Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 5

Chapter 53,685 wordsPublic domain

Daarenboven was de weg in dezen voor de bedevaarten minder gunstigen tijd van het jaar, niet druk bezocht. De Nana en zijne beide metgezellen reden dus snel, zonder vrees dat iets hen kon hinderen of ophouden. Zij namen er den tijd van af om hunne dieren te laten uitblazen, en op deze korte halten, putten zij uit den voorraad, dien Kâlagani aan den zadelknop had opgehangen. Zij vermeden zoodoende de meer bezochte gedeelten der provincie, de bungalows en de dorpen, onder anderen het gehucht Roja, een ellendige hoop zwarte huizen, zooals de door den rook zwart geworden sombere woningen van Cornonailles en Pulmary, een klein, verlaten gehucht in een woeste landstreek.

De bodem was gelijk en vlak. In alle richtingen strekten zich heidevelden uit, overal met dichte jungles bezet. Doch in de nabijheid van Adjuntah werd de landstreek meer oneffen.

De prachtige grotten van dien naam, mededingsters der wondervolle grotten van Ellora, en in hun geheel misschien schooner, nemen het lagere gedeelte eener kleine vallei in, een halve mijl ongeveer van de stad af.

Nana Sahib behoefde dus niet door Adjuntah te gaan, waar de afkondiging van den gouverneur reeds aangeplakt moest zijn. Bijgevolg bestond er voor hem geen vrees herkend te worden.

Vijftien uren dus na Ellora verlaten te hebben, drong hij met zijne metgezellen door een nauwen bergpas, die naar de beroemde vallei geleidde, waarvan de zeven en twintig tempels, in de rotsachtige massa zelve uitgehouwen, over duizelingwekkende afgronden hangen.

Het was een prachtige nacht, met een schitterenden sterrenhemel, doch zonder maan. Hooge vijgeboomen en eenige »bars," die onder de reuzen der Indische flora geteld worden, teekenden zich zwart tegen den met sterren bezaaiden hemel af. Geen windje verstoorde de kalmte van den dampkring, geen blaadje bewoog zich, niet het minste geluid deed zich hooren, of het moest het zacht geruisch zijn van een bergstroom, die eenige honderden schreden verder in een diepe kloof vloeide. Doch dit geruisch nam toe en werd een waar geloei, toen de paarden den waterval van den Satkhound bereikt hadden, die van een hoogte van vijftig vademen valt, gebroken en verscheurd door de scherpe rotsen van kwarts en basalt. Vloeibaar stof dwarrelde in den bergpas rond en zou, zoo de maan in dien schoonen lentenacht den horizont verlicht had, het prachtige schouwspel hebben opgeleverd van de zeven kleuren van den regenboog.

De Nana, Balao Rao en Kâlagani vertoonden zich nu in den bergpas, die op deze plaats een scherpe kromming maakt en een prachtig uitzicht geeft op de vallei, verrijkt door de meesterstukken der boeddhistische bouwkunst. Daar, op de muren dier tempels, rijkelijk met zuilen, rozetten, arabesken, veranda's versierd, bevolkt met kolossale figuren van fantastisch gevormde dieren, voorzien van in de rotsmassa uitgeholde sombere cellen, eertijds door priesters, de bewaarders dezer heilige verblijfplaatsen bewoond, kan de kunstenaar ook nog eenige fresco's bewonderen, die eerst gisteren geschilderd schijnen te zijn en die koninklijke plechtigheden, godsdienstige processies, veldslagen voorstellen waarin al de wapenen van dien tijd voorkomen, zooals ze in de eerste tijden van de christelijke jaartelling in het prachtige land van Indië in zwang waren.

Nana Sahib kende al de geheimen dezer onderaardsche verblijven. Meer dan eens hadden zijne metgezellen en hij, door de koninklijke troepen in 't nauw gebracht, er in de kwade dagen van den opstand een schuilplaats gevonden. De onderaardsche galerijen, die ze met elkander verbonden, de nauwste tunnels in de kwartsachtige rotsmassa uitgegraven, de bochtige gangen, die elkaar in alle richtingen kruisten, de duizend vertakkingen van dien doolhof, die den geduldigste wanhopend zouden gemaakt hebben, alles was hem gemeenzaam. Hij kon er niet verdwalen, zelfs al verlichtte geen fakkel hunne donkerste hoeken.

De Nana ging als iemand, volkomen zeker van zich zelven, recht naar een van de minst belangrijke holen der groep. De opening was verborgen door dicht struikgewas en een hoop groote steenen, afkomstig van een oude instorting, tusschen de struiken van den bodem en de planten, die tusschen de spleten van de rots groeiden.

Een licht tikje op den wand was den nabob voldoende om zijne tegenwoordigheid aan de opening van het hol te kennen te geven.

Dadelijk kwamen twee of drie hoofden van Hindoes tusschen de takken te voorschijn, daarna tien, twintig en weldra vormden die hoofden, door lichamen gevolgd, als slangen tusschen de steenen doorkruipende, een groep van een veertigtal goed gewapende mannen.

»Op marsch!" zeide Nana Sahib.

En zonder eenige verklaring te vragen, zonder te weten waarheen hij hen leidde, volgden hem de getrouwe metgezellen van den nabob, gereed zich op een teeken van hem te laten dooden. Zij waren te voet, maar hunne beenen konden in snelheid wedijveren met die van een paard.

De kleine troep drong door den bergpas, die langs den rand van den afgrond in de richting van het noorden liep en ging om den top van den berg heen. Een uur later had hij den weg van den Kandeisch bereikt, die zich verliest in de bergpassen der Sautpourrabergen.

Met het aanbreken van den dag passeerden zij den tak op Nagpore van den spoorweg van Bombay op Allahabad en even later den weg zelven, die naar het noordoosten loopt.

Op dit oogenblik bruiste de sneltrein van Calcutta voorbij, en liet zijn witten rook in de toppen der trotsche vijgeboomen langs den weg hangen, terwijl de roofdieren der jungles verschrikt op de vlucht joegen.

De nabob hield zijn paard in en riep met luide stem, de hand naar den voortsnellenden trein uitgestrekt:

»Ga en zeg den onderkoning van Indië, dat Nana Sahib nog altijd in leven is en dat hij dezen spoorweg, dat vervloekte gewrocht hunner handen, in het bloed der veroveraars zal verdrinken!"

V.

DE IJZEREN REUS.

Wie beschrijft de verbazing der mannen, vrouwen en kinderen, van Hindoes zoowel als van Engelschen, op den grooten weg van Calcutta naar Chandernagor, toen zij in den vroegen morgen van den 6n Mei uit een der laatste voorsteden van de hoofdstad van Indië, tusschen twee dichte rijen nieuwsgierigen een vreemde equipage zagen te voorschijn komen,--indien men althans dien naam kan geven aan den zonderlingen toestel, die zich langs den oever der Hoogly voortbewoog.

Aan het hoofd en als de eenige beweegkracht van den trein, stapte een reusachtige olifant, van twintig voet hoog, dertig lang en breed naar evenredigheid, bedaard en geheimzinnig voort. Zijn snuit was half omgebogen, als een énorme hoorn van overvloed, met het uiteinde in de lucht. Zijne vergulde slagtanden staken buiten zijn ontzaglijk kakebeen uit, gelijk aan twee dreigende zeisen. Over zijn donkergroen lichaam, zonderling gevlekt, was een in ruime plooien afhangend kleed van schitterende kleuren geslagen, afgezet met goud- en zilverdraadwerk, omgeven door groote eikels van gedraaide franje. Zijn rug torste een soort van prachtig versierd torentje, bekroond met een op de Indische wijze rond koepeldak en welks wanden voorzien waren van groote lensvormige glazen, veel gelijkende op de patrijspoorten eener scheepskajuit.

Wat nu die olifant voorttrok, was een trein van twee énorme wagens, of liever twee werkelijke huizen, een soort van rollende bungalows, elk op vier raderen met sierlijk gebeeldhouwde naven, speken en velgen. Deze wielen, waarvan men slechts het onderste segment zag, bewogen zich in kasten, die half door het onderstel dezer énorme bewegingstoestellen verborgen waren. Een van scharnieren voorzien smal brugje, dat zich naar de beweging der wielen schikte, verbond het eerste voertuig met het tweede.

Hoe kon nu een enkele olifant, hoe sterk ook, schijnbaar zonder de minste moeite, deze twee zware gevaarten trekken? Hij deed het evenwel, het wonderdier! Zijne dikke pooten lichtten zich op en daalden automatisch neder met een echt mechanische regelmaat en hij ging onmiddellijk van den stap in den draf over, zonder dat noch de stem, noch de hand van een »mahout" zich deed hooren of zien.

Dat was voorzeker iets waarover de nieuwsgierigen zich moesten verwonderen, indien zij zich althans op eenigen afstand hielden, want, als zij dichter bij den kolos kwamen, ontdekten zij het geheim en week hunne verbazing voor bewondering.

En inderdaad werd het oor onmiddellijk getroffen door een soort van op de maat afgepast geloei, dat zeer veel overeenkomst had met het eigenaardig geschreeuw van die reuzen der Indische fauna. Daarenboven ontsnapte er in kleine tusschenpoozen uit de naar den hemel gerichte tromp een schitterende rookwolk.

En toch was het zeer zeker een olifant! Zijn met vouwen en rimpels bedekte, zwartachtig groene huid hield ongetwijfeld een dier machtige beenderengestellen verborgen, waarmede de natuur de dikhuidigen begiftigd heeft! Zijne oogen schitterden met een levendigen glans! Zijn leden waren met beweging begaafd!

Doch, zoo de een of andere nieuwsgierige het gewaagd had de hand op het ontzaglijke dier te leggen, was alles helder voor hem geworden. Het was slechts een bewonderenswaardige oogbedrieger, een verrassende navolging, met al de uiterlijke kenteekenen van het leven, zelfs van dichtbij.

Werkelijk was die olifant van plaatijzer en hield inwendig een weglocomotief verborgen, en wat den trein, het »Stoomhuis" betreft, om de benaming te gebruiken, die hem toekomt, het was de door den ingenieur beloofde rollende woning.

De eerste wagen of liever het eerste huis, diende tot woning voor kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en mij.

Het tweede huisvestte sergeant Mac Neil en de lieden, die het personeel van den tocht uitmaakten.

Banks had zijne belofte gehouden, kolonel Munro de zijne en ziedaar hoe men in den morgen van den 6n Mei, in die buitengewone equipage vertrokken was om de noordelijke streken van het Indische schiereiland te bezoeken.

Doch waartoe zulk een kunstmatige olifant? Waarom die fantasie, in strijd met den praktischen geest der Engelschen? Tot nog toe was het nooit bij iemand opgekomen om aan een locomotief, bestemd om, hetzij op de groote straatwegen of op de rails der spoorbanen, te circuleeren, de gedaante van een viervoetig dier te geven!

Het valt niet te ontkennen, dat we, voor 't eerst de wonderlijke machine ziende, ten hoogste verbaasd stonden te kijken. Er kwam geen einde aan de vragen, die onzen vriend Banks ten opzichte der machine gedaan werden. Volgens zijne plannen toch en onder zijne leiding was deze weglocomotief vervaardigd. Wie had hem de zonderlinge gedachte ingeblazen haar tusschen de ijzeren wanden van een mechanischen olifant te verbergen?

»Mijne vrienden," vergenoegde Banks zich zeer ernstig te antwoorden, »kent ge den rajah van Bouthan?"

»Ik ken hem," antwoordde kapitein Hod, »of liever, ik kende hem, want hij is nu sedert drie maanden overleden."

»Welnu, voor hij stierf," antwoordde de ingenieur, »was de rajah van Bouthan niet alleen in leven, maar hij leefde heel anders dan een ander. Hij was zeer op pracht gesteld, onder welken vorm ook. Hij weigerde zich niets, niets namelijk van 't geen hem in zijn hoofd opkwam. Hij bedacht het onmogelijke en indien zijn beurs niet onuitputtelijk geweest ware, had zij werkelijk kans gehad uitgeput te worden in de verwezenlijking zijner weelderige fantasie. Hij was rijk als de nabobs van vroegere tijden. Zoo hij ooit door eenige zorg gekweld werd, dan was het door de zorg hoe zijne schatten iets minder alledaags te verteren dan zijne millioenen rijke medebroeders. Nu kwam er eens een gedachte bij hem op, die zich zoodanig van hem meester maakte, dat hij er niet meer van kon slapen, een gedachte waarop Salomo trotsch zou geweest zijn, en die hij zeker verwezenlijkt zou hebben, als hij den stoom gekend had: de gedachte namelijk om op eene tot nog toe geheel nieuwe wijze te reizen, met een equipage zooals nooit iemand er een had kunnen droomen. Hij kende mij, liet mij aan zijn hof komen en teekende mij zelf het plan van zijn voertuig. En als ge nu denkt, mijne vrienden, dat ik in lachen uitbarstte bij het voorstel van den rajah, dan bedriegt ge u! Ik begreep volkomen dat dit grootsche idée slechts in de hersenen van een Hindoeschen souverein had kunnen opkomen, en 'k had van dat oogenblik af slechts ééne begeerte, het zoodra mogelijk uit te voeren op eene wijze, die mijn dichterlijken cliënt en mij zelven het best kon bevredigen. Een ingenieur is niet alle dag in de gelegenheid zijne krachten aan fantastische voorstellingen te beproeven en de fauna der Apocalypsis of de schepping der Duizend en een Nacht met een dier van eigen vinding te verrijken. En toch, de fantasie van den rajah was uitvoerbaar. Ge weet wat men in werktuigkunde al doet, wat men al kan doen en wat men eenmaal zal doen. Ik zette mij dus aan den arbeid en in dit omhulsel van plaatijzer, dat een olifant voorstelt, gelukte het mij den stoomketel, met het mechanisme en den tender van een weglocomotief met zijn geheele toebehooren in te sluiten. De gelede tromp, die naar goedvinden kan opgeheven en neergedrukt worden, diende mij tot schoorsteen; door middel van een excentriek [5] kon ik de beenen van mijn dier aan de wielen van mijn toestel spannen; ik richtte de oogen in als de lensglazen van een vuurtoren, teneinde op die wijze twee stralen electrisch licht te verspreiden en daarmede was de kunstmatige olifant voltooid. Ik had meer dan eene moeielijkheid moeten overwinnen, die niet dadelijk was opgelost. Het gevaarte kostte mij vrij wat slapelooze nachten, zoodat mijn rajah, die hoogst ongeduldig was en den meesten tijd van zijn leven in mijn werkplaats doorbracht, kwam te sterven, voordat mijn olifant zijne wandeling op de groote wegen van Indië kon beginnen. De ongelukkige had den tijd niet gehad de proef van zijn rollend huis te nemen. Maar zijn erfgenamen, minder fantastisch dan hij, beschouwden den toestel met schrik en bijgeloof, als het werk van een krankzinnige. Zij haastten zich dus er zich tegen een lagen prijs van te ontdoen en daarom kocht ik alles voor rekening van den kolonel. Ge weet nu, mijne vrienden, hoe en waarom wij alleen op de wereld, ik sta er voor in, kunnen beschikken over een stoomolifant van tachtig paardenkracht, of liever van tachtig olifanten van drie honderd kilogrammeters!"

»Bravo! Banks, bravo!" riep kapitein Hod uit. »Een ingenieur, die daarenboven kunstenaar is, een dichter in ijzer en staal, dat mag een witte raaf genoemd worden!"

»Toen nu de rajah dood was," antwoordde Banks, »en zijn equipage teruggekocht, had ik den moed niet mijn olifant te vernietigen en den locomotief zijn gewonen vorm terug te geven!"

»En je hebt volmaakt goed gehandeld!" hernam de kapitein. »Onze olifant is prachtig! En wat zullen we een effect met dat reusachtige dier maken, als het ons over de vlakten en door de jungles van Hindostan voert! Een dergelijk denkbeeld kon alleen bij een rajah opkomen! Welnu, wij zullen dat idée in praktijk brengen, niet waar, kolonel?"

Kolonel Munro had bijna geglimlacht. Dat stond gelijk met een volslagen goedkeuring van de woorden des kapiteins. De reis werd dus vastgesteld en dat was de reden, waarom een ijzeren olifant, eenig in zijn soort, een kunstmatige Leviathan er toe gebracht werd de rollende woning te trekken van vier Engelschen, inplaats van in groote staatsie een der rijkste rajahs van het Indische schiereiland rond te leiden.

En hoe is nu deze weglocomotief ingericht, waaraan Banks vernuftig al de verbeteringen der moderne wetenschap had aangebracht?

Tusschen de vier wielen strekt zich het geheele mechanisme, cilinders, stangen, stoomschuiven, voedingspomp, excentrieken, in het lichaam van den stoomketel geborgen, uit. Deze pijpketel heeft zestig vierkante meters verwarmend oppervlak. Hij is geheel bevat in het voorste gedeelte van het lichaam des olifants, welks achterste gedeelte den tender verbergt, bestemd om het water en de brandstof mede te voeren. De stoomketel en de tender, beiden op hetzelfde gestel geplaatst, zijn alleen van elkander gescheiden door een tusschenruimte voor den stoker. De machinist houdt zijn verblijf in den toren, bestand tegen de kogels, welke toren boven het lichaam van het dier uitkomt en waarin, in geval van een ernstigen aanval, al onze manschappen zich zullen kunnen verschuilen. Onder de oogen van den machinist bevinden zich de veiligheidskleppen en de manometer, die de spanning van den stoom aangeven; binnen zijn bereik de regulator en de gangkruk die hem dienen, de een om den aanvoer van stoom, de andere om de beweging der stoomschuiven te regelen en bijgevolg den gang naar voren of achteren van den toestel te bepalen. Uit dit torentje kan hij door dikke lensvormige glazen den weg waarnemen, dien zij gaan, terwijl een pedaal, die met de voorwielen in verband staat, deze verstelt en het gevaarte de scherpste bochten en krommingen doet maken.

Veeren van het beste staal, aan de assen bevestigd, torsen den ketel en den tender, om de schokken door de ongelijkheden van den grond teweeggebracht, te temperen. Wat de wielen betreft, van beproefde sterkte, zij zijn aan den omtrek van tanden voorzien, die in den grond ingrijpen, hetgeen het slijten of doorslaan belet.

Zooals Banks ons mededeelde, is de nominale kracht der machine tachtig paarden, die men evenwel tot honderd vijftig effectieve kracht kan opvoeren, zonder vrees voor ontploffing. Deze machine, samengesteld volgens de beginselen van het »stelsel Field," is met dubbelen cilinder en veranderlijke uitzetting. Een hermetisch gesloten omhulsel beveiligt het geheele mechanisme voor het stof der wegen, dat het anders spoedig zou bederven. De voortreffelijkheid dezer machine bestaat vooral hierin, dat zij weinig verbruikt en veel voortbrengt. Inderdaad is het gemiddelde verbruik, in verhouding tot de verkregen trekkracht, even voordeelig, hetzij men kool of hout stoke, want de rooster van den vuurhaard is zoo ingericht, dat alle soorten van brandstof kunnen gebruikt worden. Wat de normale snelheid van dezen weglocomotief betreft, deze wordt door den ingenieur geschat op vijf en twintig kilometers per uur, maar op een gunstig terrein, zal hij het tot veertig brengen. De wielen kunnen, zooals wij zeiden, niet gemakkelijk doorslaan, niet alleen door het ingrijpen hunner vellingen in den grond, doch ook omdat de ophanging van den toestel op veeren van uitstekende hoedanigheid, volkomen is en het gewicht, dat door de schokken telkens ongelijk zou worden, daardoor overal gelijkelijk verdeeld blijft. Daarenboven kunnen deze wielen gemakkelijk vastgezet worden door een remtoestel met samengeperste lucht, die het voertuig òf langzamerhand, òf bijna plotseling doet stilstaan.

Wat het vermogen der machine aangaat om tegen hellingen op te gaan, dit is werkelijk merkwaardig. Banks heeft inderdaad de schoonste resultaten verkregen door rekening te houden met het gewicht en het voortdrijvend vermogen, op elken zuiger van zijn locomotief. Ook kan hij gemakkelijk hellingen bestijgen van tien à twaalf centimeters per meter,--'t geen aanzienlijk is.

Overigens zijn de wegen, door de Engelschen in Indië aangelegd en die een net uitmaken van verscheidene duizenden mijlen, wezenlijk prachtig. Zij leenen zich uitstekend voor deze soort van vervoer. Om van geen anderen weg te spreken dan van den »Great Trunk Road", die het geheele schiereiland doorsnijdt, deze strekt zich onafgebroken twaalf honderd mijlen, of bij de twee duizend kilometers ver uit.

En nu, laat ons een en ander vertellen van het Stoomhuis, dat de kunstmatige olifant voorttrok.

Banks toch had van de erfgenamen van den nabob, voor rekening van kolonel Munro niet alleen den weglocomotief gekocht, maar ook den trein, dien hij voorttrok. Wien zal het verwonderen, dat de rajah van Bouthan hem geheel naar eigen vinding en in Hindoeschen trant had laten vervaardigen? Ik noemde hem reeds een rollenden bungalow; hij verdient dien naam ten volle en inderdaad mogen de twee wagens, waaruit de trein bestaat, een wonder van de bouwkunst des lands genoemd worden.

Men stelle zich twee soorten van pagoden zonder minarets voor, met hare dubbele, dikbuikige, ronde koepeldaken, hare uitstekende vensters, door vierkante, platte, gebeeldhouwde zuilen gedragen, haar versiering in veelkleurig lofwerk van kostbare houtsoorten, hare bevallig geteekende, sierlijk gebogen omtrekken, de rijk aangebrachte veranda's, waarin zij van voren en achteren uitloopen. Men zou gezegd hebben, dat het twee aan den heiligen heuvel van Sonnaghur ontleende pagoden waren, die, met elkander verbonden, door dien ijzeren olifant op sleeptouw genomen, de groote wegen van Indië gingen bewandelen!

En, opdat er toch niets aan dit wonderbaarlijke voertuig zou ontbreken, moet nog vermeld worden, dat het drijven kon. Het benedengedeelte toch van het lichaam des olifants, de buik in een woord, die de machine bevat, zoowel als het onderstel der twee rollende huizen, vormden vaartuigen van licht plaatijzer. Deed er zich nu een stroom op zijn weg voor, dan trad de olifant er in, de trein volgde hem en de pooten van het dier, door de drijfstangen als schoepen in beweging gebracht, sleepte het geheele stoomhuis over de rivieren en stroomen voort. Een onschatbaar voordeel voorzeker in het uitgestrekte land van Indië, door zooveel stroomen doorsneden, waarover de bruggen nog moeten gelegd worden.

Zoodanig was dus die trein, eenig in zijn soort en zoodanig had de zonderlinge rajah van Bouthan hem gewild. Maar, mocht Banks al aan de fantasie van den rajah hebben toegegeven, die aan de beweegkracht den vorm van een olifant en aan de rijtuigen de gedaante van pagoden gaf, het inwendige had hij gemeend naar den Engelschen smaak te moeten inrichten en daarbij in het oog gehouden, dat het een reis van langen duur zou zijn. En hierin was hij volkomen geslaagd.

Het Stoomhuis bestond, zooals ik gezegd heb, uit twee wagens, die inwendig niet minder dan zes meters breed waren. Zij overschreden bijgevolg de assen der wielen, die slechts vijf meters breed waren. Op zeer lange en buitengewoon buigzame veeren rustende, hadden zij evenmin van schokken te lijden als de wagens op een goed aangelegden spoorweg.

De eerste wagen had een lengte van vijftien meters. Van voren overschaduwde een sierlijke veranda, op lichte zuilen rustende, een ruim balkon, dat gemakkelijk een tiental personen kon bevatten. Twee vensters en een deur kwamen op het salon uit, daarenboven verlicht door twee zijvensters. Dit salon, gemeubeld met een tafel en een bibliotheek, in zijn geheele breedte voorzien van zachte divans, was smaakvol versierd en met rijke stoffen behangen. Een dik Smyrna's tapijt bedekte den vloer. »Tatti's," een soort van lichtschermen van met bloemen versierd rietgras, voor de vensters gehangen en onophoudelijk met welriekend water besproeid, onderhielden een aangename frischheid, zoowel in het salon als in de kleinere vertrekken. Aan de zoldering hing een »punka," die, terwijl de trein op weg was, automatisch bewogen of gedurende de halten door een dienaar heen en weder gezwaaid werd. Moest men niet met alle mogelijke middelen het onaangename bestrijden eener temperatuur, die gedurende zekere maanden van het jaar, in de schaduw boven vijf en veertig graden C. rijst?