Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 11
Kapitein Hod, Banks, de sergeant, Fox, allen, we hadden hem zoo gaarne aan die Hindoes willen ontrukken, maar vijftig armen hielden ons aan den grond gekluisterd en ééne beweging meer was voldoende om ons het leven te benemen.
»Geen wederstand!" zeide Banks.
De ingenieur had gelijk. Wij vermochten op dit oogenblik niets om kolonel Munro te verlossen. Beter was het dus zich in te houden met het oog op latere gebeurtenissen.
Een kwartier later, verlieten de Hindoes ons op hunne beurt en volgden de sporen van de eerste bende. Hen te volgen zou een ramp teweeggebracht hebben, zonder eenig voordeel voor kolonel Munro op te leveren en toch was onze eerste opwelling hem te volgen...
»Geen stap verder," zei Banks.
Men gehoorzaamde hem.
Het was dan ten slotte wel degelijk kolonel Munro en hem alleen dien deze Hindoes, door Kâlagani gewaarschuwd, op het oog hadden. Wat was het plan van dezen verrader? Hij handelde blijkbaar niet op eigen gezag. Maar wien gehoorzaamde hij dan?... Daar kwam plotseling de naam van Nana-Sahib bij mij op!...
Hier houdt het handschrift op, door Maucler bezorgd. De jonge Franschman zou niets meer zien van de gebeurtenissen, die de ontknooping van dit treurspel zouden verhaasten. Doch deze gebeurtenissen zijn later bekend geworden en, vereenigd onder den vorm van een verhaal, voltooien zij de beschrijving van deze reis door Noord-Indië.
IX.
VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.
De Thugs, bloediger gedachtenis, waarvan Hindostan verlost schijnt te zijn, hebben evenwel opvolgers nagelaten hunner waardig. Het zijn de Dacoits, een soort van Thugs in een andere gedaante. De wijze van executie dezer boosdoeners is veranderd, het doel der moordenaars moge niet meer hetzelfde zijn, het resultaat is het wel: het is de moord met voorbedachten rade.
Er wordt nu niet meer, zooals vroeger, een slachtoffer aan de wreede Kâli, de godin van den dood aangeboden. Deze nieuwe dweepers gaan nu niet meer door worging te werk, zij vergiftigen om te stelen. Op de worgers zijn meer praktische, doch even geduchte misdadigers gevolgd.
De Dacoits, die in zekere streken van het schiereiland afzonderlijke benden vormen, nemen alles op wat de Engelsch-Indische rechtspleging aan moordenaars door de mazen van haar net doet ontsnappen. Zij zwerven dag en nacht langs de groote wegen, vooral in de meest afgelegen woeste streken en men weet, dat in Bundelkund de geschiktste plaatsen gevonden worden voor zulke tooneelen van geweld en plundering. Niet zelden vereenigen deze bandieten zich in grooten getale om een afgelegen dorp aan te tasten. Het eenige wat dan voor die bevolking overblijft, is de vlucht te nemen, maar de pijniging met al hare verfijnde wreedheden, wacht hen, die in de handen der Dacoits achterblijven. Onder hen zijn de overleveringen in zwang gebleven van de voetschroeiers uit het verre westen. Volgens Louis Rousselet overtreffen de »listen dier ellendigen, de wijze waarop zij te werk gaan, alles wat ooit in het meest fantastische brein eens romanschrijvers is opgekomen!"
En het was nu in handen van zulk een bende Dacoits, door Kâlagani overgehaald, dat kolonel Munro gevallen was. Voordat hij tijd gehad had tot bezinning te komen, gewelddadig van zijne metgezellen gescheiden, was hij op den weg naar Jubbulpore medegevoerd.
Het gedrag van Kâlagani was van den dag af aan, dat hij met de bewoners van het Stoomhuis betrekkingen had aangeknoopt, slechts dat van een verrader geweest. Nana Sahib was de man geweest, die hem had afgezonden, hij alleen had hem uitgekozen om zijn wraak voor te bereiden.
Men herinnert zich, dat de nabob den 24n Mei ll., te Bhopal, gedurende de laatste feesten van Moharum, die hij de stoutmoedigheid gehad had bij te wonen, het vertrek van Sir Edward Munro naar de noordelijke provinciën van Indië vernomen had. Op zijn bevel had Kâlagani, een der aan zijne zaak en zijn persoon innig verknochte Hindoes, Bhopal verlaten. Den kolonel op het spoor te komen, hem weder te vinden, hem te volgen, hem niet meer uit het oog te verliezen, zijn leven, als het moest, te wagen om zich in de omgeving te doen aannemen van den onverzoenbaren vijand van Nana Sahib, dat was zijn zending.
Kâlagani was onmiddellijk vertrokken in de richting van de noordelijke streken. Te Cawnpore had hij den trein van het Stoomhuis kunnen achterhalen. Sedert dat oogenblik had hij, zonder zich ooit te laten zien, naar gelegenheden gezocht, die zich niet voordeden. Toen kolonel Munro en zijne metgezellen zich in het sanitarium van het Himalayagebergte vestigden, besloot hij in dienst te treden van Matthias van Guitt.
Het instinct van Kâlagani zeide hem, dat tusschen de kraal en het Stoomhuis noodzakelijk bijna dagelijksche betrekkingen zouden aangeknoopt worden. Dit was ook werkelijk het geval en van den eersten dag af aan was hij zoo gelukkig, niet alleen dat de aandacht van kolonel Munro op hem viel, maar ook, dat hij zich het recht op zijne dankbaarheid verwierf.
Hij was dus door het ergste heen. Men weet het overige. De Hindoe kwam dikwijls het Stoomhuis bezoeken. Hij werd op de hoogte van de latere plannen zijner meesters gebracht, hij was bekend met den reisweg, dien Banks zich voorstelde te volgen en van dat oogenblik af aan beheerschte een enkel denkbeeld al zijne daden: zich te doen aannemen als gids der expeditie, als deze naar het zuiden zou afzakken.
Ter bereiking van dit doel, verzuimde Kâlagani niets. Hij aarzelde niet alleen niet het leven van anderen te wagen, maar ook het zijne. In welke omstandigheden? Men heeft het nog niet vergeten.
De gedachte toch was bij hem opgekomen dat, indien hij de expeditie dadelijk na het begin der reis vergezelde en onderwijl in dienst van Matthias van Guitt bleef, dit alle verdenking zou verijdelen en kolonel Munro misschien aanleiding zou geven hem aan te bieden wat hij juist wilde verkrijgen.
Doch, om daartoe te geraken, moest de leverancier, van zijne buffelbespanningen beroofd, in de noodzakelijkheid gebracht worden de hulp van den IJzeren Reus in te roepen. Van daar dien aanval der wilde dieren,--een onverwachte aanval, weliswaar,--maar waarvan Kâlagani partij wist te trekken. Op gevaar af een groot onheil te doen ontstaan, ontzag hij zich niet, ongemerkt de slagboomen, die de deur der kraal gesloten hielden, te verwijderen. De tijgers, de panters, snelden nu binnen de omheining, de buffels werden verspreid of vernietigd, verscheidene Hindoes bezweken, maar het plan van Kâlagani was gelukt. Matthias van Guitt zou nu wel genoodzaakt zijn zijn toevlucht te zoeken bij kolonel Munro, teneinde met zijn rollende menagerie Bombay te bereiken.
En inderdaad, in deze bijna verlaten streek van het Himalayagebergte zijne bespanningen te vernieuwen, zou moeielijk geweest zijn. In alle geval was het Kâlagani, die zich voor rekening van den leverancier met deze zaak belastte. Het spreekt van zelf, dat hij hierin niet slaagde en zoo geschiedde het, dat Matthias van Guitt, door den IJzeren Reus op sleeptouw genomen, met zijn geheele personeel tot het station Etawah afdaalde.
Daar zou de spoorweg het materieel der menagerie verder vervoeren. De chikaris werden dus afgedankt en Kâlagani, wiens diensten mede vervielen, zou hun lot deelen. Toen zat hij er zeer over in, wat er verder van hem worden zou. Banks liep er in. Het kwam bij hem op, dat die schrandere en trouwe Hindoe, zoo door en door bekend met dit gedeelte van Indië, wezenlijke diensten zou kunnen bewijzen. Hij bood hem dus aan tot Bombay hun gids te zijn, en van dien dag af aan lag het lot der expeditie in de handen van Kâlagani.
Wie zou in dien Hindoe, altijd gereed zijn leven te wagen, een verrader gezocht hebben.
Een oogenblik had Kâlagani zich bijna verraden. Dit was, toen Banks hem over den dood van Nana Sahib sprak. Het was hem onmogelijk zijn twijfel te verbergen en hij schudde het hoofd als iemand, die er niet aan kon gelooven. Maar zou dit niet met elken Hindoe het geval zijn geweest, voor wien de nabob een van die bovennatuurlijke wezens was, dien de dood niet kon bereiken!
Kreeg Kâlagani hieromtrent de bevestiging dezer tijding, toen,--het was geen toeval,--hij een zijner oude metgezellen in de karavaan der Banjaris ontmoette? Men weet het niet, maar men mag veronderstellen, dat hij nauwkeurig op de hoogte was, waaraan zich te houden.
Hoe het zij, de verrader verloor geen oogenblik zijne verfoeielijke plannen uit het oog, alsof hij de ondernemingen van den nabob voor zijn rekening had willen ten uitvoer brengen.
Daarom zette het Stoomhuis zijn weg door de bergpassen der Vindhyas voort en na de vermelde avonturen kwamen de reizigers aan de oevers van het Puturiameer aan, waar men een schuilplaats moest zoeken.
Toen Kâlagani daar den drijvenden trein wilde verlaten, onder voorwendsel zich naar Jubbulpore te begeven, liet hij zich doorgronden. Hoezeer hij zich zelven ook kon beheerschen, had een eenvoudig physiologisch verschijnsel, dat niet aan de scherpzinnigheid van den kolonel kon ontsnappen, hem verdacht gemaakt en men weet nu, dat het wantrouwen van Sir Edward Munro maar al te zeer gerechtvaardigd was.
Men liet hem vertrekken, maar gaf hem Goûmi mede. Beiden stortten zich in het meer en hadden een uur later den zuidoostelijken oever bereikt.
Nu vervolgden zij in dien donkeren nacht te zamen hun weg, de een den ander wantrouwende, deze niet wetende, dat hij gewantrouwd werd. Het voordeel was dus toen aan de zijde van Goûmi, dezen tweeden Mac Neil van kolonel Munro.
Gedurende drie uren bewandelden de twee Hindoes op die wijze den grooten weg, die de zuidelijke ketens der Vindhyas doorkruist om uit te komen aan het station van Jubbulpore. De mist was veel minder dik in het open veld dan op het meer. Goûmi hield steeds een wakend oog op zijn metgezel gevestigd. Hij droeg een flink mes in zijn gordel en, vrij driftig van aard had hij zich voorgekomen om bij de eerste verdachte beweging zich op Kâlagani te werpen en hem buiten staat te stellen zijne kwade voornemens in praktijk te brengen.
Ongelukkig had de getrouwe Hindoe den tijd niet om te doen zooals hij hoopte.
De nacht was, zonder maan, zeer duister. Op twintig passen afstand was geen loopend mensch te onderscheiden.
Daar liet zich, aan een der krommingen van den weg gekomen, eensklaps een stem hooren, Kâlagani roepende.
»Ja, Nassim!" antwoordde de Hindoe.
En op hetzelfde oogenblik weerklonk links van den weg een scherpe, zeer vreemde kreet.
Deze kreet was de »kisri" van de woeste stammen van Gondwana, dien Goûmi wel kende!
Goûmi stond verbaasd en kon niet handelen. En wat had hij ook, al was Kâlagani dood, kunnen uitvoeren tegen een geheele bende Hindoes, voor wie deze kreet tot wachtwoord moest strekken. Een voorgevoel gaf hem in op de vlucht te gaan, teneinde te beproeven zijne metgezellen te waarschuwen. Ja! trachten vrij te blijven, daarna naar het meer terugkeeren en beproeven zwemmende den IJzeren Reus te bereiken om hem te beletten aan wal te gaan, er was op dat oogenblik niets anders te doen.
Goûmi aarzelde niet. Op het oogenblik dat Kâlagani zich bij den Nassim vervoegde, die hem geantwoord had, sprong hij op zijde en verdween in de jungles, die den weg bezoomden.
En toen Kâlagani met zijn medeplichtige terugkwam, om zich van den metgezel te ontdoen, hem door kolonel opgedrongen, was Goûmi er niet meer.
Nassim was het opperhoofd van een bende Dacoits, de zaak van Nana Sahib toegedaan. Toen hij de verdwijning van Goûmi vernam, liet hij zijne lieden de jungles doorzoeken. Tot elken prijs wilde hij zich weder meester maken van den stoutmoedigen dienaar, die zooeven ontsnapt was.
De nasporingen waren vruchteloos. Goûmi had zich òf door de duisternis begunstigd òf door zich in een of ander hol te verschuilen, uit de voeten kunnen maken en men moest het zoeken opgeven.
Maar wat hadden ook die Dacoits van Goûmi te vreezen, van Goûmi, aan zich zelven overgeleverd te midden van dat woeste land, drie uren gaans reeds van het Puturiameer verwijderd, dat hij, hoe groot zijn spoed ook was, niet vóór hen zou kunnen bereiken?
Kâlagani berustte er dan ook in. Hij beraadslaagde een oogenblik met het opperhoofd der Dacoits, die zijne bevelen scheen af te wachten. Daarna sloegen allen denzelfden weg weder in en liepen met groote schreden in de richting van het meer.
En waarom had nu deze troep de bergpassen der Vindhyas verlaten, waar zij sedert eenigen tijd kampeerden? Eenvoudig omdat Kâlagani de aanstaande komst van kolonel Munro in de omstreken van het Puturiameer had kunnen boodschappen. Door wien? Door dien Hindoe, die niemand anders was dan Nassim en die deel uitmaakte van de karavaan der Banjaris. Aan wien? Aan hem, wiens hand den geheelen aanslag in het duister leidde!
Want, wat reeds voorgevallen was en toen nog voorviel, was het resultaat van een vooraf beraamd plan, dat kolonel Munro en zijne metgezellen niet konden verijdelen. Daarom konden op het oogenblik dat de trein aan de zuidelijke punt van het meer aanlandde, de Dacoits hem onder de bevelen van Nassim en van Kâlagani aanvallen.
Maar men had het op kolonel Munro gemunt, op hem alleen. Zijne metgezellen, aan hun lot overgelaten en wier laatste huis vernield was, waren niet meer te vreezen. Hij werd dus medegevoerd, en te zeven uur 's morgens, was hij reeds een afstand van zes mijlen van het Puturiameer verwijderd.
Dat Sir Edward Munro door Kâlagani naar het station van Jubbulpore zou geleid worden, was niet aan te nemen. Hij zeide dan ook bij zich zelven, dat hij de streek der Vindhyas niet zou verlaten en dat, eenmaal in de macht zijner vijanden, hij er misschien nooit uit zou geraken.
Evenwel had de moedige man niets van zijn koelbloedigheid verloren. Hij hield zich te midden van die woeste Hindoes op elke gebeurtenis voorbereid. Hij deed zelfs alsof hij Kâlagani niet opmerkte. De verrader had zich aan het hoofd van den troep gesteld en hij was er inderdaad het hoofd van. Vluchten was niet mogelijk. Hoewel niet geboeid, zag kolonel Munro noch voor, noch achter, noch op de flanken van zijn geleide, een enkele opening, die hem een doortocht had kunnen verleenen. Trouwens zou hij ook onmiddellijk weder gevat zijn.
Hij dacht dus na over de gevolgen van zijn toestand. Moest hij gelooven, dat Nana Sahib de hand in dit alles had? Neen, hij dacht niet anders of de nabob was wel werkelijk dood. Maar had niet een vriend of bloedverwant van het oude opperhoofd der opstandelingen, Balao Rao misschien, besloten zijn haat te koelen, door deze wraak te volvoeren, waaraan zijn broeder zijn leven gewijd had? Sir Edward Munro vermoedde een streek van dezen aard.
Terzelfdertijd dacht hij aan den ongelukkigen Goûmi, die geen gevangene der Dacoits was. Had hij kunnen ontsnappen? het was mogelijk. Was hij niet dadelijk bezweken? het was waarschijnlijker. Kon men op zijn hulp rekenen, in geval hij zich gezond en wel bevond? het was moeielijk.
Indien Goûmi toch eerst naar het station van Jubbulpore had gemeend te moeten gaan om er hulp te zoeken, zou hij te laat komen.
Indien hij daarentegen zich bij Banks en zijne metgezellen aan de zuidelijke punt van het meer was gaan vervoegen, wat zouden zij beginnen bijna geheel van ammunitie ontbloot? Zouden zij den weg naar Jubbulpore inslaan?... Maar, voordat zij hem hadden kunnen bereiken, zou de gevangene reeds naar een ontoegankelijken schuilhoek der Vindhyas gevankelijk zijn weggevoerd!
Van deze zijde dus geen straal hoop!
Kolonel Munro zag zijn toestand koelbloedig in. Hij wanhoopte niet, want hij was geen man om zich te laten neerslaan, maar hij zag de dingen liever in de werkelijkheid, inplaats van zich over te geven aan een illusie, onwaardig een geest dien niets kon ontstellen.
Intusschen ging de troep met groote snelheid voorwaarts. Blijkbaar wilden Nassim en Kâlagani vóór het ondergaan der zon een voorafbepaald rendez-vous bereiken, waar het lot van den kolonel zou beslist worden. Niet alleen de verrader had haast, maar ook Sir Edward Munro was niet minder gejaagd er een eind aan te maken en ongeduldig te weten, welk het einde was dat hem wachtte.
Een enkele maal, tegen twaalf uren, liet Kâlagani gedurende een half uur halt houden. De Dacoits waren van levensmiddelen voorzien en aten aan den rand eener kleine beek.
Een weinig brood en gedroogd vleesch werd ter beschikking van den kolonel gesteld, die niet weigerde er iets van te gebruiken. Sedert den vorigen dag had hij niets genomen en hij gunde zijnen vijanden het genoegen niet hem in het laatste oogenblik lichamelijk te zien verzwakken.
Op dit oogenblik had men bij dezen geforceerden marsch ongeveer zestien mijlen afgelegd. Op bevel van Kâlagani, ging men weder op weg, steeds in de richting van Jubbulpore.
Eerst ten vijf ure 's avonds, verliet de bende der Dacoits den grooten weg, om links een zijpad in te slaan. Mocht dus kolonel Munro nog een schijn van hoop bewaard hebben, zoolang hij den grooten weg bleef houden, toen begreep hij, dat hij zich in de hand van God bevond.
Een kwartier later trokken Kâlagani en de zijnen door een nauwen bergpas, die de uiterste grens vormde van de vallei der Nerbudda, naar het meest woeste gedeelte van Bundelkund toe.
De plaats was gelegen op drie honderd vijftig kilometers ongeveer van den pâl van Tandit af, in het oosten der Sautpourrabergen, die men kan beschouwen als de westelijke verlenging der Vindhyas.
Daar verhief zich op een der laatste zijbergen de oude sterkte van Ripore, sedert lang verlaten, omdat zij niet geproviandeerd kon worden, bijaldien de bergpassen van het westen door den vijand bezet waren.
Deze sterkte bestreek een der laatste vooruitspringende bergen der keten, een soort van natuurlijk bolwerk, vijf honderd voet hoog, dat over een aanzienlijke verwijding van den bergpas, te midden der naburige bergruggen hing. Het was niet te genaken dan langs een smal voetpad, dat kronkelend in de rotsmassa was uitgehouwen, een pad, nauwelijks voor voetgangers toegankelijk.
Op dat bergvlak bevonden zich nog eenige bouwvallen van vestingwerken. Op het midden der vlakte, door een steenen borstwering van den afgrond afgesloten, stond een half verwoest gebouw, dat vroeger voor het kleine garnizoen van Ripore tot kazerne diende en nu als stal zelfs niet bruikbaar meer zou geweest zijn.
Op het midden van het centrale vlak, was nog een stuk geschut overgebleven van de velen, die vroeger door de schietgaten der borstwering te voorschijn kwamen. Het was een enorm kanon, gericht naar de voorzijde der vlakte. Te zwaar om te worden afgelaten, te sterk beschadigd overigens om nog eenige waarde te hebben, had men het daar laten liggen op zijn affuit, overgeleverd aan den roest, die zijn ijzeren omhulsel verteerde.
Het mocht wel, door zijn lengte en dikte, de waardige tegenhanger heeten van het vermaarde bronzen kanon van Bhilza, dat ten tijde van Jehanghir gegoten werd, een enorm stuk, van zes meters lang, met een kaliber van vier en veertig. Men had het ook kunnen vergelijken met het niet minder beroemde kanon van Bidjapour, welks ontbranding, volgens het zeggen der inlanders, geen enkel van de monumenten der stad overeind had gelaten.
Dit was de sterkte van Ripore, waarheen de gevangene door den troep van Kâlagani gevoerd werd. Het was vijf uren 's avonds, toen hij er aankwam, na een dagmarsch van meer dan vijf en twintig mijlen.
Tegenover wien zijner vijanden zou kolonel Munro zich eindelijk bevinden? Hij zou het maar al te spoedig weten.
Een groep Hindoes bewoonde toen het vervallen gebouwtje, dat zich te midden van het bergvlak verhief. Deze groep kwam er uit te voorschijn, terwijl de bende der Dacoits zich in een kring langs de borstwering plaatste.
Kolonel Munro nam het midden van dezen kring in. Met gekruiste armen wachtte hij.
Kâlagani verliet de plaats, die hij in de rij innam en deed eenige stappen vooruit.
Een Hindoe, eenvoudig gekleed, liep aan het hoofd.
Kâlagani bleef voor hem staan en boog zich. De Hindoe reikte hem een hand, die Kâlagani eerbiedig kuste. Een beweging van het hoofd betuigde hem dat men over zijne diensten tevreden was.
Daarna stapte de Hindoe op den gevangene toe, langzaam, maar het oog in vuur, met al de verschijnselen van een nauwlijks ingehouden toorn. Het was als een roofdier, dat op zijn prooi los ging.
Kolonel Munro liet hem naderen, zonder een stap terug te treden, hem even strak aankijkende, als hij zelf aangekeken werd.
Toen de Hindoe nog slechts vijf schreden van hem af was, zei de kolonel, op een toon, die de diepste minachting te kennen gaf:
»'t Is Balao Rao maar, de broeder van den nabob!"
»Kijk beter!" antwoordde de Hindoe.
»Nana Sahib!" riep kolonel Munro uit, ditmaal ondanks zich zei ven terugtredende. »Nana Sahib in leven!..."
Ja, de nabob zelf, het oude opperhoofd van den opstand der Sipayers, de onverzoenbare vijand van Munro!
Doch wie was dan bij de ontmoeting in den pâl van Tandît bezweken? Het was Balao Rao, zijn broeder.
De buitengewone gelijkenis dezer twee mannen, beiden in het gelaat door de pokken geschonden, beiden denzelfden vinger van dezelfde hand missende, had de soldaten van Lucknow en van Cawnpore bedrogen. Dezen hadden niet geaarzeld den nabob te herkennen in hem, die slechts zijn broeder was, en het zou onmogelijk geweest zijn deze vergissing niet te maken. Toen dan ook aan de regeering bericht van den dood des nabobs gezonden werd, leefde Nana Sahib nog en was het Balao Rao, die gedood was.
Nana Sahib had zich gehaast van deze nieuwe omstandigheid partij te trekken. Opnieuw bezorgde zij hem een bijna volstrekte veiligheid. Immers zou zijn broeder door de Engelsche politie niet met dezelfde hardnekkigheid vervolgd worden, en werd het ook werkelijk niet. Niet alleen werd de moord van Cawnpore hem niet geweten, maar hij had ook op de Hindoes van het centrum niet den noodlottigen invloed, dien de nabob bezat.
Toen Nana Sahib zag, dat men hem zoo dicht op de hielen zat, nam hij het besluit zich dood te houden tot het oogenblik, dat hij eindelijk zou kunnen handelen, en tijdelijk zijne revolutionnaire plannen latende rusten, had hij zich geheel aan zijne wraak gewijd. Nooit, trouwens, waren de omstandigheden zoo gunstig geweest. Kolonel Munro, steeds door zijne agenten bespied, had Calcutta verlaten om een reis te ondernemen, die hem naar Bombay zou brengen. Zou het niet mogelijk zijn hem in de streek der Vindhyas te lokken, door de provinciën van Bundelkund? Nana Sahib dacht er over na en zond hem met dit doel den schranderen Kâlagani.
De nabob verliet toen den pâl van Tandît, die hem geen zekere schuilplaats meer toescheen. Hij drong door tot de vallei der Nerbudda, tot de laatste bergengten der Vindhyas. Daar verhief zich de sterkte van Ripore, die hem een schuilplaats voorkwam, waar de politie hem niet licht zou opsporen, omdat zij wel moest aannemen dat hij dood was.
Nana Sahib vestigde er zich dus met de weinige aan zijn persoon verknochte Hindoes. Hij versterkte deze weldra met een bende Dacoits, waardig zich onder de bevelen van zulk een opperhoofd te stellen, en wachtte nu op de dingen, die komen zouden.
Maar wat wachtte hij sedert vier maanden? Dat Kâlagani zijn taak vervuld had en hem de op handen zijnde komst van kolonel Munro in dit gedeelte der Vindhyas, alwaar hij zich in zijn macht zou bevinden, boodschapte.
Eene vrees, evenwel, maakte zich van Nana Sahib meester. Deze, dat de tijding van zijn dood, door het geheele schiereiland verspreid, ook ter oore van Kâlagani kwam. Zou deze er geen geloof aanslaan en zijn verraderlijke plannen tegen kolonel Munro laten varen?
Van daar dus de zending van een anderen Hindoe naar Bundelkund, van dien Nassim, die, deel uitmakende van de karavaan der Banjaris, den trein van het Stoomhuis op den weg van Scindia ontmoette, zich in gemeenschap met Kâlagani stelde, en hem met den waren staat van zaken bekend maakte.