Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 15

Chapter 153,846 wordsPublic domain

Ja, dat klinkt nu wel onwaarschijnlijk, maar er was toch gedruisch, zooals misschien in de gansche stad niet gehoord was sedert de bezetting door de Spanjaarden in 1563, en dat gedruisch riep al de slapende echo's in het oude huis Van Tricasse wakker. Men duwde tegen de deur, die tot dusver nog nooit door eene hand onbehoorlijk was aangeraakt! Men klopte herhaaldelijk met een klinkend voorwerp, waarschijnlijk een knoestigen stok door een krachtige hand in beweging gebracht! Tusschen de slagen hoorde men roepen, schreeuwen en duidelijk kon men deze woorden verstaan:

»Mijnheer Van Tricasse! Mijnheer de burgemeester! Doe open, doe eens gauw open!"

De burgemeester was al even onthutst als de wethouder, en beiden keken elkander aan zonder een woord te spreken. Van zoo iets hadden zij geen begrip. Als men vlak vóor hen de oude veldslang had afgeschoten die op het kasteel stond en sedert 1385 niet gebruikt was, zouden de bewoners in het huis van Van Tricasse niet meer uit de lijken geslagen zijn dan nu.

Het geklop en het geschreeuw werd inmiddels steeds sterker. Eindelijk was Lotje zichzelve genoeg meester geworden om te durven roepen:

»Wie is daar?"

»Ik ben het! Ik!"

»Wie is ik?"

»De commissaris Passauf!"

Dat leven werd dus gemaakt door den commissaris van politie, terwijl er al tien jaar van gesproken was of die betrekking eigenlijk wel noodig was! Wat was er dan toch gebeurd? Hadden de inwoners van Bourguignon de stad Quiquendone bestormd, evenals in de 14e eeuw? Minstens zoo iets moest er gebeurd zijn om den commissaris Passauf zoodanig op te winden, want anders was hij al niet minder kalm en flegmatiek dan de Burgemeester zelf.

Van Tricasse gaf een teeken, want spreken kon de waardige man niet, en de sluitboom werd weggenomen en de deur geopend.

De commissaris kwam als een hoos de kamer binnenstormen.

»Wat is er toch, mijnheer de commissaris?" vroeg Lotje, een flinke meid, die zelfs in de bangste oogenblikken het hoofd niet verloor.

»Wat er is!" riep de commissaris, wiens groote ronde oogen van ontroering schitterden. »Wat er is? Ik kom van de woning van dokter Ox; daar was partij, en daar..."

»Nu, en daar?" vroeg de wethouder.

»Daar ben ik getuige geweest van een woordenwisseling die... Mijnheer de burgemeester, er is daar over politiek gesproken!"

»Over politiek," herhaalde Van Tricasse, terwijl hij de kuif van zijn pruik opstreek.

»Over politiek," hernam de commissaris, waarmede hij iets berichtte, dat stellig in geen honderd jaar te Quiquendone gebeurd was. »Het gesprek is steeds levendiger geworden. De advocaat André Schut en de geneesheer Dominicus Custos hebben zulk een heftige woordenwisseling gehad, dat misschien een uitdaging...."

»Wat! een uitdaging!" riep de wethouder uit. »Een duel! Een duel te Quiquendone! En wat hebben de advocaat Schut en de geneesheer Custos wel gezegd?"

»Woordelijk dit: »Mijnheer de advocaat," heeft de geneesheer tot zijn tegenpartij gezegd, »gij gaat eenigszins te ver, dunkt mij, en het schijnt, dat gij er niet genoeg op bedacht zijt uwe woorden te wegen!""

De burgemeester Van Tricasse sloeg de handen ineen. De wethouder werd bleek en liet zijn lantaarn vallen. Zulke krasse woorden, en dat door twee van de notabelste inwoners!

»Die geneesheer Custos," mompelde Van Tricasse, »is zonder twijfel een gevaarlijk man, een heethoofd; laat ons de zaak overwegen, mijne heeren!"

Hierop begaven de wethouder Niklausse en de commissaris zich met den burgemeester in de spreekkamer.

IV.

Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige is en stoute proeven neemt.

Wie is toch die man met dien zonderlingen naam, die dokter Ox? Een zonderling stellig, maar tegelijkertijd ook een stout geleerde, een natuurkundige, wiens talent door gansch Europa gewaardeerd wordt, een gelukkig mededinger van mannen als Davy, Dalton, Bostock, Menzie, Godwin, Vierordt, kortom van al die knappe menschen, die de natuurkunde tot een van de voornaamste vakken der hedendaagsche wetenschap verheven hebben.

Dokter Ox was een vrij gezet man van middelbare grootte; hij telde... neen, hoeveel jaren hij telde, zouden wij niet precies kunnen opgeven, ook niet waar hij vandaan kwam. Dat komt er ook trouwens minder op aan. Hij was, en dat is voldoende, een ongewoon personage, warmbloedig, snel in zijn bewegingen, in één woord een levende tegenstelling van de bewoners van Quiquendone.

In zich zelf en in zijn leer stelde hij een onverstoorbaar vertrouwen. 't Was een lust hem te zien loopen met zijn eeuwigen glimlach, met opgerichten hoofde, de borst flink en vrij met elke ademhaling zoo krachtig uitzettende. Levendig was hij, zeer levendig zelfs; kwikzilver had hij in de aderen, en hij liep als op spelden. Hij trippelde altijd heen en weer en sprak haastig en met veel beweging.

Was die dokter Ox dan rijk, dat hij op zijn kosten een gansche stad ging verlichten?

Misschien wel, anders doet men zulke uitgaven niet. Meer kunnen we op die onbescheiden vraag niet antwoorden.

't Zal een vijf maanden geleden zijn, dat de dokter te Quiquendone kwam; hij was vergezeld van zijn assistent, luisterende naar den naam van Gideon Ygeen. Dat was een lange, magere man, die echter even levendig was als zijn patroon.

Maar waarom had dokter Ox aangenomen op zijne kosten de stad te verlichten? En waarom had hij nu juist de vreedzame Quiquendoners gekozen, de rustigste aller Vlamingen; waarom wilde hij hunne stad de weldaden doen genieten van een uitstekende gasverlichting? Kon het ook zijn, dat hij een of andere groote natuurkundige proef op het oog had en die in anima vili wilde uitvoeren? Wat wilde die man toch?

Hierop moeten wij het antwoord schuldig blijven, want dokter Ox had maar één vertrouwde, zijn assistent Ygeen, en die gehoorzaamde hem blindelings.

Naar het schijnt, had dokter Ox aangenomen de stad te verlichten; zij had er behoefte aan, vooral 's nachts, zooals de commissaris Passauf zeer ter snede opgemerkt had. De inrichting was bijna klaar, en gasbuizen waren gereed het gas te doen stroomen in de sierlijke gasbekken, die in eenige openbare gebouwen en in de woningen van eenige vrienden van den vooruitgang aangebracht waren.

Van Tricasse, als burgemeester, en Niklausse, als wethouder, hadden gemeend in hunne woningen die nieuwe verlichting te moeten doen aanleggen, en eenige andere autoriteiten hadden gemeend hun voorbeeld te moeten volgen.

Dat gas toch was iets nieuws; het was geen gewoon koolwaterstofgas, gas dat uit steenkool gestookt wordt, neen, het hydro-oxygeengas was twintig maal helderder en werd gevormd door eene vermenging van hydrogenium en oxygenium, dus waterstof met zuurstof.

De dokter had als bekwaam scheikundige en vernuftig natuurkundige er een middel op gevonden, om het gas op groote schaal te verkrijgen en langs veel goedkooper weg dan de gewone manier. Heel eenvoudig ontleedde hij het water, waarin een zwak zuur was opgelost, met een door hem uitgedachte batterij, uit nieuwe elementen bestaande. De dure hulpmiddelen waren dus vermeden; zoo waren geen platina, geen retorten, geen brandstoffen, geen fijnbewerkte toestel om de beide gassen afzonderlijk daar te stellen, meer noodig. Een electrische stroom liep door groote bakken vol water, en de vloeistof werd ontleed in hare samenstellende deelen: oxygenium en hydrogenium. Het oxygenium ging langs den eenen weg, het hydrogenium, welks volume dubbel zoo groot was als dat van zijn ouden makker, ging den anderen kant uit. Beide gassen werden in afzonderlijke reservoirs opgevangen, dat was noodig, want anders zou er een verschrikkelijke ontploffing gevolgd zijn, als het eens in vlam geraakte. Door pijpen werden ze vervolgens naar de verschillende gasbekken gevoerd, die zoo zouden ingericht zijn, dat er geen ontploffing kon ontstaan. Dat alles zou een prachtige vlam geven, minstens gelijk aan het electrisch licht, dat, zooals iedereen uit de proeven van Casselmann weet, een lichtkracht heeft van niet meer en niet minder dan elf honderd een en zeventig waskaarsen.

Zonder twijfel zou de stad Quiquendone door deze edelmoedige onderneming een heerlijke verlichting rijk worden; maar daar was het dokter Ox en zijn assistent toch minder om te doen, gelijk uit het volgende blijken zal.

Juist den dag nadat de commissaris Passauf op zoo luidruchtige wijze bij den burgemeester was komen binnenstuiven, waren Gideon Ygeen en dokter Ox aan het praten in hun gemeenschappelijk werkvertrek in de benedenverdieping van de fabriek.

»Wel Ygeen, wat zegt ge er van?" riep dokter Ox uit, terwijl hij zich tevreden in de handen wreef. »Ge hebt gisteren op de partij die goede, koudbloedige Quiquendoners eens gezien, die, wat hartstochtelijkheid betreft, het midden houden tusschen sponzen en koraalgewassen. Ge hebt nu gezien, dat ze al beginnen te redetwisten en elkander met woorden en gebaren uitdagen. In geestelijk en lichamelijk opzicht waren ze reeds veranderd. Dat is nog maar een begin! Wacht nu eerst totdat we hun een grootere dosis geven!"

»Ik kan niet anders zeggen, dokter," antwoordde Gideon Ygeen, terwijl hij met den wijsvinger langs zijn spitsen neus wreef, »dan dat de proef goed begint, en als ik niet zoo voorzichtig was geweest om de kraan te sluiten, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn."

»Ge hebt gehoord wat die advocaat Schut en die geneesheer Custos zeiden," hernam dokter Ox. »Op zichzelf waren de woorden zoo erg niet, maar voor een Quiquendoner zijn ze wel zoo kras als de gansche reeks van vloeken, die de helden van Homerus elkander naar het hoofd wierpen voordat ze van leer trokken. Ha, die Vlamingen, ge zult eens zien wat we daar nog van maken!"

»We zullen hen tot ondankbaren maken," antwoordde Gideon Ygeen, op den toon van iemand die de menschheid op haar rechte waarde schat.

»Kom, kom!" was het antwoord van den dokter, »wat kan het ons schelen of ze er ons dankbaar voor zijn of niet, als onze proef maar gelukt."

»Maar dan is het nog de vraag," voegde zijn assistent er glimlachend bij, »of wij, door hunne ademhalingswerktuigen zoo in opschudding te brengen, niet de longen van die brave bewoners van Quiquendone eenigszins van streek maken.

»Des te erger voor hen," gaf de dokter ten antwoord. »Het is in het belang van de wetenschap. Stel u eens voor, dat honden of kikvorschen zich eens niet langer tot de vivisectie wilden leenen!"

Hoogstwaarschijnlijk zouden de honden en kikvorschen, als ze geraadpleegd werden, wel eenige bezwaren inbrengen tegen de verrichtingen der heeren vivisectionisten; dokter Ox bekreunde zich evenwel om die gissing niet veel en gaf een zucht van voldoening over zijn onwederlegbaar argument.

»Alles wèl beschouwd, dokter, hebt ge gelijk," gaf Gideon Ygeen met berusting ten antwoord. »We konden eigenlijk nergens beter terechtkomen dan bij deze inwoners van Quiquendone."

»Neen, dat konden we zeker niet," zeide de dokter met eenigen nadruk op elke lettergreep.

»Hebt ge den pols van die menschen wel eens gevoeld?"

»Wel honderd maal."

»En hoeveel slagen gemiddeld?"

»Geen vijftig in de minuut. Maar begrijp ook eens; een stad waar sedert een eeuw geen schijn of schaduw van woordenwisseling bestond, een stad waar de karrelui niet vloeken, waar de koetsiers niet schelden, waar de paarden niet hollen, waar de honden niet bijten, waar de katten niet krabben! Een stad waar het kantongerecht het eene jaar in, het andere uit, geen politieovertredingen te behandelen heeft! Een stad waar men zich om geen enkele zaak warm maakt, om geen kunsten, om geen zaken! Een stad waar gendarmes tot de mythe behooren, waar in geen honderd jaar een procesverbaal is opgemaakt! Een stad ten slotte, waar in de laatste drie eeuwen geen klap of stomp toegediend is! Ge begrijpt nu toch, Ygeen, dat zoo iets niet langer kan voortduren, en dat wij daarin eens verandering zullen brengen."

»Prachtig! Overheerlijk!" gaf de assistent met geestdrift ten antwoord. »Maar de lucht, dokter, hebt ge die onderzocht?"

»Natuurlijk. Negen en zeventig deelen stikstof en twintig deelen zuurstof, koolzuur en waterdamp in veranderlijke hoeveelheid. Dat zijn de gewone verhoudingen."

»Best, dokter, best," antwoordde Ygeen. »De proef zal grootsch zijn en beslissend."

»En als ze beslissend is," voegde dokter Ox er met een zegepralend lachje bij, »dan herscheppen wij de wereld!"

V.

Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek brengen aan dokter Ox en hetgeen daaruit voortvloeit.

De wethouder Niklausse en de burgemeester Van Tricasse wisten nu eens wat een onrustige nacht was. Ze hadden letterlijk niet kunnen slapen van het ernstige voorval ten huize van dokter Ox. Welke gevolgen kon die zaak wel hebben? Ze konden het zich niet voorstellen. Moest er een besluit genomen worden? Zou het gemeentebestuur, in hunne personen vertegenwoordigd, genoodzaakt zijn tusschenbeide te komen? Moesten er besluiten afgevaardigd worden, om te zorgen dat een dergelijk schandaal niet meer voorkwam?

Die twijfel bracht natuurlijk een groote stoornis in hun vreedzaam karakter teweeg. Voordat zij scheidden evenwel, hadden de beide notabelen »besloten" er morgen nog eens over te praten.

Den volgenden dag, nog vóór tafel, begaf de burgemeester Van Tricasse zich in persoon naar den wethouder Niklausse. Hij trof zijn vriend in veel bedaarder gemoedstoestand aan. Hij zelf had weer al zijn waardigheid hernomen.

»Iets nieuws?" was zijn vraag.

»Sinds gisteren niet," antwoordde Niklausse.

»Hoe is het met den geneesheer Dominicus Custos?"

»Ik heb er evenmin iets van gehoord als van den advocaat André Schut."

Na een gesprek van een uur, waarvan de inhoud in drie regels zou te vermelden zijn en dat daarom nutteloos zou zijn over te brengen, hadden de burgemeester en de wethouder wezenlijk besloten dokter Ox een bezoek te gaan brengen, teneinde ongemerkt eenige inlichtingen uit hem te trekken.

Nadat, geheel tegen hunne gewoonte in, dit besluit genomen was, vonden de twee notabelen zich verplicht, het onmiddellijk uit te voeren. Zij verlieten het huis en richtten zich naar de fabriek van dokter Ox, buiten de stad, bij de poort van Oudenaarde gelegen,--dezelfde waarvan de toren bijna inviel.

De burgemeester en de wethouder liepen niet gearmd, maar zij liepen passibus aequis, met langzame en deftige schreden, die hen nauwelijks dertien duim per seconde vooruitbracht. 't Was trouwens de gewone gang hunner onderhoorigen, die bij menschen geheugen, nooit iemand hard hadden zien loopen in de straten van Quiquendone.

Van tijd tot tijd hielden de twee notabelen op den hoek van een stille straat eens op om de menschen te groeten.

»Goeden dag, mijnheer de burgemeester," zei de een.

»Goeden dag, mijn vriend", antwoordde Van Tricasse.

»Niets nieuws, mijnheer de wethouder?" vroeg de ander.

»Niets nieuws," antwoordde Niklausse.

Maar toch kon men aan zekere verwonderde gezichten, aan zekere vragende blikken merken, dat de woordenwisseling van den vorigen avond in de stad bekend was. Alleen reeds aan de door Van Tricasse gevolgde richting, kon de domste inwoner van Quiquendone raden, dat de burgemeester een ernstigen stap ging nemen. De zaak Custos en Schut hield aller gedachten bezig, maar men was er nog niet aan toe om partij voor den een of ander te trekken. Die advocaat en die geneesheer waren toch inderdaad beiden zeer geachte personages. De advocaat Schut, die nooit in de gelegenheid geweest was te pleiten in een stad, waar de prokureurs en de deurwaarders slechts voor de leus bestonden, had dus ook nooit een proces verloren. Wat den geneesheer Custos betreft, 't was een achtenswaardige prakticus, die, op het voetspoor zijner collega's, hunne zieken van alle ziekten genazen, uitgenomen van die waaraan zij stierven. 't Was een noodlottige gewoonte, die, ongelukkig genoeg, aangenomen is door al de leden van al de Faculteiten, in welk land ze ook praktiseeren.

Toen ze bij de poort van Oudenaarde waren aangekomen, namen de wethouder en de burgemeester voorzichtig een klein omwegje om niet te dicht in den omtrek van den toren te komen, die dreigde omver te vallen; daarna bekeken ze hem met aandacht.

»'k Denk dat hij vallen zal," zei Van Tricasse.

»'k Denk het ook," antwoordde Niklausse.

»Of men moet hem stutten," voegde Van Tricasse erbij. »Maar moeten we 'm stutten? Dat is de vraag."

»Dat is juist de vraag," antwoordde Niklausse.

Eenige oogenblikken later meldden ze zich aan de fabriek aan.

»Is dokter Ox te spreken?" vroegen zij.

Dokter Ox was voor de eerste magistraatspersonen der stad altijd te spreken en deze werden dan ook dadelijk in de spreekkamer van den beroemden natuurkundige ontvangen.

Het kan wel een uur zijn dat de twee notabelen moesten wachten, voordat de dokter verscheen. Er bestaat althans alle grond het te gelooven, want de burgemeester--en dit was hem nog nooit in zijn leven gebeurd--toonde zich wel een beetje ongeduldig, waarvan zijn collega ook niet was vrij te pleiten!

Eindelijk trad dokter Ox binnen en begon met zich te verontschuldigen de heeren te hebben laten wachten, maar een nieuw model van een gasmeter, het verbeteren van een vertakking van gasbuizen... Overigens, alles ging goed! De geleidingen voor het oxygenium waren al gesteld. Over eenige maanden zou de stad het voorrecht genieten eener prachtige verlichting. De twee notabelen konden de monden der buizen reeds zien, die in de spreekkamer van den dokter uitkwamen.

Daarna verzocht de dokter de reden te mogen weten van de eer, die hij genoot den burgemeester en den wethouder bij zich aan huis te mogen ontvangen.

»Maar, enkel u eens te zien, dokter, u eens te zien," antwoordde Van Tricasse. »'t Is al zoo lang geleden, dat we dat genoegen niet mochten smaken. We gaan weinig uit in ons goede Quiquendone. We tellen onze passen en meten onze schreden af. Gelukkig als niets de eentoonigheid komt verstoren..."

Niklausse keek ter sluiks zijn vriend eens aan. Zijn vriend had nooit zoo lang achtereen gesproken,--althans zonder tusschenpoozen en oogenblikken van plechtige stilte. Hij vond dat Van Tricasse zich met een zekere radheid van tong uitdrukte als hij nog nooit van hem gehoord had. Niklausse zelf gevoelde een onweerstaanbaren lust tot spreken.

Dokter Ox van zijn kant keek den burgemeester guitig aan.

Van Tricasse, die nooit redeneerde of hij moest zich eerst gemakkelijk in een goeden leunstoel gezet hebben, was ditmaal opgestaan. Een zekere zenuwachtige overspanning, geheel in strijd met zijn gewone kalme gemoedsstemming, had zich van hem meester gemaakt. Hij gesticuleerde nog wel niet, maar ook dat zou niet lang uitblijven. Wat den wethouder aangaat, hij wreef zich de kuiten en haalde lang en diep adem. Zijn oog verhelderde zich langzamerhand en hij was werkelijk »besloten" om, als het moest, zijn getrouwen vriend den burgemeester, het mocht gaan zoo het wilde, bij te staan.

Van Tricasse was opgestaan, hij had eenige schreden gedaan en was toen weder tegenover den dokter gaan zitten.

»En over hoeveel maanden," vroeg hij hem met zekeren nadruk, »over hoeveel maanden denkt u met uw werkzaamheden gereed te zijn?"

»Over drie of vier maanden, mijnheer de burgemeester," antwoordde dokter Ox.

»Over drie of vier maanden, dat is veel!" zeide Van Tricasse.

»Veel te veel!" riep Niklausse, die het op zijn plaats niet langer kon uithouden en bij hem was komen staan.

»Ja, zooveel tijd hebben wij noodig om met ons werk gereed te komen," antwoordde de dokter. »We hebben onze werklieden hier uit de stad moeten halen, en die zijn niet vlug."

»Wat, niet vlug!" schreeuwde de burgemeester, die dat woord als een persoonlijke beleediging scheen op te vatten.

»Neen, mijnheer de burgemeester," hield dokter Ox vol. »Een Fransch werkman werkt op éen dag zoo hard als tien van de uwen. U begrijpt, 't zijn echte Vlamingen!..."

»Vlamingen!" riep de wethouder Niklausse uit, wiens vingers begonnen te jeuken. »In welken zin, Mijnheer, vat gij dat woord op?"

»Wel, in den zelfden... vleienden zin als ieder ander," gaf de dokter met een glimlach ten antwoord.

»Hoor eens, Mijnheer!" zeide de burgemeester, terwijl hij met groote stappen heen en weer liep, »'k houd niet van die draaierijen. De werklieden van Quiquendone doen niet onder voor de werklieden uit welke stad ter wereld ook, begrijpt u, en Londen noch Parijs hebben we ons tot voorbeeld te stellen! Overigens verzoek ik u met het werk, dat u onderhanden hebt, haast te maken. Onze straten zijn opgebroken voor het leggen der gasbuizen; dat hindert het verkeer. De handel zal er over klagen, en ik, de verantwoordelijke bestuurder, verkies niet verwijten te hooren, waarvoor maar al te veel reden zou bestaan!"

Flink gesproken, burgemeester. Daar hoort moed toe, van handel, van verkeer te spreken, als men aan die woorden niet gewoon is. Maar wat scheelde hem toch?

»En dan," voegde Niklausse er bij, »kan de stad ook niet langer van verlichting verstoken blijven."

»Acht of negen eeuwen lang heeft men het toch wel zonder gedaan," antwoordde de dokter.

»Reden te meer, Mijnheer," sprak de burgemeester met veel nadruk: »Andere tijden, andere zeden! De wereld gaat vooruit, en wij willen niet achter blijven! Binnen een maand dienen onze straten verlicht te zijn, of ge zult voor elken dag vertraging een aanzienlijke schadeloosstelling te betalen hebben! Waar zou het heen, als in die duisternis eens ruzie ontstond?"

»Verschrikkelijk!" riep Niklausse. »Er is maar een kleinigheid noodig om den strijdlust van een Vlaming te doen ontvlammen! Vlam--Vlaming!"

»En wat dat betreft," viel de burgemeester hierop in, »is ons door onzen commissaris van politie Passauf gerapporteerd, dat gisterenavond in uwe salons, mijnheer de dokter, een woordenwisseling gevoerd is. Is het zoo, dat het een gesprek over staatkunde was?"

»Zoo was het, mijnheer de burgemeester," antwoordde dokter Ox, die moeite had een zucht van voldoening te smoren.

»En werd die woordenwisseling niet gevoerd tusschen den geneesheer Dominicus Custos en den advocaat André Schut?"

»Ja, mijnheer de wethouder, maar de woordenwisseling was nog al niet scherp."

»Niet scherp!" riep de burgemeester uit, »is dat niet scherp als de eene man tot den ander zegt, dat hij zijn woorden niet schijnt te wegen! Maar van welk deeg zijt gij dan wel gebakken, Mijnheer? Weet gij dan niet, dat hier in Quiquendone niets meer noodig is om uiterst betreurenswaardige gevolgen te veroorzaken? Zie, Mijnheer, als gij of iemand anders zóo tegen mij durfdet spreken..."

»Of tegen mij..." riep ook Niklausse, en beide notabelen stonden met gekruiste armen en te bergen gerezen haren vlak voor dokter Ox, die slecht van de reis zou gekomen zijn, als hij het ongeluk gehad had met een enkele beweging, of, nog minder, met een blik slechts de bedoeling te verraden hun het geringste in den weg te willen leggen.

Gelukkig vertrok de dokter geen spier.

»In alle geval, Mijnheer," liet de burgemeester er op volgen, »stel ik u aansprakelijk voor hetgeen in uwe woning voorvalt. Aan mij is de rust in deze stad toevertrouwd, en ik zal niet dulden dat zij verstoord worde. Hetgeen gisteren gebeurd is moet zich niet herhalen, of ik zal weten wat mij te doen staat. Begrepen? Maar geef dan toch antwoord, Mijnheer!"

Terwijl de burgemeester zich zoo door een buitengewone opgewondenheid had laten medesleepen, was zijn spreken in bulderen overgegaan. Hij was woedend, de waardige Van Tricasse, en buiten zou men hem stellig kunnen hooren. Toen hij eindelijk buiten adem was en zag dat de dokter op zijne uittartingen niet antwoordde, zeide hij tot den wethouder:

»Ga mede, Niklausse."

De deur werd zoo hard dichtgeslagen, dat het huis dreunde, en de burgemeester was met den wethouder vertrokken.

Langzamerhand, toen zij een twintig pas geloopen hadden, kwamen de waardige vrienden tot bedaren. Zij liepen langzamer, hun stap werd gematigder. Hun gelaat schitterde niet meer zoo; van rood werd het blozend.

Een kwartier nadat zij de fabriek verlaten hadden, zeide Van Tricasse vriendelijk tot den wethouder:

»Wat een aardig man, die dokter Ox! 'k Zie hem altijd met het grootste genoegen."

VI.