Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 8

Chapter 83,900 wordsPublic domain

Ik zeg »een blok van steen, dat zichtbaar was," en ik haast mij er bij te voegen »zichtbaar alleen voor de Hindoes," want geen Europeaan is het vergund deze goddelijke voetstappen te aanschouwen. Misschien moet men, om ze goed op den wonderdadigen steen te onderscheiden, een sterk geloof hebben, dat men niet meer aantreft bij de geloovigen der westelijke volkeren. Hoe dit zij, Banks bood dezen keer te vergeefs zijne ropijen aan. Geen priester wilde aannemen wat de prijs van een heiligschennis zou geweest zijn. Ik zou niet durven beslissen of de som niet groot genoeg was voor het geweten van een brahmaan. Zeker is het, dat we niet tot in den tempel konden doordringen en ik heb er niet achter kunnen komen, wat er eigenlijk van is, van dat zachte en schoone jonge mensch, hemelsblauw gekleurd, gekleed als een koning uit ver vervlogen tijden, beroemd door zijne tien incarnaties [6], die het behoudend beginsel vertegenwoordigt, in tegenoverstelling met Çiva, het woeste zinnebeeld van het vernietigend beginsel en dien de Vaichnavas, de aanbidders van Vishnoe erkennen als den eerste der drie honderd dertig millioenen goden, die hunne bij uitnemendheid polytheïstische mythologie bevolken.

Toch hadden wij geen reden spijt te gevoelen over onzen tocht naar de heilige stad, noch over dien naar Vishnoe-Pad. Het zou onmogelijk zijn den verwarden hoop tempels, de reeks pleinen, de ophooping van viharas, die we moesten omgaan of doorkruisen om tot hem te komen, te beschrijven. Theseus zelf met den draad van Ariadne in de hand, zou verdwaald zijn in dien doolhof! Wij daalden dus van de rots van Gaya weder naar omlaag.

Kapitein Hod was woedend en had den Brahmaan, die ons den toegang tot Vishnoe-Pad weigerde, wel te lijf gewild.

»Ben je niet wijs, Hod?" zei Banks tot hem, hem terughoudende. »Weet je niet dat de Hindoes hunne priesters de brahmanen niet alleen beschouwen als wezens van aanzienlijken bloede, maar ook als wezens van een hoogeren oorsprong?"

Toen wij bij dat gedeelte der Phalgou-rivier aangekomen waren, dat de rots van Gaya bespoelt, breidde zich de verbazende ophooping van bedevaartgangers voor onze blikken uit. Daar verdrongen zich in een verward mengelmoes door elkander, mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen, stad- en landbewoners, rijke Bengaalsche burgers en arme mannen van het volk, van de minste soort, Vaïchyas, kooplieden en boeren, Kchatryas, fiere krijgslieden, Sudras, armzalige handwerkslieden van verschillende secten, parias, die buiten de wet gesteld zijn en wier oogen de voorwerpen bezoedelen, die ze beschouwen,--in een woord alle klassen of alle kasten van Indië, de krachtige Radsjpoet den zwakkelijken Bengali op zijde dringende, de lieden van Pendjab tegenover de mohamedanen van Scinde. Dezen zijn in palankijns gekomen, genen in rijtuigen, getrokken door groote bultossen. Dezen liggen uitgestrekt bij hunne kameelen, genen hebben den weg te voet afgelegd en nog altijd stroomt het toe van alle gedeelten van het schiereiland. Hier en daar worden tenten opgeslagen, hier en daar ziet men uitgespannen karren, hier en daar hutten van takken, die tot voorloopige woning van al die menschen dienen.

»Welk een gedrang!" zei kapitein Hod.

»Het water van den Phalgou zal van avond niet lekker zijn!" deed Banks opmerken.

»En waarom niet?" vroeg ik.

»Omdat dat water heilig is en die heele verdachte troep er zich in gaat baden, zooals de Gangisten in de wateren van den Ganges."

»Zijn we dan hier benedenwaarts van den stroom?" riep Hod uit, de hand naar ons kamp uitstrekkende.

»Neen, kapitein, wees gerust," antwoordde de ingenieur, »we zijn stroomopwaarts."

»Opperbest, Banks, want we moeten onzen IJzeren Reus zijn dorst aan deze onzuivere bron niet laten lesschen!"

Intusschen vervolgden wij onzen weg te midden van die duizenden Hindoes, in een betrekkelijk kleine ruimte opgehoopt.

Het oor werd getroffen door een wanluidenden klank van kettingen en schelletjes. Het waren bedelaars, die de openbare liefdadigheid inriepen.

Het wemelde namelijk van allerlei soorten van dat landloopers gilde, over het geheele Indische schiereiland verspreid. De meesten vertoonden valsche wonden en gebreken, als de Clopin-Trouillefous der middeleeuwen. Doch, mogen de bedelaars van bedrijf meestal voorgewende gebrekkigen zijn, met de dweepers is dit niet het geval. En inderdaad zou het moeielijk geweest zijn voorbeelden te vinden van inniger overtuiging.

Er bevonden zich daar fakirs, goussaïns, bijna naakt, met asch bedekt; hier een met een stijven arm door hem voortdurend uitgestrekt gehouden te hebben, daar een ander de hand doorboord met de nagels zijner eigen vingers.

Anderen hadden zich tot voorwaarde gesteld den geheelen door hen afgelegden weg met hun lichaam te meten. Zich op den grond uitstrekkende, zich weder oprichtende, zich opnieuw uitstrekkende, hadden zij op deze wijze honderden mijlen afgelegd, alsof zij tot meetketting van een landmeter gediend hadden.

Hier waren geloovigen, bedwelmd door het gebruik van »bâng,"--een drank van opium met een infusie van hennip gemengd,--met boomtakken verbonden door in hunne schouders geslagen ijzeren haken. Op deze wijze opgehangen zwaaiden zij zoolang heen en weder, tot eindelijk hun vleesch begon mede te geven en zij in de wateren van den Phalgou vielen.

Daar waren nog anderen, die ter eere van Çiva, de beenen doorboord, met doorstoken tong, en pijlen, die hen eveneens het lichaam doorboorden, het bloed, dat uit hunne wonden vloeide, door slangen lieten oplikken.

Dit geheele schouwspel moest voor een Europeaan iets terugstootends hebben en daarom haastte ik mij ook het te ontvlieden toen Banks mij tegenhield en zeide:

»Het biduur!"

Op dit oogenblik verscheen een Brahmaan te midden der menigte. Hij hield de rechterhand opgeheven en richtte haar naar de zon, die tot nog toe door de rots van Gaya verborgen was gehouden.

De eerste straal der dagvorstin was het teeken. De genoegzaam naakte menigte trad in het heilige water. Vooreerst waren het eenvoudige indompelingen, zooals in de eerste tijden van den doop; doch weldra ging dit over in werkelijke onderdompelingen, waarvan het godsdienstig karakter moeielijk te vatten was. Ik weet niet of de ingewijden, bij het reciteeren der »slocas" of verzen, die de priesters hun tegen een vastgestelden prijs vóórzeiden, er meer aan dachten hun lichaam dan wel hun ziel te wasschen. Zeker is het dat, na water in het holle van de hand geschept te hebben, na er de vier hoofdstreken mede besproeid te hebben, zij er zich eenige druppels van in het gelaat wierpen, evenals baders die zich in de eerste golven van een zeebadstrand verlustigen. Ik moet er overigens nog bijvoegen, dat zij niet vergaten zich althans één haar uit te trekken voor elke zonde, die zij bedreven hadden. Hoevelen waren er onder hen, die verdiend hadden kaal uit de wateren van den Phalgou te treden!

En zulk een beweging maakten die geloovigen, nu eens plotseling onderduikende, dan het water pijlsnel doorklievende, dat de verschrikte krokodillen naar den tegenovergestelden oever vluchtten. Van daar keken zij met hunne groene oogen, op een rij geschaard, naar die luidruchtige menigte, de lucht met het geklapper hunner geduchte kakebeenen doende weergalmen. De pelgrims stoorden er zich trouwens niet meer aan, dan of het onschadelijke hagedissen waren.

Het was tijd deze zonderlinge vromen zich in staat te laten stellen in den Kaïlas te komen, die het paradijs van Brahma is. Wij begaven ons dus langs het strand van den Phalgou naar het kamp terug.

Het ontbijt vereenigde ons allen aan tafel en het overige van dien dag, die buitengewoon warm geweest was, ging zonder bijzondere toevallen voorbij. Kapitein Hod doorkruiste tegen den avond de omringende vlakte en bracht eenig klein wild mede. In dien tijd hernieuwden Storr, Kâlouth en Goûmi den voorraad water en brandstof want het plan bestond om den volgenden morgen met het krieken van den dag te vertrekken.

Ten negen ure 's avonds hadden wij allen onze kamers bereikt. Een zeer kalme, maar vrij donkere nacht was in aantocht. Dikke wolken hielden de sterren verborgen, en maakten den dampkring zwaar. Het was nog even warm, zelfs met het ondergaan der zon.

De temperatuur was zoo drukkend, dat ik eenige moeite had om in te slapen. Door mijn opengelaten venster drong een heete lucht naar binnen, die mij zeer ongeschikt toescheen voor de geregelde werking der longen.

Het was middernacht en ik had nog geen oogenblik rust genoten; toch had ik het stellige plan gemaakt drie of vier uren voor ons vertrek te slapen, maar ik was ook zoo dwaas den slaap te willen dwingen en juist daarom ontvlood hij mij. De wil kan er niets aan doen, integendeel.

Het zal omstreeks één uur van den morgen geweest zijn, toen ik een dof geruisch meende te hooren, dat zich langs de oevers van den Phalgou verspreidde.

Eerst kwam de gedachte bij mij op dat, onder den invloed van een zeer met electriciteit verzadigden dampkring, een stormwind in het westen begon op te steken. Ook deze wind zou zeker wel brandend zijn, maar hij zou misschien toch de luchtlagen verplaatsen en misschien eenige koelte verspreiden.

Ik bedroog mij. De takken der boomen, die het kamp beschutten, bleven volkomen onbeweeglijk.

Ik stak het hoofd buiten mijn venster en luisterde. Het verre geruisch deed zich opnieuw hooren, maar ik zag niets. Het watervlak van den Phalgou was volkomen duister, zonder een van die trillende lichtpuntjes, die de minste beweging aan de oppervlakte gewoonlijk doet ontstaan. Het geruisch kwam noch van het water noch uit de lucht.

Intusschen merkte ik niets verdachts op. Ik ging dus weder naar bed en door vermoeienis overmand, viel ik in een lichte sluimering. In zekere tusschenpoozen kwamen nog eenige windvlaagjes met dat onverklaarbaar geruisch tot mij, maar eindelijk sliep ik voor goed in.

Twee uren later, op het oogenblik dat de eerste lichtflikkering van den aanbrekenden dageraad zich een weg baande door de duisternis, werd ik eensklaps wakker.

Men riep den ingenieur.

»Mijnheer Banks?"

»Wat is er?"

»Kom eens hier."

Ik had de stem van Banks en die van den machinist herkend, die zooeven den gang was binnengetreden.

Ik stond dadelijk op en ging mijn kamer uit. Banks en Storr waren reeds onder de voorste veranda. Kolonel Munro was er mij voorgegaan en weldra voegde ook kapitein Hod zich bij ons.

»Wat gebeurt er?" vroeg de ingenieur.

»Zie eens, mijnheer," antwoordde Storr.

Bij het eerste licht van den aanbrekenden dag kon ik de oevers van den Phalgou en een gedeelte van den weg, die zich verscheidene mijlen voor ons uitstrekte, onderscheiden. Hoe groot was onze verbazing, toen wij verscheidene honderden Hindoes bij groepen aan den kant van den weg zagen liggen.

»Dat zijn onze bedevaartgangers van gisteren," zei kapitein Hod.

»Wat doen ze daar?" vroeg ik.

»Ze wachten zeker tot de zon opkomt," antwoordde de kapitein, »om zich in de gewijde wateren te storten!"

»Neen," antwoordde Banks. »Kunnen ze hunne reiniging niet te Gaya zelve volbrengen? De reden waarom ze hier gekomen zijn, is om...."

»Omdat onze IJzeren Reus zijn gewone uitwerking heeft gedaan!" riep kapitein Hod uit. »Ze zullen teweten gekomen zijn, dat een reusachtige olifant, een kolos, zooals zij er nooit een gezien hebben, in de nabuurschap was, en ze komen hem nu bewonderen!"

»Als het maar bij bewonderen blijft!" antwoordde de ingenieur, het hoofd schuddende.

»Wat vrees je dan toch, Banks?" vroeg kolonel Munro.

»Wel, 'k vrees, dat die dweepers ons den weg zullen versperren!"

»Wees in alle geval voorzichtig! Met zulke vromen kan men niet te veel voorzorgen nemen."

»Inderdaad," antwoordde Banks.

Daarna riep hij den stoker en vroeg dezen of alles gereed was.

»Ja, mijnheer."

»Welnu, steek aan."

»Ja, steek aan, Kâlouth!" riep kapitein Hod. »En stook op, Kâlouth, laat onzen olifant zijn rook en stoom in het gelaat van al die pelgrims spuwen!"

Het was toen drie en een half uur 's morgens. Hoogstens over een half uur, kon de machine de noodige drukking hebben. De vuren werden dadelijk aangestoken, het hout knapte in den vuurhaard en weldra ontsnapte een zwarte rook uit den reusachtigen snuit van den olifant, waarvan het uiteinde zich in de takken der hooge boomen verloor.

Op dit oogenblik kwamen eenige groepen Hindoes naderbij. Er had een algemeene beweging in de menigte plaats. Men verdrong zich om onzen trein. In de eerste rangen dezer pelgrims, lichtte men de armen in de hoogte, men strekte ze naar den olifant uit, men bukte zich, men knielde neder, men kroop tot in het stof. Het was duidelijk aanbidding tot haar hoogste punt gevoerd.

Wij zagen van onder de veranda dat schouwspel aan, kolonel Munro, kapitein Hod en ik, niet zonder bezorgdheid waarop deze dweeperij zou uitloopen. Mac Neil had zich bij ons vervoegd en zag in stilte toe. Wat Banks aangaat, hij was met Storr in den toren, dien het enorme dier droeg, gaan staan en van waar hij het naar goedvinden kon besturen.

Te vier uur bromde de stoomketel reeds. Dit helderklinkend gesnor moest door de Hindoes gehouden worden voor het vertoornde gebrom van een bovennatuurlijken olifant. Op dit oogenblik wees de manometer een drukking aan van vijf atmosferen, en Storr liet den stoom door de veiligheidskleppen ontsnappen, alsof hij door de huid van het reusachtige dikhuidige dier uitzweette.

»We zijn gereed, Munro!" riep Banks.

»Vooruit, Banks," antwoordde de kolonel, »maar voorzichtig en laten we niemand verpletteren!"

Het was toen bijna dag. De weg langs den oever van den Phalgou was geheel bedekt met geloovigen, weinig geneigd, naar het scheen, om plaats te maken. In die omstandigheid was het geen gemakkelijke zaak voorwaarts te gaan en niemand te verpletteren.

Banks liet twee- of driemalen fluiten, hetgeen door de bedevaartgangers met een uitzinnig gehuil beantwoord werd.

»Op zij! Op zij!" riep de ingenieur, den machinist bevelende den regulateur een weinig te openen.

Het geloei van den stoom, die zich in de cilinders stortte, deed zich hooren. De machine stelde zich langzaam in beweging. Een machtige kolom van witten rook werd met kracht uit den snuit gestooten.

De menigte was in een oogenblik uiteengeweken. De regulateur werd toen half geopend. Het gebriesch van den IJzeren Reus nam toe en onze trein begon zich tusschen de dichte rangen der Hindoes te bewegen, die geen plaats schenen te willen maken.

»Banks, pas op!" riep ik eensklaps uit.

Toen ik mij voorover buiten de veranda boog, had ik gezien dat er zich een twaalftal van die dweepers op den weg geworpen hadden, met den vasten wil zich onder de raderen van het zware gevaarte te laten verpletteren.

»Geeft acht! geeft acht! Terug," riep kolonel Munro, die hen beduidde zich op te richten.

»Die onnozelen!" riep op zijn beurt kapitein Hod. »Zij houden ons voertuig voor de kar van Jaggernaut! Zij willen zich onder de pooten van den heiligen olifant laten verpletteren!"

Op een teeken van Banks, sloot de machinist den stoom af. De bedevaartgangers, dwars over den weg uitgestrekt, schenen besloten niet op te staan. Om hen heen gilde de dweepende menigte het uit en moedigde ze met gebaren aan.

De machine stond stil. Banks was ten einde raad en wist wezenlijk niet wat te doen.

Plotseling komt er een idée bij hem op.

»We zullen eens zien!" zeide hij.

Hij opende oogenblikkelijk de stoomkraan en krachtige stoomstralen sisten langs den grond, terwijl de lucht van een scherp gefluit weerklonk.

»Hoera! hoera! hoera!" riep kapitein Hod uit.

»Geesel ze, vriend Banks, geesel ze!"

Dit middel baatte. De dweepers, door de stoomstralen getroffen, vlogen op onder een oorverdoovend geschreeuw. Zij konden zich wel laten verpletteren, maar zich te laten verbranden, dat nooit!

De menigte week terug en de weg was open. Nu werd de regulateur geheel geopend en sloegen de wielen diep in den grond.

»Vooruit! vooruit!" riep kapitein Hod uit, die in de handen klapte en hartelijk lachte.

En nu ijlde de IJzeren Reus, het midden van den weg houdende, snel voort en was weldra uit het oog der verbaasde menigte verdwenen, als een fantastisch dier in een wolk van stoom.

VIII.

EENIGE UREN TE BÉNARES.

De groote weg lag nu voor het Stoomhuis open, de weg, die over Sasserâm, naar den rechter oever van den Ganges tegenover Bénares liep.

Een mijl voorbij het kamp, nam de machine een meer gematigden gang aan, zoo omstreeks twee en een halve mijl per uur. Het plan van Banks was, dien zelfden avond op vijf en twintig mijlen van Gaya te kampeeren en den nacht rustig door te brengen in de omstreken van de kleine stad Sasserâm.

In het algemeen vermijden de Indische wegen zooveel mogelijk de stroomen, die bruggen noodzakelijk maken, daar het leggen van dezen op die alluviale gronden zeer kostbaar is. Ook moeten ze op vele plaatsen, waar het niet mogelijk geweest is een rivier of een stroom te beletten den weg te versperren, nog gelegd worden. Wel is waar is de oude, primitieve pont nog in werking, die evenwel om onzen trein over te brengen zonder twijfel onvoldoende zoude geweest zijn. Zeer gelukkig konden wij er buiten.

Juist moesten wij dien dag een belangrijke rivier oversteken, de Sône. Deze rivier boven Rhotas gevoed door twee andere, den Coput en den Coyle, vloeit in den Ganges, nagenoeg tusschen Arrah en Dinapore.

Niets gemakkelijker dan deze overtocht. De olifant daalde langs een zachte helling den steilen oever af, trad in den stroom, bleef op de oppervlakte en trok, het water met zijn dikke pooten als de schoepen van een drijfrad slaande, den trein zacht voort.

Kapitein Hod gaf luide zijne verrukking te kennen.

»Een rollend huis!" riep hij uit, »een huis dat tegelijk een rijtuig en een stoomboot is. De vleugels ontbreken er nog maar aan om zich in een vliegtoestel te herscheppen en de ruimte te doorklieven!"

»Dat zal den een of anderen dag ook nog wel eens gebeuren, vriend Hod," antwoordde de ingenieur ernstig.

»Ik weet het, vriend Banks," antwoordde niet minder ernstig de kapitein. »Alles zal gebeuren! Maar wat toch niet gebeuren zal, is, dat we over twee honderd jaar in leven zijn om die wonderen te zien! Het leven is alle dag wel niet even vroolijk en toch zou ik gaarne tien eeuwen wenschen te leven, enkel uit nieuwsgierigheid!"

Dien avond kampeerden wij, na onder de prachtige brug, die den spoorweg draagt, gegaan te zijn, op tachtig voet boven de bedding van de Sône, op twaalf uren afstand van Gaya, in de omstreken van Sasserâm. We zouden ons hier slechts een nacht ophouden om ons van hout en water te voorzien en met den dageraad weder vertrekken.

Dit programma werd in alle deelen gevolgd en den volgenden morgen 22 Mei, vóór de brandende uren, die de gloeiende middagzon ons bezorgde, waren wij weder op reis.

Het land was overal hetzelfde, namelijk zeer rijk, zeer bebouwd. Zoodanig doet het zich voor bij het naderen van de prachtige vallei van den Ganges. Ik zal hier niet spreken van de talrijke dorpen, die zich verliezen te midden van de onmetelijke rijstvelden, tusschen de groepen van tara-palmboomen met hun dicht gewelfd bladerdak, in de schaduw der mangoboomen en ander weelderig opschietend geboomte. Overigens hielden wij ons niet op en indien somtijds de weg door een wagen, langzaam door zebus voortgetrokken, gestremd werd, deed een twee of driemalig fluiten hem op zijde gaan, waarna dan onze trein tot groote verbazing der raïots doorging.

Op dien dag, had ik het pleizier een groot aantal rozenvelden te zien. En geen wonder, want wij waren niet ver verwijderd van Ghazipore, het groote middelpunt der fabricatie van het water of liever van de olie, uit deze bloemen vervaardigd.

Ik vroeg Banks of hij mij eenige inlichtingen betreffende dit zoo gezochte voortbrengsel kon geven, dat het toppunt schijnt te zijn der kunst op het stuk van parfumerie.

»Hier zijn cijfers, waarde vriend," gaf Banks mij ten antwoord, »en ze zullen u toonen hoe kostbaar deze bereiding is. Veertig pond rozen worden vooraf aan een soort van langzame distillatie over een zacht vuur onderworpen en geven ongeveer dertig pond rozenwater. Dit water wordt op een nieuw pak bloemen van veertig pond gegoten, waarvan men de distillatie voortzet totdat het mengsel twintig pond bedraagt. Men stelt dit mengsel gedurende twaalf uren bloot aan de frissche nachtlucht en den volgenden dag vindt men de oppervlakte van het mengsel bedekt met hoeveel? een ons welriekende olie. Dus heeft men uit tachtig pond rozen--eene hoeveelheid die niet minder dan twee honderd duizend bloemen telt,--ten slotte slechts een ons vocht getrokken. Het is een wezenlijke moord! Het is dan ook niet te verwonderen, dat zelfs in het land der bewerking, de rozenolie veertig ropijen of honderd franken het ons kost.

»Nu," antwoordde kapitein Hod, »als men om een ons brandewijn te fabriceeren, tachtig pond druiven noodig had, zouden de grogjes fameus duur worden!"

Op dien dag, moesten we ook de Karamnaca, een der takken van den Ganges nog overtrekken. De Hindoes hebben van die onschuldige rivier een soort van Styx gemaakt, waarop het niet goed is te varen. Hare oevers zijn niet minder vervloekt dan de oevers van den Jordaan of van de Doode Zee. De lijken, die men haar toevertrouwt, brengt zij regelrecht naar de Brahmaansche hel. Ik wil over deze geloofsleer niet redetwisten, doch ik protesteer tegen de algemeen verspreide meening dat het water dezer diabolische rivier onaangenaam smaakt en slecht voor de maag zou zijn. Het is overheerlijk.

Na een weinig heuvelachtig land te zijn doorgetrokken, tusschen de onmetelijke velden met slaapbollen en het uitgestrekte dambord der rijstvelden, kampeerden wij op den rechteroever van den Ganges, tegenover het antieke Jeruzalem der Hindoes, de heilige stad Bénares.

»Vierentwintig uren halt!" zei Banks.

»Hoever zijn we nu nog van Calcutta?" vroeg ik den ingenieur.

»Nog driehonderdvijftig mijlen ongeveer," antwoordde hij mij, »en ge zult me moeten bekennen, waarde vriend, dat we tot nog toe niet den minsten last gehad hebben noch van den langen weg, noch van de vermoeienissen der reis!"

De Ganges! Is er een stroom waarvan de naam dichterlijker legendes voor onze verbeelding toovert en is het niet alsof gansch Indië in hem opgaat? Bestaat er op de wereld een vallei, te vergelijken met die, welke tot richting van zijn trotschen loop, zich vijfhonderd mijlen ver uitstrekt en niet minder telt dan honderd millioen bewoners? Is er een plek op den aardbol waar sedert de verschijning der Aziatische rassen meer wonderen zijn opgehoopt? Wat zou Victor Hugo, die zoo trotsch den Donau bezongen heeft, wel van den Ganges gezegd hebben! Want even als de zee heeft de Ganges zijn deining, zijne cyclonen, vreeselijker dan de orkanen van den Europeeschen stroom! Als een slang ontrolt hij zich in de meest dichterlijke streken der wereld! Ook hij stroomt van het westen naar het oosten! Doch aan geen onaanzienlijke heuvelreeks ontleent hij zijn oorsprong! Neen, van de hoogste bergketen des aardbols, van de bergen van Thibet stort hij naar beneden en neemt onderweg al de schatplichtige stroomen op. Zijn plaats van oorsprong is het Himalaya gebergte!

Den volgenden dag, 23 Mei, bij het opgaan der zon, lag het zich in hare stralen afspiegelende watervlak voor onze blikken uitgespreid. Op het witte zand schenen eenige troepen krokodillen, groot van stuk, het eerste daglicht met volle teugen in te zwelgen. Zij lagen daar onbeweeglijk, naar de zon gekeerd, alsof zij de getrouwste aanhangers van de leer van Brahma geweest waren. Maar eenige voorbij drijvende lijken ontrukten hen aan hunne aanbidding. Men heeft wel eens beweerd, dat de lijken, door den stroom medegevoerd, op den rug drijven als het mannen zijn en op den buik van vrouwen. Ik kon mij nu verzekeren, dat er niets waar is van deze opmerking. Een oogenblik later wierpen de monsters zich op hun prooi, die hun dagelijks door de rivieren van het schiereiland verschaft wordt en oogenblikkelijk door hen naar de diepte wordt gesleurd.