Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 12

Chapter 123,912 wordsPublic domain

Nadat dit geschied was, keerde Nassim, zonder een uur te verliezen naar de sterkte van Ripore terug en berichtte Nana Sahib alles wat er gebeurd was sedert den dag toen Kâlagani Bhopal verlaten had. Kolonel Munro en zijne metgezellen begaven zich in kleine dagmarschen naar de Vindhyas, Kâlagani leidde hen, en het was in de omgeving van het Puturiameer, dat men hen moest afwachten.

Alles was dus gegaan, zooals de nabob het gewenscht had. Zijn wraak kon hem niet meer ontsnappen.

En werkelijk bevond zich kolonel Munro dienzelfden avond, alleen, ontwapend, in zijn tegenwoordigheid, aan zijne genade overgeleverd.

Na de eerste gewisselde woorden, keken deze twee mannen elkander een oogenblik aan, zonder een enkel woord te uiten.

Maar plotseling kwam levendiger dan ooit het beeld van lady Munro bij den kolonel op en steeg hem het bloed naar het hoofd. Hij sprong op den moordenaar van de gevangenen van Cawnpore toe!....

Nana Sahib vergenoegde zich twee schreden achterwaarts te doen.

Drie Hindoes wierpen zich onmiddellijk op den kolonel, die hem niet zonder moeite bedwongen.

Intusschen was Sir Edward Munro weder meester van zich zelf geworden. De nabob begreep het ongetwijfeld, want met een wenk verwijderde hij de Hindoes.

Opnieuw bevonden zich de twee vijanden van aangezicht tot aangezicht tegenover elkander.

»Munro," zei Nana Sahib, »de uwen hebben voor den mond hunner kanonnen de honderd twintig gevangenen van Peschawar vastgebonden en sedert dien dag zijn meer dan twaalf honderd Sipayers op die vreeselijke wijze ter dood gebracht! De uwen hebben onmeedoogend de vluchtelingen van Lahore vermoord, zij hebben na de inneming van Delhi, drie prinsen en negen en twintig leden der koninklijke familie gedood, zij hebben te Lucknow zes duizend der onzen om het leven gebracht en drie duizend na den veldtocht van Pentjab! In het geheel hebben door het kanon, het geweer, de galg of de sabel, honderd twintig officieren of inlandsche soldaten en twee honderd duizend inlanders met hun leven dezen opstand voor de nationale onafhankelijkheid betaald!

»Dat ook hij sterve!" riepen de Dacoits en de Hindoes om Nana Sahib geschaard.

De nabob lag hun met de hand het stilzwijgen op en wachtte totdat kolonel Munro hem op deze beschuldigingen antwoordde.

De kolonel antwoordde niet.

»Wat u aangaat, Munro," hernam de nabob, »ge hebt met eigen hand de Rani van Jansi, mijn getrouwe gezellin gedood... en ze is nog niet gewroken!"

Geen antwoord van kolonel Munro.

»Eindelijk, voor vier maanden," zei Nana Sahib, »is mijn broeder Balao Rao gevallen onder de Engelsche kogels, tegen mij gericht... en mijn broeder is nog niet gewroken!"

»Dat hij sterve! Dat hij sterve!"

Deze kreten barstten met steeds meerdere hevigheid los en de geheele bende maakte een beweging om zich op den gevangene te werpen.

»Stilte!" riep Nana Sahib uit. »Wacht het uur der gerechtigheid af!"

Allen zwegen.

»Munro," hernam de nabob, »het is een uwer voorouders, het is Hector Munro, die voor het eerst deze verschrikkelijke straf heeft durven opleggen, waarvan de uwen in den oorlog van 1857 zulk een vreeselijk gebruik gemaakt hebben! Hij is het, die het bevel gaf, Hindoes, onze bloedverwanten, onze broeders, levend voor den mond zijner kanonnen vast te binden..."

Nieuwe kreten, nieuwe blijken den gevangene te lijf te willen, die Nana Sahib ditmaal niet zoo licht had kunnen verhoeden. Ook voegde hij er bij.

»Wraak roept wraak! Munro, ge zult sterven, zooals zoovelen onzer gestorven zijn!"

Zich toen omkeerende:

»Zie dat kanon!" zeide hij.

En de nabob wees op het enorme stuk, meer dan vijf meters lang, dat het midden van het bergvlak innam.

»Ge zult vastgebonden worden voor den mond van dat kanon! Het is geladen, en morgen bij het opgaan der zon, zal zijn losbarsting, die tot in de verre bergpassen der Vindhyas zal weergalmen, iedereen verkondigen, dat de wraak van Nana Sahib eindelijk gekoeld is!"

Kolonel Munro keek den nabob strak aan met een kalmte, die de aankondiging van zijn op handen zijnde dood, niet kon verstoren.

»Het is goed," zeide hij, »ge handelt zooals ik zou gehandeld hebben, als ge in mijn handen gevallen waart!"

En uit eigen beweging ging kolonel Munro zich voor den mond van het kanon plaatsen, waaraan hij met de handen op den rug met sterke touwen werd vastgebonden.

En toen kwam, een heel uur achtereen, de gansche bende Dacoits en Hindoes hem op laffe wijze beleedigen. Men zou gezegd hebben, dat het Sioux waren uit Noord-Amerika, om een gevangene geschaard, die aan den martelpaal was vastgeklonken.

Kolonel Munro bleef ongevoelig voor smaad, zooals hij ongevoelig voor den dood wilde zijn.

Toen daarna de avond viel, trokken Nana Sahib, Kâlagani en Nassim zich in de oude kazerne terug. De geheele bende, eindelijk moede geworden, verliet de plaats en voegde zich bij hare opperhoofden.

Sir Edward Munro bleef alleen, in tegenwoordigheid van den dood en van God.

X.

VOOR DEN MOND VAN EEN KANON.

De stilte hield niet lang aan. Niet alleen waren levensmiddelen ter beschikking van de bende der Dacoits gesteld, maar zij maakten ook een bovenmatig gebruik van sterke arak, onder welker invloed men ze kon hooren schreeuwen en vloeken.

Doch al dat leven hield allengs op. Het zou niet lang duren of de slaap zou zich meester maken van die dieren in menschengedaante, die daarenboven reeds afgemat waren door een langen, vermoeienden dag.

Zou Sir Edward Munro dan nu zonder wachter gelaten worden tot het oogenblik dat zijn doodsuur zou slaan? Zou Nana Sahib zijn gevangene niet laten bewaken, al was hij stevig vastgebonden met driedubbele dikke koorden, die armen en borst omgaven en hij daardoor volkomen buiten staat was de minste beweging te maken?

De kolonel vroeg het zich af, toen hij tegen acht uren een Hindoe de kazerne zag verlaten en zich naar het bergvlak begeven.

Deze Hindoe had het bevel, den geheelen nacht in het gezelschap van kolonel Munro te blijven.

Na schuin het bergvlak te zijn overgestoken, kwam hij recht op het kanon af, teneinde zich te overtuigen, dat de gevangene zich nog altijd daar bevond. Met krachtige hand onderzocht hij de touwen, die hem stevig genoeg voorkwamen. Daarna, zonder zich rechtstreeks tot den kolonel te wenden, maar in zich zelven sprekende, zeide hij:

»Tien pond kruit! In langen tijd liet het oude kanon van Ripore niets van zich hooren, maar morgen zal het spreken!..."

Deze opmerking bracht een glimlach van minachting op het fiere gelaat van kolonel Munro. De dood kon hem niet versagen, onder welken verschrikkelijken vorm hij hem ook zou genaken.

De Hindoe bekeek eerst het voorste gedeelte van den vuurmond, trad toen een paar stappen terug, streek met de hand over den dikken kulas, terwijl hij den vinger een oogenblik op het zundgat liet rusten, dat tot aan den rand toe met slagkruit gevuld was.

Daarna bleef de Hindoe dood op zijn gemak, tegen de druif aangeleund staan. Hij scheen geheel vergeten te hebben, dat de gevangene zich daar nog bevond als een lijder aan den voet der galg, wachtende, dat het valluik zich aan zijne voeten onttrok.

Hetzij uit onverschilligheid, hetzij als een gevolg van de arak, die hij dien avond gedronken had, neuriede de Hindoe half binnensmonds een oud refrein van Goundwana. Hij brak telkens af en begon dan opnieuw, als iemand, die, onder den invloed van een half dronken toestand, langzamerhand zijne gedachten begon te verliezen.

Een kwartier later, richtte de Hindoe zich weder op. Zijn hand gleed over het achterste gedeelte van het stuk. Hij ging er om heen en voor kolonel Munro blijvende staan, keek hij hem aan, onder het prevelen van onsamenhangende woorden. Uit instinct grepen zijne vingers een laatste maal de touwen, als om ze nog vaster aan te trekken; daarna ging hij met het hoofd knikkende, als iemand die gerust is, een tiental schreden verder, links van den vuurmond, over de borstwering leunen.

Gedurende nog tien minuten, bleef de Hindoe in deze positie, nu eens naar het bergvlak gekeerd, dan weder naar buiten over de borstwering heen gebogen en zijne blikken gericht in den afgrond aan den voet der sterkte.

Duidelijk deed hij een laatste, wanhopige poging om niet voor den slaap te bukken. Maar eindelijk was hij door vermoeidheid overwonnen en liet hij zich op den grond zakken, strekte er zich op uit en was nu volkomen onzichtbaar door de schaduw der borstwering.

Het was intusschen reeds zeer donker geworden. Dikke, onbeweeglijke wolken strekten zich over den hemel uit. De dampkring was zoo stil alsof de luchtmoleculen aan elkander gesoldeerd waren. De geluiden uit de vallei drongen niet tot op deze hoogte door. Het was doodstil.

Hoe kolonel Munro dien benauwden nacht doorbracht, moet ter eere van dien man vol geestkracht hier vermeld worden. Geen oogenblik dacht hij aan die laatste seconde van zijn leven waarin de weefsels van zijn lichaam, met geweld vaneen gescheurd, zijne vreeselijk verspreide ledematen zich in de ruimte zouden verliezen. Het zou slechts een bliksemslag zijn en dat was niet iets, dat in staat was hem van zijn stuk te brengen en hem zijne gewone koelbloedigheid te doen verliezen. Eenige uren slechts had hij nog te leven; zij behoorden nog tot dat bestaan, dat voor het grootste gedeelte zoo gelukkig geweest was. Zijn leven ging tot in de minste bijzonderheden voor hem voorbij, zijn geheele verleden doemde in zijn geest op.

Het beeld van lady Munro stond voor hem. Hij zag haar weder, hij hoorde haar, de ongelukkige, die hij nog als in de eerste dagen beweende, niet meer met de oogen, maar met het hart! Hij vond haar terug als jong meisje, te midden dier noodlottige stad Cawnpore, in die woning waar hij haar voor het eerst gekend, bewonderd, bemind had! Die weinige jaren van geluk, zoo plotseling afgebroken door de vreeselijkste der rampen, herlevendigden zich in zijn geest. Al de bijzonderheden dier jaren, hoe gering ook, kwamen zoo juist in zijn geheugen terug, dat ze niet door de werkelijkheid hadden kunnen overtroffen worden! Reeds was de halve nacht verstreken, zonder dat Sir Edward Munro er iets van gemerkt had. Hij had geheel in zijne herinneringen geleefd, daar, bij zijn aangebeden vrouw, zonder dat iets er hem van had kunnen afbrengen. In drie uren had hij als in een droom de drie jaren doorleefd, die hij bij haar had doorgebracht! Ja! zijn verbeelding had hem onweerstaanbaar van het bergvlak der sterkte van Ripore weggetooverd, zij had hem losgerukt van den mond van dat kanon, waarvan de eerste zonnestraal, om zoo te zeggen, de lont zou doen ontvlammen!

Maar toen kwam de vreeselijke ontknooping van het beleg van Cawnpore hem voor den geest, de gevangenneming van lady Munro en hare moeder in Bibi-Ghar, de moord hunner ongelukkige gezellinnen en eindelijk die put, het graf van twee honderd slachtoffers, waarop hij vier maanden geleden, een laatste maal was gaan weenen.

En die verfoeielijke Nana Sahib, die zich daar op eenige schreden van hem af, achter de muren van die bouwvallige kazerne ophield, hij, de lastgever van die moorden, de moordenaar van lady Munro en van zoovele andere ongelukkigen! En in zijne handen was hij gevallen, hij, die als rechter had willen optreden van den moordenaar, dien het gerecht niet had kunnen bemachtigen!

Sir Edward Munro, door een blinde woede bezield, deed een bovenmenschelijke poging om zijn banden te verbreken. De touwen kraakten en de nog vaster gesnoerde knoopen drongen hem in het vleesch. Hij uitte een kreet, niet van smart, maar van onmachtige woede.

Bij dien kreet lichtte de Hindoe, in de schaduw der borstwering uitgestrekt, het hoofd op. Het gevoel van zijn toestand kwam bij hem terug. Hij herinnerde zich, dat hij de bewaker van den gevangene was.

Hij stond dus op, trad aarzelend op kolonel Munro toe, legde hem de hand op den schouder, om zich te verzekeren, dat hij zich nog altijd daar bevond en zeide op den toon van iemand in half slapenden toestand:

»Morgen, bij het opgaan der zon... Boem!"

Daarna ging hij naar de borstwering terug, teneinde er zijn steunpunt te hernemen. Zoodra hij haar had teruggevonden, strekte hij zich weder op den grond uit en sliep spoedig geheel in.

Na deze vergeefsche poging had kolonel Munro zijn gewone kalmte teruggekregen. Zijne gedachten namen een andere richting, zonder dat hij meer dacht aan het lot dat hem wachtte. Door een natuurlijken samenloop van gedachten, kwamen hem zijne vrienden, zijne metgezellen voor den geest. Hij vroeg zich af of zij ook in de handen eener andere bende van Dacoits gevallen waren, waarvan het in de Vindhyas wemelt, of men hun geen dergelijk lot als het zijne voorbereidde, en die gedachte deed hem het hart ineenkrimpen.

Maar bijna onmiddellijk daarop, zeide hij zich zelven, dat dit niet kon zijn. Immers, indien de nabob ook hun dood had gewild, zou hij ze met hem in dezelfde straf vereenigd hebben. Neen! aan hem, aan hem alleen,--hij beproefde het te hopen,--wilde Nana Sahib zijn hart koelen!

En evenwel, indien het mocht zijn, dat Banks, kapitein Hod, Maucler reeds vrij waren, wat deden ze dan nu? Waren zij op weg naar Jubbulpore met den IJzeren Reus, dien de Dacoits niet hadden kunnen vernielen? Aan hulp zou het hun daar niet ontbreken! Maar waartoe? Hoe zouden zij geweten hebben waar kolonel Munro zich bevond? Niemand kende het fort van Ripore, den schuilhoek van Nana Sahib. En buitendien, waarom zou de naam van den nabob hun in de gedachte gekomen zijn? Was Nana Sahib niet dood voor hen? Was hij niet bezweken bij den aanval van den pâl van Tandît? Neen, ze konden werkelijk niets voor den gevangene doen!

Van de zijde van Goûmi was evenmin hoop te verwachten. Kâlagani had er alle belang bij gehad zich van dien getrouwen dienaar te ontdoen en hoogst waarschijnlijk was Goûmi zijn meester in den dood vooruitgegaan!

Het ware dus nutteloos geweest op eenig reddingsmiddel te rekenen. Kolonel Munro was de man niet zich daaromtrent eenige illusie te maken. Hij bekeek de dingen in het ware licht en kwam geleidelijk tot zijne eerste gedachten terug, tot de herinnering der gelukkige dagen, die zijn hart vervulde.

Het zou hem moeielijk geweest zijn te berekenen hoeveel uren er verloopen waren sedert hij zich op die wijze in zijne herinneringen verdiept had. De nacht was altijd donker. Niets vertoonde zich nog op de toppen der bergen in het oosten, dat de eerste stralen der opgaande zon verkondigde.

Evenwel zal het omstreeks vier uren van den morgen geweest zijn, toen de aandacht van kolonel Munro gewekt werd op een vrij zonderling verschijnsel. Tot op dat oogenblik, gedurende dat terugkeeren tot zijn verleden, had hij meer een blik in zijn binnenste dan wel in de wereld buiten hem geslagen. De uitwendige voorwerpen, die zich te midden van die diepe duisternis slechts onduidelijk aan hem voordeden, zouden hem niet hebben kunnen aftrekken, maar toen vestigden zijne oogen zich op één punt, en al de beelden, in zijne herinnering opdoemende, verdwenen eensklaps voor een soort van verschijning, even onverwacht als onverklaarbaar.

Kolonel Munro toch was niet meer alleen op het bergvlak van Ripore. Het was alsof er zich een licht, onzeker, weifelend nog, aan het uiteinde van het pad, aan de poort van het fort vertoonde. Het kwam en ging ongestadig, dof, dreigende uit te gaan, dan weder opflikkerende, alsof het door een onvaste hand werd gedragen.

Alles in den toestand van den gevangene kon van belang zijn. Zijne oogen waren dus onafgewend op deze vlam gericht en hij merkte op, dat zij een dikken damp van zich gaf en beweeglijk was. Hij besloot dus, dat de vlam niet in een lantaarn was opgesloten.

»Een mijner metgezellen zeker," zei kolonel Munro in zich zelven. »... Goûmi misschien! Maar neen! Die zou met geen licht rondloopen, dat hem zou verraden.... Wat kan 't dan zijn?"

Het licht kwam langzamerhand dichter bij. Eerst gleed het langs den muur der oude kazerne en Sir Edward mocht met recht vreezen, dat het door eenigen der daar binnen slapende Hindoes zou opgemerkt worden.

Gelukkig was dit niet het geval en het licht ging voorbij zonder opgemerkt te worden. Somtijds, als de hand, die het droeg in koortsachtige beweging geraakte, flikkerde het op en schitterde met levendiger glans.

Weldra had het licht den muur der borstwering bereikt en liep er langs, als het St.-Elmusvuur in een stormachtigen nacht.

Toen begon kolonel Munro een soort van spooksel te onderscheiden, zonder duidelijken vorm, een »schaduw", die onduidelijk door dat licht beschenen werd. Het wezen, welk dan ook, dat zich op die wijze voorwaarts spoedde, moest gehuld zijn in een lang overkleed, waaronder zich de armen en het hoofd verborgen.

De gevangene bewoog zich niet. Hij hield zijn adem in. Hij vreesde de verschijning schrik aan te jagen, de vlam te zien uitdooven, waarvan het licht haar in het donker geleidde. Hij hield zich even onbeweeglijk als het zware stuk metaal, dat hem in zijn enormen mond scheen te bevatten.

Intusschen gleed het spooksel steeds langs de borstwering voort. Zou het niet kunnen gebeuren, dat het tegen het lichaam van den slapenden Hindoe aanstootte? Neen. De Hindoe lag links van het kanon uitgestrekt en de verschijning kwam van de rechterzijde, nu eens stilstaande, dan weder met kleine schreden voortgaande.

Eindelijk was zij zoo dicht genaderd, dat kolonel Munro haar duidelijker kon onderscheiden.

Het was een wezen van gemiddelde lengte, welks lichaam werkelijk geheel door een lang overkleed bedekt was. Van onder dit overkleed kwam een hand te voorschijn, die een brandenden harsachtigen tak vasthield.

»Zeker een gek, die gewoon is de kampementen der Dacoits te bezoeken," zei kolonel Munro in zich zelven, »en waarop men geen acht meer slaat! Waarom heeft hij geen dolk in de hand, in plaats van een fakkel!... Misschien zou ik dan?..."

Het was wel geen gek, maar toch had Sir Edward Munro het nagenoeg geraden.

Het was de waanzinnige van de vallei der Nerbudda, het in hare geestvermogens gekrenkte schepsel, dat sedert vier maanden door de Vindhyas ronddwaalde, altijd gevierd en gastvrij ontvangen door de bijgeloovige Gounds. Noch Nana Sahib, noch een zijner metgezellen wisten welk deel de »Dwalende Vlam" aan den aanval van den pâl van Tandît genomen had. Dikwijls hadden zij haar ontmoet in het bergachtige gedeelte van Bundelkund, en zij hadden zich nooit over hare tegenwoordigheid bekommerd. Meermalen reeds had zij op hare dagelijksche tochten hare schreden gericht naar het fort van Ripore en niemand was het in de gedachte gekomen haar er uit te verjagen. Alleen het toeval harer nachtelijke omzwervingen had er haar dezen zelfden nacht heen geleid.

Kolonel Munro wist niets van de waanzinnige af. Hij had nooit van de Dwalende Vlam hooren spreken en toch deed dat onbekende wezen, dat hem misschien zou aanraken, misschien tot hem zou spreken, zijn hart met een onverklaarbare hevigheid slaan.

Langzamerhand was de waanzinnige het kanon genaderd. Haar fakkel gaf nog slechts een zwak licht van zich en zij scheen den gevangene niet te zien, hoewel zij zich vlak voor hem bevond en hare oogen door het overkleed heen, dat als het boetkleed eens boetvaardigen door gaten doorboord was, bijna zichtbaar waren.

Sir Edward Munro hield zich doodstil. Noch door een beweging met het hoofd, noch door een woord beproefde hij de aandacht van dit zonderlinge schepsel te trekken.

Trouwens keerde zij bijna dadelijk op hare schreden terug, teneinde om het enorme stuk geschut heen te gaan, op welks oppervlakte haar fakkel kleine zwevende schaduwen afteekende.

Begreep ze, de krankzinnige, waartoe dit kanon, dat daar als een monster lag uitgestrekt, moest dienen, waarom die man voor den mond was vastgebonden, die bij de eerste stralen der opgaande zon bliksem en donder zou uitbraken?

Neen, ongetwijfeld. De Dwalende Vlam was daar, zooals ze overal was, zonder het zelve te weten. Zij dwaalde dien nacht, zooals zij het reeds zoo dikwijls gedaan had, over het bergvlak van Ripore. Daarna zou zij het verlaten, zij zou langs het kronkelende voetpad afdalen, zij zou de vallei weder bereiken en hare schreden daarheen richten, waar hare grillige verbeelding haar brengen zou.

Kolonel Munro, die vrij het hoofd kon omkeeren, volgde al hare bewegingen. Hij zag haar achter om het stuk heengaan. Van daar begaf zij zich in de richting van den muur der borstwering, zeker om deze te volgen tot het punt waar zij zich aan de poort aansloot.

En werkelijk liep de Dwalende Vlam juist zooals de kolonel vermoedde, doch op eenige schreden van den slapenden Hindoe af zich omgekeerd hebbende, keerde zij zich om. Belette een onzichtbare band haar verder te gaan? Hoe het zij, een onverklaarbaar instinct voerde haar naar kolonel Munro terug en wederom bleef zij onbeweeglijk voor hem staan.

Ditmaal sloeg het hart van Sir Edward Munro zoo onstuimig, dat hij het met de hand tot bedaren had willen brengen.

De Dwalende Vlam was naderbij gekomen. Zij had haar fakkel op de hoogte van het gelaat van den gevangene gebracht, alsof zij hem beter had willen zien. Door de gaten van haar boethemd heen, kon men hare oogen zien schitteren.

Kolonel Munro, onwillekeurig door die vurige oogen als betooverd, verslond haar met zijn blikken.

Toen trok de waanzinnige langzamerhand de plooien van haar overkleed van een. Weldra vertoonde zich haar gelaat ontbloot en op dit oogenblik schudde ze met de rechterhand de fakkel heen en weder, die een helderder glans verspreidde.

Een kreet!--een half gesmoorde kreet,--ontsnapte aan de borst van den gevangene.

»Laurence! Laurence!"

Hij meende op zijn beurt krankzinnig te worden!... Zijne oogen sloten zich een oogenblik.

Het was lady Munro! Ja! lady Munro zelve,--die daar voor hem stond!

»Laurence... gij... gij!" herhaalde hij.

Lady Munro antwoordde niets. Zij herkende hem. Zij scheen hem zelfs niet te hooren.

»Laurence! Krankzinnig! krankzinnig, ja!... maar levend!"

Sir Edward Munro had zich niet kunnen vergissen door een gewaande gelijkenis. Het beeld zijner jonge vrouw was te diep in zijn hart gegrift. Neen! zelfs na een scheiding van negen jaren, die hij niet anders dacht dan dat eeuwig zou zijn, was het ongetwijfeld lady Munro, veranderd zeker, maar nog schoon, het was lady Munro, als door een wonder aan de beulen van Nana Sahib ontsnapt, die daar voor hem stond!

De ongelukkige, na al het mogelijke gedaan te hebben om hare moeder, onder hare oogen gedood, te redden, was gevallen. Gewond, maar niet doodelijk en onder zoovele anderen gemengd, werd zij een van de laatste in de put van Cawnpore geworpen, op de opgehoopte slachtoffers, die haar reeds vulden. Toen de nacht was aangebroken, deed een laatst instinct van zelfbehoud haar tot den rand der put voortsleepen,--het instinct alleen, want toen reeds had zij haar verstand tengevolge dezer vreeselijke tooneelen verloren. Na alles wat zij geleden had sedert het begin van het beleg, in de gevangenis van Bibi-Ghar, op het tooneel van den moord, na hare moeder te hebben zien ombrengen, had zij het hoofd verloren. Zij was krankzinnig, maar levend! zooals Munro er zich zooeven van overtuigd had. Krankzinnig had zij zich buiten de put gesleept, had in den omtrek rondgezworven, was zij buiten de stad kunnen komen, op het oogenblik dat Nana Sahib en de zijnen haar na de bloedigen executie verlieten. Krankzinnig had zij zich in het duister gered, steeds voor zich heen gaande, dwars over de velden. De steden vermijdende, de bewoonde streken ontvluchtende, hier en daar door arme raïots opgenomen, geëerbiedigd als een wezen van verstand beroofd, was de arme waanzinnige op die wijze tot de Sautpourrabergen, tot de Vindhyas gedwaald! En, sedert negen jaren dood voor allen, maar de geest altijd getroffen door de herinnering aan de verschrikkingen van het beleg, zwierf zij steeds overal rond!

Ja, zij was het wel!