Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 6

Chapter 63,780 wordsPublic domain

Achter in de zaal verleende een tweede deur, van kostbaar hout, tegenover de deur der veranda, toegang tot de eetzaal, die haar licht niet alleen ontving van de zijvensters, maar ook van een plafond van mat glas. Rondom de in het midden geplaatste tafel, konden acht gasten plaats nemen. Wij waren slechts met ons vieren en zouden het dus ruim genoeg hebben. Buffetten en kredenstafeltjes, beladen met al de weelde van zilverwerk, glazen en porceleinen voorwerpen, door het Engelsche comfort vereischt, meubelden deze eetzaal. Het spreekt van zelf, dat al de licht breekbare voorwerpen, half in bijzonder daartoe vervaardigde inkervingen gevat, evenals dit aan boord van schepen geschiedt, voor de schokken bewaard bleven, zelfs op de slechtste wegen, ingeval onze trein ooit genoodzaakt werd zich op dezen te wagen.

De deur, achter in de eetzaal, kwam uit op een gang, die uitliep op een achterbalkon, mede bedekt door een veranda. Langs dezen gang bevonden zich vier kamers, zijdelings verlicht, een bed, een toilet, een kleerkast, een divan bevattende en ingericht als de kajuiten van de rijkste transatlantische paketbooten. De eerste kamer links werd bewoond door kolonel Munro, de tweede rechts, door den ingenieur Banks. Dan volgde rechts, op de kamer van den ingenieur, die van kapitein Hod en de mijne links op die van kolonel Munro.

De tweede wagen, twaalf meters lang, bezat evenals de eerste, een balkon met veranda, dat uitkwam op een groote keuken, aan iedere zijde geflankeerd door twee provisiekamers, en natuurlijk voorzien van de noodige keukengereedschappen. Deze keuken stond in verbinding met een gang, die zich in het midden tot een vierkant vertrek verwijdde en voor het personeel der expeditie een tweede eetzaal vormde, verlicht door een vallicht in de zoldering. Aan de vier hoeken bevonden zich vier kleine vertrekken, bewoond door sergeant Mac Neil, den machinist, den stoker en den ordonnans van kolonel Munro; vervolgens waren er van achteren nog twee andere vertrekjes, het eene bestemd voor den kok, het andere voor den oppasser van kapitein Hod; eindelijk nog andere vertrekken, die dienden tot berging van wapenen, tot ijskelder, bagagekamer, enz., en allen uitkwamen op het verandabalkon van achteren.

Men ziet dat Banks de twee rollende woningen van het Stoomhuis doelmatig en gemakkelijk had ingericht. Zij konden 's winters verwarmd worden door een toestel, waarvan de verwarmde lucht, door de machine verschaft, door de kamers circuleerde, behalve twee kleine schoorsteenen, die in het salon en de eetzaal geplaatst waren. Wij waren dus in staat het barre jaargetijde te trotseeren, zelfs aan den voet van de bergen van Thibet.

De belangrijke vraag der levensmiddelen was natuurlijk niet verzuimd en we namen zooveel fijne verduurzaamde spijzen van allerlei aard mede, dat het geheele personeel der expeditie er een jaar lang genoeg aan zou gehad hebben. Het overvloedigst waren wij voorzien van vleesch in blikken bussen van de beste merken, vooral gekookt en gestoofd ossenvleesch, en van kippenpasteiën, waarvan het gebruik in Indië zoo algemeen verspreid is.

Ook aan melk zou het ons niet ontbreken voor het ontbijt in den vroegen morgen, dat het eigenlijke ontbijt voorafgaat, ook niet aan bouillon voor de »tiffin," (het tweede ontbijt) die het diner des avonds voorafgaat, dank zij de nieuwe toebereidingen, die het mogelijk maken, dat men ze geconcentreerd op reis medeneemt.

Na de melk tot deegachtige consistentie uitgedampt te hebben, wordt zij in hermetisch dichte bussen gesloten van vier honderd vijftig gram inhoud, die drie kan vloeistof kunnen opleveren door de bijvoeging van het vijfvoudig gewicht aan water. In dezen toestand komt zij in samenstelling overeen met normale melk van goede hoedanigheid. Hetzelfde resultaat wordt verkregen met den bouillon, die, na op dezelfde wijze geconserveerd en tot tabletjes gevormd te zijn, opgelost uitmuntende soepen geeft.

Wat het ijs aangaat, zoo nuttig in die heete luchtstreek, het was ons gemakkelijk het in weinige oogenblikken te maken, door middel van den toestel van Carré, die de verlaging der temperatuur door de verdamping van vloeibaar ammoniakgas bewerkt. Een der kleinere vertrekken van achteren was zelfs tot ijskelder ingericht en hetzij door de verdamping van den ammoniak, hetzij door de vervluchtiging van den methylether, kon de opbrengst onzer jachten onbepaald geconserveerd worden, dank zij de toepassing der methode van een Franschman, mijn landgenoot Ch. Tellier. Men zal moeten toestemmen, dat dit een kostbare hulpbron was, die in alle omstandigheden levensmiddelen van de beste hoedanigheid ter onzer beschikking stelde.

Wat de dranken betreft, ook hiervan was de kelder goed voorzien. Fransche wijnen, verschillende soorten van bier, brandewijn, arak, hadden allen afzonderlijke plaatsen en waren in voldoende hoeveelheid voorhanden voor de eerste behoeften.

Wij moeten overigens opmerken, dat onze reisweg ons niet belangrijk van de bewoonde provinciën van het schiereiland zou verwijderen. Men stelle zich ook vooral Indië niet als een woestijn voor. Mits men de ropijen niet spaart, kan men er zich niet alleen het noodige, maar meer dan dat verschaffen. Het zou kunnen zijn dat, als wij in de noordelijke streken, aan den voet van het Himalaya-gebergte overwinteren, we aan onze eigen hulpmiddelen zullen overgeleverd zijn. Doch ook in dat geval zouden we aan al de behoeften van een comfortable levenswijze kunnen voldoen. De praktische geest van onzen vriend Banks had alles voorzien, en men kon zich voor de zorg ons onder weg te proviandeeren, gerust op hem verlaten.

Ziehier nu het plan dezer reis,--een plan, dat in beginsel werd vastgesteld, uitgenomen de weinige wijzigingen, die onvoorziene omstandigheden er in konden brengen:

Te vertrekken van Calcutta langs de vallei van den Ganges naar Allahabad; door het koninkrijk Oude in de richting van het noorden verder te gaan, teneinde de eerste berghellingen van Thibet te bereiken, gedurende eenige maanden nu eens hier, dan weder daar te kampeeren, het daarbij kapitein Hod gemakkelijk makende zijne jachten te organiseeren, om vervolgens weder naar Bombay af te zakken.

Dat was bijna negen honderd mijlen af te leggen. Doch ons huis en zijn geheele personeel reisden met ons. Wie zou er iets tegen hebben om onder dergelijke omstandigheden meermalen de reis om de wereld te maken?

VI.

EERSTE HALTEN.

Den 6n Mei had ik met het aanbreken van den dag het hotel Spencer verlaten, een der beste van Calcutta, alwaar ik sedert mijn komst in de hoofdstad van Indië mijn verblijf had gevestigd. Deze groote stad had nu voortaan geene geheimen meer voor mij. Morgenwandelingen, te voet, gedurende de eerste uren van den dag, avondwandelingen, per rijtuig, in het Strand, tot het voorplein van het fort William, te midden van de prachtige équipages der Europeanen, die de niet minder prachtige rijtuigen der dikke, vette inlandsche baboes (Bengaalsche burgers) vrij minachtend kruisen; tochten door de merkwaardige neringdoende straten, die zeer juist den naam van bazars dragen; bezoeken aan de velden waar de dooden tot asch verbrand worden, aan de oevers van den Ganges, aan de botanische tuinen van den natuurkundige Hooker, aan »mevrouw Kâli", de vreeselijke vrouw met vier armen, de wreede godin des doods, die zich in een kleinen tempel van een der voorsteden verbergt, waar de moderne beschaving hand aan hand gaat met de inlandsche barbaarschheid. Het paleis beschouwen van den onderkoning, dat juist tegenover het hôtel Spencer gelegen is; het zonderlinge paleis bewonderen van Chowringhi Road en den Town-Hall, gewijd aan de herinnering der groote mannen van onzen tijd; in bijzonderheden de belangwekkende moskee van Hoogly bestudeeren; langs de haven te wandelen, bezaaid met de schoonste koopvaardijschepen der Engelsche marine; afscheid te nemen eindelijk van de arghila's, adjudanten of wijsgeeren,--die vogels hebben zooveel namen!--die belast zijn met het schoonhouden der straten en met de openbare gezondheid der stad, dat alles was verricht en mijn vertrek was bepaald.

Dien morgen dus kwam een palki-ghari, een soort van slecht rijtuig met twee paarden en op vier wielen,--dat onder de fraaie en gemakkelijke producten der Engelsche rijtuigfabrieken onwaardig was zich te vertoonen,--mij op het plein van het Gouvernement afhalen, om mij even daarna aan de deur van den bungalow van kolonel Munro af te zetten.

Een honderd schreden verder buiten de voorstad, stond onze trein ons af te wachten. We hadden alleen nog maar te verhuizen,--in de eigenlijke beteekenis van het woord.

Het spreekt van zelf, dat onze bagage vooraf in de daartoe afzonderlijk ingerichte bergplaats was overgebracht. We namen trouwens niets dan het hoognoodige met ons. Wat evenwel wapens aangaat, had kapitein Hod gemeend het met niet minder dan met vier Enfield-karabijnen, met ontplofbare kogels, vier jachtgeweren en twee eendenroeren te kunnen stellen, behalve nog een zeker aantal geweren en revolvers,--genoeg om al onze lieden te wapenen. Al die oorlogswapenen bedreigden meer de wilde dieren dan het eenvoudige wild voor de keuken, doch men zou dit den Nimrod onzer expeditie niet gemakkelijk aan zijn verstand hebben kunnen brengen.

Kapitein Hod was overigens verrukt! Het pleizier zijn kolonel aan zijne eenzame levenswijze te ontrukken, de vreugde naar de noordelijke provinciën van Indië te vertrekken, in een equipage zonder weerga, het vooruitzicht van buitengewone jachtoefeningen, jachttochten, jachtavonturen in het Himalaya-gebergte, dit alles lachte hem toe, wond hem op en uitte zich door onophoudelijke uitroepen en stevige handdrukken.

Het uur van vertrek had geslagen. De stoom had de noodige drukking, de machine stond gereed om dienst te doen. De machinist was op zijn post, met de hand op den regulateur. De gewone stoomfluit deed zich hooren.

»Vooruit!" riep kapitein Hod, zijn hoed zwaaiende. »IJzeren Reus, vooruit!"

De IJzeren Reus, waarmede onze opgewonden vriend, de bewonderenswaardige beweegkracht van onzen trein bestempelde, verdiende dien naam terecht en bleef haar bij.

Een woord over het personeel der expeditie, dat het tweede rollende huis bewoonde:

De machinist Storr, een Engelschman, behoorde tot de Compagnie van den »Great Southern of India," die hij nog maar sedert weinige maanden verlaten had. Banks kende hem als zeer bekwaam en had hem in den dienst van kolonel Munro doen overgaan. Het was een man van veertig jaar, handig werkman, zeer op de hoogte van alles wat zijn vak betrof, en die ons groote diensten zou bewijzen.

De stoker heette Kâlouth. Hij behoorde tot de door de Spoorwegcompagnieën zoo gezochte klasse van Hindoes, die ongestraft de tropische hitte van Indië, nog verhoogd door de hitte van hun stoomketel, kunnen verdragen. Ditzelfde is het geval met de Arabieren waaraan de Compagnieën van zeetransporten op den tocht door de Roode Zee den dienst als stoker toevertrouwen. Deze goede menschen vergenoegen zich met zich slechts te laten koken, waar de Europeanen in eenige oogenblikken zouden braden. Ook dit was een goede keus.

De ordonnans van kolonel Munro was een Hindoe van vijf en dertig jaar, van het ras der Gourgkhas, Goûmi genaamd. Hij behoorde tot het regiment, dat als een bewijs van goede discipline, het gebruik der nieuwe munitie aannam, die aanleiding gaf of althans het voorwendsel was van de omwenteling der Sipayers. Klein, vlug, welgemaakt, van beproefde getrouwheid, droeg hij nog de zwarte uniform van de »riflebrigade", waaraan hij gehecht was als aan zijn eigen huid.

Sergeant Mac Neil en Goûmi waren met ziel en lichaam gehecht aan kolonel Munro.

Na in al de oorlogen van Indië aan zijne zijde gestreden te hebben, na hem te hebben bijgestaan in zijne vruchtelooze pogingen om Nana Sahib weder te vinden, hadden zij hem in zijne afzondering gevolgd en zouden hem nimmermeer verlaten.

Was Goûmi de ordonnans van den kolonel, Fox,--een echte Engelschman, zeer vroolijk, zeer spraakzaam,--was de oppasser van kapitein Hod, en niet minder hartstochtelijk jager dan hij. De goede jongen had zijn betrekking voor geen andere, welke ook, willen verruilen. Zijn slimheid maakte hem den naam dien hij droeg waardig. Fox! Vos! maar een vos, die zeven en dertig tijgers gedood had,--drie minder dan zijn kapitein. Hij dacht het er trouwens niet bij te laten.

Om van het geheele personeel der expeditie een woord te zeggen, mogen we onzen kok niet onvermeld laten, die tusschen de twee provisiekamers, in het voorste gedeelte van het tweede huis, het bevel voerde. Hij was een neger van Franschen oorsprong en had reeds onder alle breedten gebraden en gestoofd. »Monsieur Parazard" verbeeldde zich geen alledaagsch bedrijf, maar een ambt van het grootste gewicht uit te oefenen. Met de deftigheid van een paus stapte hij van het eene fornuis naar het andere en bestrooide met de nauwkeurigheid van een scheikundige, zijne spijzen met peper, zout en de andere specerijen, die den smaak zijner geleerde preparaten moesten verhoogen. Maar, »monsieur Parazard" was bekwaam en zindelijk en daarom vergaf men hem gaarne deze keukenijdelheid.

Dus bestond de expeditie, die de IJzeren Reus met zijn uit twee rollende huizen bestaanden trein naar het noorden van het schiereiland medevoerde, uit de heeren sir Edward Munro, Banks, kapitein Hod en mij van de eene zijde en Mac Neil, Storr, Kâlouth, Goûmi, Fox en »monsieur Parazard" van de andere,--te zamen dus uit tien personen. Men vergete daarbij niet de twee honden Phann en Black, wier hoedanigheden de kapitein op de jacht van allerlei wild niet genoeg kon roemen.

Bengalen is misschien, zooal niet het belangrijkste, dan toch zeker het rijkste presidentschap van Hindostan. Het is het eigenlijke land der rajahs niet, hetgeen meer bijzonder het middelpunt van dit uitgestrekte Koninkrijk uitmaakt; doch deze provincie beslaat een zeer bevolkt grondgebied, dat misschien beschouwd kan worden als het ware land der Hindoes. Zij strekt zich ten noorden uit tot de ontoegankelijke grenzen van het Himalaya-gebergte en onze reisweg zou haar in schuinsche richting doorsnijden.

Na over de het eerst te houden halten beraadslaagd te hebben, waren wij het allen omtrent dit punt eens geworden: gedurende eenige mijlen langs den oever der Hoogly, een arm van den Ganges, waaraan Calcutta gelegen is op te klimmen, de Fransche stad Chandernagor rechts te laten liggen, van daar langs den spoorweg tot Burdwan te gaan, daarna schuins Béhar te doortrekken, om den Ganges later te Bénares weder te vinden.

»Mijne vrienden," had kolonel Munro gezegd, »ik laat het geheel aan u over welken weg wij nemen zullen.... Laat mij er buiten. Handelt daaromtrent zooals gij goedvindt."

»Maar mijn waarde Munro," antwoordde Banks, »ge moest ons althans ook uw meening zeggen...."

»Neen, Banks," hernam de kolonel, »'k ben volkomen onverschillig daaromtrent en heb waarlijk niet de minste voorliefde tot het bezoeken van de eene provincie boven de andere. Eén vraag evenwel: welke richting denkt ge te nemen, als we Bénares zullen bereikt hebben?"

»De richting naar het noorden!" riep kapitein Hod onstuimig uit, »den weg, die rechtstreeks door het koninkrijk Oude naar den voet der Himalaya voert!"

»Welnu, mijne vrienden, op dit oogenblik...." antwoordde kolonel Munro, »zal ik u misschien vragen om.... Doch, we zullen er over spreken als het tijd zal zijn. Gaat vooreerst, zooals het u goeddunkt!"

Dit antwoord van Sir Edward Munro verwonderde mij wel eenigszins. Wat meende hij toch? Had hij slechts toegestemd om die reis te ondernemen met de gedachte, dat het toeval hem misschien beter zou dienen dan zijn wil het vermocht had? Zeide hij bij zich zelven dat, indien Nana Sahib niet dood was, hij hem misschien zou kunnen wedervinden in het Noorden van Indië? Hoopte hij nog altijd zich te kunnen wreken? Wat mij aangaat, ik had als een voorgevoel dat een verborgen gedachte den kolonel Munro bezielde en het scheen me toe dat sergeant Mac Neil in het geheim van zijn meester moest zijn.

Gedurende de eerste uren van dezen morgen, waren wij bijeen in het salon van het Stoomhuis. De deur en de twee vensters der véranda waren geopend en de punka, de lucht in beweging brengende, maakte de temperatuur draaglijker.

De IJzeren Reus werd door den regulateur van Storr zoodanig in bedwang gehouden, dat men niet sneller ging dan een kleine mijl per uur en dit was op het oogenblik snel genoeg voor reizigers, die gaarne het land wilden zien, dat zij doorreisden.

Bij het verlaten der voorsteden van Calcutta, werden wij gevolgd door een zeker aantal Europeanen, die onze equipage verbaasd opnamen en door een menigte Hindoes, die haar met een soort van bewondering, met vrees gemengd, aanstaarden. Deze menigte was gaandeweg verminderd, maar wij ontsnapten niet aan de bevreemding der voorbijgangers, die hunne bewonderende wahs! wahs! uitten. Het spreekt van zelf dat al deze uitroepen minder de twee prachtige wagens golden dan den reusachtigen olifant, die ze trok, onder het onophoudelijk uitbraken van wolken stoom.

Te tien uur werd de tafel aangerecht in de eetzaal en deden wij eer aan het ontbijt van »monsieur Parazard," minder geschud voorzeker dan we 't zouden geweest zijn in een wagon-salon eerste klasse.

De weg, dien onze trein volgde, liep toen langs den linkeroever der Hoogly, de meest westelijke der talrijke armen van den Ganges, die te zamen het warnet vormen van den delta der Sunderbunds. Dit geheele gedeelte van het grondgebied is van alluviaal-formatie.

»Wat ge daar ziet, mijn waarde Maucler," zei Banks tot mij, »is een verovering van den heiligen stroom op de niet minder heilige Bengaalsche golf. Een quaestie van tijd. Er is misschien geen enkel deeltje van dezen grond, dat niet van het Himalaya gebergte gekomen is, overgebracht door den Gangesstroom. De stroom heeft allengs den berg afgekabbeld om er den bodem dezer provincie mede samen te stellen, waar hij zich een bedding gevormd heeft...."

»Die hij dikwijls verlaat voor een ander!" voegde Kapitein Hod er bij. »Ja, hij is luimig, fantastisch, wonderlijk, die Ganges! Men bouwt een stad aan zijn oevers en eenige eeuwen later, is de stad midden in een vlakte gelegen, zijn de kaden droog en is de stroom van richting en van monding veranderd! Zoo ging het met Rajmahal, zoo met Gaur, die beiden vroeger door den ongetrouwen stroom bespoeld, nu te midden van de dorre rijstvelden der vlakte van dorst omkomen!"

»En!" antwoordde ik, »moet men niet vreezen dat ook Calcutta een dergelijk lot beschoren is?"

»Wie weet?"

»Wel! zijn wij er dan niet?" antwoordde Banks. »'t Is maar een quaestie van dijken! Als 't noodig is, zullen de ingenieurs de overstroomingen van dien Ganges wel weten te bedwingen! Men zal hem het dwangbuis aantrekken!"

»Gelukkig voor u, waarde Banks," antwoordde ik, »dat de Hindoes u zoo niet hooren spreken over hun heiligen stroom! Ze zouden het u nooit vergeven!"

»Werkelijk," antwoordde Banks, »is de Ganges een zoon van God, als hij God zelf niet is, en niets van 't geen hij doet, is kwaad in hunne oogen!"

»Zelfs de koortsen, de cholera, de pest niet, die hij in endemischen toestand onderhoudt!" riep kapitein Hod uit. »Het is waar, dat de tijgers en de krokodillen, waarvan het in de Sunderbunds krioelt, er niet te slechter om varen. Integendeel? Men zou waarlijk zeggen, dat de verpeste lucht die dieren goed doet, als de zuivere lucht van ons sanitarium de Engelsch-Indiërs gedurende het warme jaargetijde. O! die roofdieren!--Fox?" zei Hod, zich naar zijn oppasser omkeerende, die de tafel afnam.

»Kapitein?" antwoordde Fox.

»Heb je daar je zevenendertigste niet gedood?"

»Ja, kapitein, twee mijlen van de haven van Canning," antwoordde Fox. »'t Was op een avond...."

»Genoeg, Fox!" hernam de kapitein, een groot glas grog ledigende, »'k ken de geschiedenis van den zevenendertigsten. Die van den achtendertigsten zou me meer belang inboezemen!"

»De achtendertigste is nog niet dood, kapitein!"

»Je zult hem dooden, Fox, zooals ik mijn eenenveertigsten!"

Men ziet dat in de gesprekken van kapitein Hod en zijn oppasser het woord »tijger" nooit werd uitgesproken. Het was onnoodig, de twee jagers begrepen elkander.

Intusschen versmalde zich de bedding der Hoogly, die bij Calcutta bijna een kilometer breed is, al naarmate wij verder gingen. Boven de stad zijn de oevers vrij laag en heerschen er maar al te dikwijls geduchte cyclonen, die hunne verwoestingen over de geheele provincie uitstrekken. Geheele wijken worden vernietigd, honderden huizen verpletterd, onmetelijke bebouwde velden verwoest, duizenden lijken bedekken steden en velden; dat zijn de rampen, die deze onweerstaanbare natuurverschijnselen na zich sleepen en waarvan de cycloon van 1864 een der noodlottigste voorbeelden opleverde.

Men weet dat het klimaat van Indië drie seizoenen bezit: het regenseizoen, het koude en het heete jaargetijde. Dit laatste is het kortste, maar ook het moeielijkst te verdragen. Maart, April en Mei zijn bijzonder ongunstige maanden. Onder allen is Mei de heetste maand. Door in dezen tijd gedurende zekere uren van den dag de zon te trotseeren, waagt men zijn leven,--althans de Europeanen. Het is inderdaad niet zeldzaam dat de thermometer, zelfs in de schaduw, tot honderd zes graden Fahrenheit (ongeveer 41° C) rijst.

»De menschen," zegt de Valbezen, »blazen dan als droezige paarden en gedurende den oorlog tegen de rebellen, moesten officieren en soldaten hun toevlucht tot stortbaden op het hoofd nemen ten einde congestie te voorkomen."

Nochtans hadden we, dank zij den snellen gang van het Stoomhuis, de door het zwaaien der punka in voortdurende beweging verkeerende lucht, den vochtigen dampkring, die door de telkens besproeide lichtschermen van rietgras circuleerde, niet al te veel van de warmte te lijden. Daarenboven was het regenseizoen, dat van de maand Juni tot de maand October duurt, niet ver meer verwijderd en het was te vreezen, dat het onaangenamer zou zijn dan het heete jaargetijde. Doch, alles wel beschouwd, hadden we in de omstandigheden waaronder onze reis zich voordeed, niets ernstigs te vreezen.

Tegen een uur 's namiddags, kwamen we na een heerlijk niet al te snel ritje te Chandernagor aan.

Ik had dit hoekje land,--het eenige in het presidentschap Bengalen, dat nog aan Frankrijk behoort, reeds vroeger bezocht. Deze stad, waar nog altijd de driekleur woei en die het recht niet heeft meer dan vijftien soldaten voor hare bewaking te houden, deze oude mededingster van Calcutta gedurende de worsteling in de XVIIIe eeuw, is tegenwoordig zeer van hare grootheid vervallen, zonder nijverheid, zonder handel, de bazars verlaten, haar fort ledig. Misschien ware Chandernagor er een weinig boven opgekomen, zoo de spoorweg van Allahabad de stad doorkruist of althans langs hare muren geloopen had; doch bij al de moeilijkheden door het Fransche gouvernement de Engelsche compagnie in den weg gelegd, heeft deze den weg een schuinsche richting moeten geven, teneinde ons grondgebied om te gaan en daardoor heeft Chandernagor de eenige gelegenheid verloren eenig commercieel gewicht te herwinnen.

Onze trein kwam dus de stad niet binnen. Hij hield op drie mijlen van daar, op den weg, bij den ingang van een bosch van waaierpalmen. Toen het kamp geheel was ingericht, zou men gezegd hebben dat er een begin van een dorp op deze plaats in aanbouw was. Maar het dorp was beweeglijk en hernam den volgenden dag, 7 Mei, den afgebroken marsch, na een rustigen nacht in onze gemakkelijke en goed ingerichte vertrekken te hebben doorgebracht.

Gedurende deze halt had Banks de brandstof laten hernieuwen. Alhoewel de machine weinig verteerd had, was hij er op gesteld dat de tender altijd zijn vollen last inhield, namelijk water, hout of kolen genoeg om zestig uren achtereen te stoomen.