Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 7

Chapter 73,908 wordsPublic domain

Dezen regel bleven kapitein Hod en zijn getrouwe Fox niet in gebreke op zichzelven toe te passen en hun vuurhaard,--ik meen hun maag, die een groote verwarmingsoppervlakte aanbood,--was steeds voorzien van de stikstofrijke brandstof, onmisbaar om de menschelijke machine goed en lang te laten loopen.

Dezen keer moest de halt langer duren. We zouden twee dagen reizen en twee nachten rusten, teneinde den 9n Burdwan te bereiken en deze stad dien dag te bezoeken.

Ten 6 ure 's morgens liet Storr met een scherp, doordringend gefluit eenigen stoom ontsnappen en den IJzeren Reus een snelleren gang aannemen dan den vorigen dag.

Gedurende eenige uren hadden wij langs den spoorweg gereden, die over Burdwan te Rajmahal naar de vallei van den Ganges loopt, dien hij dan tot aan de andere zijde van Bénares volgt. De trein van Calcutta kwam in volle vaart voorbij. Hij scheen ons uit te dagen door de bewonderende uitroepen der reizigers. Wij beantwoordden hunne uitdaging niet. Zij mochten sneller gaan dan wij, gemakkelijker en aangenamer voorzeker niet!

Het land, dat gedurende die twee dagen doorkruist werd, was onveranderlijk vlak en daardoor vrij eentonig. Hier en daar werd de eentonigheid afgebroken door eenige buigzame kokosboomen, die, aan de andere zijde van Burdwan, eindelijk ook achterbleven. Deze boomen, tot de groote familie der palmboomen behoorende, bevinden zich bij voorkeur in de nabijheid der kust en ademen gaarne de zeelucht in, zoodat men ze in Centraal-Indië te vergeefs zal zoeken. Doch de flora van het binnenland is er niet te minder belangrijk en rijk om.

Aan elken kant van den weg was het in den eigenlijken zin des woords slechts een onmetelijk schaakbord van rijstvelden, die zich in het verre verschiet verloren. De bodem was verdeeld in vier hoeken als de zoutmoeren of de oesterparken eener kuststreek. Doch de groene kleur had de overhand en de oogst beloofde rijk te zijn op dien vochtigen, warmen bodem, die van een verbazende vruchtbaarheid getuigde.

Den volgenden avond hield het gevaarte met de grootste nauwkeurigheid, op het vooraf bepaalde uur voor de poorten van Burdwan op.

Uit een administratief oogpunt is deze stad de hoofdplaats van een Engelsch distrikt, maar het distrikt is het eigendom van een maharajah, die niet minder dan tien millioen aan belasting aan de regeering betaalt. De stad bestaat grootendeels uit lage huizen, van elkander afgescheiden door fraaie lanen van boomen, kokosboomen en pinangpalmen. Deze lanen waren breed genoeg om door onzen trein bereden te kunnen worden. We sloegen dus op een bekoorlijke plek, waar het schaduwrijk en frisch was, ons kamp op. Dien avond telde de hoofdstad van den maharajah een kleine wijk te meer, ons draagbaar gehucht namelijk, ons dorp van twee huizen en we zouden het niet geruild hebben tegen het geheele kwartier waar het prachtige paleis van Engelsch-Indische bouwkunst van Burdwan's souverein zich verheft.

Men kan zich voorstellen, dat onze olifant daar de gewone uitwerking had, namelijk die van een soort van bewondering met schrik gemengd; van alle kanten kwamen de goede Bengaalsche burgers aangeloopen, blootshoofds, de haren geknipt à la Titus en niets anders voor kleeding dan, de mannen een schortje om de lendenen, de vrouwen een wit hemd, waarin zij van het hoofd tot de voeten gehuld waren.

»'k Heb slechts eene vrees!" zei kapitein Hod, »dat de maharajah onzen IJzeren Reus zal willen koopen en er ons zulk een buitensporigen prijs voor biedt, dat we wel verplicht zijn hem aan zijn Hoogheid te verkoopen!"

»Nooit!" riep Banks uit. »'k Zal hem een anderen olifant maken, als hij wil, en dan zoo énorm, dat hij zijn heele hoofdstad van 't eene einde van zijn land naar 't andere zal kunnen medenemen! Maar den onzen verkoopen we niet, al biedt hij er nog zooveel voor, niet waar, Munro?"

»Al wil hij er nog zooveel voor geven!" antwoordde de kolonel op den toon van iemand, dien het aanbod van een millioen niet zou kunnen overhalen.

Gelukkig evenwel behoefde er over den aankoop van onzen kolos niet beraadslaagd te worden. De maharajah was niet te Burdwan. Het eenige bezoek, dat we ontvingen was dat van zijn »kâmdar," een soort van geheim-secretaris, die onze equipage eens kwam bekijken. Toen dit afgeloopen was, bood dit personage ons aan,--en dit aanbod werd gaarne aangenomen,--de tuinen van het paleis te gaan zien, beplant met de heerlijkste planten der tropische gewesten, besproeid door het water uit vijvers of uit beken, die in alle richtingen heen liepen, het park te bezoeken, versierd met hier en daar schilderachtig geplaatste kiosken, bekleed met groene grasperken, bevolkt door reeën, herten, olifanten, vertegenwoordigers der huisdieren, en door tijgers, leeuwen, panters, beren, vertegenwoordigers der wilde dieren, die in prachtige menagerieën verblijf hielden.

»Tijgers in kooien als vogels, kapitein!" riep Fox uit. »Hoe treurig toch!"

»Ja, Fox!" antwoordde de kapitein. »Als men hen ondervroeg, die goede beesten, zouden ze liever in de jungles rondzwerven.... zelfs op geweerschots afstand!"

»Of ik dat begrijp, kapitein!" antwoordde de oppasser, een zucht loozende.

Den volgenden morgen, 10 Mei, verlieten we Burdwan. Het Stoomhuis, goed van alles voorzien, ging weder op weg, dwars de rails over, in rechtstreeksche richting naar Ramghur, eene stad op vijf en zeventig mijlen ongeveer van Calcutta gelegen.

Wel is waar liet deze reisweg rechts de belangrijke stad Mourchedabad liggen, die noch in haar Indisch, noch in haar Engelsch gedeelte iets bijzonders aanbiedt; Monghir, een soort van Birmingham in Hindostan, op een voorgebergte genesteld, dat den heiligen stroom bestrijkt; Patna, de hoofdstad van het koninkrijk Béhar, dat we schuins zouden doortrekken, een rijke stapelplaats voor het opium en die dreigt te verdwijnen onder den rijkdom van klimplanten, waarvan de flora krioelt. Doch het kwam ons beter uit een meer zuidelijke richting te volgen, twee graden beneden de vallei van den Ganges.

Op dit gedeelte van de reis, werd de IJzeren Reus iets meer aangezet en in een lichten draf gebracht, waaruit wij de uitmuntende inrichting onzer opgehangen huizen leerden op prijs stellen. De weg was overigens best en leende zich goed tot de proefneming. Zouden de roofdieren verschrikt geworden zijn bij de passage van den reusachtigen olifant, rook en stoom uitbrakende? Mogelijk wel! Zeker is het, dat we tot groote verbazing van kapitein Hod er te midden der jungles dezer streek geen een zagen. Doch het was in de noordelijke streken van Indië en niet in de provincies van Bengalen, dat hij zijn lust tot jagen wilde botvieren en hij dacht er daarom nog niet over zich te beklagen.

Den 15n Mei bevonden wij ons bij Ramghur, op vijftig mijlen omstreeks van Burdwan verwijderd. De gemiddelde snelheid was vijftien mijlen op de twaalf uren geweest, niet meer.

Drie dagen later, den 18n, hield de trein honderd kilometers verder, bij de kleine stad Chittra stil.

Geen enkel bijzonder toeval had dit gedeelte van de reis gekenmerkt. De dagen waren warm, maar hoe heerlijk was de siesta onder beschutting der veranda's! Wij brachten er de heetste uren van den dag in een aangenaam farniente door.

Des avonds hielden Storr en Kâlouth onder toezicht van Banks zich bezig met het schoonmaken van den stoomketel en het onderzoeken der machine.

Gedurende dien tijd gingen kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, Goûmi en de twee staande honden, in den omtrek van het kamp jagen. Dit betrof alleen nog maar het kleine wild, doch al trok de kapitein er als jager zijn neus voor op, als lekkerbek kon hij er zich goed mede vereenigen en den volgenden middag telde het menu van den maaltijd tot zijn groot genoegen en niet minder tot dat van »monsieur Parazard" een paar smakelijke schotels meer, die onze verduurzaamde levensmiddelen bespaarden.

Soms ook bleven Goûmi en Fox achter om als houthakkers en waterdragers dienst te doen. Men moest immers den tender van nieuwen voorraad voorzien voor den volgenden dag. Ook koos Banks zooveel mogelijk de halten aan den oever van de beek en in de nabijheid van een bosch. Deze noodzakelijke proviandeering had plaats onder het toezicht van den ingenieur, die geen enkele bijzonderheid verzuimde.

Wanneer dan alles in orde was, staken we onze sigaren aan,--uitmuntende »cherouts" van Manilla,--en rookten we, steeds over het land pratende, dat Hod en Banks tot in de minste bijzonderheden kenden. Wat den kapitein betreft, hij versmaadde de nietige sigaar en haalde met zijne krachtige longen, door een twintig voet lange buis, den aromatischen rook op van een zorgvuldig door de hand van zijn oppasser gestopten »houka."

We zouden zeer gaarne gezien hebben, dat kolonel Munro ons op die korte tochten in den omtrek van het kamp vergezeld had. Nooit verzuimden we 't dan ook het hem op het oogenblik van ons vertrek te vragen, doch even standvastig wees hij ons aanbod van de hand en bleef met sergeant Mac Neil achter. Beiden wandelden dan op den weg een honderd passen heen en weder. Zij spraken weinig, maar zij schenen elkander opperbest te verstaan en behoefden geene woorden te wisselen om gedachten te wisselen. Zij waren beiden geheel verdiept in noodlottige herinneringen, die door niets konden uitgewischt worden. Wie weet zelfs of die herinneringen zich niet verlevendigden, naarmate sir Edward Munro en de sergeant het tooneel van den bloedigen opstand naderden.

Blijkbaar had de een of andere gedachte, die wij eerst later zullen leeren kennen en niet de eenvoudige begeerte zich niet van ons te scheiden, den kolonel Munro overgehaald zich bij deze expeditie in Noord-Indië aan te sluiten. Banks en kapitein Hod deelden mijne zienswijze ten dezen opzichte. Ook vroegen wij ons niet zonder eenige ongerustheid in de toekomst af of die ijzeren olifant op zijn tocht door de vlakten van het schiereiland geen treurspel met zich voerde.

VII.

DE BEDEVAARTGANGERS VAN DEN PHALGOU.

Béhar vormde in vroegere eeuwen het rijk van Magadha. Het was een soort van heilig grondgebied ten tijde der Bouddhisten en nog heden is het bedekt met tempels en kloosters. Doch sedert lang hebben de brahmanen de priesters van Bouddha opgevolgd. Zij hebben zich meester gemaakt van de »viharas," zij exploiteeren ze, zij leven van de opbrengst van den eeredienst; van alle kanten stroomen de geloovigen naar hen toe; zij concurreeren met de heilige wateren van den Ganges, met de pelgrimstochten van Bénares, met de plechtigheden van Jaggernaut, in een woord, men kan gerust zeggen, dat het land hun toebehoort.

Het is een rijk land met zijn onmetelijke smaragd-groene rijstvelden en zijn uitgestrekte vlakten met maankop, met zijn talrijke gehuchten, verloren in het groen, beschaduwd door palmboomen, mangoboomen, dadels, taras, waarover de natuur een niet te ontwarren net van lianen geworpen heeft. De wegen, door het Stoomhuis bereden, vormen zoovele dichte, overdekte lanen, waarvan de vochtige bodem de frischheid onderhoudt. Wij gaan vooruit met de kaart voor ons, zonder ooit te vreezen te verdwalen. Het gebriesch van onzen olifant vermengt zich met de oorverdoovende concerten van het gevogelte en het wanluidende geschreeuw der talrijke apensoorten. Zijn rook verliest zich in het dichte gebladerte dier feniksen der velden, de bananen, waarvan de gouden vruchten nedervallen als sterren te midden van lichte wolkjes. Bij zijn passage vliegen troepen teere rijstvogeltjes op, wier wit gevederte zich vermengt met de witte stoomspiralen. Hier en daar teekenen zich groepen vijgeboomen, boschjes pampelmoezen, bedden met »dalhs," een soort van boomvormige erwten, gedragen door een steel van een el hoog, scherp tegen den wolkeloozen hemel af en vormen den voorgrond van het onvergelijkelijk schoone landschap.

Maar welk een hitte! Nauwlijks dringt een weinig vochtige lucht door de lichtschermen van rietgras onzer vensters. De heete winden, bezwangerd met de warmtestof der uitgestrekte pleinen van het westen, strijken met hun vurigen adem over de velden. Het is tijd, dat de moesson van Juni den toestand van den dampkring komt veranderen. Niemand zou die gloeiende zonnestralen kunnen verdragen, zonder met een doodelijke stikking bedreigd te worden.

Het landschap is dan ook verlaten. Zelfs de »raïots," hoe gehard ook tegen deze brandende zon, zouden zich niet met den veldarbeid kunnen bezighouden. Alleen de schaduwrijke weg is begaanbaar en dan nog alleen in onzen rollenden bungalow. De stoker Kâlouth moet wel, 'k zal niet zeggen van platina zijn, want platina zou smelten, maar van zuiver koolstof, om de brandende hitte van het vuur te kunnen weerstaan. Maar de brave Hindoe biedt krachtig weerstand. Hij heeft het zich bij zijn leven op de locomotieven der spoortreinen van Centraal-Indië, tot een tweede natuur gemaakt, zulk een temperatuur te verdragen!

De thermometer, aan den wand der eetzaal, staat den 19n Mei op honderd zes graden Fahrenheit (41,11° C.) Dien avond, hebben we onze hygiénische wandeling om na de verstikkende hitte van een tropischen dag een weinig lauwe en zuivere lucht in te ademen, niet kunnen maken. Dezen keer was de dampkring werkelijk verschroeiend.

»Mijnheer Maucler," richtte zich de sergeant Mac Neil tot mij, »dat doet me denken aan de laatste dagen van Maart, toen sir Hugh Rose, met een batterij van slechts 2 stukken, bres trachtte te schieten in de omheining van Lucknow. Er waren zestien dagen verloopen, sedert we de Betwa waren overgestoken en sedert zestien dagen waren de paarden geen enkele maal onttoomd geweest. We streden tusschen énorme muren van graniet, dat zooveel beteekende als tusschen de steenen wanden van een hoogoven. »Chitsis" met emmers water, doorliepen onze rangen en terwijl we onze geweren afschoten, goten ze water op onze hoofden, daar we anders neergevallen zouden zijn. 'k Zal 't nooit vergeten. Ik kon niet meer, mijn hoofd zou bersten en 'k was op het punt neer te slaan.... Kolonel Munro ziet het en den emmer uit de handen van een chitsi rukkende, stort hij hem over mij uit.... 't was de laatste, dien de dragers zich hadden kunnen verschaffen!.... Ziet u, dat zal ik niet licht vergeten! Neen! een druppel bloed voor een druppel water! Al had ik al het mijne voor mijn kolonel gestort, zou ik nog zijn schuldenaar zijn!"

»Sergeant," vroeg ik, »vindt ge niet dat de kolonel sedert ons vertrek er bezorgder uitziet dan gewoonlijk? Hij schijnt elken dag...."

»Ja, mijnheer," antwoordde Mac Neil, die me vrij driftig in de rede viel, »maar dat is zeer natuurlijk! De kolonel komt elken dag dichter bij Lucknow, bij Cawnpore, waar Nana Sahib zijn vrouw.... O! ik kan er niet van spreken of het bloed stijgt me naar 't hoofd! Misschien zou 't beter geweest zijn onze reis anders te nemen en de provincies niet door te trekken, die door den opstand verwoest zijn! 't Is nog te kort geleden, dat die vreeselijke gebeurtenissen plaats hadden en ze zijn nog te versch in 't geheugen!"

»Waarom zouden we onzen weg dan niet veranderen!" zei ik daarop. »Als ge wilt, Mac Neil, zal ik er met Banks, met kapitein Hod over spreken...."

»'t Is te laat," antwoordde de sergeant. »'k Heb alle reden, trouwens, om te gelooven, dat de kolonel misschien een laatste maal, het tooneel van dien vreeselijken oorlog wil weerzien, dat hij de plek wil bezoeken waar lady Munro den dood en welken dood, gevonden heeft!"

»Als ge dat denkt, Mac Neil," antwoordde ik, »is het beter kolonel Munro te laten begaan en niets aan onze plannen te veranderen. 't Is dikwijls een troost en een verzachting voor onze smart, hen die we liefhebben op hun graf te gaan beweenen...."

»Op het graf, ja!" riep Mac Neil uit. »Maar is dat dan een graf, die put van Cawnpore, waar zoovele slachtoffers op en onder elkander zijn neergesmeten! Is dat een graftombe, die te midden van bloemen, in de schaduw van statig geboomte, met een enkelen naam, den naam van hem, die niet meer is, en dien we zoo innig lief hadden, de herinnering levendig houdt! O mijnheer! ik vrees maar al te zeer, dat de smart van mijn kolonel onherstelbaar is! Maar, nogmaals, het is nu te laat om hem een anderen weg te doen inslaan. Wie weet of hij dan niet weigeren zou ons te volgen! Kom! laten we de zaken haar loop hebben en dat God ons geleide!"

Blijkbaar wist Mac Neil, toen hij zoo sprak, waaraan zich te houden ten opzichte van de plannen van Sir Edward Munro. Doch, zeide hij mij wel alles en was het slechts het plan Cawnpore weder te zien, dat den kolonel had doen besluiten Calcutta te verlaten? Wat er van zij, het was nu alsof een zeilsteen hem naar de plek trok waar de ontknooping van dit noodlottige treurspel had plaats gehad!.... Men moest hem zijn gang laten gaan!

Ik kwam toen op het denkbeeld den sergeant te vragen of hij voor zich alle idée van wraak had opgegeven, in een woord, of hij meende dat Nana Sahib werkelijk dood was.

»Neen," antwoordde Mac Neil mij onbewimpeld. »Ofschoon ik geen enkel bewijs voor mijne meening heb, geloof ik niet en kan ik niet gelooven, dat Nana Sahib gestorven is zonder gestraft te zijn voor zooveel misdaden! Neen! En toch, ik weet niets en heb ook niets vernomen!... Het is alsof een instinct mij drijft!.... O! mijnheer! zich tot doel een wettige wraak te stellen, zou iets zijn in het leven! Geve de hemel dat mijne voorgevoelens mij niet bedriegen en dat eenmaal...."

De sergeant eindigde niet.... Een gebaar gaf te kennen, wat zijn mond niet had willen zeggen. De dienaar was het eens met den meester!

Toen ik Banks en kapitein Hod den inhoud van dit gesprek mededeelde, waren beiden het er over eens, dat het reisplan niet mocht en kon veranderd worden. Trouwens was er nooit sprake van geweest de reis over Cawnpore te nemen en na eenmaal den Ganges te Bénares overgestoken te zijn, zouden we ons rechtstreeks naar het noorden richten door het oostelijk gedeelte van de koninkrijken Oude en Rohilkhande. Wat ook Mac Neil mocht denken, het was niet zeker dat Sir Edward Munro Lucknow of Cawnpore wilde terug zien, plaatsen, die hem zoovele vreeselijke herinneringen in het geheugen zouden terug roepen; maar, als hij het wilde, zoude men hem op dit punt niet tegenwerken.

Wat Nana Sahib betreft, hij was zoo bekend, dat, indien de afkondiging, die zijne wederverschijning in het presidentschap van Bombay, waarheid sprak, wij er op nieuw iets van hadden moeten vernemen. Maar, bij ons vertrek van Calcutta was er reeds geen sprake meer van den nabob en de onderweg verkregen inlichtingen gaven aanleiding tot het vermoeden, dat de overheid op een dwaalspoor gebracht was.

In alle geval, indien er mogelijk iets van aan ware, indien kolonel Munro een geheim plan had, dan mocht het werkelijk verwonderlijk schijnen dat Banks, zijn intiemste vriend, niet in zijn vertrouwen deelde, eerder dan de sergeant Mac Neil. Doch dit kwam zeker daarvandaan, zooals Banks zeide, dat hij alles gedaan had om den kolonel terug te houden zich in gevaarlijke en nuttelooze nasporingen te begeven, terwijl de sergeant hem er zeker toe aanzette!

Den 19n Mei, tegen twaalf uren hadden wij het gehucht Chittra achter den rug. Het Stoomhuis bevond zich nu honderdvijftig kilometers van zijn punt van uitgang verwijderd.

Den volgenden dag, 20 Mei, kwam de IJzeren Reus, bij het vallen van den nacht, na een buitengewoon heeten dag, in de omstreken van Gaya aan. Aan den oever eener heilige rivier, de Phalgou, zeer bekend bij de bedevaartgangers, werd halt gehouden. De twee huizen hielden stand op een fraaie plek, aan den steilen oever, beschaduwd door schoone boomen, op twee mijlen ongeveer van de stad af.

Ons voornemen was zesendertig uren op deze plaats te vertoeven, namelijk twee nachten en een dag, want de plek bood veel bezienswaardigs aan, zooals ik reeds vroeger gezegd heb.

Den volgenden dag begaven Banks, kapitein Hod en ik te vier uur 's morgens, teneinde de middaghitte te vermijden, na afscheid van kolonel Munro genomen te hebben, zich naar Gaya.

Men verzekert dat jaarlijks honderdvijftig duizend geloovigen naar dit middelpunt der Brahmaansche vestigingen stroomden. En inderdaad waren bij de toegangen tot de stad de wegen bezaaid met een ontelbaren stoet mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen. Al die menschen gingen bij wijze eener processie door het veld, na de duizend vermoeienissen van een langen pelgrimstocht getrotseerd te hebben ter vervulling hunner godsdienstige plichten.

Banks had reeds vroeger dit grondgebied van Béhar bezocht tijdens hij opmetingen deed voor een spoorweg, die nog niet tot uitvoering gekomen was. Hij kende dus het land en we konden geen beteren gids hebben. Hij had overigens kapitein Hod verplicht al zijn jachttuig in het kamp te laten en men had dus niet te vreezen, dat onze Nimrod ons onderweg verlaten zou.

Even voor in de stad aan te komen, waaraan men met recht den naam van heilige stad kan geven, deed Banks ons stil houden voor een heiligen boom, waaromheen pelgrims van allerlei leeftijd en van beide seksen in aanbidding waren neergezonken.

Deze boom was een »pipala," met een énormen stam; maar, hoewel de meeste takken reeds van ouderdom waren afgevallen, kon hij toch niet meer dan twee of driehonderd jaren levens tellen. Dit zou ook twee jaren later bevestigd worden door Louis Rousselet, op zijn belangwekkende reis door het Indië der Rajahs.

De boom Boddhi, was de godsdienstige naam van dezen laatsten vertegenwoordiger van het geslacht van pipala's, die gedurende een lange reeks van eeuwen deze plek beschaduwden en waarvan de eerste vijf honderd jaar voor de christelijke jaartelling gepoot werd. Waarschijnlijk was het voor de geknielde dweepers aan zijn voet, de boom zelf, door Bouddha op deze plaats gewijd. Hij verheft zich nu op een bouwvallig terras, zeer nabij een steenen tempel, welks oorsprong blijkbaar zeer oud is.

De tegenwoordigheid van drie Europeanen, te midden dier duizenden Hindoes, werd met geen goede oogen aangezien. Men sprak echter niet tot ons, doch we konden niet bij het terras komen, noch doordringen tot de bouwvallen van den tempel. Overigens werden wij zoo dicht door de bedevaartgangers omringd, dat het moeielijk geweest zou zijn zich een weg tusschen hen door te banen.

»Zoo daar een Brahmaan geweest was," zei Banks, »zouden we meer pleizier van ons bezoek gehad hebben en het gebouw misschien tot in zijn diepste schuilhoeken hebben kunnen bezoeken."

»Wat!" antwoordde ik, »zou een priester minder streng geweest zijn dan zijn eigen geloovigen?"

»Mijn waarde Maucler," antwoordde Banks, »er is geen gestrengheid bestand tegen het aanbod van eenige ropyen en de brahmanen moeten immers toch ook leven!"

»'k Zie er de noodzakelijkheid niet van in," antwoordde kapitein Hod, die het zwak had voor de Hindoes, hunne zeden, vooroordeelen, gewoonten en de voorwerpen hunner vereering, de verdraagzaamheid te gevoelen, die zijne landgenooten hun met alle recht verleenen.

Voor het oogenblik was Indië voor hem slechts een uitgestrekt jachtgebied en gaf hij onbetwistbaar boven de bevolking van de steden en het land de voorkeur aan de woeste roofdieren der jungles.

Na een behoorlijk poosje aan den voet van den heiligen boom vertoefd te hebben, geleidde Banks ons op den weg in de richting van Gaya. Naargelang wij de heilige stad naderden, nam de toevloed der pelgrims steeds toe. Weldra deed zich door een open plek in het groen Gaya aan ons voor op den top van de rots, die zij met hare schilderachtige bouwwerken bekroont.

Wat vooral de aandacht der toeristen op deze plaats wekt, is de tempel van Vishnoe in eigen persoon achtergelaten, toen hij zich verwaardigde op de aarde neder te dalen om met den demon Maya te worstelen. Nu kon de worsteling tusschen een god en een duivel niet lang twijfelachtig zijn. De duivel delfde het onderspit en een steenen blok, zichtbaar in de omheining zelve van Vishnoe-Pad, getuigt door de diepe indrukselen van de voeten zijns tegenstanders, dat de duivel het hard genoeg te verantwoorden had.