Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 13

Chapter 133,931 wordsPublic domain

Nogmaals riep kolonel Munro haar... Zij antwoordde niet. Wat zou hij niet hebben willen geven om haar te omarmen, haar op te nemen, mede te voeren, een nieuw leven met haar te beginnen, haar het verstand terug te geven door tal van zorgen en liefdeblijken!... En hij stond daar gebonden aan die metaalmassa, het bloed vloeide uit zijne armen door de diepe insnijdingen der touwen en niets kon hem met haar aan die gevloekte plek ontrukken!

Welk een foltering, zoo wreed als zelfs de verbeelding van een Nana Sahib niet had kunnen uitdenken! O! indien dat monster daar geweest was, als hij geweten had dat lady Munro in zijn macht was, welk een vreeselijk genot zou hij gesmaakt hebben! Met welke verfijnde martelingen zou hij ongetwijfeld de wanhoop van den gevangene nog slechts vergroot hebben!

»Laurence! Laurence!" herhaalde Sir Edward Munro.

En hij riep haar met luide stem, op gevaar af den eenige schreden verder slapenden Hindoe te wekken, op gevaar af de Dacoits te lokken, in de oude kazerne gelegerd en Nana Sahib zelven!

Doch lady Munro bleef hem, zonder te begrijpen, met verwilderde oogen aanzien. Zij zag niets van het verschrikkelijk lijden van den ongelukkige, die haar terugvond op het oogenblik, dat hij zelf ging sterven! Haar hoofd schudde heen en weder alsof zij niet had willen antwoorden!

Eenige minuten verliepen op deze wijze; toen liet zij haar hand zakken, de kap viel weder over haar gelaat, en ze trad een schrede achteruit.

Kolonel Munro dacht, dat zij ging ontvluchten!

»Laurence!" riep hij een laatste maal, alsof hij haar voor eeuwig een afscheidsgroet toewierp.

Doch neen! Lady Munro dacht er niet aan het bergvlak van Ripore te verlaten en de toestand, hoe verschrikkelijk zij reeds ware, zou zich nog verergeren.

Werkelijk, lady Munro bleef staan. Blijkbaar had dit kanon haar aandacht getrokken. Misschien gloorde er een duistere herinnering aan het beleg van Cawnpore bij haar op! Zij keerde dus terug, met langzame schreden. Haar hand, waarin zij de fakkel hield, liet de vlam langs de metalen buis gaan en een vonk was genoeg om het slagkruit te doen ontvlammen en het stuk te doen afgaan!

Zou Munro dan door deze hand sterven?

Dit denkbeeld kon hij niet verdragen! Dan was het honderdmaal beter onder de oogen van Nana Sahib en de zijnen te sterven!

Munro was op het punt zijne beulen te roepen, hen wakker te maken!

Plotseling voelde hij uit het binnenste van het kanon een hand zijn handen op den rug gebonden, drukken. Het was de drukking van een vriendenhand, die zijne banden trachtte los te maken. Weldra waarschuwde hem de koude aanraking van een stalenlemmer, dat met voorzichtigheid tusschen de koorden en zijn polsen werd gestoken, dat zich in de ziel zelve van dit enorme stuk, maar door welk wonder! een bevrijder ophield.

Hij kon er zich niet in vergissen! Men sneed de touwen door, die hem vastgebonden hielden!...

Binnen een seconde was het verricht! Hij kon een schrede voorwaarts doen. Hij was vrij!

Hoezeer meester van zich zelven, zou een kreet hem in het verderf storten!...

Een hand strekte zich buiten het stuk uit... Munro vatte haar, trok haar naar zich toe en een man, die zich door een laatste krachtsinspanning uit de opening van het kanon ontwrongen had, viel aan zijne voeten neder.

Het was Goûmi!

De getrouwe dienaar was, na ontsnapt te zijn, den weg naar Jubbulpore blijven houden, inplaats van naar het meer terug te keeren, waarheen de troep van Nassim zich wendde. Aan den weg van Ripore aangekomen, had hij zich een tweede maal moeten verbergen. Er bevond zich daar een groep Hindoes, sprekende over kolonel Munro, dien de Dacoits, aangevoerd door Kâlagani naar de sterkte zouden brengen, waar Nana Sahib hem den dood door het kanon had toegezegd. Zonder een oogenblik te verliezen, was Goûmi in het donker naar het kronkelend voetpad geslopen en had het op dit oogenblik verlaten bergvlak bereikt. En toen was het heldhaftige plan bij hem opgekomen in het enorme kanon te kruipen, met de gedachte zijn meester te verlossen, indien de omstandigheden zich er toe leenden, of, zoo hij hem niet kon redden, met hem te sterven!

»De dag breekt aan!" zei Goûmi zacht. »Laat ons vluchten!"

»En lady Munro?"

De kolonel wees op de waanzinnige, overeind, onbeweeglijk. Haar hand lag op dit oogenblik op den kulas van het kanon.

»In onze armen... meester..." antwoordde Goûmi, zonder nadere verklaring te vragen.

Het was te laat!

Op het oogenblik, dat de kolonel en Goûmi haar naderden om haar op te nemen, hield lady Munro, hun willende ontsnappen, zich even met de hand aan het stuk vast, haar fakkel viel op het slagkruit en een vreeselijke losbarsting, weerkaatst door de echo's der Vindhyas, klonk als een donderslag door de geheele vallei der Nerbudda.

XI.

IJZEREN REUS.

Bij het geweld dezer ontploffing was lady Munro in de armen van haar man in onmacht gevallen.

Zonder een oogenblik te verliezen, snelde de kolonel over het plein, door Goûmi gevolgd. De Hindoe, gewapend met zijn groot mes, had in een oogwenk den verbijsterden bewaker, dien de losbranding op de been had gebracht, onschadelijk gemaakt. Daarna wierpen zij zich beiden op het smalle voetpad, dat naar den weg van Ripore voerde.

Nauwelijks waren Sir Edward Munro en Goûmi de poort gepasseerd of de troep van Nana Sahib, plotseling uit hun slaap gewekt, ijlde over het bergvlak.

Een oogenblik van aarzeling, dat den vluchtelingen misschien gunstig was, hield de Hindoes terug.

Nana Sahib toch bracht zelden den geheelen nacht in het fort door. Na den vorigen dag kolonel Munro voor den mond van het kanon te hebben laten vastbinden, had hij zich naar eenige hoofden van stammen uit Goundwana begeven, die hij nooit op klaarlichten dag bezocht. Maar het was het uur waarop hij gewoonlijk weder naar zijn verblijf terugkeerde en het kon niet lang duren of hij zou werkelijk verschijnen.

Kâlagani, Nassim, de Hindoes, de Dacoits, meer dan honderd mannen, stonden gereed den gevangene te vervolgen, doch ééne zaak hield hen nog terug, namelijk de volstrekte onwetendheid waarin zij verkeerden omtrent hetgeen er gebeurd was. Het lijk van den Hindoe, die gesteld was ter bewaking van den kolonel, kon hun niets leeren.

Van al de waarschijnlijkheden nu, moest dit voor hen het resultaat zijn: dat, door een toevallige omstandigheid het kanon was afgeschoten vóór het uur, voor de strafoefening bepaald en dat er van den gevangene op dit oogenblik niets meer bestond dan vormlooze overblijfselen!

De woede van Kâlagani en de anderen uitte zich door een concert van vervloekingen. Noch Nana Sahib, noch iemand hunner zou dus het genot hebben de laatste oogenblikken van kolonel Munro bij te wonen!

Maar de Nabob was niet ver meer af. Ook hij had de losbranding moeten hooren. In allerijl zou hij naar de sterkte komen toesnellen. Wat zoude men hem antwoorden, als hij hun rekenschap vroeg van den gevangene, die hij er had achtergelaten?

Van daar bij allen een aarzeling, die den vluchteling den tijd had gegeven iets vooruit te komen, voordat zij werden opgemerkt.

Sir Edward Munro en Goûmi waren dan ook na deze verwonderlijke verlossing vol hoop en daalden snel het kronkelend voetpad af naar beneden. Lady Munro lag in zwijm, maar woog toch niet zwaar in de sterke armen van den kolonel. Zijn dienaar stond trouwens ieder oogenblik gereed hem te helpen.

Vijf minuten na door de poort gegaan te zijn, bevonden beiden zich halfweg van het bergvlak naar de vallei. Maar de dag begon aan te breken en de eerste stralen der zon drongen door tot in de diepste schuilhoeken van den nauwen bergpas.

Op dat oogenblik barstten luide kreten boven hun hoofd los.

Over de borstwering heen gebogen, kon Kâlagani juist nog even het profiel van het gelaat der twee mannen die vluchtten onderscheiden. Een van die mannen kon niemand anders zijn dan de gevangene van Nana Sahib!

»Munro, 't is Munro!" riep Kâlagani woedend.

En, de poort uitsnellende, vloog hij ze na, gevolgd door de geheele bende.

»Ze hebben ons gezien!" zei de kolonel, zonder zijn schreden in te houden.

»'k Zal de eersten ophouden!" antwoordde Goûmi. »Ze zullen me dooden, maar dat zal u misschien den tijd geven den weg te bereiken!"

»Ze zullen ons beiden dooden, of we zullen hun samen ontkomen!" riep Munro uit.

Kolonel Munro en Goûmi hadden hun loop nog versneld. Toen zij onder op het voetpad waren aangekomen, konden zij met alle macht voortijlen. Nog een veertig schreden en zij hadden den weg van Ripore bereikt, die op den grooten weg uitliep en waarop het hun gemakkelijker zou vallen te vluchten.

Doch gemakkelijker zou dan ook de vervolging zijn. Een schuilplaats te zoeken was onnoodig, want zij zouden dadelijk ontdekt zijn. Het was dus van het meeste belang de Hindoes vooruit te komen en bovendien vóór hen uit den laatsten bergpas der Vindhyas te komen.

Oogenblikkelijk nam kolonel Munro het besluit niet opnieuw levend in de handen van Nana Sahib te vallen. Haar, die hem was teruggegeven, zou hij liever met den dolk van Goûmi dooden, dan haar den nabob overleveren en met dien zelfden dolk zou hij daarna zich zelven treffen!

De vluchtelingen hadden toen bijna vijf minuten op hunne vervolgers gewonnen. Op het oogenblik dat de eerste Hindoes de poort uitsnelden, zagen kolonel Munro en Goûmi van verre reeds den weg waarop het voetpad uitliep, terwijl de groote weg nog slechts een kwart mijl verwijderd was.

»Moed gehouden, meester!" zeide Goûmi, gereed den kolonel tot bolwerk van zijn lichaam te strekken. »Nog vijf minuten en we zijn op den weg naar Jubbulpore!"

»God geve, dat we er hulp vinden!" mompelde kolonel Munro.

De kreten der Hindoes werden allengs duidelijker.

Op het oogenblik dat de vluchtelingen den weg opsnelden, kwamen twee mannen, die snel liepen, onder aan het voetpad aan.

Het was toen licht genoeg om elkaar te onderscheiden en twee namen, met doodelijken haat uitgesproken, beantwoordden elkander tegelijk:

»Munro!"

»Nana Sahib!"

De nabob was op het geluid der losbarsting toegesneld en besteeg in allerijl het pad naar het fort. Hij begreep niet waarom zijne bevelen vóór den door hem bepaalden tijd waren uitgevoerd.

Een Hindoe vergezelde hem, doch voordat deze Hindoe een stap verder en zelfs een gebaar had kunnen doen, viel hij voor de voeten van Goûmi neder, doodelijk getroffen door het mes, dat de banden van den kolonel had losgesneden.

»Help!" schreeuwde Nana Sahib tot den troep, die het voetpad afdaalde.

»Ja, wacht!" antwoordde Goûmi.

En sneller dan de bliksem, wierp hij zich op den nabob.

Zijn plan was geweest, als het hem althans niet mocht gelukken hem dadelijk te dooden, dan toch zoolang met hem te worstelen, dat kolonel Munro den tijd zou hebben den weg te bereiken, maar de ijzeren hand van den nabob had de zijne afgewend en zijn mes was hem ontvallen.

Woedend zich ontwapend te zien greep nu Goûmi zijn tegenstander bij den gordel en hem tegen zich aan drukkende, nam hij hem in zijne krachtige armen op, vast besloten zich met hem in den eersten den besten afgrond te storten.

Intusschen waren Kâlagani en zijne metgezellen naderbij gekomen, ze hadden het onderste gedeelte van het voetpad bereikt en dan was er geen hoop meer hun te kunnen ontsnappen!

»Nog een poging!" herhaalde Goûmi. »'k Zal 't nog eenige minuten zien uit te houden en me van hun nabob als een schild bedienen! Vlucht, meester, vlucht zonder mij!"

Maar nauwlijks drie minuten waren nu de vluchtelingen van hunne vervolgers verwijderd en de nabob riep Kâlagani met gesmoorde stem.

Plotseling klonken twintig passen verder kreten van:

»Munro! Munro!"

Daar was Banks, op den weg naar Ripore, met kapitein Hod, Maucler, sergeant Mac Neil, Fox, Parazard en honderd schreden van hen af, op den grooten weg, de IJzeren Reus, die wolken damp uitwerpende, hen met Storr en Kâlouth opwachtte!

Na de vernieling van het laatste huis van het Stoomhuis, hadden de ingenieur en zijn metgezellen slechts een besluit te nemen, den olifant namelijk, dien de bende der Dacoits niet had kunnen vernietigen, als voertuig te gebruiken. Dadelijk hadden zij dus op den rug van den IJzeren Reus het Puturiameer verlaten en waren zij den weg naar Jubbulpore ingeslagen. Maar juist op het oogenblik dat zij den weg, die naar het fort leidde, voorbijgingen, had een geduchte losbranding boven hunne hoofden weerklonken en hadden zij dadelijk halt gehouden.

Een voorgevoel, een instinct, als men wil, had hen aangezet dezen weg te volgen. Wat hoopten zij? Zij zouden het niet hebben kunnen zeggen.

Zeker is het, dat eenige minuten later de kolonel voor hen stond, hun toeroepende:

»Red lady Munro!"

»En help me Nana Sahib overmeesteren, ditmaal den echten!" riep Goûmi uit.

Met een laatste wanhopige krachtsinspanning had hij den nabob ter aarde geworpen, die nu verder door kapitein Hod, Mac Neil en Fox bedwongen werd.

Vervolgens begaven Banks en de zijnen zonder verder eenige verklaring te vragen, zich naar den IJzeren Reus op den weg.

Op bevel van den kolonel, die hem aan de Engelsche rechtspleging wilde overleveren, werd Nana Sahib aan den hals van den olifant gebonden. Wat lady Munro betreft, men bracht haar in het torentje, alwaar haar man aan haar zijde plaatsnam. Geheel met de zorg voor zijne vrouw vervuld, die weder tot bewustzijn scheen te komen, trachtte hij eenige schemering van licht in hare verstandelijke vermogens te ontdekken.

De ingenieur en zijne metgezellen waren haastig op den rug van den IJzeren Reus geklommen.

»En nu »fullspeed" vooruit!" riep Banks.

Het was toen dag geworden. Een honderd schreden achterwaarts verscheen reeds een eerste groep Hindoes. Tot elken prijs moest men vóór hen den vooruitgeschoven post van het militaire kantonnement van Jubbulpore, die den laatsten bergpas der Vindhyas bezet houdt, bereiken.

De IJzeren Reus had nu in overvloed water, brandstof, alles wat noodig was de noodige drukking te onderhouden en hem zijn maximum van snelheid te verleenen. Maar op dezen weg met zijne plotselinge krommingen, kon hij zich niet blindelings voortbewegen.

De kreten der Hindoes verdubbelden toen en de geheele troep won zichtbaar op hem.

»We zullen ons moeten verdedigen," zei sergeant Mac Neil.

»Welnu, we zullen ons verdedigen!" antwoordde kapitein Hod.

Er bleef nog een twaalftal schoten over. Het was dus noodzakelijk geen enkelen kogel te verliezen, want de Hindoes waren gewapend en men moest ze vooral op een afstand houden.

Kapitein Hod en Fox plaatsten zich met de karabijn in de hand op het kruis van den olifant, achter het torentje. Goûmi voor, had zich zoodanig geplaatst, dat hij in schuinsche richting kon vuren. Mac Neil, bij Nana Sahib, in de eene hand een revolver, in de andere een dolk, hield zich gereed hem te dooden, als de Hindoes hem mochten naderen, Kâlouth en Parazard voor den vuurhaard, voorzagen hem onophoudelijk met brandstof. Banks en Storr bestuurden den gang van den IJzeren Reus.

De vervolging duurde reeds sedert tien minuten. Twee honderd schreden op zijn hoogst, scheidden de Hindoes van Banks en de zijnen. Mochten zij sneller gaan, de kunstmatige olifant kon het langer uithouden dan zij. De geheele tactiek bestond dus daarin, hen te beletten vooruit te komen.

Op dit oogenblik barstten er een tiental geweerschoten los. De kogels passeerden fluitende boven den IJzeren Reus, uitgenomen een, die hem tegen het uiteinde van zijn tromp trof.

»Schiet niet, en als ge schiet, wees dan zeker van uw schot!" riep kapitein Hod. »Laten we onze kogels sparen! Ze zijn nog te ver af!"

Toen Banks nu een eind weg bijna in rechte lijn voor zich zag, draaide hij den regulateur wijd open, waarna de IJzeren Reus, zijn snelheid verdubbelende, de bende verscheidene honderd passen achter zich liet.

»Hoera! hoera! leve onze Reus!" riep kapitein Hod uit, die zich niet meer kon inhouden! »O! die schelmen, ze zullen hem niet hebben!"

Doch aan het einde van dit rechte gedeelte van den weg, zou een soort van opstijgenden en bochtigen hollen weg, laatste bergpas van de zuidelijke helling der Vindhyas, noodzakelijk den gang van Banks en zijne metgezellen vertragen. Kâlagani en de anderen wisten deze bijzonderheid en gaven de vervolging niet op.

De IJzeren Reus had snel deze vernauwing van den weg bereikt, die tusschen twee hooge hellende rotsen doorliep.

Men moest toen wel minder snel en slechts met de grootste voorzichtigheid vooruitgaan. Tengevolge van deze vertraging, wonnen de Hindoes het geheele verloren terrein terug. Al hadden zij de hoop opgegeven Nana Sahib te redden, althans wilden zij zijn dood wreken.

Weldra barstten nieuwe geweerschoten los, doch zonder een der berijders van den IJzeren Reus te treffen.

»Nu begint het ernstig te worden!" zei kapitein Hod, zijn karabijn aanleggende. »Attentie!"

Goûmi en hij vuurden tegelijk af. Twee der naastbijzijnde Hindoes, beiden in de borst getroffen, vielen neder.

»Twee minder!" zei Goûmi, zijn wapen opnieuw ladende.

»Twee percent!" riep kapitein Hod uit. »'t Is nog niet genoeg. We dienen ze nog meer af te nemen!"

En de karabijnen van den kapitein en van Goûmi, waarbij zich het geweer van Fox voegde, troffen doodelijk drie andere Hindoes.

Maar men kwam niet snel vooruit in den bochtigen bergpas. Niet alleen dat de weg zich vernauwde, men weet dat hij ook sterk helde. Evenwel nog een halve mijl en de laatste berghelling der Vindhyas was voorbij en de IJzeren Reus kwam uit op honderd passen van een post, bijna in het gezicht van het station van Jubbulpore!

De Hindoes waren de menschen niet om voor het vuur van kapitein Hod en zijne metgezellen terug te deinzen. Zij gaven niets om hun leven als het er op aan kwam Nana Sahib te redden of te wreken! Tien, twintig van hen zouden misschien sneuvelen, maar tachtig bleven er nog over om zich op den IJzeren Reus te werpen en den kleinen troep te overmeesteren wien hij tot een rollend bolwerk diende! Ook verdubbelden zij hunne pogingen hen, die ze vervolgden te bereiken.

Kâlagani wist trouwens, dat kapitein Hod en de zijnen aan hunne laatste patronen waren en dat weldra geweren en karabijnen slechts nuttelooze wapenen in hunne handen zouden zijn.

En werkelijk hadden de vluchtelingen de helft der ammunitie verbruikt, die hun nog overbleef, zoodat zij weldra in de onmogelijkheid zouden zijn zich te verdedigen.

Evenwel weerklonken nog vier geweerschoten en vier Hindoes beten in het stof.

Er bleven kapitein Hod en Fox nog slechts twee schoten over.

Op dit oogenblik kwam Kâlagani, die zich tot nog toe een weinig had schuil gehouden, meer naar voren dan met de voorzichtigheid overeenkwam.

»Hoera! nu heb ik hem!" riep kapitein Hod uit, terwijl hij met de grootste kalmte op hem mikte.

De kogel uit de karabijn van den kapitein trof den verrader midden op het voorhoofd. Zijne handen tastten een oogenblik in de ruimte, hij draaide in het rond en viel.

Op dit oogenblik kwam het zuidelijk uiteinde van den bergpas in het gezicht. De IJzeren Reus deed een laatste poging. Voor het laatst liet de karabijn van Fox zich hooren en een laatste Hindoe mat den bodem.

Maar ook bijna dadelijk daarop bemerkten de Hindoes, dat het vuren had opgehouden en als wanhopigen snelden zij ter bestorming van den olifant, waarvan zij slechts vijftig schreden verwijderd waren.

»Op den grond! op den grond!" schreeuwde Banks.

En werkelijk was het in de gegeven omstandigheden beter den IJzeren Reus te verlaten en naar den post te loopen, die niet veraf meer was.

Kolonel Munro, zijne vrouw in zijn armen nemende, zette den voet op den weg.

Ook kapitein Hod, Maucler, de sergeant en de anderen waren onmiddellijk op den grond gesprongen.

Banks alleen was in het torentje gebleven.

»En die schoelje daar!" riep kapitein Hod uit, op Nana Sahib wijzende, die nog altijd aan den hals van den olifant was vastgebonden.

»Laat me mijn gang eens gaan, kapitein!" antwoordde Banks op vreemden toon.

Daarna, voor het laatst den regulateur omdraaiende, klom hij op zijn beurt af.

Allen gingen toen op de vlucht, met den dolk in de hand, gereed om zoo duur mogelijk hun leven te verkoopen.

Intusschen bleef de IJzeren Reus, door den stoom voortgedreven, hoewel nu aan zich zelven overgelaten, tegen de helling opklimmen; doch, niet meer bestuurd wordende, stootte hij met vreeselijk geweld tegen de linker helling van den weg aan en plotseling stil blijvende staan, versperde hij den weg bijna in zijn geheele breedte.

Banks en de zijnen waren reeds een dertig schreden van hem af, toen de Hindoes zich in massa op den IJzeren Reus wierpen, om Nana Sahib te verlossen.

Eensklaps bracht een ontzettend geraas, gelijk aan de geweldigste donderslagen, de luchtlagen met een onbeschrijfelijke hevigheid in beweging.

Banks had, alvorens het torentje te verlaten, de veiligheidskleppen zwaar belast. De stoom bereikte dus zijn maximum van spanning en toen de IJzeren Reus tegen den rotswand aanbotste, deed deze stoom, zich niet meer door de cilinders kunnende ontlasten, den stoomketel springen, welks overblijfselen naar alle richtingen heen verspreid werden.

»Arme Reus!" riep kapitein Hod uit, »verloren om ons te redden!"

XII.

DE VIJFTIGSTE TIJGER VAN KAPITEIN HOD.

Kolonel Munro, zijne vrienden, zijne metgezellen, hadden niets meer te vreezen, noch van den nabob, noch van de Hindoes, die hem aanhingen, noch van de Dacoits, waarvan hij in dit gedeelte van Bundelkund een geduchte bende gevormd had.

Op het geraas der ontploffing waren de soldaten van den post van Jubbulpore in aanzienlijken getale naar buiten gesneld. Wat van de metgezellen van Nana Sahib overbleef, zich zonder chef bevindende, was dadelijk op de vlucht gegaan.

Kolonel Munro maakte zich bekend. Een half uur later, bevonden allen zich aan het station, alwaar zij in overvloed vonden wat hun ontbrak en vooral de levensmiddelen, die zij het dringendst noodig hadden.

Lady Munro werd tijdelijk geherbergd in een comfortabel hotel, totdat de gelegenheid zich voordeed haar naar Bombay te vervoeren. Daar hoopte Sir Edward Munro haar, die nog slechts een lichamelijk leven leidde, het zieleleven terug te geven, want zoolang zij haar verstand niet had teruggekregen, zou zij immers altijd dood voor hem zijn!

Trouwens, niemand zijner vrienden wanhoopte aan de aanstaande genezing van lady Munro. Allen wachtten met vertrouwen een gebeurtenis af, die alleen in staat was een omkeering in het leven van den kolonel te brengen.

Men besloot, reeds den volgenden dag naar Bombay te vertrekken. De eerste trein zou al de gasten van het Stoomhuis naar de hoofdstad van West-Indië terugbrengen. Ditmaal zou het de gewone locomotief zijn, die hen zou medevoeren en niet meer de onvermoeide IJzeren Reus, waarvan nu nog slechts vormlooze overblijfselen hier en daar verspreid lagen.

Maar, noch kapitein Hod, zijn dweepende bewonderaar, noch Banks, zijn schrandere maker, noch iemand van de leden der expeditie, zouden ooit het »getrouwe dier" vergeten, wien zij eindelijk een werkelijk leven hadden toegekend. Nog lang zou het geraas der ontploffing, die hem vernietigd had, in hunne herinnering nablijven.

Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat Banks, kapitein Hod, Maucler, Fox, Goûmi, alvorens Jubbulpore te verlaten, eerst nog eens naar het tooneel der ramp wilden terugkeeren.

Er was blijkbaar niets meer van de bende der Dacoits te vreezen. Nochtans, toen de ingenieur en zijn metgezellen aan den post der Vindhyas kwamen, voegde zich uit overmaat van voorzichtigheid een detachement soldaten bij hen, waarmede zij tegen elf uren den ingang van den bergpas bereikten.

Al dadelijk vonden zij vijf of zes verminkte lijken over den grond verspreid. Het waren die der aanvallers, die zich op den IJzeren Reus geworpen hadden, om Nana Sahib te bevrijden.

Maar dat was ook alles. Van het overige der bende was geen spoor meer te vinden. Inplaats van naar hun oude schuilplaats van Ripore terug te keeren, die trouwens nu bekend was, hadden de laatste aanhangers van Nana Sahib zich overal door de vallei der Nerbudda verspreid.