Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
Part 9
De spoorweg van Calcutta volgt, alvorens zich te Allahabad te vertakken om naar Delhi ten noordwesten en naar Bombay ten zuidwesten te loopen, voortdurend den rechter oever van den Ganges, waarvan hij door zijn rechtlijnige richting de talrijke bochten bespaart. Aan het station van Mogul-Seraï, waarvan wij slechts eenige mijlen verwijderd waren, scheidt zich een kleine tak af, die over den stroom naar Bénares loopt en door de vallei van de Goûmti een zestig mijlen ver naar Jaunpore gaat.
Bénares is dus aan den linkeroever gelegen. Doch op deze plaats zouden wij den Ganges niet oversteken, dat zou eerst te Allahabad geschieden. De IJzeren Reus bleef dus in het kamp, dat den vorigen avond, 22 Mei gekozen was. Er lagen gondels aan den oever gereed om ons naar de heilige stad over te brengen, die ik met eenige zorg wenschte te bezoeken.
Wat kolonel Munro betreft, voor hem had het bezoek dezer steden, waar hij zoo vaak geweest was, niets vreemds of verrassends en toch dacht hij er dien dag een oogenblik over ons te vergezellen; doch, na rijpe overweging besloot hij een tocht langs de oevers van den stroom te maken, in gezelschap van sergeant Mac Niel. Werkelijk verlieten beiden het Stoomhuis, zelfs voordat wij nog vertrokken waren. Kapitein Hod, die reeds in garnizoen te Bénares geweest was, had het plan gevormd eenigen zijner kameraden te gaan zien. Banks en ik dus,--de ingenieur had mij tot gids willen verstrekken,--wij waren de eenigen, die uit een gevoel van belangstelling de stad wilden bezoeken.
Als ik zeg, dat kapitein Hod te Bénares in garnizoen geweest was, moet men weten, dat de troepen der koninklijke armée gewoonlijk niet in de Hindoesche steden wonen. Hunne kazernen zijn te midden van »kantonnementen" gelegen, die inderdaad echte Engelsche steden worden. Dit is met Allahabad, met Bénares het geval, evenals op andere punten van het grondgebied, waar niet alleen de soldaten, maar de ambtenaren, de kooplieden, de renteniers zich bij voorkeur groepsgewijze vereenigen. Ieder dezer groote steden is in tweeën verdeeld, het eene gedeelte met al het comfort van het moderne Europa, terwijl het andere de gewoonten van het land en de Hindoesche gebruiken in al hunne oorspronkelijkheid bewaard heeft!
De Engelsche stad, met Bénares vereenigd, is Sécrole waarvan de bungalows, de wandeldreven, de christelijke kerken zeer weinig belangstelling inboezemen. Daar bevonden zich ook de voornaamste hôtels, door toeristen bezocht. Sécrole is een van die steden, gereed om door de toeristen van het Vereenigd Koninkrijk ingepakt en verzonden te worden en die men dadelijk weer kan opslaan. Zij bieden dus niets bijzonders ter bezichtiging aan. Nadat Banks en ik dus in een gondel plaats hadden genomen, staken wij den Ganges schuins over, teneinde eerst het prachtige schouwspel, dat Bénares, amphiteatersgewijze tegen den steilen oever gelegen, aanbiedt, in zijn geheel te overzien.
»Bénares," zeide mij Banks, »is bij uitnemendheid de heilige stad van Indië. Het is het Hindostansche Mecca en iedereen, die er, al is het slechts vierentwintig uren, gewoond heeft, is verzekerd de eeuwige zaligheid deelachtig te worden. Men begrijpt dus welk een toevloed van bedevaartgangers zulk een geloof kan uitlokken, en welk een aantal inwoners een stad moet tellen waaraan Brahma zulke belangrijke voorrechten verleend heeft."
Men kent aan Bénares meer dan dertig eeuwen bestaan toe. Zij zou dus gesticht zijn geworden nagenoeg ten tijde van de verwoesting van Troje. Na altijd een grooten, geen staatkundigen, maar geestelijken invloed op Hindostan gehad te hebben, was zij het meest bekende centrum van den bouddhistischen godsdienst tot de negende eeuw. Er had toen een godsdienstige omwenteling plaats. Het Brahmanisme vernietigde den ouden eeredienst. Bénares werd de hoofdstad der brahmanen, het middelpunt van aantrekking voor de geloovigen en men verzekert, dat driehonderdduizend bedevaartgangers haar jaarlijks bezoeken.
De metropolitaansche overheid heeft voor de heilige stad haar rajah weten te bewaren. Deze vorst, die vrij zuinig door Engeland bezoldigd werd, bewoont een prachtige residentie te Ramnagur, aan den Ganges. Hij is een wettige afstammeling van de koningen van Kaci, den ouden naam van Bénares, maar hij heeft niet den minsten invloed meer en zou zich dit laten welgevallen, indien zijn pensioen niet een lakh ropyen--honderdduizend ropyen, of honderd vijfentwintig duizend gulden ongeveer verminderd was, een som, die nauwlijks het zakgeld van een nabob van weleer bedroeg.
Ook Bénares deelde, zooals bijna al de steden van de vallei van den Ganges, een oogenblik in den grooten opstand van 1857. Destijds bestond haar garnizoen uit het 37e regiment inlandsche infanterie, een corps ongeregelde kavallerie en een half regiment sikhs. Van koninklijke troepen bezat zij slechts een halve batterij Europeesche artillerie. Men kon niet verwachten, dat deze handvol mannen de inlandsche soldaten zou ontwapenen. Ook wachtte de overheid, niet zonder ongeduld, de aankomst af van kolonel Neil, die zich met het 10e regiment van de koninklijke armée naar Allahabad op weg had begeven. Kolonel Neil trad Bénares binnen met slechts twee honderd vijftig man en gaf bevel tot het houden eener parade op het exercitieveld.
Toen de Sipayers vereenigd waren, gelastte men hun de wapenen neder te leggen. Zij weigerden en dadelijk begon er een worsteling tusschen hen en de infanterie van kolonel Neil. Bijna onmiddellijk daarop voegden zich de ongeregelde kavallerie en daarna de sikhs, die zich verraden waanden, bij de opstandelingen. Doch toen opende de halve batterij haar vuur, beschoot de opstandelingen met schroot en niettegenstaande hunne dapperheid, niettegenstaande hunne verwoedheid, werden allen op de vlucht gedreven.
Dit gevecht werd buiten de stad geleverd. Binnen had er slechts een eenvoudige poging tot opstand der muzelmannen plaats, die de groene vaan opstaken--eene poging, die dadelijk mislukte. Sedert dien dag werd Bénares, zelfs ten tijde toen de opstand in de provincies van het Westen scheen te zullen zegevieren, niet meer verontrust.
Banks had mij deze bijzonderheden medegedeeld, terwijl onze gondel langzaam over de wateren van den Ganges gleed.
»Mijn waarde vriend," zei hij, »we gaan Bénares opzoeken, goed! Maar, hoe oud deze hoofdstad ook zij, zult ge er geen enkel monument vinden, dat meer dan drie honderd jaren oud is. Verwonder er u niet over. Dat is het gevolg der godsdienstige worstelingen, waarbij het vuur en het zwaard een maar al te treurige rol hebben gespeeld. Toch is Bénares een merkwaardige stad en ge zult u uw wandeling niet berouwen!"
Weldra hield onze gondel op zekeren afstand stil, teneinde op den achtergrond eener baai, blauw als de golf van Napels, de schilderachtige, amphiteatersgewijze tegen den heuvel oploopende huizen en de opeenstapeling van paleizen te bewonderen, waarvan een groot blok dreigt in te storten ten gevolge van een verzakking van den grond, ondermijnd door het water der rivier. Een nepaulsche pagode, van Chineeschen bouw, gewijd aan Bouddha, een woud van torens, spitsen, minarets, kleine piramiden, die zich van de moskeeën en tempels verheffen, beheerscht door de gouden naald van den lingam van Çiva en de twee magere torenspitsen van de moskee van Aureng-Zeb, bekroont dit bewonderenswaardig panorama.
Inplaats van onmiddellijk aan een der »ghâts" of trappen, die de boorden in gemeenschap stellen met het bovenvlak der steile oevers, af te stappen, liet Banks den gondel bij de kaden aanleggen, waarvan de grondlagen door den stroom bespoeld worden.
Ik vond daar het tooneel van Gaya terug, maar in een ander landschap. In plaats van de groene wouden van den Phalgou, werd nu de achtergrond der schilderij ingenomen door de heilige stad. Wat het onderwerp betreft, het was nagenoeg hetzelfde.
Werkelijk bedekten duizenden bedevaartgangers den steilen oever, de terrassen, de trappen en kwamen zich in drie- of vierdubbele rijen in den stroom dompelen. Men meene daarom niet dat dit bad kosteloos genoten werd. Bewaarders met rooden tulband op het hoofd, de sabel op zijde, namen de onderste treden der ghâts in, vorderden de schatting, in gezelschap van nijvere brahmanen, die rozenkransen, amuletten of andere vroomheidsmiddelen verkochten.
Bovendien waren er niet alleen bedevaartgangers, die voor eigen rekening baadden, maar ook handelaars, die niets anders deden dan het heilige water in flesschen te putten om het tot in de meest verwijderde streken van het schiereiland rond te venten. Als bewijs van echtheid wordt elke flesch met het zegel der brahmanen verzegeld. Men moet evenwel aannemen, dat op uitgebreide schaal bedrog hiermede gepleegd wordt, zoo aanzienlijk is de uitvoer van deze wonderdadige vloeistof geworden.
»Misschien wel," zei Banks, »zou al het water van den Ganges niet aan de behoeften der geloovigen voldoen!"
Ik vroeg hem toen of die badkuren niet dikwijls ongelukken veroorzaakten, die men volstrekt niet trachtte te voorkomen. Er waren toch geen zwemmeesters tegenwoordig om over de onvoorzichtigen te waken, die zich in den snellen stroom der rivier waagden.
»Ongelukken komen dan ook veel voor," antwoordde mij Banks, »maar al is het lichaam van den vrome verloren gegaan, zijn ziel is gered. Ook ziet men zoo nauw niet."
»En de krokodillen?" liet ik er op volgen.
»De krokodillen," antwoordde mij Banks, »houden zich gewoonlijk op een afstand. Al dat geraas verschrikt ze. Deze monsters zijn niet het meest te vreezen, maar meer de boosdoeners, die duiken, onder het water voortsluipen, de vrouwen en kinderen beetpakken, ze medenemen en ze van hunne kostbaarheden berooven. Men vertelt zelfs van een dezer schurken, die door middel van een kunstkop lang de rol van een valschen krokodil speelde en een aardig fortuintje met dit winstgevend en tegelijk gevaarlijk bedrijf gewonnen heeft, want werkelijk is deze gauwdief op zekeren dag door een echten krokodil verslonden geworden en men heeft niets meer van hem gevonden dan zijn lederen kop, die aan de oppervlakte der rivier dreef."
Dan zijn er eindelijk ook nog van die dolle dweepers, die uit eigen beweging den dood in de golven van den Ganges komen zoeken en dit zelfs met een berekende, verfijnde barbaarschheid doen. Zij binden zich om het lichaam een rozenkrans van ledige urnen met open monden. Langzamerhand dringt het water in die urnen en doet ze allengs onderdompelen onder de uitbundige toejuichingen der geloovige menigte.
Onze gondel had ons weldra voor de Mânmênka Ghât gebracht, alwaar de brandstapels waaraan men de lijken heeft toevertrouwd van al de dooden, die bij hun leven eenige zorg voor een toekomstig leven gehad hebben, amphiteatersgewijze boven elkander gesteld zijn. Gretig wordt de lijkverbranding op deze heilige plaats door de geloovigen gezocht en de brandstapels branden dag en nacht. De rijke baboes laten zich uit verre oorden naar Bénares brengen zoodra ze zich door een ziekte voelen aangedaan, waaraan zij bezwijken zullen. Want Bénares is ontegenzeggelijk het beste uitgangspunt voor »de reis naar de andere wereld." Indien de overledene slechts lichte zonden op zijn geweten heeft, zal zijn ziel, met den rook der brandstapels medegevoerd, rechtstreeks naar het verblijf der eeuwige gelukzaligheid gaan. Is hij daarentegen een groot zondaar geweest, dan zal zijn ziel integendeel vooraf wedergeboren worden in het lichaam van een brahmaan, die nog geboren moet worden. Het is dus te hopen, dat gedurende deze tweede incarnatie, als zijn leven nu voorbeeldig geweest is, hem geen tweede avatar zal opgelegd worden, alvorens hij ten slotte toegelaten wordt tot de genietingen van den hemel van Brahma.
Wij besteedden het overige van den dag aan het bezoeken der stad, hare voornaamste monumenten, hare bazars, naar Arabische mode, met sombere winkels bezet. Daar worden voornamelijk fijne mousselinen van kostbaar weefsel verkocht, alsmede de »kinkôb", een soort van zijden stof met goud bewerkt, een van de voornaamste nijverheidsproducten van Bénares. De straten waren zindelijk onderhouden, maar nauw, zooals noodzakelijk is voor de steden, die bijna altijd beschenen worden door de stralen eener tropische zon. Maar zelfs in de schaduw, was de warmte nog om te stikken. Ik beklaagde de dragers van onzen palankijn, die evenwel zich zelve niet zeer schenen te beklagen.
Trouwens, de arme duivels waren in de gelegenheid eenige ropyen te verdienen en dat was genoeg om hun moed en kracht te geven. Doch dat was het geval niet met een zekeren Hindoe, of liever Bengali, met een levendig oog en listige gelaatstrekken, die, zonder juist te trachten het te verbergen, ons gedurende onzen geheelen tocht volgde.
Toen wij op de kaai van de Mânmênka Ghât aan land stapten, had ik, met Banks sprekende, hardop den naam van kolonel Munro genoemd. De Bengali, die onzen gondel had zien aanleggen, ontstelde onwillekeurig. Ik had daar wel niet zoo bijzonder op gelet, maar toch herinnerde ik het mij, toen ik zag, dat die soort van spion zich hardnekkig aan onze schreden vasthechtte. Hij verliet ons slechts om eenige oogenblikken later voor of achter ons op nieuw voor den dag te komen. Was het een vriend of een vijand? Ik wist het niet, maar het was een man wien de naam van kolonel Munro stellig niet onverschillig was.
Onze palankijn hield weldra stil onder aan den grooten trap van honderd treden, die van de kaai naar de moskee van Aureng-Zeb voert.
Voorheen beklommen de vromen slechts geknield deze soort van Santa Scala, in navolging van de geloovigen van Rome. Destijds was het de tempel van Vishnoe, die zich op deze plek verhief en nu vervangen is door de moskee van den veroveraar.
Ik zou gaarne Bénares aanschouwd hebben van den top van een der minarets dezer moskee, welker bouworde voor een meesterstuk van architectuur gehouden werd. Deze minarets zijn honderd twee en dertig voet hoog, zijn nauwlijks zoo dik als een eenvoudige fabrieksschoorsteen en toch bevatten zij inwendig een wenteltrap; maar het is niet meer veroorloofd dezen te beklimmen, hetgeen ook niet geraden zou zijn, daar deze twee minarets aanmerkelijk van de loodlijn afwijken en minder levenskracht schijnen te bezitten dan de toren van Pisa.
Bij het verlaten van de moskee van Aureng-Zeb, vond ik den Bengali terug, die ons aan de poort afwachtte. Ditmaal keek ik hem strak aan en hij sloeg de oogen neder. Alvorens de aandacht van Banks op dit voorval te vestigen, wilde ik zien of het individu in zijne dubbelzinnige houding zou volharden, en zei daarom niets.
Bij honderden worden de pagoden en de moskeeën in de bewonderenswaardige stad van Bénares geteld. Dit is ook het geval met de prachtige paleizen, waarvan het schoonste ontegenzeglijk aan den koning van Nagpore behoort. Weinige rajahs verzuimen inderdaad een te huis in de heilige stad te hebben, en komen er ten tijde der groote godsdienstige feesten van Méla.
Het zou mij moeilijk geweest zijn, in den korten tijd waarover wij te beschikken hadden, al die tempels te bezoeken. Ik bepaalde mij dus tot een bezoek van den tempel van Bichêshwar, alwaar de lingam van Çiva zich verheft. Deze wanstaltige steen, die als een gedeelte van het lichaam van den wreedsten der Goden van de Hindoesche godenleer beschouwd wordt, bedekt een put, welks stilstaand, groenachtig, stinkend water wonderbaarlijke krachten bezit. Ik zag ook de Mankarnika-tempel met de heilige fontein, waarin de geloovigen zich baden ten profijte der Brahmanen, vervolgens den Mân-Mundir, een sterretoren voor twee honderd jaar gebouwd door den keizer Akbar en waarvan al de instrumenten, onbeweeglijk als marmer, slechts in steen zijn voorgesteld.
Ik had ook hooren spreken van een apenpaleis, dat de toeristen niet in gebreke blijven te Bénares te bezoeken. Een Parijzenaar moest natuurlijk gelooven, dat hij zich voor de beroemde kooi van den Plantentuin zou bevinden. Dit was echter geenszins het geval.
Dit paleis is slechts een tempel, de Dourga-Khound, even buiten de voorsteden gelegen. Hij dagteekent van de IXe eeuw, en is een van de oudste monumenten der stad. De apen zijn er niet in een traliehok opgesloten. Zij loopen vrij op de binnenplaats rond, springen van den eenen muur op den anderen, klimmen naar den top van énorme mangoboomen, betwisten elkander de geroosterde graankorrels waarop zij zeer verzot zijn en die de bezoekers hun brengen. Daar, gelijk overal, heffen de brahmanen, de bewaarders van den Dourga-Khound, een kleine vergoeding, die van dit ambt een der meest winstgevende van Indië maakt.
Het spreekt van zelf, dat we tamelijk afgemat waren van de hitte, toen wij tegen den avond er over dachten naar het Stoomhuis terug te keeren. We hadden te Secrole in een der beste hôtels der Engelsche stad ontbeten en gedineerd en toch moet ik zeggen, dat deze keuken ons die van »monsieur Parazard" deed betreuren.
Toen de gondel onder aan de Gâth kwam aanleggen om ons naar den rechteroever van den Ganges terug te brengen, ontmoette ik voor de laatste maal den Bengali, dicht bij het vaartuig. Een boot, door een Hindoe bestuurd, wachtte hem op en stak dadelijk af. Wilde hij ons ook op de rivier volgen, tot het kampement? Dat werd zeer verdacht.
»Banks," zeide ik toen zacht, hem op den Bengali wijzende, »daar is een spion, die ons geen oogenblik uit het gezicht verloren heeft...."
»'k Heb hem wel gezien," antwoordde Banks, »en 'k heb opgemerkt, dat de naam van den kolonel, door u uitgesproken, hem opmerkzaam maakte."
»Zou er geen reden zijn, om....?" zei ik toen.
»Neen! Laat hem begaan," antwoordde Banks. »Het is beter, dat hij zich niet verdacht weet.... Trouwens, hij is al weg."
En inderdaad was de boot van den Bengali reeds te midden der talrijke vaartuigen van allerlei vormen, die toen de sombere wateren van den Ganges kliefden, verdwenen.
Daarop vroeg Banks, zich tot onzen schipper wendende, op een toon, die onverschilligheid voorgaf:
»Ken je dien man?"
»Neen, 't is de eerste keer dat ik hem zie," antwoordde de schipper.
Het was nu avond geworden. Honderden met vlaggen en wimpels versierde vaartuigen, door veelkleurige lantarens verlicht, opgevuld met zangers en muzikanten, kruisten elkander op den feestelijken stroom in alle richtingen. Aan den linkeroever vertoonde zich allerlei soort van vuurwerk, mij herinnerende, dat we ons niet ver van het Hemelsche Rijk bevonden, waar men altijd zooveel met vuurwerk opheeft. Het zou moeielijk zijn een beschrijving van dit schouwspel te geven, dat waarlijk onbeschrijfelijk schoon was. Tot mijn spijt kon ik niet te weten komen welk geïmproviseerd nachtfeest, waaraan Hindoes van allerlei klassen deelnamen, er gevierd werd. Op het oogenblik dat het eindigde, lag de gondel reeds aan den anderen oever aan.
Het was dus als een visioen, en duurde niet langer dan de kortstondige, schitterende meteoren, die slechts een oogenblik het luchtruim in vuur en vlam zetten, om in het volgende oogenblik de nachtelijke duisternis nog dieper te doen schijnen. Doch Indië, ik zeide het reeds, vereert drie honderd millioen goden, mindere goden, heiligen en halve heiligen van allerlei soorten en het jaar telt zelfs niet genoeg uren, minuten en seconden om ieder dezer godheden de noodige eer te bewijzen.
In het kampement teruggekomen, vonden wij er reeds kolonel Munro en Mac Neil. Banks vroeg den sergeant of er gedurende onze afwezigheid niets nieuws gebeurd was.
»Niets," antwoordde Mac Neil.
»Heb je geen verdacht persoon zien rondwaren?"
»Neen, mijnheer Banks. Hebt u eenige reden te vermoeden..."
»We zijn op onzen tocht naar Bénares gespionneerd," antwoordde de ingenieur, »en 'k heb liever niet dat men ons spionneert!"
»En wie was die spion?"
»Een Bengali, die bij het hooren van den naam van kolonel Munro de ooren spitste."
»Wat kan die man van ons willen?"
»Dat weet ik niet, Mac Neil. We moeten oppassen!"
»Men zal oppassen," antwoordde de sergeant.
IX.
ALLAHABAD.
De afstand tusschen Bénares en Allahabad bedraagt ongeveer honderddertig kilometers. De weg loopt bijna gestadig langs den rechteroever van den Ganges, tusschen den spoorweg en den stroom. Storr had zich steenkolen in briquetten verschaft en hij had er den tender mede beladen. De olifant was dus voor verscheidene dagen van voedsel verzekerd. Zorgvuldig schoongemaakt,--ik had haast gezegd geroskamd,--opgepoetst alsof hij zoo pas uit de werkplaats kwam, wachtte hij ongeduldig op het oogenblik van vertrek. Hij trappelde wel niet, maar eenige trillingen zijner raderen bewezen de spankracht van den stoom, die zijne ijzeren longen vulde.
Onze trein vertrok dus 's morgens vroeg, den 24n, met een snelheid van 3 à vier mijlen per uur.
De nacht was zonder bijzondere voorvallen verloopen en wij hadden den Bengali niet teruggezien.
Wij moeten hier eens vooral vermelden, dat het programma van iederen dag, bevattende de uren van het opstaan en het naar bed gaan, het ontbijt, de lunch, diners, de siesta, met militaire nauwkeurigheid werd in acht genomen. Het leven in het Stoomhuis verliep even geregeld als in den bungalow van Calcutta. Het landschap wisselde onophoudelijk af, zonder dat onze woning zich scheen te verplaatsen. Wij waren geheel gewoon geraakt aan dit nieuwe leven, evenals een passagier aan het leven aan boord van een transatlantische stoomboot,--op de eentonigheid na, want wij hadden niet altijd den zelfden horizont voor ons.
Ten elf ure, dien dag, deed zich in de vlakte een zonderling praalgraf voor, van Mongoolsche bouwkunde, dat opgericht is ter eere van twee heilige personages van den Islam, Kassim-Soliman, vader en zoon. Een half uur later zagen wij de belangrijke vesting van Chunar, welker schilderachtige bolwerken een onneembare rots bekronen, die zich honderdvijftig voet loodrecht boven den Ganges verheft.
Er was geen sprake van halt te houden om deze vesting te bezoeken, een der belangrijkste van de vallei van den Ganges, zoodanig gelegen, dat men in geval van een aanval kruit en kogel kan besparen. Inderdaad zou de aanvalskolonne, die het wagen dorst de muren te bereiken, door een stortbui van rotssteenen, met opzet daartoe gereed gehouden, verpletterd worden.
Aan den voet breidt zich de stad uit, die haar naam draagt en welker lieve woningen zich tusschen het groen verschuilen.
Te Bénares hebben wij gezien, dat er verscheidene bevoorrechte plaatsen bestaan, die door de Hindoes beschouwd worden als de heiligste der wereld. Als men goed telde, zou men er op het gansche schiereiland honderden van die soort vinden. Ook de vesting Chunar bezit een dezer wonderdadige plekken. Daar vertoont men u een marmeren plaat, waarop de een of andere god geregeld zijn dagelijksche siesta komt nemen. Weliswaar is die god onzichtbaar en hebben wij dan ook niet getracht hem te zien.
Des avonds hield de IJzeren Reus bij Mirzapore halt om er den nacht door te brengen. Niet alleen bezit de stad een aantal tempels, maar zij heeft ook fabrieken en een haven ter inscheping van het katoen, dat aldaar veel gebouwd wordt. Eens zal het een rijke handelsstad worden.
Den volgenden dag, 25 Mei, tegen twee uren 's namiddags doorwaadden wij de kleine rivier de Tonsa, die op dat tijdstip geen voet water had. Ten vijf ure, waren wij het punt voorbij, waar zich de groote tak van Bombay met dien naar Calcutta verbindt. Nagenoeg op de plek waar de Jumna in den Ganges valt, bewonderden wij den ijzeren viaduct, die haar zestien pijlers, zestig voet hoog, in de wateren van dien trotschen stroom dompelt. Aan de een kilometer lange schipbrug aangekomen, die den rechter- met den linkeroever van den stroom verbindt, gingen wij deze zonder veel moeite over en sloegen wij 's avonds ons kamp op aan het einde van een der voorsteden van Allahabad.
De 26e zou gewijd worden aan het bezoeken dezer belangrijke stad, het middelpunt waar al de spoorwegen van het groote Indische vasteland samenloopen. Zij heeft eene heerlijke ligging, te midden der rijkste landouwen, tusschen de twee armen van de Jumna en den Ganges.