Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 14
Wat den IJzeren Reus betreft, deze was geheel door de ontploffing van den stoomketel vernield. Een zijner groote pooten was tot op verren afstand weggeslingerd. Een gedeelte van zijn snuit, tegen de berghelling geworpen, was er in vast blijven zitten en stak er uit als een reusachtige arm. Overal geblakerde stukken plaatijzer, krammen, klinkbouten, roosters, overblijfselen van cilinders, stukken geledingen. Op het oogenblik der ontploffing, toen de belaste veiligheidskleppen den stoom geen uitweg meer konden verschaffen, moet zijn spanning zeker vreeselijk geweest zijn en misschien twintig atmosfeeren hebben overtroffen.
En nu, van den kunstmatigen olifant waarop de gasten van het Stoomhuis zoo trotsch waren, van dien kolos, die de bijgeloovige bewondering der Hindoes uitlokte, van het mechanische meesterstuk van den ingenieur Banks, van dien verwezenlijkten droom van den fantastischen rajah van Bouthan, bleef niets meer over dan een onherkenbaar karkas, zonder eenige de minste waarde!
»Arm dier!" kon kapitein Hod zich niet weerhouden uit te roepen bij het lijk van zijn waarden IJzeren Reus.
»We kunnen een ander vervaardigen... een ander, die nog machtiger zal zijn!" zeide Banks.
»Ongetwijfeld," antwoordde de kapitein, een diepe zucht loozende, »maar onze IJzeren Reus zal het toch niet meer zijn!"
Terwijl zij zich met dit onderzoek bezighielden, kwam het den ingenieur en zijnen metgezellen in de gedachte rond te zien of niet hier of daar eenige overblijfselen van Nana Sahib zouden te vinden zijn. Bij gebrek van het gelaat van den nabob, overigens zoo gemakkelijk te herkennen, zou de hand waaraan een vinger ontbrak hun voldoende geweest zijn om de identiteit te bevestigen. Zij zouden dit onbetwistbare bewijsstuk van den dood van hem, dien men niet meer met zijn broeder Balao Rao kon verwarren, wel in hun bezit gehad willen hebben.
Maar geen der bloedige overblijfselen, die over den grond verspreid lagen, scheen hem te hebben toebehoord, die Nana Sahib was. Hadden zijne dweepzieke volgelingen tot het laatste spoor zijner overblijfselen medegenomen? Het was meer dan waarschijnlijk.
Het gevolg hiervan zoude zijn dat, daar er geen enkel zeker bewijs was van den dood van Nana Sahib, de legende hare rechten wederom zou doen gelden en dat, in den geest der bevolking van Centraal-Indië, de nabob altijd voor levend zou doorgaan, in afwachting dat men een onsterfelijken god van het oude opperhoofd der Sipayers maakte.
Doch Banks en de zijnen konden moeielijk gelooven, dat Nana Sahib de ontploffing had kunnen overleven.
Zij kwamen aan het station terug, evenwel niet zonder dat kapitein Hod een stuk van een der slagtanden van den IJzeren Reus had opgeraapt,--een kostbaar overblijfsel, dat hij als een souvenir wilde bewaren.
Den volgenden dag, 4 October, verlieten allen Jubbulpore in een waggon, die ter beschikking van kolonel Munro en zijn personeel gesteld was. Vier en twintig uren later passeerden zij de westelijke Ghâtes, deze Hindostansche Andes, die zich over een lengte van drie honderd zestig mijlen uitstrekken, te midden van dichte bosschen vijgeboomen, ahornboomen, teks, vermengd met palmboomen, kokosboomen, areks of pinangpalmen, peperboomen, sandelboomen, bamboes. Eenige uren later, zette de trein hen af op het eiland Bombay, dat met de eilanden Salcetti, Elephanta en anderen een prachtige reede vormt, aan welker zuidoostelijk uiteinde de hoofdstad van het Presidentschap gelegen is.
Kolonel Munro zou niet in deze groote stad blijven, waar Arabieren, Perziërs, Banyanen, Abyssiniërs, Passis of Guèbres, Scindiërs, Europeanen van alle landen, en zelfs,--naar het schijnt,--Hindoes elkander verdringen.
De geneeskundigen, geraadpleegd over den toestand van lady Munro, rieden aan haar naar een villa in de omstreken te brengen, waar de kalmte, gevoegd bij hunne dagelijksche zorgen en de onophoudelijke toewijding van haren echtgenoot, ongetwijfeld een heilzame uitwerking moest tengevolge hebben.
Een maand ging op deze wijze voorbij. Geen enkele van de metgezellen van den kolonel, geen enkele zijner bedienden had er aan gedacht hem te verlaten. Op het tijdstip, dat niet ver meer verwijderd was en waarop zich verschijnselen van genezing bij de jonge vrouw begonnen voor te doen, wilden ze allen tegenwoordig zijn.
Eindelijk was die lang gewenschte dag daar. Langzamerhand kreeg lady Munro hare vermogens terug. Die rijk begaafde geest begon weder te denken. Van hetgeen eens de Dwalende Vlam geweest was, bleef niets meer over, zelfs niet de herinnering.
»Laurence! Laurence!" had de kolonel uitgeroepen, en lady Munro, hem eindelijk herkennende, was in zijne armen gevallen.
Een week later, waren de gasten van het Stoomhuis in den bungalow te Calcutta vereenigd. Daar zou een leven beginnen, zeer verschillend van dat, hetwelk tot nog toe in de weelderige woning geleid was. Banks moest er den tijd doorbrengen, dien zijne werkzaamheden hem vrij lieten en kapitein Hod de verloftijden waarover hij zou kunnen beschikken. Wat Mac Neil en Goûmi betreft, zij behoorden tot het huis en zouden zich nooit meer van kolonel Munro scheiden.
Op dit tijdstip was Maucler verplicht Calcutta te verlaten om naar Europa terug te keeren. Hij deed dit terzelfdertijd als kapitein Hod, wiens verlof om was en dien de getrouwe Fox naar de militaire kantonnementen van Madras ging volgen.
»Vaarwel, kapitein," zei kolonel Munro tot hem. »Het doet me genoegen, dat ge geen berouw hebt over uw reis door Noord-Indië, of het zou moeten zijn dat ge uw vijftigsten tijger niet geschoten hebt!"
»Wel, hij is geschoten, kolonel."
»Wat! Is hij geschoten?"
»Wel zeker," antwoordde kapitein Hod. »Negen en veertig tijgers en... Kâlagani... is dat geen vijftig?"
DOKTER OX.
I.
Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft op te zoeken, zelfs niet op de beste kaarten.
Zoo ge het stadje Quiquendone op een kaart van Vlaanderen mocht willen opzoeken, hetzij een oude of een nieuwe, zoudt ge het waarschijnlijk niet vinden. Is Quiquendone dan een van die steden, welke van de aarde verdwenen zijn? Niet? Een stad in haar opkomst dan? Ook niet. De stad bestaat, wat de aardrijkskundigen ook mogen beweren, en ze bestaat wel al acht of negen eeuwen. Ze telt zelfs twee duizend drie honderd drie en negentig zielen, aannemende dat ieder inwoner een ziel heeft. Quiquendone ligt dertien en een halve kilometer ten Noordwesten van Oudenaarde en vijftien en een kwart kilometer ten Zuid-oosten van Brugge, in 't hartje van Vlaanderen dus. De Vaar, een bijriviertje van de Schelde, loopt er midden door, en er zijn drie bruggen over geslagen in middeleeuwschen stijl, zooals men er ook te Doornik vindt. Verder kan men er een oud kasteel bewonderen, waarvan de eerste steen gelegd werd in 1197 door Graaf Boudewijn, den toekomstigen Keizer van het Ottomanische Rijk, en een stadhuis met gothische vensters, versierd met kanteelen en prijkende met een kolossalen klokketoren van drie honderd zeven en vijftig voet hoogte. Elk uur laat zich daar een klokkenspel van vijf octaven hooren; dat is een ware luchtpiano, nog vermaarder dan het beroemde carillon van Brugge. Als er vreemdelingen komen in Quiquendone--zoo dat al ooit gebeurd is--verzuimen zij nooit de zaal der stadhouders te bezoeken, waar het portret van Willem den Zwijger prijkt, door Brandon geschilderd; de kerk, een meesterstuk van bouwkunst uit de zestiende eeuw; de drinkwaterput met een bewonderenswaardig ijzeren hek van Quinten Metsys; het graf, vroeger bestemd voor Maria van Bourgogne, die thans in de Notre Dame te Brugge rust, en andere merkwaardigheden meer. De voornaamste tak van nijverheid te Quiquendone bestaat in de vervaardiging van zeker roomgebak, waarvoor zij beroemd is, en van suikerwerkjes op groote schaal. Sedert eeuwen staat de stad onder bestuur van de familie Van Tricasse, in welke familie die waardigheid van vader op zoon overgaat. Toch komt Quiquendone op de kaarten van Vlaanderen maar niet voor! Hebben de aardrijkskundigen haar vergeten, of misschien met opzet weggelaten? Dat zou ik u niet kunnen zeggen, maar wel weet ik, dat het stadje met zijn nauwe straten, zijn wallen, zijn Spaansche huizen, zijn stadhuis en zijn burgemeester bestaat,--en, wat boven alles bewijst dat het bestaat, is dat er zich onlangs verrassende, buitengewone, even onwaarschijnlijke als waarachtige tooneelen voordeden, waarvan ik u thans een getrouw verhaal zal leveren.
Men moet me geen kwaad spreken van de Vlamingen in West-Vlaanderen! Het zijn welgezeten, brave, spaarzame, gezellige, gastvrije lieden; misschien zijn ze niet erg rad van tong en vlug van geest, maar dat is nog geen reden, waarom een van hun meest belangwekkende steden nog altijd op een plaatsje in den atlas moet wachten.
Dat is een betreurenswaardig verzuim! Spraken nu nog maar de geschiedenis, of althans de kronieken, of zelfs maar de gewestelijke overleveringen van Quiquendone! Maar neen, noch atlassen, noch gidsen, noch reisbeschrijvingen spreken er van. Ieder gevoelt, hoe zeer dit den handel en de nijverheid eener stad moet benadeelen, doch we dienen gauw op te merken, dat Quiquendone noch nijverheid noch handel bezit en er best buiten kan. Ook 't suikerwerk en het roomgebak, die het vervaardigt, vinden hun man op de plaats zelve en gaan niet naar buiten. Kortom, de Quiquendoners hebben geen mensch noodig. Ze hebben maar weinig wenschen, ze leven zeer eenvoudig, ze zijn kalm, matig, koel, flegmatisch, in een woord, echte Vlamingers!
II.
Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder Niklausse over de belangen der stad spreken.
»Zoudt ge dat denken?" vroeg de burgemeester.
»Ja, dat denk ik," antwoordde de wethouder na eenige minuten zwijgens.
»Maar 't zou zeer bedenkelijk zijn lichtvaardig een besluit te nemen," hernam de burgemeester.
»Ja, dat is zoo, waarde Van Tricasse," gaf de wethouder Niklausse ten antwoord. »Ik wil u wel zeggen, we zijn nu tien jaren over de gewichtige zaak bezig, maar ik kan er nog niet toe komen een besluit te nemen."
»Ik kan mij zeer goed verklaren, dat gij aarzelt," antwoordde de burgemeester, na zich een goed kwartier bedacht te hebben. »Ik kan mij verklaren dat ge aarzelt, en ik zelf aarzel ook. We zullen het best doen door nog niet te beslissen en eerst de zaak eens nauwkeurig te overwegen."
»Zeker is het," hernam Niklausse, »dat de plaats van commissaris van politie in een zoo rustige stad als Quiquendone overbodig is."
»Onze voorganger," gaf Van Tricasse op ernstigen toon ten antwoord, »onze voorganger zeide nimmer, zou nimmer hebben durven zeggen, dat dit of dat zeker was. 't Is altijd mogelijk, dat het later berouwt zoo iets stelligs gezegd te hebben."
De wethouder trok met een bevestigend gebaar de wenkbrauwen op en liet zich in ongeveer een half uur niet hooren. Al dien tijd verroerden de wethouder en de burgemeester geen vin. Daarna vroeg Niklausse aan Van Tricasse, of zijn voorganger, die een twintig jaar geleden gestorven was, ook nooit eens op de gedachte gekomen was, die commissaris-betrekking op te heffen, welke toch elk jaar de stad Quiquendone met een uitgaaf van dertien honderd vijf en zeventig frank en eenige centimes bezwaarde.
»Welzeker," antwoordde de burgemeester, die met een gewichtig gebaar de hand aan zijn voorhoofd bracht, »welzeker, maar die waardige man stierf voordat hij een besluit genomen had, hetzij ten opzichte van deze zaak, hetzij ten opzichte van eenige andere zaak van administratieven aard. Hij deed wijs. Waarom zou ik ook zoo niet doen?"
De wethouder Niklausse kon geen enkele reden bedenken, waarom de burgemeester niet ook zoo zou doen.
»De man die als hij sterft, zeggen kan nooit in zijn leven tot een besluit gekomen te zijn," ging Van Tricasse op deftigen toon voort, »heeft in dit ondermaansche bijna het volmaakte bereikt."
Toen de burgemeester dit gezegd had, drukte hij op de veer eener schel, die een nauw hoorbaar geluid gaf. Bijna op hetzelfde oogenblik gleed iemand met zachte schreden over de vloersteenen. Een muis had op een dik tapijt niet minder leven kunnen maken. De kamerdeur had op hare goedgesmeerde hengsels gedraaid, en een jong meisje met lange blonde vlechten was binnengekomen. Het was Suze Van Tricasse, de eenige dochter van den burgemeester. Zij gaf haren vader een gestopte pijp en zette een koperen komfoortje neer; zonder een woord te spreken verdween zij weder, even onhoorbaar als zij gekomen was.
De burgervader stak den eerbiedwaardigen inhoud van zijn rooktoestel aan en hulde zich weldra in een wolk van blauwen rook, terwijl de wethouder Niklausse in diep gepeins verzonken bleef.
Het vertrek, waarin deze beide bestuurders van Quiquendone hun gesprek voerden, was een spreekkamer, waarin rijke versierselen van snijwerk in donker hout waren aangebracht. Een geheele wand werd ingenomen door een geweldigen vuurhaard, waarop een os gebraden had kunnen worden; daartegenover bevond zich een venster met in lood gevatte ruitjes, welker schilderwerk het daglicht temperde. Boven den schoorsteen hing in een ouderwetsche lijst een portret, naar men zeide van Hemlïng, dat een der voorvaderen der Van Tricasses moest voorstellen, een geslacht, dat stellig opklimt tot de veertiende eeuw, in den tijd toen de Vlamingen strijd moesten voeren met Keizer Rudolf van Habsburg.
Die spreekkamer was een vertrek in het huis van den burgemeester, dat een der aangenaamste woningen van de stad was. Het was naar Vlaamschen trant gebouwd en had al het verrassende, grillige, schilderachtige van den spitsbogenstijl; het behoorde dan ook tot de merkwaardigste monumenten der stad.
In een klooster van Karthuizer monniken of een instituut voor doofstommen had het niet stiller kunnen zijn dan in dat huis. Niets verstoorde er de stilte; men liep niet, maar gleed over den vloer; men praatte niet, maar lispelde. Toch waren er vrouwen in huis, en wel de vrouw van den burgemeester, Mevrouw Brigitta Van Tricasse, hare dochter, Suze Van Tricasse, en een dienstmeisje, Lotje Janssen. Voorts woonde er nog de zuster van den burgemeester, Tante Hermance, een oude-jongejuffrouw, die nog luisterde naar den naam van tantetje, zooals haar nichtje Suze, toen die nog een klein meisje was, haar noemde. Niettegenstaande er dus bouwstoffen te over waren voor oneenigheid, gedruisch en gebabbel, was het in de woning van den burgemeester rustig als in de woestijn.
De burgemeester was iemand van een vijftig jaren, niet dik en niet mager, niet groot en niet klein, niet blozend en niet bleek, niet vroolijk en niet somber, niet tevreden en niet pruilerig, niet ferm en niet flauw, niet trotsch en niet nederig, niet goed en niet kwaad, niet mild en niet gierig, niet dapper en niet laf, niet te veel en niet te weinig,--ne quid nimis,--een man die in alles de maat hield. De burgemeester Van Tricasse was het flegma in eigen persoon; dat had een gelaatskenner dadelijk gezien aan de onverstoorbare langzaamheid van zijne bewegingen, aan zijne eenigszins hangende benedenkaak, aan zijn voortdurend opgetrokken wenkbrauwen, aan zijn glad rimpeloos voorhoofd. Nimmer had, hetzij door toorn, hetzij door hartstocht, eenige aandoening dezen man het hart sneller doen kloppen of zijn gelaat doen kleuren, nooit waren zijne wenkbrauwen door drift samengetrokken, al ware het ook slechts voor een oogenblik. Hij had altijd goede kleeren aan, niet te wijd en niet te nauw, en kon ze ook niet verslijten. Hij droeg altijd groote schoenen met zilveren gespen en driedubbele zolen, die door hun groote duurzaamheid zijn schoenmaker tot wanhoop brachten. Zijn hoofd was bedekt met een breeden hoed, die nog dagteekende van den tijd toen Vlaanderen voor goed van Nederland gescheiden werd, zoodat dit hoofddeksel den achtenswaardigen leeftijd van veertig jaren bereikt had.
Hoe kon het ook anders? Hartstochten doen het lichaam zoowel als de ziel slijten, en de kleedingstukken zoowel als het lichaam, en onze kalme, rustige, onverschillige burgemeester had geen hartstochten. Hij zorgde wel, dat hij niet versleet en hij zorgde er ook wel voor, dat hij niet sleet; daardoor kwam hij zich zelf uiterst geschikt voor, om de stad Quiquendone en haar rustige inwoners te besturen.
De stad toch was niet minder rustig dan de woning van haar burgemeester, en in dat vreedzame verblijf dacht de waardige Van Tricasse zoolang mogelijk het einde zijner dagen af te wachten, in elk geval zoolang tot de goede Mevrouw Brigitta Van Tricasse, zijn vrouw, hem in het graf was voorgegaan, waar zeker haar rust niet grooter kon zijn dan die zij nu reeds sinds zestig jaren hier op aarde smaakte.
Dit vereischt een nadere uitlegging.
Ieder kent de geschiedenis van den man, die al wel vijfentwintig jaren éen mes gebruikt had, maar ook het hecht vernieuwde zoodra het niet meer deugde, en een ander lemmer nam als dit niet goed meer was. Precies iets dergelijks gebeurde ook sedert onheuglijke tijden in de familie Van Tricasse, en de natuur had er zich met zeldzame welwillendheid in gevoegd.
Sedert het jaar 1340 was het onveranderlijk gebeurd, dat een Van Tricasse, zoodra hij weduwnaar was geworden, hertrouwd was met een jongere Van Tricasse, die, zoodra zij weduwe was geworden, een nieuw huwelijk aanging met een jongeren Van Tricasse, die, werd hij weduwnaar... enz. enz. in een oneindige reeks door. Ieder lid der familie stierf als het zijn beurt was.
Nu was de thans levende Van Tricasse reeds de tweede man van de waardige Mevrouw Brigitta Van Tricasse, die, wilde zij niet in al hare plichten tekortschieten, haar tien jaren jongeren echtgenoot naar de andere wereld moest voorgaan, teneinde plaats te maken voor een nieuwe Van Tricasse. Daar rekende de achtbare burgemeester stellig op, opdat de overleveringen der familie niet geschonden zouden worden.
Zoo zag het er uit in dat vreedzame en stille huis, waar de deuren niet piepten, de vensters niet rammelden, de vloeren niet kraakten, de schoorsteenen niet snorden, de windhanen niet knersten, de meubels niet knapten, de sloten niet klepperden, en waar de bewoners niet meer gedruisch maakten dan hun schaduw. Harpocrates, de God der stilzwijgendheid, had dit verblijf zeker voor den tempel der rust verkozen.
III.
Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als onverwachte manier komt binnenvallen.
't Was kwart vóor drie, toen het hiervoren vermelde gewichtige gesprek tusschen den wethouder en den burgemeester begon, 't was kwart vóor vier, toen Van Tricasse zijn gewone pijp opstak, waarin een kwart ons tabak ging. Vijf minuten over half zes had hij haar opgerookt, en al dien tijd was tusschen beide personen geen woord gewisseld. Tegen zes uren maakte de wethouder, die zijn onderwerp niet gemakkelijk losliet, de opmerking:
»Besluiten we dus?..."
»Met niets te besluiten, ja," was het antwoord van den burgemeester.
»'k Zou wel denken, dat ge 't bij het rechte eind hadt, Van Tricasse."
»Mij dunkt het ook, Niklausse. We zullen ten opzichte van den commissaris van politie wel eens een besluit nemen als wij beter op de hoogte zijn... later... 't Komt er toch op geen maand aan..."
»O, zelfs op een jaar niet," gaf Niklausse ten antwoord, terwijl hij langzaam zijn zakdoek ontvouwde, waarvan hij overigens een bijna onmerkbaar gebruik maakte.
Het stilzwijgen werd wederom gedurende een uur tijds niet afgebroken. De rust werd door niets verstoord, zelfs niet door het binnenkomen van den hond Lento, die, even bedaard als zijn meester, zich door de kamer bewoog. Dat was een hond! Een waar model voor al zijn rasgenooten. Als hij van bordpapier geweest was met rolletjes onder de pooten, zou hij niet minder leven hebben kunnen maken.
Tegen acht uren, toen Lotje de ouderwetsche lamp had binnengebracht, zeide de burgemeester tot den wethouder:
»Is er geen andere dringende zaak af te doen, Niklausse?"
»Neen, Van Tricasse, zoover ik weet niet."
»Wat ik zeggen wil; heb ik niet gehoord, dat de Oudenaardesche poort op inzakken stond?"
»Juist," antwoordde de wethouder, »en wezenlijk, 't zou mij niet verwonderen, als zij op den een of anderen dag boven een voorbijganger instortte."
»Nu," was het antwoord, »voordat dit gebeurt zullen we, hoop ik, daaromtrent wel een beslissing genomen hebben."
»Dat hoop ik ook, Van Tricasse."
»Er zijn zaken die meer haast hebben."
»Zeker," gaf de wethouder ten antwoord, »bijv. de zaak van het ledermagazijn."
»Brandt dat nog altijd?" was de vraag.
»Nog altijd, sedert drie weken."
»Hebben we in den Raad niet besloten het te laten branden?"
»Zeker, Van Tricasse, op uw voorstel nog wel."
»Was dat niet het beste en eenvoudigste middel om den brand meester te worden?"
»Daar kan niemand iets tegen zeggen."
»Wel, dan kunnen we ook wachten. Is dat alles?"
»Ja, dat is alles," zeide de wethouder, met peinzend gelaat het hoofd krabbend, als om zich te vergewissen, dat hij niet de een of andere gewichtige zaak vergat.
»Wacht eens," hernam de burgemeester, »hebt ge ook niet hooren spreken van een doorbraak, waardoor de laaggelegen wijk van St. Jacob dreigt onder te loopen?"
»Ja, juist," was het antwoord. »Hoe jammer dat die doorbraak niet ontstond vlak boven het ledermagazijn! Dan was natuurlijk de brand gebluscht en bespaarde het ons vrij wat hoofdbrekens."
»Och, die ongelukken kunnen zoo wonderlijk loopen," sprak de waardige burgemeester. »Daar is hoegenaamd geen verband tusschen, en men kan maar niet van het eene gebruik maken om het andere te bestrijden."
De wethouder had eenigen tijd noodig om ten volle het fijne van die opmerking te beseffen.
»Maar hoe is het mogelijk," riep een poos later de wethouder Niklausse uit, »hoe is het mogelijk, dat wij niet eens over de groote zaak spreken!"
»Welke groote zaak? Hebben wij dan een groote zaak?" vroeg de burgemeester.
»Wel zeker. De quaestie van de stedelijke verlichting immers!"
»O ja," gaf de burgemeester ten antwoord. »Als mijn geheugen me niet bedriegt, bedoelt ge de verlichting door dien dokter Ox."
»Juist."
»Zoo; en hoe staat het er meê?"
»Best. De zaak marcheert goed. Men begint de buizen reeds te leggen; de fabriek is al klaar. Maar me dunkt, we haasten ons wel wat met die zaak," zeide de wethouder, terwijl hij zijn schouders ophaalde.
»'t Kan zijn," antwoordde de burgemeester, »maar we moeten niet vergeten, dat dokter Ox de proef geheel voor zijn rekening neemt. 't Kost ons geen duit."
»Ja, dat zegt heel veel. Men moet toch ook met zijn eeuw medegaan. Als de proef gelukt, zal Quiquendone de eerste stad van Vlaanderen zijn, die verlicht wordt met hydro-oxy.... Hoe heet dat gas ook weer?"
»Hydro-oxygeengas."
»Nu, hydro-oxygeengas dan."
Op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Lotje den burgemeester zeggen, dat het avondmaal gereed stond. De wethouder Niklausse stond op om afscheid te nemen van den burgemeester, dien het nemen van zoovele besluiten en het behandelen van zoovele zaken geducht hongerig gemaakt hadden. Men besloot ten slotte over een vrij geruimen tijd den raad van notabelen bijeen te roepen, om te beslissen of men ook voorloopig eene beslissing zou nemen ten aanzien van den toren der Oudenaardesche poort.
Daarna gingen de beide waardige magistraatspersonen naar de deur, die op de straat uitkwam en liet de burgemeester den wethouder uit. Deze ontstak zijn lantaarntje, dat hem veilig door de donkere straten van Quiquendone moest brengen, die nog niet verlicht waren door het nieuwe gas van dokter Ox. 't Was een donkere Octobernacht en er hing een lichte nevel over de stad.
't Duurde een goed kwartier, voordat de wethouder Niklausse gereed was tot vertrekken, want nadat hij zijn lantaarn had ontstoken, moest hij nog zijn slobkousen aandoen en zijn dikke wollen handschoenen aantrekken. Vervolgens zette hij den gevoerden kraag van zijn overjas op, sloeg de klep van zijn muts neer, nam zijn stevigen parapluie in de hand en was toen eindelijk klaar.
Juist toen Lotje den sluitboom van de deur zou nemen, werd plotseling eenig gedruisch van buiten hoorbaar.