Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
Part 4
Met de maand April trad de opstand in zijn laatste tijdperk. Er werd een veldtocht beraamd en uitgevoerd in Rohilkhande, waarheen voortvluchtige opstandelingen zich in grooten getale begeven hadden. Bareilli, de hoofdstad van het koninkrijk, was het punt waarheen de opperhoofden der Engelsche armee zich het eerst richtten. Het begin was niet gelukkig. De Engelschen leden een soort van nederlaag te Judgespore. De brigade-generaal Adrien Hope werd gedood. Doch, tegen het einde van de maand snelde Campbell te hulp, hernam Schah-Jahanpore, schoot, den 5n Mei Bareilli aanvallende, de stad in brand en nam haar in, zonder te kunnen beletten, dat de opstandelingen haar eerst ontruimden.
Gedurende dien tijd werd in Centraal-Indië de veldtocht van sir Hugh Rose geopend. Deze generaal marcheerde in de eerste dagen van Januari 1858 op Saungor, door het koninkrijk Bhopal, ontzette er het garnizoen den 3n Februari, nam tien dagen later het fort Gurakota, maakte zich met geweld meester van den Mandapore-pas van de keten der Vindhyas, stak de Betwa over, verscheen voor Jansi, verdedigd door elf duizend opstandelingen, onder bevel der woeste Rani, sloot de stad den 22n Maart onder een verzengende hitte in, detacheerde twee duizend man van zijn leger om twintig duizend man van het contingent van Gwalior af te snijden, aangevoerd door den befaamden Tantia-Topi, wierp dit oproerige opperhoofd overhoop, bestormde de stad den 2n April, overweldigde den muur, nam de citadel, waaruit het de Rani gelukte te ontsnappen, hernam de operaties tegen het fort Calpi, waar de Rani en Tantia-Topi besloten hadden te sterven, bemachtigde het den 22n Mei, na een heldhaftige bestorming, zette den veldtocht voort met de vervolging van de Rani en haren metgezel, die zich in Gwalior geworpen hadden, vereenigde er den 16n Juni zijne beide brigades, versterkt door een macht onder den brigade-generaal Napier, verpletterde de opstandelingen te Morar, veroverde de plaats den 18n en kwam na een zegevierenden veldtocht te Bombay terug.
Het was in een voorposten-gevecht, voor Gwalior, dat de Rani sneuvelde. Deze geduchte koningin, met hart en ziel gehecht aan den nabob, wiens getrouwe gezellin zij gedurende den opstand geweest was, werd gedood door de eigen hand van sir Edward Munro. Nana Sahib over het lijk van lady Munro te Cawnpore, de kolonel over het lijk van de Rani te Gwalior, waren twee mannen die den opstand en zijne onderdrukking vertegenwoordigden, wier bittere haat jegens elkander vreeselijke gevolgen zoude hebben, indien zij elkander ooit van aangezicht tot aangezicht weder mochten ontmoeten!
Op dit oogenblik kon men den opstand als bedwongen beschouwen, uitgenomen misschien in eenige gedeelten van het koninkrijk Oude. Campbell opent dus den 2n November een nieuwen veldtocht, maakt zich van de laatste stellingen der opstandelingen meester en verplicht eenige voorname opperhoofden zich te onderwerpen. Evenwel is er een van hen, Beni Madho, die nog altijd niet gevat is. Men verneemt in December, dat hij in een aangrenzend distrikt van Nepaul de wijk genomen heeft. Men verzekert dat Nana Sahib, Balao Rao, zijn broeder, en de Begoem van Oude met hem zijn. Later, gedurende de laatste dagen van het jaar, loopt er een gerucht, dat zij een schuilplaats gezocht hebben aan de grens der koninkrijken Nepaul en Oude. Campbell zit hen dicht op de hielen, maar zij gaan over de grens. Het was eerst in de eerste dagen van Februari 1859, dat een Engelsche brigade, waarvan een der regimenten onder bevel stond van den kolonel Munro, hen tot in Népaul kon vervolgen. Beni Madho wordt gedood, de Begoem van Oude en haar zoon worden gevangen genomen en verkrijgen vergunning in de hoofdstad van Nepaul te wonen. Wat Nana Sahib en Balao Rao betreft, geruimen tijd meende men dat zij dood waren en toch was dit niet het geval.
Hoe het zij, de geduchte opstand was gefnuikt. Tantia-Topi, overgeleverd door zijn luitenant Man-Singh en ter dood veroordeeld, stond den 15n April te Sipri te recht. Deze oproerling, »deze inderdaad merkwaardige figuur uit het groote treurspel van den Indischen opstand," zegt de Valbezen, »en die bewijzen gaf van een staatkundig genie vol berekening en overleg," stierf moedig op het schavot.
Toch moest het einde van dezen opstand der Sipayers, die den Engelschen misschien Indië zou gekost hebben, indien hij zich over het geheele schiereiland had uitgestrekt, en vooral indien de beweging nationaal geweest was, den val van de achtbare Indische Compagnie na zich sleepen.
Inderdaad werd met het einde van het jaar 1857 het Hof der Direkteurs door lord Palmerston met ondergang bedreigd.
Den 1n November 1858, verkondigde een proclamatie, in twintig talen uitgevaardigd, dat Haar Majesteit Victoria Beatrix, koningin van Engeland, den schepter van Indië in handen nam, waarvan zij eenige jaren later tot keizerin zou gekroond worden.
Dit was het werk van lord Stanley. De titel van gouverneur, vervangen door dien van onderkoning, een secretaris van Staat en vijftien leden, de centrale regeering uitmakende, de leden van den raad van Indië buiten den Indischen dienst benoemd, de gouverneurs der presidentschappen van Madras en Bombay, door de koningin gekozen, de leden van den Indischen dienst en de hoofdkommandanten gekozen door den secretaris van Staat, zoodanig waren de voornaamste beschikkingen van het nieuwe gouvernement.
Wat de militaire macht betreft, het koninklijk leger telt tegenwoordig zeventien duizend man meer dan voor den opstand der Sipayers, namelijk twee en vijftig regimenten infanterie, negen regimenten fuziliers en een aanzienlijke artillerie, met vijf honderd man per kavallerie-regiment en zeven honderd man per infanterie-regiment.
Het inlandsche leger bestaat uit honderd zeven en dertig regimenten infanterie en veertig regimenten kavalerie; maar de artillerie is Europeesch, bijna zonder uitzondering.
Zoodanig is tegenwoordig de toestand van het schiereiland uit een administratief en militair oogpunt, zoodanig is het effectief der gewapende macht, die een grondgebied moet beschermen van vier honderd duizend vierkante mijlen.
»De Engelschen," zegt terecht Grandidier, »zijn gelukkig geweest in dit groote en prachtige land een zacht, schrander, beschaafd volk aan te treffen, dat van ouds geleerd heeft zich te onderwerpen. Doch, zij mogen op hun hoede zijn, de zachtheid heeft hare grenzen en moge het juk niet te zwaar zijn, of eenmaal richten de hoofden zich op en verbreken het."
IV.
IN DE GROTTEN VAN ELLORA.
Het was maar al te waar. De mahratten-prins Dandou-Pant, de aangenomen zoon van Baji-Rao, Peïschwah van Pounah, in een woord Nana-Sahib,--op dit oogenblik misschien de eenige overlevende van de hoofden der omwenteling der Sipayers,--had zijne ongenaakbare schuilhoeken in Nepaul kunnen verlaten. Dapper, stoutmoedig, gewoon allerlei gevaren te trotseeren, bekwaam in de kunst zijn vervolgers het spoor bijster te doen worden, buitengewoon listig, had hij zich tot in de provincie van Dekan gewaagd, onder de nooit sluimerende inblazingen van een haat, dien de vreeselijke weerwraak van den opstand van 1857 slechts vertienvoudigd had.
Ja! het was een doodelijke haat, dien de Nana den bezitters van Indië gezworen had. Hij was de erfgenaam van Baji-Rao en, toen de Peïschwah in 1851 stierf, weigerde de Compagnie hem voortaan het pensioen van acht lakhs ropyen (een millioen gulden) uit te keeren, waarop hij recht had. Dit was een der oorzaken van dien haat, die tot de grootste buitensporigheden zou leiden.
Maar wat hoopte Nana Sahib dan? Sedert acht jaren was de opstand der Sipayers volkomen gedempt. Het Engelsche gouvernement was allengs in de plaats getreden van de achtbare Indische Compagnie en hield het gansche schiereiland onder vrij wat strenger bestuur dan dat van de vereeniging der kooplieden. Er was geen spoor van den opstand meer overgebleven, zelfs niet in de rangen van het inlandsche leger, dat ook geheel gereorganiseerd was. Had de Nana dan kans van slagen in zijne pogingen om onder de lagere klassen van Hindostan een nieuwe beweging aan te stoken? Zijne plannen zullen weldra bekend zijn. Eene zaak wist hij, dat namelijk zijne tegenwoordigheid in de provincie Aurungabad gesignaleerd was geworden, dat de gouverneur-generaal er de onderkoning te Calcutta van verwittigd had en dat er een prijs op zijn hoofd gesteld was. Zeker was het dat hij overijld op de vlucht had moeten gaan en zich op nieuw in zulk een goed verborgen schuilplaats had moeten verbergen, dat hij aan de nasporingen van de agenten der Engelsch-Indische politie kon ontsnappen.
De Nana verloor in den nacht van den 6n op den 7n Maart geen uur. Hij kende het land volkomen en besloot Ellora te bereiken, gelegen op vijf en twintig mijlen van Aurungabad, om zich daar bij een zijner medeplichtigen te voegen.
De nacht was donker. De gewaande fakir richtte zich, na zich overtuigd te hebben dat hij niet vervolgd werd, naar het praalgraf, op eenigen afstand van de stad opgericht ter eere van den mohamedaan Sha-Soufi, een heilige wiens reliquiën den naam hebben genezingen te volbrengen. Maar alles sliep toen in het praalgraf, priesters en bedevaartgangers, en de Nana kon zich bewegen zonder door lastige vragen verontrust te worden.
Evenwel was het niet zoo duister, dat dit granietblok, het onneembare fort van Daoulutabad dragende en zich midden in eene vlakte tot eene hoogte van twee honderd veertig voet verheffende, zijn ontzaglijk schaduwbeeld aan de blikken kon onttrekken. Toen de nabob het zag, herinnerde hij zich dat een der keizers van Dekan, een zijner voorouders, zijn hoofdstad had willen maken van de uitgestrekte stad, die vroeger aan den voet van het fort gebouwd was. En werkelijk zou het een onverwinlijke positie geweest zijn, zeer geschikt om in dit gedeelte van Indië het middelpunt eener oproerige beweging te worden. Doch Nana Sahib wendde het hoofd om en had slechts een blik vol haat over voor die sterkte, nu in de handen zijner vijanden.
Op deze vlakte volgde een meer afwisselend terrein. Het waren de eerste oneffenheden van den bodem, die weldra bergachtig zou worden. De Nana, nog in de volle kracht des levens, vertraagde zijne schreden niet, toen hij reeds vrij steile hellingen moest beklimmen. Hij wilde dien nacht vijf en twintig mijlen maken, dat is den afstand afleggen, die Ellora van Aurungabad scheidt. Eenmaal daar, hoopte hij in veiligheid te kunnen uitrusten. Ook hield hij zich niet op, noch in een karavansera, voor iedereen open, die men op weg ontmoette, noch in een half vervallen bungalow, waar hij in een afgezonderd gedeelte van den berg een paar uur had kunnen slapen.
Bij het opgaan der zon ging de vluchteling om het dorp Ranzah heen, dat het zeer eenvoudige graf bezit van den grootsten Mongoolschen keizer, Aureng-Zeb. Eindelijk had hij de beroemde groep holen bereikt, die hun naam ontleend hebben aan het kleine dorp bij Ellora.
De heuvel, waarin die holen ten getale van een dertigtal gegraven zijn, heeft de gedaante van een halve maan. Vier tempels, vier en twintig bouddhisten-kloosters, eenige minder belangrijke grotten, zijn de monumenten van de groep. De basaltgroeve is rijkelijk door menschenhanden geëxploiteerd. Maar niet om de kunststukken, hier en daar over de onmetelijke oppervlakte van het schiereiland verspreid, hebben de hindostansche bouwkundigen in de eerste eeuwen der christelijke jaartelling er de steenen uitgegraven. Neen! die steenen zijn alleen daarom weggenomen om ledige ruimten in de hoofdmassa te maken en het zijn deze ruimten, die, al naar hunne bestemming, »chaityas" of »viharas" geworden zijn.
De zonderlingste dezer tempels is voorzeker die der Kaïlas. Men stelle zich een blok voor van honderd twintig voet hoog, bij een omtrek van zes honderd voet. Dit blok heeft men stoutweg in den berg zelven uitgesneden en te midden van een plein van drie honderd zestig voet lang en honderd zes en tachtig breed afgezonderd,--een plein, verkregen ten koste van de basaltmassa. Toen nu eenmaal dit blok op deze wijze was vrijgemaakt, hebben de architecten het uitgehouwen, evenals een beeldhouwer een stuk ivoor. Uitwendig hebben zij kolommen uitgesneden, kleine pyramiden gebeeldhouwd, koepels vervaardigd, zooveel van de rots gespaard als noodig was om de bas-reliefs goed te doen uitkomen, meer dan levensgroote olifanten voorstellende, die het geheele gebouw schijnen te dragen; inwendig hebben zij een groote zaal uitgehouwen, omgeven met kapellen en waarvan het gewelf op kolommen rust, die van de geheele massa zijn afgezonderd. Eindelijk hebben zij van dit uit één steen gemaakte kunstwerk een tempel vervaardigd, die in de eigenlijke beteekenis van het woord niet »gebouwd" is geworden, maar een tempel eenig op de wereld en die waardig is mede te dingen met de bewonderenswaardigste gebouwen van Indië en zeer goed de vergelijking kan doorstaan met de onderaardsche begraafplaatsen van het oude Egypte.
Deze tempel, nu bijna verlaten, is als alle aardsche dingen, niet door den tijd gespaard. In sommige gedeelten begint hij reeds te vervallen. Zijne bas-reliefs slijten af als de wanden van de steenen massa, waaruit men ze vervaardigd heeft en toch bestaat dit kunstgewrocht nog slechts duizend jaren. Maar wat in de werken der natuur nog nieuw is, is dikwijls reeds oud en vervallen in den arbeid der menschen. In den zijdelingschen grondmuur links waren eenige diepe scheuren gekomen, en het is door een dezer openingen, die half door het kruis van een der torschende olifanten verborgen waren, dat Nana Sahib weg sloop, zonder dat iemand zijn komst te Ellora had kunnen vermoeden.
De scheur kwam uit in een donkeren gang, die door den grondmuur liep en zich in de diepte tot onder den bodem des tempels uitstrekte. Daar had men een soort van onderaardsche kapel of put, nu droog, uitgegraven, die tot vergaarbak van het regenwater diende.
Zoodra de Nana in den gang was gekomen, deed hij een zeker gefluit hooren, dat door een gelijk gefluit beantwoord werd. Het was geen echo. Weldra werd de duisternis verlicht door een Hindoe, die een kleinen lantaren in de hand droeg.
»Geen licht!" zei de Nana.
»Ben jij het, Dandou-Pant?" antwoordde de Hindoe, die dadelijk zijn lantaren uitdoofde.
»Ik, broeder!"
»Is.....?"
»Eerst iets te eten," antwoordde de Nana, »dan zullen we praten. Maar noch om te praten, noch om te eten heb ik licht noodig. Neem mijn hand en geleid me."
De Hindoe greep de hand van den Nana, nam hem mede naar de enge kapel en liet hem zich uitstrekken op een hoop drooge kruiden, dien hij zooeven verlaten had. Het fluiten van den fakir had hem uit zijn laatsten slaap gewekt.
Deze man, gewoon zich in deze donkere schuilplaats te bewegen, had spoedig eenig voedsel gevonden, brood, een soort van pastei, bereid van kippenvleesch, dat veel in Indië gegeten wordt, en een kalbasflesch met een halve pint met die sterke likeur, bekend onder den naam van »arak," verkregen door de distillatie van het sap van den kokosnoot.
De Nana at en dronk zonder een woord te spreken. Hij bezweek bijna van honger en vermoeienis. Zijn geheele leven concentreerde zich toen in zijne oogen, die in de duisternis vuur schoten als de oogen eens tijgers.
De Hindoe wachtte zonder zich te bewegen totdat de nabob goedvond om te spreken.
Die man was Balao Rao, de eigen broeder van Nana Sahib.
Balao Rao, oudere broeder van Dandou-Pant, doch nauwlijks een jaar, geleek hem lichamelijk sprekend, maar ook geestelijk was het Nana Sahib volkomen. Dezelfde haat jegens de Engelschen, dezelfde sluwheid in zijne plannen, dezelfde wreedheid in de uitvoering, dezelfde ziel in twee lichamen. Gedurende den geheelen opstand hadden de twee broeders elkander niet verlaten. Na de nederlaag had hetzelfde kampement aan de grenzen van Nepaul hun een schuilplaats verleend. En nu, door een zelfde gedachte bezield de worsteling op nieuw te beginnen, waren zij beiden gereed te handelen.
Toen de Nana, door den haastig verslonden maaltijd verkwikt, zijne krachten had terug erlangd, bleef hij eenigen tijd met het hoofd in de handen geleund zitten. Balao Rao, meenende dat hij zich door eenige uren slaap wilde versterken, bewaarde altijd het stilzwijgen.
Doch Dandou-Pant, het hoofd oprichtende, vatte de hand van zijn broeder en zeide met doffe stem:
»'k Ben gesignaleerd in het presidentschap van Bombay! De gouverneur van het presidentschap heeft een prijs op mijn hoofd gesteld! Hij heeft duizend gulden uitgeloofd aan hen, die hem Nana Sahib zal overleveren!"
»Dandou-Pant!" riep Balao Rao uit, »je hoofd is meer waard! Dat zou nauwlijks de prijs van het mijne zijn en na drie maanden zouden ze maar al te gelukkig zijn ze beiden voor tien duizend gulden te hebben!"
»Ja," antwoordde de Nana, »over drie maanden, den 23n Juni, is het de verjaardag van den veldslag van Plassey waarvan de honderdste verjaardag, in 1857, het eind van de Engelsche heerschappij en de vrijmaking van het zonneras moest zien! Onze profeten hadden het voorzegd! Onze barden hadden het bezongen! Binnen drie maanden, broeder, zullen honderd negen jaren verloopen zijn en nog altijd is de vreemdeling heer en meester over Indië!"
»Dandou-Pant," antwoordde Balao Rao, »wat in 1857 niet gelukt is, kan en moet tien jaren later gelukken. In 1827, in 1737, in 1847 hebben er oproeren in Indië plaats gehad! Om de tien jaar worden de Hindoes door de omwentelingskoorts aangetast! welnu, dit jaar zullen ze zich genezen door zich in golven Europeesch bloed te baden!"
»Dat Brahma ons geleide," zeide Nana zacht, »en dan oog om oog, tand om tand! Wee den aanvoerders van het koninklijke leger, die onder de slagen onzer Sipayers niet gevallen zijn! Laurence is dood, Barnard is dood, Hope is dood, Napier is dood, Hodson is dood, Havelock is dood! Maar eenigen hebben het overleefd! Campbell, Rose leven nog, en onder hen hij, dien ik het meest van allen haat, die kolonel Munro, die afstammeling van den beul, hij, die met eigen hand mijn gezellin, de Rani van Jansi gedood heeft! Als hij in mijn handen valt, zal hij zien of ik de gruwelen van den kolonel Neil, de moorden van Sekander Bagh, de slachtingen van het paleis der Begoem, van Bareilli, van Jansi en van Morar, van het eiland Hydaspes en van Delhi vergeet! Hij zal zien of ik vergeten heb, dat wij elkander's dood gezworen hebben!"
»Heeft hij zijn ontslag niet uit den dienst genomen?" vroeg Balao Rao.
»O! wat dat aangaat!" antwoordde Nana Sahib, »bij de eerste beweging treedt hij weder in dienst! Maar wordt ook deze opstand onderdrukt, dan zal ik hem opsporen tot in zijn bungalow van Calcutta en hem daar dooden!"
»Goed, maar nu?...."
»Nu, het eenmaal begonnen werk moet voortgezet worden. De beweging zal dezen keer nationaal zijn. Als in de steden en buiten op het land de Hindoes opstaan, zullen de Sipayers spoedig gemeene zaak met hen maken. Ik heb het midden en noorden van Dekan doorgetrokken en overal heb ik de gemoederen geneigd tot den opstand gevonden. Er zijn geen steden, noch gehuchten, waar we geen aanvoerders hebben, gereed om dadelijk te handelen. De Brahmanen zullen het volk opwinden. De godsdienst zal ditmaal de volgelingen van Çiva en van Vishnoe medesleepen. Op het vooraf beraamde tijdstip, zullen bij het overeengekomen signaal, millioenen Hindoes opstaan, en de koninklijke armee zal vernietigd worden!"
»En Dandou-Pant?...." vroeg Balao Rao, de hand van zijn broeder grijpende.
»Dandou-Pant," antwoordde de Nana, »zal niet slechts zijn de op het sterke kasteel Bilhour bekroonde Peïschwah! Hij zal dan zijn de souverein van het heilige land der Indiën!"
Na deze woorden gesproken te hebben, bleef Nana Sahib, de armen gekruist, met den droomenden blik van hen, die niet het verledene of het tegenwoordige, maar de toekomst gadeslaan, in stilte verzonken.
Balao Rao wachtte zich wel hem te storen. Liever liet hij deze ongetemde ziel zich door haar eigen vuur ontvlammen en des noods was hij immers daar om het vuur dat in hem smeulde, aan te blazen. Nana Sahib kon geen medeplichtige hebben, inniger aan zijn persoon verbonden, geen vuriger raadsman om hem zijn doel te doen bereiken. Het is reeds gezegd, het was zijn ander ik.
Na eenige minuten van stilte, richtte de Nana het hoofd op en kwam tot den tegenwoordigen toestand terug.
»Waar zijn onze metgezellen?" vroeg hij.
»In de grotten van Adjuntah, waar ze ons volgens afspraak zouden wachten," antwoordde Balao Rao.
»En onze paarden?"
»'k Heb ze een eind van hier op den weg van Ellora naar Boregami in bewaring gegeven."
»Bij Kâlagani immers?"
»Juist, broeder. Ze worden daar goed verzorgd en staan gereed om te vertrekken."
»Laten we dan vertrekken," antwoordde de Nana. »We moeten voor het aanbreken van den dag te Adjuntah zijn."
»En waarheen dan verder?" vroeg Balao Rao. »Heeft deze overhaaste vlucht je plannen niet tegengewerkt?"
»Neen," antwoordde Nana Sahib. »We zullen de Sautpourrabergen bereiken, waarvan ik al de passen ken en waar ik de nasporingen van de Engelsche politie kan trotseeren. Daar ook zullen we op het grondgebied zijn der Bhîls en der Gounds, die onze zaak getrouw zijn gebleven. Daar zal ik dan het gunstige oogenblik kunnen afwachten, te midden van de bergachtige streek der Vindhyas, waar de gemoederen altijd in gisting verkeeren!
»Op marsch!" antwoordde Balao Rao. »Welnu, ze hebben duizend gulden uitgeloofd aan hem, die je vangt. Maar, 't is niet voldoende om een prijs op je hoofd te stellen, 't moet genomen worden ook!"
»Ze krijgen 't niet," antwoordde Nana Sahib. »Kom, zonder een oogenblik te verliezen, broeder, kom!"
Balao Rao liep met zekeren tred door den nauwen gang, die naar deze donkere schuilplaats, onder den vloer van den tempel gegraven, geleidde. Aan de opening gekomen, door het kruis van den steenen olifant verborgen, stak hij voorzichtig het hoofd naar buiten, keek rechts en links, verzekerde zich dat de toegangen vrij waren en waagde zich buiten. Uit overmaat van voorzorg, liep hij een twintig schreden ver in de laan, die de richting volgde van de as des tempels, doch niets verdachts opmerkende, liet hij een gefluit hooren, om Nana te waarschuwen dat de weg vrij was.
Eenige oogenblikken later, verlieten de beide broeders de een halve mijl lange, kunstmatige vallei, waarin een menigte galerijen, gewelven, uitdiepingen, op zekere plaatsen tot een groote hoogte trapsgewijze boven elkander zijn uitgehouwen. Zij vermeden het mohamedaansche praalgraf, dat tot bungalow dient voor de bedevaartsgangers of de nieuwsgierigen van allerlei landaard, aangetrokken door de wonderen van Ellora; eindelijk, na het dorp Ranzah te zijn omgegaan, bevonden zij zich op den weg, die Adjuntah met Boregami verbindt.
De afstand van Ellora naar Adjuntah bedroeg vijftig mijlen (80 kilometers ongeveer); doch de Nana was nu niet meer de vluchteling, die te voet en zonder middel van vervoer uit Aurungabad ontsnapte. Zooals Balao Rao gezegd had, wachtten hun drie paarden op den weg op, onder de hoede van den Hindoe Kâlagani, een getrouwen dienaar van Dandou-Pant. Deze paarden waren verborgen geweest in een dicht bosch, een mijl van het dorp af. Het eene was bestemd voor den Nana, het andere voor Balao Rao, het derde voor Kâlagani en even daarna galoppeerden alle drie in de richting van Adjuntah. Niemand trouwens zou er zich over verwonderd hebben een fakir te paard te zien, want inderdaad vragen deze brutale bedelaars dikwijls te paard zittende een aalmoes.