adagio's; de allegro's werden tot in het oneindige gerekt. De vier en zestigste wonnen het van de heele noten in andere landen. Een vlugge roulade had, als ze naar den smaak der Quiquendoners uitgevoerd werd, den gang van een plechtige kerkmis. Een losse triller moest uiterst bedaard en volkomen gelijkmatig gespeeld worden, wilde hij de ooren der dilettanten niet kwetsen. Om een voorbeeld te noemen: het vlugge air, dat Figaro in de eerste acte van den Barbier de Séville bij zijn optreden zingt, werd genomen met nommer 33 van den metronoom; het duurde acht en vijftig minuten, en dan nog heette het, dat de zanger er flink achter heenzat.
De artisten, die van buiten de stad kwamen, hadden zich natuurlijk naar die mode moeten schikken, maar men betaalde hen goed en dus klaagden zij niet; zij gehoorzaamden stipt aan den strijkstok van den orkestdirecteur, die in een allegro nooit meer dan acht maten in de minuut sloeg.
Maar welke toejuichingen wachtten ook niet de artisten, die het publiek van Quiquendone in verrukking brachten, zonder zich ooit te vermoeien! Het geheele publiek sloeg met geregelde tusschenpoozen de handen in elkaar, hetgeen dan in de couranten »daverende toejuichingen" heette. Een of twee malen zelfs zou wellicht de zaal onder die bijvalsbewijzen ingestort zijn, indien men er niet in de twaalfde eeuw geenszins tegen opgezien had flinke fondamenten te leggen.
Om voorts die levendige Vlamingen niet al te zeer op te winden, werd er maar eens in den schouwburg gespeeld; dat gaf den acteurs gelegenheid dieper in hunne rollen door te dringen, en aan het publiek om langer te teren op de schoonheden der meesterwerken van dramatische kunst.
Op die manier ging het al langen tijd. De artisten van buiten waren gewoon te Quiquendone een contract te sluiten, als zij wilden uitrusten van de vermoeienis op andere tooneelen. Niets scheen eene wijziging in die ingewortelde gewoonte aan te duiden, toen twee weken na de zaak Schut-Custos een onverwachte gebeurtenis opnieuw de rust der bevolking kwam storen.
Het was op een Zaterdag, dag van de opera. Er was nog geen sprake van de inwijding van de nieuwe verlichting, zooals men allicht zou denken; volstrekt niet, de pijpen kwamen wel reeds in de zaal uit, maar er stonden nog geen branders op, en daarom wierpen nog altijd waskaarsen haar zacht licht op het talrijk publiek dat de zaal vulde. Te half een waren de deuren geopend en te vier uren was de zaal reeds vol. Eén oogenblik was er een queue, die zich uitstrekte tot het einde van het Stefanusplein, voor den winkel van den apotheker Josse Liefrink. Zooveel belangstelling deed een prachtigen avond verwachten.
»Gaat ge van avond naar de comedie?" had dienzelfden ochtend de wethouder aan den burgemeester gevraagd.
»Wel zeker," had Van Tricasse geantwoord, »en mevrouw Van Tricasse gaat mee, en ook onze dochter Suze en de oude tante, die allen dol zijn op muziek."
»Komt mejuffrouw Suze dus ook?" vroeg de wethouder.
»Zonder twijfel, Niklausse."
»Dan zal mijn zoon Frans wel maken, dat hij een van de eersten is," hernam Niklausse.
»Een vurig jongeling, Niklausse," merkte de burgemeester met waardigen ernst op; »een heethoofd! Ge moogt wel oppassen met dien jonkman."
»Hij bemint, Van Tricasse; hij bemint uw bekoorlijke Suze."
»Welnu, Niklausse; hij zal haar krijgen, zoodra wij besloten hebben dat dit huwelijk tot stand zal komen! Wat kan hij meer verlangen?"
»Hij verlangt niets, Van Tricasse; hij verlangt zeker niets, die beste jongen! Maar dat is zeker, en meer zal ik er niet van zeggen, dat hij niet de laatste zal zijn, die een plaatsbiljet haalt!"
»Ach, die ongeduldige, vurige jeugd!" riep de burgemeester, met een glimlach aan zijn verleden terugdenkend. »Zoo zijn wij ook geweest, waarde vriend! Ook wij hebben eenmaal bemind! Wij hebben in onzen tijd ook queue gemaakt! Tot van avond dus, tot van avond! Zeg eens, dat is een groot artist, die Fioravanti! Hij is hier dan ook prachtig ontvangen. Die toejuichingen van Quiquendone zal hij niet licht vergeten!"
Er was inderdaad sprake van den beroemden tenor Fioravanti, die door zijn uitnemend talent, zijn volmaakte methode, zijn sympathieke stem bij alle kunstliefhebbers in de stad ware geestdrift wekte.
In de laatste drie weken had Fioravanti met de Hugenoten een ontzaglijk succes behaald. De eerste acte, opgevoerd naar den smaak der Quiquendoners, had in de eerste week van deze maand een ganschen avond ingenomen. De week daarna had de volgende acte, door eindelooze andantes verlengd, den beroemden zanger een ware ovatie bezorgd. Met de derde acte van Meyerbeer's meesterwerk was het succes nog toegenomen. Nu had men er zich echter op gespitst Fioravanti in de vierde acte te hooren, en die vierde acte zou hij dezen eigen avond spelen voor een publiek, dat van ongeduld brandde. Dat was de acte met het duo van Raoul en Valentine! Ach, die liefdezang voor twee stemmen, breed en statig voorgedragen, dit bruisend hartstochtelijke duet met zijn crescendo's zijn stringendo's, zijn animato's, zijn piu crescendo's, langzaam, regelmatig, sleepend gezongen, welk een genot!
Te vier uren dan, was de zaal vol. Loges, parterre, galerijen waren om 't meest bezet. Vooraan zaten de burgemeester Van Tricasse, mejuffrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse en de goede oude tante met een lichtgroene muts op. Een klein eind verder zat de wethouder Niklausse met zijn familie, natuurlijk niet zonder den verliefden Frans. Men zag er ook nog de familie van den geneesheer Custos, van den advocaat Schut, van Honoré Syntax, de opperrechter, van Norbert Soutman, directeur der verzekeringmaatschappij, van den dikken bankier Collaert, die dol was op Duitsche muziek en ook zelf wat aan muziek deed, van den ontvanger Rupp, van den directeur der Academie, Jerome Resh, van den commissaris van politie en van tal van andere achtenswaardige personen uit de stad, die hier evenwel niet allen opgenoemd kunnen worden, als wij den lezer niet willen vervelen.
Gewoonlijk wachtten de Quiquendoners rustig het ophalen van het gordijn af, hetzij onder het lezen der courant, hetzij dat ze zachtjes eenige woorden onder elkander spraken; anderen weer zochten langzaam en zonder gedruisch hunne plaats op, en enkelen wierpen een beschroomden blik op de lieftallige schoonheden in het rond.
Op dezen avond echter, zou het voor een waarnemer duidelijk geweest zijn, dat zelfs voor het ophalen van het gordijn een ongewone levendigheid in de zaal heerschte. Men zag personen bewegingen maken die zich anders nooit bewogen. De waaiers der dames werden met zeldzame levendigheid gebruikt. Al die borsten schenen met een prikkelende lucht gevuld te zijn, men ademde dieper en langer. Bij sommigen schitterden de oogen, zelfs, om de waarheid getrouw te blijven, bijna even sterk als de lichten, die dezen avond al bijzonder helder waren; tenminste men zag helderder, ofschoon de verlichting niet sterker was dan anders. Ja, als de verlichting van dokter Ox nu al werkte, maar die werkte nog niet!
Het orkest was thans op zijn post en geheel voltallig. De eerste viool had bij de verschillende lessenaars de ronde gedaan en een bescheiden »a" aangegeven. De strijk- en de blaasinstrumenten stemmen. De orkestdirecteur wacht slechts op het schelletje om de eerste maat te slaan.
Daar klinkt de schel. De vierde acte begint. Het Allegro appassionato van de entr'acte is volgens gewoonte gespeeld, zoo majestueus langzaam, dat 't voor Meyerbeer zou geweest zijn om razend te worden, maar de kunstliefhebbers van Quiquendone genoten er al de majesteit van.
't Duurt niet lang, of de orkest-directeur gevoelt dat hij zijne executanten niet meer geheel meester is. Hij heeft moeite hen in te toomen, dezelfde menschen die anders zoo gehoorzaam, zoo kalm zijn. De blaasinstrumenten leggen eene neiging aan den dag om de beweging te versnellen; ze moeten met vaste hand ingehouden worden, want anders zouden ze de strijkinstrumenten vooruitgeraken, 'tgeen aan de harmonie nog al zou schaden. De fagottist zelfs, de zoon van den apotheker Liefrinck, anders zoo'n welopgevoed jongmensch, wil ook jagen.
Inmiddels heeft Valentine haar recitatief begonnen:
»Je suis seule chez moi..."
maar ze haast. De orkest-directeur en al zijne muzikanten volgen haar--misschien zonder het te weten--in haar cantabile, dat breed genomen moest worden want het is een 12/8 maat. Raoul verschijnt in de deur op den achtergrond, maar nu verloopt tusschen het oogenblik waarop Valentine naar hem toegaat, en dat waarop zij hem in hare kamer ter zijde verbergt, geen kwartier, terwijl anders in den schouwburg van Quiquendone dit recitatief van zeven en dertig maten ook juist zeven en dertig minuten moest duren.
Saint-Bris, Nevers, Cavannes en de catholieke heeren zijn opgekomen, misschien wel wat haastig. Allegro pomposo teekende de componist bij dat gedeelte aan; nu gaan de heeren en het orkest wel allegro, maar in het geheel niet pomposo, en in het ensemble-gedeelte van de prachtige »samenzwering en zegening der wapenen" is er van geen matigen van het allegro sprake. Zangers en muzikanten houden een wedren. De directeur denkt er niet meer aan hen in te houden. Het publiek verlangt dat trouwens ook niet; integendeel. Het is medegesleept, het neemt deel aan de beweging, en die beweging komt overeen met de wenschen van zijn hart.
»Des troubles renaissants et d'une guerre impie, Voulez-vous, comme moi, délivrer le pays?"
Men belooft, men zweert het. Ternauwernood heeft Nevers tijd om te protesteeren en te zingen, »dat hij onder zijn voorvaderen wel soldaten telt, maar geen moordenaars." Men arresteert hem. Schout en schepenen komen aanloopen en zweren inderhaast »allen tegelijk te treffen." Saint-Bris maakt een relletje van het recitatief, waarbij de catholieken tot wraakneming worden opgeroepen. De drie monniken, zwarte mantels dragende met witte sjerpen, komen de deur van het vertrek van Nevers binnenstormen, met verwaarloozing van de lessen van den regisseur, die hun leerde zacht voort te schrijden. Al de aanwezigen hebben reeds degens en ponjaarden getrokken, en het zegenen houdt de monniken maar een ommezien bezig. De sopranen, tenoren en bassen schreeuwen het allegro furioso. Daarop vertrekken zij, al brullende:
A minuit Point de bruit! Dieu le veut! Oui, A minuit!
Het gansche publiek is opgerezen. In loges, parterre en galerijen is het erg woelig. Al de toeschouwers, met den burgemeester aan het hoofd, schijnen zich op het tooneel te willen storten, teneinde met de samenzweerders mee te doen en de Hugenoten te verdelgen, niettegenstaande zij de godsdienstige begrippen van deze deelen. Men juicht, men roept terug, men gilt. De oude tante trekt zenuwachtig aan haar lichtgroene muts. Het licht in de zaal straalt hoe langer zoo helderder.
Raoul komt weer op, en tilt niet zachtkens het gordijn op, maar scheurt het met een kloeke beweging vaneen en staat dan vlak tegenover Valentine.
Nu begint het groote duo, en wel allegro vivace. Raoul wacht de vragen van Valentine niet af, en Valentine wacht niet op de antwoorden van Raoul. De heerlijke passage:
»Le danger presse Et le temps vole..."
wordt een van die snelle 2/4 maten, waarmede Offenbach naam gemaakt heeft als hij deze of gene samenzweerders laat dansen; het andante amoroso:
»Tu l'as dit! Oui, tu m'aimes!"
is ten slotte een vivace furioso, en de violoncel in het orkest streeft er in de verste verte niet meer naar, om mede te gaan met de stem van den zanger, zooals zijne partij aangeeft.
Daar slaat de klok, maar welk een hijgend, gejaagd geluid! Degeen die slaat, is stellig zich zelf niet meer meester. Het is een donderende stormklok, welke in geweld wedijvert met het razend orkest.
Eindelijk komt het air, waarmede deze heerlijke acte eindigt:
»Plus d'amour, plus d'ivresse O remords qui m'oppresse!"
door den componist als allegro con moto aangeduid, maar hier in een ontembaar prestissimo genomen. 't Is alsof er een express-trein voorbij suist. Daar begint de stormklok weer. Valentine valt in zwijm. Raoul springt uit het venster!....
't Was wel tijd. Het orkest, dat volslagen dronken scheen, had het niet langer kunnen volhouden. De dirigeerstok is tot op een klein gedeelte na stukgeslagen op het hokje van den souffleur. De snaren der violen zijn gesprongen, de halzen verwrongen! De paukenslager heeft zoo woedend op zijn pauken geslagen, dat ze gebarsten zijn! De contrabassist is boven op zijn welluidend gebouw gekropen! De eerste klarinet zit op zijn mondstuk te bijten, en de tweede hobo heeft zijn rieten tongetje ingeslikt! De schuif van de trombone is vol bulten, en de ongelukkige hoornist eindelijk kan zijn hand niet meer loskrijgen, daar hij ze te ver in zijn instrument geduwd heeft!
En het publiek?--Het publiek hijgt, schreeuwt en brult! Ieder ziet vuurrood, alsof zijn lichaam van binnen in brand staat! Men stoot, men verdringt elkander om naar buiten te komen, de mannen zonder hoed, de vrouwen zonder mantel! In de gangen verdringt men elkander, bij de deuren drukt men elkander plat; men twist, men geraakt handgemeen! Geen sprake meer van autoriteiten, van burgemeester! Allen zijn gelijk voor deze helsche opgewondenheid...
Weinige oogenblikken later, terwijl allen buiten op de straat zijn, herneemt ieder zijn gewone kalmte en keert bedaard naar huis, met een onbestemde herinnering aan 'tgeen er gebeurd is.
De vierde acte van de Hugenoten, die anders op de klok af zes uren duurde, was nu begonnen te half vijf en afgeloopen twaalf minuten vóór vijven.
Ze had achttien minuten geduurd!
VIII.
Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt.
Wel herkregen de toeschouwers, nadat ze den schouwburg verlaten hadden, hun gewone kalmte; wel gingen ze rustig naar huis, alleen onder den indruk van een voorbijgaande versuftheid, maar toch had de buitengewone opgewondenheid hen geweldig van streek gebracht, en ze vielen in bed alsof zij bijzonder zwaar getafeld hadden.
Den volgenden dag was er voor ieder nog een souvenir van het gebeurde van den vorigen dag: van den een toch was de hoed bij het standje verdwenen, een ander miste een slip van zijn jas; deze dame had haar satijnen laarsje verloren, een andere haar zondagschen mantel. De herinnering aan het voorval werd bij die eenvoudige menschen wakker, en met die herinnering zeker schaamtegevoel over hun onvergeeflijke buitensporigheid. 't Was alsof zij aan een overdadig festijn hadden deelgenomen en er onbewust de helden van geweest waren! Zij spraken er niet over en wilden er liefst niet meer aan denken.
Niemand was evenwel zoo verbijsterd als de burgemeester Van Tricasse. Toen de waardige man den volgenden ochtend opstond, was hij zijn pruik kwijt. Lotje had overal gezocht, maar 't hielp niets, de pruik was op het slagveld achtergebleven. Men zou haar kunnen doen uitroepen door Jan Mistrol, den beëedigden omroeper van de stad, maar dat ging niet; dan was het maar beter het hoofddeksel in den steek te laten, dan zich zoo ten toon te stellen, voor iemand die de eer had de eerste overheidspersoon van de stad te zijn.