Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 10
»We weten het, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro. »Dat is zeker te betreuren, maar we zullen doen zooals we kunnen, en we zullen vasten als er gevast moet worden."
»Het is inderdaad dáárom nog te meer te bejammeren, mijneheeren," hernam onze chef, »omdat op het gezicht van die groepen olifanten, die ons aantastten en waarvan er meer dan een onder uw moordend lood gevallen is...."
»Prachtig uitgedrukt, mijnheer Parazard!" zei kapitein Hod. »Met eenige lessen, zoudt u je al gauw even sierlijk kunnen uitdrukken, als onze vriend Matthias van Guitt."
»Mijnheer" Parazard boog bij dit kompliment, dat hij zeer ernstig opnam, en ging na een zucht, op deze wijze verder:
»'k Zei dus, mijneheeren, dat mij een gelegenheid was aangeboden, eenig in haar soort, om mij te onderscheiden. Het vleesch van den olifant, is, wat men er zich ook van moge voorstellen, niet goed in al zijn deelen, waarvan eenige ontegenzeglijk hard en taai zijn; maar het schijnt dat de Schepper van alle dingen, in die vleeschmassa twee stukken heeft willen uitkiezen, van bijzondere hoedanigheid, waardig te verschijnen op de tafel van den onderkoning van Indië. Ik meen de tong van het dier, die buitengewoon smakelijk is, indien ze wordt toebereid volgens een recept, dat niemand anders dan ik kan klaarmaken en verder de pooten van den pachydermus...."
»Pachydermus?... wel, zeer goed, ofschoon proboscideër sierlijker is," zei kapitein Hod, zijne goedkeuring met een gebaar te kennen gevende.
»....De pooten," hernam »mijnheer" Parazard, »waarmede men een der beste schotels maakt in de edele kookkunst, waarvan ik de vertegenwoordiger ben in het Stoomhuis."
»U doet ons watertanden, mijnheer Parazard," antwoordde Banks. »Ongelukkig aan den eenen kant, gelukkig aan den anderen, hebben de olifanten ons niet op het meer gevolgd, en ik vrees maar al te zeer, dat we, althans voor eenigen tijd, die fijne schotels zullen moeten missen."
»Zou 't niet mogelijk zijn," hernam de chef, even naar den oever terug te keeren, om ons te proviandeeren!"
»Dat is niet mogelijk, mijnheer Parazard. Hoe volmaakt uwe schotels ook zouden geweest zijn, zoo iets mogen we niet wagen."
»Welnu, mijneheeren," hernam onze chef, »ontvangt dan de uitdrukking van mijn innigen spijt, dien ik gevoel over dit betreurenswaardige avontuur."
»We nemen gaarne uwe gevoelens van spijt aan, mijnheer Parazard," hernam kolonel Munro, »en zeggen er u dank voor. Wat het diner en het déjeuner betreft, maak er u niet bezorgd over voor onze aankomst te Jubbulpore."
»Er blijft me dus niet anders over dan me te verwijderen," zei »mijnheer" Parazard, zich buigende, zonder iets van zijn gewonen ernst te verliezen.
Wij zouden gaarne over de houding van onzen chef gelachen hebben, indien wij geen andere zorgen gehad hadden.
Er deed zich namelijk een omstandigheid op, die onzen toestand nog hachelijker maakte. Banks meldde ons, dat niet het gebrek aan levensmiddelen, noch aan ammunitie op dit oogenblik het meest te betreuren was, maar het gebrek aan brandstof. En werkelijk was hier niets vreemds in gelegen, want het was sedert acht en veertig uren niet mogelijk geweest het voor de voeding der machine noodige hout te vernieuwen. De geheele voorraad was bij onze aankomst aan het meer uitgeput. Een uur later zou het onmogelijk geweest zijn het te bereiken, en het eerste rijtuig van het Stoomhuis zou hetzelfde lot gedeeld hebben van het tweede.
»En nu," voegde Banks er bij, »hebben we niets meer te verbranden, de drukking vermindert, ze is reeds tot twee atmosfeeren gedaald, en er is geen middel haar te verhoogen!"
»Is dan werkelijk de toestand zoo ernstig als u schijnt te meenen, Banks?" vroeg kolonel Munro.
»We zouden wel naar den oever kunnen terugkeeren, waarvan we niet ver meer af zijn," antwoordde Banks. »Binnen een kwartier zouden we er zijn, maar 't zou toch al te onvoorzichtig zijn naar de plek terug te keeren, waar de kudde olifanten ongetwijfeld nog vereenigd is. Neen, we moeten in tegendeel het meer oversteken en aan den zuidelijken oever een punt opzoeken waar we kunnen ontschepen."
»Hoe groot is de breedte van het meer op deze plaats?" vroeg kolonel Munro.
»Kâlagani schat dezen afstand op zeven of acht mijlen ongeveer. In de omstandigheden waarin we ons nu bevinden, zouden we verscheidene uren noodig hebben dezen afstand af te leggen, maar 'k zeg nog eens, voordat er veertig minuten verloopen zijn, is de machine niet meer in staat te werken."
»Welnu," antwoordde Sir Edward Munro, »laten we gerust den nacht op het meer doorbrengen, we zijn er in zekerheid, dan kunnen we morgen raad schaffen."
Er was op dit oogenblik niets beters te doen en we hadden overigens zeer rust noodig. Op de laatste rustplaats, omringd door dien kring van olifanten, had niemand in het Stoomhuis kunnen slapen en was dus de nacht wakende doorgebracht.
En zou ook dezen nacht de lang gewenschte rust genoten worden?
Tegen zeven uren begon een lichte mist zich over het meer te verspreiden. Men herinnert zich, dat den voorgaanden nacht reeds dikke nevelen de hoogere streken der lucht bezochten. Hier nu was een wijziging voorgevallen tengevolge van het verschil van plaats. Mochten op de plaats waar de olifanten kampeerden deze dampen op eenige honderden voeten boven den grond zijn blijven hangen, dit was niet het geval op de oppervlakte van het Puturiameer, dank zij de uitwaseming van het water. Na een vrij warmen dag, was er vermenging van de hooge en lage luchtlagen en weldra was het geheele meer in een mist verdwenen, niet dik in het begin, maar die toch elk oogenblik dikker werd.
Dit was dus, zooals Banks gezegd had, een van die omstandigheden waarvan rekening moest gehouden worden.
Zooals hij mede had aangekondigd, deden tegen half acht uur, de laatste zuchten van den IJzeren Reus zich hooren, de zuigerslagen werden minder snel, de gelede pooten hielden op het water te slaan, de drukking daalde beneden een atmosfeer. Geen brandstof meer en geen middel het zich te verschaffen.
De IJzeren Reus en het eenige rijtuig, dat hij nog op sleeptouw had, dreven vreedzaam op de wateren van het meer, doch verplaatsten zich niet meer.
In deze omstandigheden zou het te midden van den nevel moeielijk geweest zijn onze positie nauwkeurig te bepalen. Gedurende den korten tijd dat de machine gewerkt had, had de trein zich naar den zuidoostelijken oever van het meer gericht, teneinde er een punt van ontscheping op te zoeken. Daar nu het meer de gedaante van een vrij verlengd ovaal heeft, was het mogelijk, dat het Stoomhuis niet ver van den een of anderen oever verwijderd was.
Het spreekt van zelf, dat het geschreeuw der olifanten, dat ons omstreeks gedurende een uur vervolgd had, zich nu niet meer deed hooren.
Wij spraken dus over de verschillende mogelijkheden, die deze nieuwe toestand ons konde brengen. Banks liet Kâlagani roepen, dien hij wilde raadplegen.
De Hindoe verscheen dadelijk en werd verzocht zijne meening te zeggen.
Wij waren toen bijeen in de eetzaal, die, het licht van boven krijgende, geen zijdelingsche vensters had. Op deze wijze kon het licht der lampen niet naar buiten uitstralen. Dit was een nuttige voorzorg, want het was beter, dat de positie van het Stoomhuis onbekend bleef voor de zwervers, die misschien de oevers van het meer bezochten.
Het scheen mij toe dat Kâlagani in het eerst aarzelde de vragen, die hem gesteld werden, te beantwoorden. Het gold de bepaling van de positie, die de drijvende trein dat oogenblik op de wateren van het Puturiameer innam, en ik moet zeggen, dat het antwoord wel eenigszins moeielijk was. Misschien had een zwakke bries uit het noordwesten haren invloed op de massa van het Stoomhuis doen gelden? Misschien voerde een lichte strooming ons naar de onderste punt van het meer?
»Kom, Kâlagani," zei Banks, aandringende, »je bent volkomen bekend met de uitgestrektheid van het Puturiameer?"
»Wel zeker, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »maar 't is moeielijk, te midden van dien dikken mist....."
»Kunt ge bij benadering den afstand bepalen, waarop we ons op dit oogenblik van den dichtst bij zijnde oever bevinden?"
»Ja," antwoordde de Hindoe, na eenigen tijd nagedacht te hebben. »Die afstand moet niet verder zijn dan een en een halve mijl."
»Oostelijk?" vroeg Banks.
»Oostelijk."
»Zoo we dus aan dezen oever aanlandden, zouden we dichter bij Jubbulpore dan bij Dumoh zijn?"
»Voorzeker."
»We zouden ons dus te Jubbulpore moeten proviandeeren," zei Banks. »Doch, wie weet wanneer en hoe we den oever zullen kunnen bereiken! Dat kan een, twee dagen duren en onze voorraad is uitgeput!"
»Maar," zei Kâlagani, »zou men niet kunnen beproeven nog dezen zelfden nacht aan wal te komen?"
»En hoe?"
»Door zwemmende den oever te bereiken."
»Anderhalve mijl, te midden van dien dikken mist!" antwoordde Banks. »Dat zou te gewaagd zijn...."
»Dat is geen reden om het niet te probeeren," antwoordde de Hindoe.
Ik weet niet waarom, maar het kwam me op nieuw voor, dat de stem van Kâlagani niet zoo rond was als gewoonlijk.
»Zoudt ge willen beproeven het meer zwemmende over te steken?" vroeg kolonel Munro, die den Hindoe aandachtig gadesloeg.
»Ja, kolonel, en 'k heb alle reden te gelooven, dat het me zou gelukken."
»Wel, mijn vriend," hernam Banks, »je zoudt ons een grooten dienst daarmede bewijzen! Eenmaal aan wal, zou 't je makkelijk vallen het station van Jubbulpore te bereiken en er de hulp te halen, die we noodig hebben."
»'k Ben gereed om te vertrekken!" antwoordde Kâlagani eenvoudig.
Ik wachtte totdat kolonel Munro onzen gids bedankte, die zich aanbood om zulk een gevaarlijke taak te ondernemen; maar, na hem met nog meer aandacht te hebben aangekeken, riep hij Goûmi.
Goûmi verscheen dadelijk.
»Goûmi," zeide Sir Edward Munro, »je kunt goed zwemmen?"
»Ja, kolonel."
»Zou je kans zien om dezen nacht een anderhalve mijl op het meer zwemmende af te leggen?"
»Wel twee, kolonel."
»Welnu," hernam kolonel Munro, »Kâlagani hier biedt zich aan om zwemmende den naasten oever bij Jubbulpore te bereiken. Nu hebben, zoowel op het meer als in dit gedeelte van Bundelkund, twee schrandere en stoutmoedige mannen, die elkander hulp kunnen verleenen, meer kans op slagen.--Wil je Kâlagani vergezellen?"
»Dadelijk, kolonel," antwoordde Goûmi.
»'k Heb niemand noodig," antwoordde Kâlagani, »maar als kolonel Munro er op staat, neem ik gaarne Goûmi als metgezel aan."
»Gaat dan, mijne vrienden," zei Banks, »en laat je moed je niet tot onvoorzichtige stappen leiden!"
Nadat dit was afgesproken, gaf kolonel Munro, die Goûmi ter zijde nam, hem eenige korte aanbevelingen. Vijf minuten later, lieten de twee Hindoes, met een bundel kleeren op het hoofd, zich in het water van het meer glijden. De mist was toen zeer dik en eenige vademen ver waren zij reeds buiten het gezicht.
Ik vroeg toen kolonel Munro waarom hij er zoo op gesteld was geweest Kâlagani een metgezel mede te geven.
»Mijne vrienden," antwoordde Sir Edward Munro, »de antwoorden van dezen Hindoe, wiens getrouwheid ik tot nog toe nooit betwijfeld had, kwamen me niet oprecht voor!"
»'k Heb denzelfden indruk gehad," zei ik.
»Wat mij betreft, ik heb niets opgemerkt..." zei de ingenieur.
»Hoor eens, Banks," hernam kolonel Munro. »Toen hij zich aanbood aan land te gaan, had Kâlagani daar eenig doel mede."
»Welk?"
»'k Weet het niet, maar stellig had hij met zijn vraag om naar den wal te gaan, het doel niet hulp te Jubbulpore te gaan vragen!"
»Wat zeg je!" riep kapitein Hod uit.
Banks keek den kolonel aan, de wenkbrauwen fronsende. Vervolgens zei hij:
»Munro, tot nog toe heeft die Hindoe zich zeer welwillend en getrouw betoond en meer bijzonder jegens u! Heden beweer je, dat Kâlagani ons verraadt! Welk bewijs heb je er voor?"
»Terwijl Kâlagani sprak," antwoordde kolonel Munro, »heb ik gezien, dat zijn huid zwart werd, en als de menschen met koperkleurige huid zwart worden, liegen ze! Twintigmaal heb ik daardoor Hindoes en Bengalis kunnen ontmaskeren en nooit heb ik me er bedrogen in gezien. 'k Zeg dus nog eens dat Kâlagani, niettegenstaande de schijn vóór hem is, de waarheid niet gezegd heeft."
Deze opmerking van Sir Edward Munro was,--'k heb er mij dikwijls van overtuigd,--werkelijk gegrond.
Wanneer de Hindoes liegen, worden zij een weinig zwart, even als de blanken rood worden. Dit verschijnsel had den scherpzinnigen kolonel niet kunnen ontgaan en men moest zijn opmerking niet in den wind slaan.
»Maar welke plannen zou die Kâlagani dan toch hebben," vroeg Banks, »en waarom zou hij ons verraden?"
»Dat zullen we later weten..." antwoordde kolonel Munro, »te laat misschien!"
»Te laat, kolonel!" riep kapitein Hod uit! »Wel, we verkeeren toch niet in gevaar, verbeeld ik me!"
»In alle geval, Munro," hernam de ingenieur, »heb je goed gehandeld hem Goûmi mede te geven. Die toch is ons getrouw tot in den dood. Behendig, schrander, zal hij, zoo hij eenig gevaar vermoedt, weten...."
»Zooveel te meer," antwoordde kolonel Munro, »nu hij gewaarschuwd is en zijn metgezel in 't oog zal houden."
»Goed," zei Banks. »Nu hebben we niets anders te doen dan den dag af te wachten. De mist zal zeker met de zon wel optrekken en dan kunnen we zien, wat we doen zullen."
Wachten, inderdaad! Ook deze nacht zou dus geheel slapeloos worden doorgebracht.
De mist was wel dikker geworden, maar niets voorspelde slecht weder. En dat was gelukkig, want al kon onze trein drijven, hij was niet gemaakt om »zee te bouwen!" We moesten dus hopen, dat al die blaasjes damp zich bij het opgaan der zon zouden verdichten, wat voor den volgenden dag prachtig weer zou beloven.
Terwijl ons personeel dus in de eetzaal plaatsnam, vleiden wij ons op de divans van het salon neder, weinig pratende, maar het oor leenende aan al de geruchten van buiten.
Eensklaps, tegen twee uren na middernacht, verstoorde een concert van wilde dieren de stilte van den nacht.
Daar was dus de oever, in de richting van het zuidoosten, maar hij moest nog vrij ver af zijn. Dit gehuil was nog zeer verzwakt door den afstand, en Banks schatte dezen afstand op niet minder dan een goede mijl. Een troep wilde beesten was zeker hun dorst komen lesschen aan de uiterste punt van het meer.
Maar weldra ook bleek het, dat onder den invloed eener lichte bries, de drijvende trein langzaam en gestadig naar den oever afdreef. Werkelijk kwamen die kreten niet alleen duidelijk tot ons gehoor, maar men onderscheidde reeds het statige gebrul van den tijger van het schorre gehuil der panters.
»Sakkerloot!" kon kapitein Hod niet nalaten te zeggen, »wat een prachtige gelegenheid om daar zijn vijftigsten te dooden!"
»Een anderen keer, kapitein!" antwoordde Banks. »Als de dag aanbreekt, zal, op het oogenblik dat we aanlanden, die troep wilde dieren wel plaats voor ons gemaakt hebben!"
»Zou er iets tegen zijn," vroeg ik, »de electrische vuren te ontsteken?"
»Me dunkt, niet," antwoordde Banks. »Dit gedeelte van den oever wordt zeer waarschijnlijk slechts bezocht door dieren, die willen drinken. Er is dus geen reden om niet te beproeven het te verkennen."
En op bevel van Banks werden twee lichtbundels in de richting van het zuidoosten uitgeworpen. Maar het electrische licht, niet bij machte den dikken nevel te doorboren, kon slechts een klein eind voor het Stoomhuis verlichten, zoodat de oever volkomen voor onze blikken verborgen bleef.
Intusschen nam de hevigheid van het gehuil allengs toe, waaruit bleek dat de trein voortging op de oppervlakte van het meer af te drijven. Zeker moesten de op die plaats verzamelde dieren zeer talrijk zijn, en dit was ook niet te verwonderen, omdat het Puturiameer voor de wilde beesten van dit gedeelte van Bundelkund tot een natuurlijke drinkplaats diende.
»Als Goûmi en Kâlagani maar niet te midden van den troep verzeild zijn!" zei kapitein Hod.
»De tijgers vrees ik niet voor Goûmi!" antwoordde kolonel Munro.
Toen eenmaal de vermoedens in het hart van den kolonel waren wakker geschud, was er geen houden meer aan en wat mij betreft, ik begon ze te deelen. En toch de goede diensten van Kâlagani sedert onze komst in het Himalayagebergte, zijne onbetwistbare verdiensten, zijne toewijding in de twee omstandigheden waarbij hij zijn leven voor Sir Edward Munro en kapitein Hod gewaagd had, alles getuigde in zijn voordeel. Maar, als eenmaal de geest zich door kwade vermoedens laat medesleepen, neemt de waarde der vroeger gebeurde feiten af en veranderen zij van voorkomen, men vergeet het verledene, men vreest de toekomst.
En toch, welke drijfveer bewoog dien Hindoe om ons te verraden? Had hij redenen van persoonlijken haat tegen de gasten van het Stoomhuis? Voorzeker niet! Waarom ze dan in een hinderlaag gelokt? 't Was onverklaarbaar. Iedereen gaf zich dus aan zeer duistere gedachten over en met ongeduld wachtten wij de ontknooping van dezen toestand af.
Tegen vier uren van den ochtend hielden de dieren plotseling met hun gehuil op en hetgeen ons allen trof, was, dat zij zich niet langzamerhand schenen verwijderd te hebben, het een na het ander, na een laatste teug een laatst gehuil doende hooren. Neen, het was oogenblikkelijk. Men zou gezegd hebben, dat een onvoorziene omstandigheid ze in hun bezigheid gestoord had en ze op de vlucht had gedreven. Blijkbaar zochten ze hunne holen weder op, niet als dieren, die ze rustig weder betreden, maar als dieren, die op de vlucht gaan.
De stilte was dus zonder overgang op al dat leven gevolgd. Het was een feit waarvan de oorzaak ons nog niet helder was, maar dat onze ongerustheid nog slechts deed toenemen.
Uit voorzichtigheid deed Banks de lichten uitdooven. Mochten de dieren op de vlucht zijn gegaan voor een bende landloopers, die Bundelkund en de Vindhyas bezoeken, dan moest men zorgvuldig de tegenwoordigheid van het Stoomhuis verborgen houden.
De stilte werd nu niet eens meer gestoord door het lichte gekabbel der golfjes. De bries was gaan liggen. Het was onmogelijk te weten of de trein onder den invloed van een stroom bleef afdrijven. Maar spoedig zou nu de dag aanbreken, die ongetwijfeld de nevelen zou verdrijven, welke slechts de onderste lagen van den dampkring innamen.
Ik keek op mijn horloge. Het was vijf uren en zonder den mist, zou de dageraad den gezichtskring reeds tot een omtrek van eenige mijlen verwijd hebben. De oever zou dus in het gezicht geweest zijn, maar de nevelsluier scheurde niet vaneen en--men moest nog geduld hebben.
Kolonel Munro, Mac Neil en ik, voor in het salon, Fox, Kâlouth en »mijnheer" Parazard, achter in de eetzaal, Banks en Storr in het torentje, kapitein Hod op den rug van het reusachtige dier, bij de tromp, als een matroos op den uitkijk voor in een schip, we wachtten allen totdat een onzer de kreet deed hooren van: land!
Tegen zes uren stak er een kleine bries op, nauwlijks voelbaar, maar ze wakkerde weldra aan. De eerste zonnestralen doorboorden den nevel en de horizont lag voor onze blikken open.
De oever vertoonde zich in het zuidoosten. Hij vormde aan het uiteinde van het meer een soort van scherpen inham, zeer boschrijk op den achtergrond. De dampen stegen langzamerhand op en lieten in de verte een rij bergen zien, welker toppen zich snel tegen de lucht afteekenden.
»Land!" had kapitein Hod geroepen.
De drijvende trein bevond zich toen nog slechts op twee honderd meters van den achtergrond der kreek van het Puturiameer en hij dreef af, voortgestuwd door de bries, die uit het noordwesten woei.
Niets was er op dezen oever te zien, noch dier, noch menschelijk wezen. Hij scheen volkomen verlaten te zijn. Geen woning overigens, geen landhoeve onder het dichte gebladerte der eerste boomen. Men scheen dus zonder gevaar te kunnen landen.
Met den wind van achteren ging de landing gemakkelijk op den platten, zandigen oever. Doch, uit gebrek aan stoom, was het niet mogelijk er tegen op te komen, noch ons vooruit te begeven op een weg, die, na de richting door het kompas aangegeven, geraadpleegd te hebben, de weg naar Jubbulpore moest zijn.
Zonder een oogenblik te verliezen, hadden wij kapitein Hod gevolgd, die het eerst op den oever gesprongen was.
Nu, dadelijk aan het verzamelen van brandstof! »Binnen een uur," riep Banks, »zijn we onder stoom en op weg!"
De oogst was gemakkelijk. Overal op den grond was hout in overvloed verspreid, en het was droog genoeg om onmiddellijk gebruikt te worden. Het was dus meer dan genoeg om er den vuurhaard mede te vullen en er den tender mede vol te laden.
Iedereen ging aan het werk. Kâlouth alleen bleef voor zijn stoomketel, terwijl wij voor vier en twintig uren brandstof inzamelden. Het was meer dan genoeg om het station van Jubbulpore te bereiken, waar steenkool ons niet zou ontbreken. Wat het voedsel betreft, waaraan de behoefte zich deed gevoelen, welnu!--het was immers den jagers der expeditie niet verboden er onderweg in te voorzien. »Mijnheer" Parazard zou gebruik maken van het vuur van Kâlouth en we zouden zoo goed mogelijk onzen honger stillen.
Drie uren later had de stoom de noodige drukking, de IJzeren Reus stelde zich in beweging, klom tegen de helling van den oever op en bevond zich aan den ingang van den weg.
»Naar Jubbulpore!" riep Banks.
Maar Storr had den tijd niet gehad den regulator half om te draaien of woeste kreten deden zich aan den zoom van het bosch hooren. Een bende van minstens honderd vijftig Hindoes stortte zich op het Stoomhuis. Het torentje van den IJzeren Reus, het rijtuig, van voren en van achteren, werden overmeesterd, voordat wij den tijd gehad hadden tot ons zelve te komen!
Bijna onmiddellijk voerden de Hindoes ons tot op vijftig schreden van den trein mede en werden wij in de onmogelijkheid gesteld te vluchten!
Men stelle zich onzen toorn, onze woede voor bij het tooneel van verwoesting en plundering, dat nu volgde. De Hindoes bestormden met de bijl in de hand het Stoomhuis. Alles werd geplunderd, verwoest, vernietigd. Van het ameublement bleef weldra niets meer over! Toen voltooide het vuur het werk der verwoesting en binnen eenige minuten was alles wat van ons laatste rijtuig overbleef, door de vlammen vernield!
»Die deugnieten, die schoeljes!" schreeuwde kapitein Hod, dien verscheidene Hindoes moeite hadden te bedwingen.
Maar, zooals ons, bleven ook hem slechts nuttelooze beleedigingen over, welke die Hindoes niet eens schenen te begrijpen. En, om hun, die ons bewaakten, te ontkomen, daar was geen denken aan.
De laatste vlammen waren uitgedoofd en weldra bleef er niets meer over dan het vormlooze geraamte van de rollende pagode, die de helft van het schiereiland had afgelegd!
Vervolgens hadden de Hindoes zich op onzen IJzeren Reus geworpen. Ook hem wilden ze vernielen, maar daartoe waren zij onmachtig. Noch de bijl, noch het vuur vermochten iets tegen het dikke harnas van plaatijzer, dat het lichaam van den kunstmatigen olifant vormde, noch tegen de machine, die hij in zich droeg. Niettegenstaande al hunne pogingen, bleef hij ongedeerd, tot verrukking van kapitein Hod, die hoera's van pleizier en van woede te gelijk uitbracht.
Op dit oogenblik kwam er een man te voorschijn. Hij moest het opperhoofd dezer Hindoes zijn.
De geheele bende schaarde zich dadelijk om hem heen.
Een andere man vergezelde hem. Alles werd duidelijk. Die man was onze gids, het was Kâlagani.
Van Goûmi geen spoor. De getrouwe was verdwenen, de verrader was overgebleven. Ongetwijfeld hadden de trouw en opoffering van onzen braven dienaar hem het leven gekost en zouden wij hem niet terugzien! Kâlagani liep op kolonel Munro toe en koel, zonder de oogen neer te slaan, zeide hij, op hem wijzende:
»Deze!"
Op een wenk werd Sir Edward Munro gevat, medegesleept, en hij verdween te midden der bende, die den weg naar het zuiden weder insloeg, zonder ons nog voor de laatste maal de hand te hebben kunnen drukken, noch ons een laatst vaarwel te hebben kunnen toeroepen!