Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
Wonderreizen.
JULES VERNE.
HET STOOMHUIS. De Waanzinnige der Nerbudda.
Gevolgd door DOKTER OX.
Rotterdam.--Jacs. G. Robbers.
HET STOOMHUIS: DE WAANZINNIGE DER NERBUDDA.
I.
DE KRAAL.
De dood van dien ongelukkige had een levendigen indruk op ons gemaakt, en vooral de wijze waarop hij had plaats gegrepen. Maar de beet van de zweepslang, een der vergiftigste van het schiereiland, is onverbiddelijk. Alweder een slachtoffer bij de duizenden, die jaarlijks door deze geduchte dieren in Indië gemaakt worden [1].
Men heeft,--zeker uit kortswijl,--beweerd, dat er vroeger op Martinique geen slangen waren, en dat de Engelschen ze er hadden ingevoerd, toen zij het eiland aan Frankrijk moesten teruggeven. De Franschen behoefden van deze soort van wraakneming geen gebruik te maken, toen zij hunne overwinningen van Indië hebben overgegeven. Het was onnoodig, en de natuur heeft zich in dit opzicht werkelijk kwistig betoond.
Het lichaam van den Hindoe werd onder den invloed van het vergif snel ontbonden, en men moest het dadelijk begraven. Zijne metgezellen vervulden die treurige taak, en legden het in een kuil, die zoo diep was, dat de roofdieren het niet konden opgraven.
Zoodra deze droevige plechtigheid was afgeloopen, noodigde Matthias van Guitt ons uit hem naar de kraal te vergezellen, en deze uitnoodiging werd gretig aangenomen.
Binnen een half uur hadden wij de vestiging van den leverancier bereikt. Deze vestiging rechtvaardigde zeer goed den naam van »kraal," die meer bijzonder in gebruik was bij de kolonisten van Zuidelijk-Afrika.
Het was een uitgestrekte open ruimte in het dichtst van het woud. Matthias van Guitt had haar ingericht met een volkomen kennis van alles wat tot het vak behoorde. Zij was aan de vier zijden omgeven door een rij hooge palissaden, met een opening, die wijd genoeg was om toegang tot de wagens te verleenen. In het midden bevond zich een lange hut van boomstammen en planken, die aan al de bewoners der kraal tot woning diende. Zes kooien, in verschillende afdeelingen verdeeld, ieder op vier wielen, waren rechthoekig gesteld aan het linker uiteinde der omheinde ruimte. Het gebrul in die wagens verried dat er zich gasten in bevonden. Rechts was een dozijn buffels, gevoed door de vette weiden op de helling der bergen, in de open lucht afgeperkt. Dit was de gewone bespanning der rollende menagerie. Zes voerlui, die de wagens moesten besturen, tien Hindoes, speciaal geoefend in de jacht op wilde dieren, voltooiden het personeel der kraal.
De voerlui waren slechts gehuurd, zoolang als de campagne duurde. Het was hun taak de wagens naar de wildstreken te brengen, en ze vervolgens terug te geleiden naar het naaste station van den spoorweg. Daar werden dan de karren op rolwagens geplaatst, en konden zij over Allahabad of Bombay, Calcutta bereiken.
De jagers, van het ras der Hindoes, behoorden tot de kategorie van lieden van het vak, »chikaris" genaamd. Zij moeten de sporen der wilde dieren opzoeken, ze opjagen en ze vangen.
Zoodanig was het personeel der kraal en op deze wijze woonden Matthias van Guitt en zijne lieden er reeds sedert eenige maanden. Zij waren er blootgesteld, niet alleen aan de aanvallen der wilde beesten, maar ook aan de koortsen, die in het bijzonder Tarryani bezoeken. De vochtigheid der nachten, de noodlottige uitwasemingen van den bodem, de vochtige warmte onder het dichte geboomte, dat slechts onvolkomen door de zonnewarmte doordrongen wordt, dit alles maakt van de onderste streek der Himalaya een ongezond oord.
En toch waren de leverancier en zijne Hindoes zoo goed geacclimatiseerd in deze streek, dat zij evenmin door de »malaria" werden aangedaan als de tijgers of andere gewone bezoekers van Tarryani. Doch wij voor ons zouden niet ongestraft eenigen tijd in de kraal hebben kunnen verblijven, en dat was ook het plan niet van kapitein Hod. Eenige nachten slechts zouden wij op de loer liggen en den overigen tijd doorbrengen in het Stoomhuis, in die hoogere streken, die de uitwasemingen der vlakte niet kunnen bereiken.
Wij waren dus in het kampement van Matthias van Guitt aangekomen. De deur werd geopend om er ons toegang in te verleenen.
Matthias van Guitt scheen bijzonder door ons bezoek vereerd te zijn.
»En nu, mijne heeren, wensch ik u welkom in mijn kraal. De inrichting beantwoordt aan al de vereischten van mijn vak. Werkelijk is het slechts een groote hut, wat de jagers op het schiereiland een »houddi" noemen."
Zoo sprekende had de leverancier de deuren van de hut voor ons geopend, die door hem en zijne lieden gemeenschappelijk bewoond werd. Het was er alles behalve weelderig ingericht. Een eerste kamer voor den meester, een tweede voor de chikaris, een derde voor de voerlieden, en in elke kamer geen ander meubel dan een veldbed; een vierde grootere zaal, die tegelijk voor keuken en eetzaal diende. De woning van Matthias van Guitt verkeerde nog, zooals men ziet, in zeer primitieven toestand en verdiende met recht de benaming van houddi.
Na de woning van »de tweehandigen, tot de eerste groep der zoogdieren behoorende," bezocht te hebben, werden we uitgenoodigd de woning der viervoetige dieren nog iets nader in oogenschouw te nemen.
Dit was het merkwaardigste gedeelte van de geheele kraal. Het deed eerder denken aan de inrichting eener reizende menagerie dan aan de gerieflijke schikking van een zoölogischen tuin. Er ontbrak inderdaad niets aan, dan het in waterverf geschilderd doek, boven een kermistooneel opgehangen, en met harde kleuren een dierentemmer voorstellende in een vleeschkleurig tricot en fluweelen jasje, te midden van een woest opspringenden troep wilde beesten, die met bebloeden muil, de klauwen uitsteken en zich krommen onder de zweep van een Bidel of een Pezon! Ongelukkig bevond zich daar geen publiek om de loge te bestormen.
Eenige schreden van daar bevonden zich de tamme buffels. Zij namen rechts een gedeelte ter zijde van de kraal in, alwaar men hun dagelijks hun rantsoen versch gras bracht. Onmogelijk kon men deze dieren in de naburige weiden laten rondzwerven. Zooals Matthias van Guitt het in sierlijke bewoordingen uitdrukte: »de gewoonte om de dieren vrij te laten weiden, zooals dit in het Vereenigd-Koninkrijk geschiedt, is onbestaanbaar met de gevaren, die de wouden der Himalaya opleveren."
De eigenlijke menagerie bestond uit zes kooien, die op vier wielen stonden. Elke kooi, van voren met traliewerk voorzien, was in drie afdeelingen verdeeld. Door middel van deuren, of liever schotten, die van onderen naar boven konden bewogen worden, kon men de dieren, naar gelang de behoefte van den dienst het medebracht, van de eene afdeeling in de andere drijven. Die kooien bevatten toen zeven tijgers, twee leeuwen, drie panters en twee luipaarden.
Matthias van Guitt deelde ons mede, dat zijn voorraad eerst dan gereed zou zijn, als hij nog twee luipaarden, drie tijgers en een leeuw gevangen had. Dan eerst zou hij het kampement verlaten, het dichtstbij zijnde station van den spoorweg bereiken en de richting naar Bombay inslaan.
De wilde dieren, die men gemakkelijk in hunne hokken kon gadeslaan, waren prachtig, doch bijzonder woest. Zij waren nog te kort geleden gevangen om reeds aan hun toestand van opsluiting gewoon te zijn. Dit merkte men aan hun ontzettend gebrul, aan hun onophoudelijke heen en weer beweging van het eene tusschenschot naar het ander, aan de geweldige slagen, die zij met de pooten tusschen de op vele plaatsen verbroken traliën den toeschouwers trachtten toe te brengen.
Toen wij voor de kooien kwamen, verdubbelde dit geweld nog, zonder dat Matthias er zich iets om scheen te bekreunen.
»Arme dieren!" zei kapitein Hod.
»Arme dieren!" herhaalde Fox.
»Gelooft u dan dat ze meer te beklagen zijn, dan zij die ge doodt?" vroeg de leverancier op tamelijk drogen toon.
»Minder te beklagen dan te berispen.... dat ze zich hebben laten vangen!" antwoordde kapitein Hod.
Indien het waar is wat men beweert, dat de roofdieren in landen als in Afrika, waar de herkauwers, die hun tot voedsel strekken, zeldzaam zijn, somtijds lang moeten vasten, zoo is dit niet hetzelfde in de gansche streek van Tarryani. Daar toch zijn bizons, buffels, zebus, wilde zwijnen, antilopen in overvloed voorhanden, waarop leeuwen, tijgers en panters onophoudelijk jacht maken. Daarenboven bieden hun de geiten, de schapen, om niet te spreken van de »raiöts," die ze hoeden, een gemakkelijke en zekere prooi aan. Zij kunnen dus in de bosschen der Himalaya gemakkelijk hun honger voldoen. Daarom ook is hunne wreedheid, die hen nooit verlaat, niet te verontschuldigen.
Het was voornamelijk met het vleesch van den bizon en den zebu waarmede de leverancier de gasten zijner menagerie voedde en de zorg hen op zekere dagen te proviandeeren was aan de chikaris opgedragen.
Men stelle zich niet voor, dat deze jacht zonder gevaren zoude zijn. Het tegendeel is waar. Zelfs voor den tijger is de wilde buffel een geducht dier, vooral als hij gewond is. Vele jagers hebben hem met de horens den boom zien ontwortelen, waarop hij een schuilplaats gezocht had. Ongetwijfeld beweert men wel, dat het oog van den herkauwer inderdaad een vergrootende lens is, dat de grootte der voorwerpen zich in zijne oogen verdriedubbelt en dat de mensch, met dat reusachtige voorkomen, hem vrees inboezemt. Eveneens beweert men, dat de vertikale stand van het menschelijk wezen, als hij loopt, de wilde dieren verschrikt en het daarom beter is ze overeind te trotseeren dan neergehurkt of in liggende houding.
Ik weet niet in hoever deze bijzonderheden waarheid bevatten, maar zeker is het, dat de mensch, zelfs al richt hij zich in zijne gansche lengte op, niet de minste uitwerking op den wilden buffel maakt en dat, bijaldien hij ongewapend is of zijn wapen hem begeeft, hij zoo goed als verloren is.
Hetzelfde kan gezegd worden van den Indischen bizon of bultos, met den korten en vierkanten kop, de ranke, aan de basis afgeplatte horens, den bultigen rug,--die zijne verwantschap toont met zijn Amerikaanschen stamgenoot,--met de van den hoef tot aan de knie toe witte pooten en die van den wortel van den staart tot aan de punt der snuit menigmaal vier ellen meet. Ook hij, al is hij misschien minder woest, wordt, bij troepen in het hooge gras der vlakte weidende, vreeselijk voor iederen reiziger, die hem onvoorzichtig aanvalt.
Dit waren dus de herkauwers die meer bijzonder bestemd waren de roofdieren van de menagerie van Guitt te voeden. Ook trachtten de chikaris, teneinde zich zekerder meester van hen te maken, ze bij voorkeur in vallen te vangen, waaruit zij ze dood of bijna dood te voorschijn haalden.
Overigens gaf de leverancier, als een man die zijn vak verstond, zijnen gasten slechts spaarzaam te eten. Eens per dag, te twaalf uur, werd hun vier of vijf pond vleesch uitgedeeld en niets meer. En zelfs,--het was toch zeker niet om den Zondag?--liet hij ze van Zaterdag tot Maandag vasten. Een hongerige Zondag voor de arme dieren! Als zij dan ook na acht en veertig uren hun bescheiden aandeel ontvingen, was het een moeielijk in te houden woede, een ontzettend gehuil, gepaard met geduchte sprongen, die de rollende kooien heen en weer schudden en deden vreezen dat ze totaal vernield zouden worden.
Jawel, arme dieren! is men geneigd met kapitein Hod te herhalen. Doch Matthias van Guitt handelde zoo niet zonder reden. Deze onthouding in hun toestand van opsluiting bespaarde zijnen wilden dieren allerlei huidaandoeningen en verhoogde den prijs op de markten van Europa.
Men kan zich intusschen gemakkelijk voorstellen, dat, terwijl Matthias van Guitt ons zijne verzameling vertoonde, meer als natuurkundige dan als dierenvertooner, hij zijn mond geen oogenblik stil hield. Integendeel. Hij sprak, hij vertelde, hij schilderde, en, daar de roofdieren van Tarryani het voornaamste onderwerp zijner wijdloopige redeneeringen uitmaakten, hoorden wij hem niet zonder belangstelling aan. Wij zouden de kraal dan ook niet verlaten, dan nadat ons de diepste geheimen van de zoölogie der Himalaya ontsluierd waren.
»Maar, mijnheer van Guitt," zeide Banks, »hoe is het gesteld met de voordeelen van het vak, staan ze in verhouding tot de gevaren?"
»Mijnheer," antwoordde de leverancier, »de voordeelen waren vroeger zeer aanzienlijk. Evenwel ben ik verplicht te erkennen, dat de wilde dieren in daling verkeeren. U kunt er zelf over oordeelen door de marktprijzen van de laatste koersnoteering. Onze voornaamste markt is de zoölogische tuin van Antwerpen. Gevogelte, slangvormige dieren, exemplaren van de familie der apen en hagedissen, vertegenwoordigers van de roofdieren der twee werelden, daarheen verzend ik gewoonlijk de opbrengst onzer avontuurlijke drijfjachten in de wouden van het schiereiland. Hoe het zij, de smaak van het publiek schijnt zich te wijzigen en de verkoopsprijzen zullen weldra minder bedragen dan de inkoopsprijzen! Zoo werd onlangs een mannetjes-struisvogel verkocht voor slechts elf honderd franken en het wijfje voor slechts achthonderd. Een zwarte panter heeft slechts tegen zestien honderd franken een kooper gevonden, een tijgerin van Java tegen twee duizend vierhonderd, en een familie van leeuwen,--de vader, de moeder, een oom, twee veelbelovende jonge leeuwtjes,--tegen zeven duizend franken te zamen!"
»Dat is waarlijk voor niets!" antwoordde Banks.
»Wat de proboscidea betreft...." hernam Matthias van Guitt.
»Proboscidea?" zei kapitein Hod.
»We geven dien wetenschappelijken naam aan de dikhuiden, die door de natuur met een snuit voorzien zijn."
»De olifanten dus!"
»Ja, olifanten, sedert het quaternaire tijdperk, mastodonten in de voorhistorische tijden...."
»Ik dank u," antwoordde kapitein Hod.
»Wat dus de proboscidea aangaat," hernam Matthias van Guitt, »men moet de vangst van die dieren opgeven, of men zou ze alleen moeten vangen om hunne slagtanden, want het verbruik van het ivoor is niet verminderd. Maar, sedert dramatische schrijvers, teneinde raad, verzonnen hebben ze in hunne stukken op te voeren, voeren de impressario's ze van stad tot stad en dezelfde olifant, het land met den reizenden troep afloopende, voldoet aan de nieuwsgierigheid van een geheel land. De olifanten zijn dan ook minder gezocht dan vroeger."
»Maar," vroeg ik, »levert u dan alleen aan de Europeesche menagerieën die exemplaren van de Hindoesche dierenwereld?"
»U zult me toestaan," antwoordde Matthias van Guitt, »dat ik me ten dezen opzichte, mijnheer, veroorloof, zonder nieuwsgierig te zijn, u een eenvoudige vraag te doen."
Ik boog ten teeken van toestemming.
»Ge zijt Franschman, mijnheer," hernam de leverancier. »Dat merkt men niet alleen aan uw accent, maar ook aan uw type, dat een aangenaam mengsel is van het gallo-romeinsche en het keltische ras. Als Franschman nu zult ge weinig neiging hebben tot het doen van verre reizen en ongetwijfeld hebt ge een reis om de wereld niet gemaakt?"
Hier maakte Matthias van Guitt het gebaar van een der groote cirkels van den aardbol.
»Ik heb dat genoegen nog niet gehad!" antwoordde ik.
»Ik moet u dus vragen, mijnheer," hernam de leverancier, »niet of ge naar de Indiën gegaan zijt, want ge zijt er, maar of ge het Indisch schiereiland in den grond kent?"
»Nog onvolkomen," antwoordde ik. »'k Heb Bombay, Calcutta, Bénarès, Allahabad, de vallei van den Ganges reeds bezocht. 'k Heb hunne monumenten gezien en bewonderd, 'k heb...."
»Welnu! wat geeft dat, mijnheer, wat geeft dat!" antwoordde Matthias van Guitt, het hoofd afwendende, terwijl zijn hand, in koortsachtige beweging, de grootste minachting uitdrukte.
Daarna gaf hij een levendige en aanschouwelijke voorstelling van hetgeen in zijne herinnering opkwam en stroomden de woorden over zijne lippen.
»Ja, wat geeft het als ge de menagerieën niet bezocht hebt van die machtige rajahs, die de vereering bewaard hebben der prachtige dieren waarop het heilige grondgebied van Indië met recht trotsch mag zijn! Neem dan, mijnheer, den staf van den toerist weder op! Ga in Guicowar den koning van Baroda hulde bewijzen! Zie zijne menagerieën, die aan mij de meesten hunner gasten, leeuwen van Kattyawar, beren, panters, tchitas, losschen, tijgers, verschuldigd zijn! Woon de viering bij van het huwelijk zijner zestig duizend duiven, dat elk jaar met de grootste staatsie word ingezegend. Bewonder zijne vijfhonderd »boulbouls", nachtegalen van het schiereiland, wier opvoeding men behartigt alsof ze de erfgenamen van den troon waren! Aanschouw die olifanten, waarvan een, belast met de betrekking van beul, de taak is opgedragen het hoofd van den veroordeelde op het blok te verpletteren! Begeef u vervolgens naar het verblijf van den rajah van Maïssour, den rijksten souverein van Azië! Treed het paleis binnen waar de rhinocerossen, de olifanten, de tijgers en al de wilde beesten van hoogen rang, die tot de dierenaristocratie van Indië behooren, bij honderden geteld worden! En wanneer gij dat alles zult gezien hebben, mijnheer, zult ge niet meer van onwetendheid kunnen beschuldigd worden ten opzichte van de wonderen van dat onvergelijkelijke land!"
Ik had slechts te buigen voor de opmerkingen van Matthias van Guitt. De hartstochtelijke wijze waarop hij de zaken voordroeg, liet niet toe ze rijpelijk te bespreken.
Evenwel ondervroeg kapitein Hod hem meer rechtstreeks omtrent de bijzondere fauna van deze streek van Tarryani.
»Eenige inlichtingen, als 't u blieft," vroeg hij hem, »betreffende de roofdieren, die ik in dit gedeelte van Indië ben komen opzoeken. Hoewel ik slechts een jager ben, zal ik u niet in de wielen rijden, mijnheer van Guitt en zelfs wil ik u gaarne de hand reiken als ik u kan helpen om de tijgers te vangen, die nog aan uwe verzameling ontbreken. Maar, is eenmaal uw menagerie voltallig, dan zult ge 't mij niet euvel duiden dat ik me voor mijn persoonlijk genoegen aan de vernieling dezer dieren wijd!"
Matthias van Guitt nam de houding aan van iemand, die zich getroost te ondergaan wat hij anders afkeurt, maar niet kan beletten. Hij stemde overigens toe, dat Tarryani een aanzienlijk aantal boosaardige dieren bevatte, die gewoonlijk weinig gevraagd worden op de markten van Europa en waarvan de uitroeiïng hem geoorloofd toescheen.
»Dood de wilde zwijnen, 'k heb er vrede mee," antwoordde hij. »Hoewel deze zwijnen, van de orde der dikhuidigen, geen vleeschetende dieren zijn...."
»Vleeschetende dieren?" zei kapitein Hod.
»'k Meen daarmee dat zij plantetende dieren zijn; ze zijn zoo woest, dat zij de jagers, die de stoutmoedigheid hebben ze aan te vallen, aan het grootste gevaar blootstellen!"
»En de wolven?"
De wolven zijn talrijk door het gansche schiereiland verspreid en zeer te duchten, als ze in troepen op een eenzame landhoeve losstormen. Die dieren gelijken op den vaalrooden wolf van Polen en ze zijn mij evenveel waard als de jakhalzen of de wilde honden. Ik ontken trouwens de verwoestingen niet, die ze aanrichten, maar, daar ze geen waarde hebben en niet waard zijn onder de hoogere klassen der zoogdieren te worden opgenomen, laat ik u die ook, kapitein Hod."
»En de beren?" vroeg ik.
»De beren hebben veel goeds, mijnheer," antwoordde de leverancier, toestemmend met het hoofd knikkende. »Al mogen de Indische beren niet zoo gretig gezocht zijn als hunne stamgenooten onder andere hemelstreken, zoo bezitten zij toch een zekere handelswaarde, die hen aan de welwillende aandacht der kenners aanbeveelt. De smaak kan verschillen tusschen de twee typen uit de valleien van Cashmir en de heuvels van Raymahal. Doch, uitgenomen misschien in het tijdperk van overwintering, zijn deze dieren genoegzaam onschadelijk en kunnen zij het jagersinstinct van een echten jager, zooals kapitein Hod mij toeschijnt, niet in verzoeking brengen."
De kapitein boog met een veelbeteekend air, te kennen gevende, dat hij met of zonder toestemming van Matthias van Guitt, zelf in die bijzondere quaesties zou beslissen.
»Daarbij komt," voegde de leverancier er bij, »dat ook deze beren plantetende dieren zijn en niets dan kruiden eten en dus niets gemeen hebben met de woeste soorten, waarop het schiereiland met recht roem draagt."
»Rekent ge het luipaard onder deze wilde dieren?" vroeg kapitein Hod.
»Ongetwijfeld, mijnheer. Dit tot het kattengeslacht behoorende dier is vlug, stoutmoedig, klimt in de boomen en is daardoor somtijds geduchter dan de tijger...."
»Kom!" zei kapitein Hod.
»Mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt op drogen toon, »als een jager niet meer verzekerd is een schuilplaats in de boomen te vinden, dan scheelt het niet veel of hij wordt op zijn beurt gejaagd!"
»En de panter?" vroeg kapitein Hod, die een einde aan dit gesprek wilde maken.
»Prachtig, de panter," antwoordde Matthias van Guitt, »en u kunt u overtuigen, mijne heeren, dat ik er heerlijke exemplaren van heb! Verwonderlijke dieren, die door een zonderlinge tegenstrijdigheid, een antilogie, om een minder gewoon woord te gebruiken, voor de jacht kunnen afgericht worden! Ja, mijne heeren, vooral in Guicowar oefenen de rajahs de panters in deze edele lichaamsoefening! Men vervoert ze in een palankijn, de kop in een kap gehuld als een giervalk of een krem! 't Zijn echte valken met vier pooten! Zoodra de jagers in de verte een kudde antilopen zien, wordt den panter de kap afgenomen en werpt hij zich op de vreesachtige dieren, wier vlugge beenen ze niet aan hunne vreeselijke klauwen kunnen onttrekken. Ja, ja, mijnheer de kapitein, ge zult panters in Tarryani vinden! Ge zult er meer vinden, dan u misschien lief is, maar 'k voeg er de christelijke waarschuwing bij, dat die niet tam gemaakt zijn!"
»'k Hoop het van harte," antwoordde kapitein Hod.
»Evenmin als de leeuwen, trouwens," voegde de leverancier er bij, die dit antwoord niet goed kon verkroppen.
»De leeuwen!" zei kapitein Hod. »Wees zoo goed en vertel ons eens wat van de leeuwen!"
»Welnu mijnheer," hernam Matthias van Guitt, »'k beschouw die gewaande koningen van het dierenrijk als beneden hunne stamgenooten van het oude Lybië. Hier dragen de mannetjes de manen niet, die de trots uitmaken van den Afrikaanschen leeuw en 't zijn, naar 't mij voorkomt, slechts jammerlijk geschoren Samsons! Ze zijn trouwens bijna geheel uit Centraal-Indië verdwenen om een schuilplaats te zoeken in Kattyawar, de woestijn van Theil, en in Tarryani. Deze ontaarde dieren, nu als kluizenaars levende, kunnen in den omgang met hunne gelijken, de oude geestkracht niet terug erlangen. Ik plaats ze dan ook niet op den eersten rang onder de viervoetige dieren, want, dat verzeker ik u, mijne heeren, den leeuw kan men ontsnappen, maar den tijger, nooit!"
»O! die tijgers!" riep kapitein Hod uit.
»Ja! die tijgers!" herhaalde Fox.
»Den tijger de kroon," antwoordde Matthias van Guitt, zich opwindende. »Men spreekt van den koningstijger en niet van den koningsleeuw, en dat is juist. Indië hoort hem geheel toe en gaat in hem op! Is hij niet de eerste bewoner van den bodem geweest? Heeft hij het recht niet, niet alleen de vertegenwoordigers van het Anglo-Saksische ras, maar ook de zonen van het zonneras als veroveraars te beschouwen? Is hij het echte kind niet van het heilige land der Argavarta? Ook ziet men die prachtige dieren over de gansche oppervlakte van het schiereiland verspreid en hebben zij geen enkel distrikt hunner voorvaderen verlaten, van kaap Comorin af tot de Himalaya-keten toe!"
En, nadat Matthias van Guitt met zijn arm in de richting van het Zuiden een vooruitstekend voorgebergte had beschreven, wendde hij hem naar het noorden om een heele reeks bergen af te teekenen.
»In den Sonderbund," hernam hij, »zijn zij thuis! Daar heerschen zij als meesters, en wee hem die hun dit grondgebied zou willen betwisten! In de Nilgheries zwerven ze in menigte rond, als wilde katten,
»Si parva licet componere magnis!" [2]