Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
Part 3
»Hoera! Hoera! Hoera!" juichte kapitein Hod, »en wee de wilde dieren op de Népaulsche grenzen!"
Op dit oogenblik verscheen sergeant Mac Neil, aangetrokken door de hoera's van den kapitein, aan de deur der woning.
»Mac Neil," zei kolonel Munro tot hem, »we vertrekken binnen een maand naar het noorden van Indië. Je maakt immers de reis mee?"
»Natuurlijk, kolonel, omdat u gaat!" antwoordde sergeant Mac Neil.
III.
DE OPSTAND DER SIPAYERS.
Eenige weinige woorden zullen voldoende zijn om den toestand van Indië te doen kennen ten tijde van de voorvallen, die in dit verhaal voorkomen en meer bijzonder van het geduchte oproer der Sipayers, waarvan we hier de voornaamste feiten in het geheugen willen terugbrengen.
Het was in 1600, onder de regeering van Elisabeth, op den gewijden grond van Aryavarta, te midden eener bevolking van twee honderd millioen bewoners, waarvan honderd twaalf millioen den Hindoeschen godsdienst beleden, dat de zeer achtbare Oost-Indische Compagnie gesticht werd, bekend onder den echt Engelschen bijnaam van »Old John Company."
Het was in het begin een eenvoudige »vereeniging van kooplieden, die handel op Oost-Indië dreven" en aan welker hoofd de hertog van Cumberland geplaatst werd.
Omstreeks dezen tijd was de Portugeesche macht, die groot in Indië geweest was, reeds aan het afnemen. Ook namen de Engelschen, van dezen toestand gebruik makende, een eerste proef van politiek en militair bestuur in het presidentschap van Bengalen, waarvan de hoofdstad, Calcutta, weldra het middelpunt der nieuwe regeering zou worden. Al dadelijk kwam het 39e regiment der koninklijke armée, uit Engeland afgezonden, de provincie bezetten. Van daar de zinspreuk, die het nog altijd in zijn vaandel draagt: Primus in Indiïs.
Intusschen had zich ongeveer terzelfder tijd, onder bescherming van Colbert een Fransche Compagnie gevestigd. Zij had hetzelfde doel als de Compagnie van de Londensche kooplieden. Wat wonder dat uit die mededinging een strijd van belangen geboren werd. Er volgde een langdurige met afwisselend geluk gevoerde worsteling uit, die de namen van Dupleix, Labourdonnais en Lally-Tollendal beroemd maakte.
Eindelijk moesten de Franschen voor de overmacht bukken en Carnatië, dat gedeelte van het schiereiland, dat een gedeelte van zijn oostelijke grens bevat, verlaten.
Lord Clive, zonder concurrenten voortaan, niets meer van Portugal noch van Frankrijk te vreezen hebbende, ondernam toen de verovering van Bengalen, waarvan lord Hastings tot Gouverneur-generaal benoemd werd. Door een bekwaam en volhardend bestuur kwamen heilzame hervormingen tot stand. Maar van dien tijd af aan werd de Oost-Indische Compagnie, eens zoo machtig, rechtstreeks in hare dierbaarste belangen getroffen. Eenige jaren later, in 1784, bracht Pitt nogmaals wijzigingen in de oorspronkelijke oorkonde. Haar schepter moest overgaan in de handen van de raadslieden der Kroon. Het gevolg van dezen stand van zaken was, dat in 1813 de Compagnie het monopolie van den Indischen handel en in 1833 het monopolie van den handel met China ging verliezen.
Al had nu evenwel Engeland niet meer te strijden tegen de vreemde maatschappijen op het schiereiland, moest het toch moeielijke oorlogen voeren, hetzij tegen de oude bezitters van den grond, hetzij tegen de laatste Aziatische veroveraars van dit rijke grondgebied.
Onder lord Cornwallis, in 1784, was het de strijd met Tippo Sahib, gedood den 4n Mei 1799, bij de laatste bestorming van Seringapatam door generaal Harris. Het was de oorlog met de Mahratten, dat volk van voornaam ras, zeer machtig in de XVIIIe eeuw, en de oorlog met de Pindaris, die zich zoo moedig verdedigden. Het was nog de oorlog met de Gourgkhas van Népaul, de stoutmoedige bergbewoners, die in de gevaarlijke beproeving van 1857 de getrouwe bondgenooten der Engelschen zouden blijven. Eindelijk was het de oorlog tegen de Birmanen, van 1823 tot 1824.
In 1828 waren de Engelschen meester, direct of indirect, van een groot gedeelte van het grondgebied. Met lord William Bentinck begon een nieuw tijdperk van bestuur.
Sedert de regeling der militaire macht in Indië, had het leger altijd twee zeer onderscheiden contingenten geteld, het Europeesche en het inlandsche contingent. Het eerste vormde het koninklijke leger, samengesteld uit regimenten cavalerie, bataillons infanterie en bataillons Europeesche infanterie in dienst van de Oost-Indische Compagnie; het tweede vormde het inlandsche leger, bevattende bataillons infanterie en bataillons geregelde, maar inlandsche cavalerie, gekommandeerd door Engelsche officieren. Daarbij kwam een artillerie, waarvan het personeel, tot de Compagnie behoorende, met uitzondering van eenige batterijen, uit Europeanen bestond.
Welk was het effectief dezer regimenten of bataillons, die onverschillig op deze wijze in het koninklijk leger genoemd worden? Wat de infanterie aangaat, elfhonderd man per bataillon in het leger van Bengalen en acht à negen honderd in de legers van Bombay en Madras; wat de cavalerie betreft, zeshonderd paarden in ieder regiment der twee legers.
In het geheel kon men in 1837, zooals het door de Valbezen in zijne Nieuwe studieën over de Engelschen en Indië, een zeer merkwaardig werk, met groote nauwkeurigheid wordt vastgesteld, de gansche macht der drie presidentschappen, schatten op twee honderd duizend inlandsche troepen en op vijf en veertig duizend Europeesche.
Nu maakten de Sipayers wel is waar een geregeld corps uit, door Engelsche officieren gekommandeerd, maar zij koesterden toch altijd een stille neiging om het harde juk der Europeesche discipline, hun door de veroveraars opgelegd, af te schudden. Reeds had in 1806, misschien zelfs op aanstoken van den zoon van Tippo Sahib, het garnizoen van het inlandsche leger van Madras, gekantonneerd te Vellore, de hoofdwacht van het 69e regiment der koninklijke armee vermoord, de kazernen in brand gestoken, de officieren en hunne families omgebracht en de zieke soldaten tot in het hospitaal doodgeschoten. Wat was de oorzaak van dezen opstand geweest,--de schijnbare oorzaak, althans? Een voorgewende quaestie van knevels, van kapsel en oorringen, maar eigenlijk was het de haat der veroverden tegen de veroveraars.
Deze eerste opstand werd spoedig in de geboorte gestikt door de koninklijke troepen, die te Ascot gekantonneerd waren.
Een dergelijke reden,--ook een voorwendsel,--was evenzeer de aanleiding tot de eerste oproerige beweging van 1857,--een nog veel geduchter opstand, die voor altijd de Engelsche macht in Indië zou vernietigd hebben, indien de inlandsche troepen van de presidentschappen van Madras en Bombay er aan deel hadden genomen.
Alvorens evenwel verder te gaan, moet vermeld worden, dat deze opstand niet nationaal was. De Hindoes van het land en der steden, dat is zeker, stelden er niet het minste belang in. Bovendien bepaalde hij zich tot de half onafhankelijke Staten van Centraal-Indië, tot de provincies van het noordwesten en het koninkrijk Oude. Pendjab bleef den Engelschen getrouw met zijn regiment van drie escadrons uit den Indischen Caucasus. Ook de Sikhs, deze werklieden van lagere kaste, die zich inzonderheid bij het beleg van Delhi onderscheidden; getrouw ook de Gourgkhas, ten getale van twaalfduizend naar het beleg van Lucknow gevoerd door den rajah van Nepaul, getrouw eindelijk de Maharajahs van Gwalior en van Pattyalah, de rajah van Rampore, de Rani van Bhopal, getrouw aan de wetten van de militaire eer en om de gewone uitdrukking, in zwang onder de inboorlingen van Indië, te gebruiken »getrouw aan het zout."
Bij den aanvang van den opstand, bevond lord Canning zich aan het hoofd van het bestuur in hoedanigheid van gouverneur-generaal. Misschien had die staatsman zich verkeerde voorstellingen gevormd aangaande de strekking der beweging. Reeds sedert eenige jaren was de ster van het Vereenigde Koninkrijk zichtbaar verbleekt aan den Hindoeschen hemel. In 1842 had de terugtocht van Kaboel het prestige der Europeesche veroveraars doen afnemen. De houding van het Engelsche leger gedurende den Krimoorlog was in sommige opzichten beneden de militaire faam gebleven. Ook was er een oogenblik dat de Sipayers, die zeer op de hoogte waren van hetgeen er voorviel op de oevers van de Zwarte zee, dachten dat een opstand der inlandsche troepen misschien zou gelukken. Er was trouwens slechts een vonk noodig om de behoorlijk voorbereide gemoederen, die de barden, de Brahmanen, de »moulvis" door hunne redevoeringen en gezangen aanvuurden, in lichtelaaie vlam te brengen.
Deze gelegenheid bood zich aan in het jaar 1857, toen, tengevolge van buitenlandsche aangelegenheden, het contingent van het koninklijk leger noodzakelijk had moeten verminderd worden.
In het begin van dit jaar had Nana Sahib, anders genoemd de nabob Dandou-Pant, die bij Cawnpore zijn verblijf hield, zich naar Delhi en daarna naar Lucknow begeven, met het doel ongetwijfeld de sedert lang voorbereide omwenteling te bevorderen.
En werkelijk barstte korten tijd na het vertrek van den Nana de oproerige beweging los.
Het Engelsche gouvernement had voor korten tijd in het inlandsche leger de Enfield-karabijn ingevoerd, die het gebruik noodzakelijk maakt van met vet bestreken patronen. Zekeren dag verspreidde zich het gerucht, dat dit vet of rundervet of varkensvet was, al naardat de patronen bestemd waren voor de Hindoesche of Mohamedaansche soldaten van het inlandsche leger.
In een land nu waar zelfs het volk weigert zeep te gebruiken, omdat zij kan vervaardigd zijn van het vet van een heilig of onrein dier, moest het gebruik van patronen met deze stof besmeerd,--patronen die met de tanden moeten afgebeten worden en met de lippen in aanraking komen,--de algemeene ontevredenheid opwekken. Het gouvernement gaf gedeeltelijk toe aan de bezwaren, die hiertegen gemaakt werden, maar het mocht de behandeling der karabijn al wijzigen, verzekeren dat het vet in quaestie niet diende tot de vervaardiging der patronen, toch bevredigde en overtuigde het niemand in het leger der Sipayers.
Den 24n Februari, te Berampore, weigert het 34e regiment de patronen. In het midden van Maart wordt een adjudant vermoord en zal weldra het afgedankte regiment, na de straf der moordenaars, in de naburige provincies nog vruchtbaarder zaden van muiterij verspreiden.
Den 10n Mei komen te Mirat, iets ten noorden van Delhi, het 3e, 11e en 20e regiment in opstand, dooden hunne kolonels en verscheidene officieren van den grooten staf, geven de stad aan plundering over en trekken naar Delhi terug. Daar voegt de rajah, een afstammeling van Timour, zich bij hen. Het arsenaal valt in hunne handen, en de officieren van het 54e regiment worden omgebracht.
Den 11n Mei, te Delhi, worden majoor Fraser en zijne officieren meedoogenloos vermoord door de opstandelingen van Mirat tot in het paleis van den Europeeschen kommandant en den 16n Mei vallen negen-en-veertig gevangenen, mannen, vrouwen en kinderen onder de bijl der moordenaars.
Den 20n Mei doodt het 26e regiment, bij Lahore gekantonneerd, den havenkommandant en den Europeeschen sergeant-majoor.
De eerste stoot was nu eenmaal tot die afschuwelijke slachterijen gegeven.
Den 28n Mei, te Nourabad, nieuwe slachtoffers onder de Engelsch-Indische officieren.
Den 30n Mei, in de kantonnementen van Lucknow, moord van den brigadier-kommandant, van zijn adjudant en van verscheidene andere officieren.
Den 31n Mei, te Barreilli in Rohilkhande, moord van eenige officieren, die overvallen werden en zich zelfs niet kunnen verdedigen.
Op denzelfden datum, te Schajahanpore, moord van den ontvanger en van een zeker aantal officieren door de Sipayers van het 38e regiment, en den volgenden dag, aan de andere zijde van Barwar, dood van de officieren, vrouwen en kinderen, die op weg waren gegaan om het station van Sivapore, op een mijl van Anrungabad te bereiken.
In de eerste dagen van Juni, te Bhopal, moord van een gedeelte van de Europeesche bevolking en te Jansi, op aanstoken van de vreeselijke, afgezette Rani, een bloedbad, met verfijnde wreedheid aangericht, onder de op het fort gevluchte vrouwen en kinderen.
Den 6n Juni, vallen te Allahabad acht jonge vaandrigs onder het lood der Sipayers.
Den 14n Juni, te Gwalior, muiterij van twee inlandsche regimenten en moord der officieren.
Den 27n Juni, te Cawnpore, eerste hecatombe van slachtoffers van iederen leeftijd en sekse, doodgeschoten of verdronken,--voorspel van het afschuwelijk treurspel, dat eenige weken later zou plaats hebben.
Te Holkar, den 1n Juli, moord van vier-en-dertig Europeanen, officieren, vrouwen en kinderen, plundering, brandstichting, en te Ugow, denzelfden dag, moord van den kolonel en den adjudant van het 23e regiment der koninklijke armée.
Den 15n Juli, tweede moord te Cawnpore. Dien dag, worden vele honderden kinderen en vrouwen,--en onder deze lady Munro,--met ongehoorde wreedheid op bevel van den Nana zelven omgebracht, die de muzelmansche slachters der openbare slachtplaatsen te hulp riep. Verschrikkelijke slachting, na welke de lijken in een put geworpen werden, die voor altijd berucht gebleven is.
Den 26n September, worden op een plein van Lucknow, tegenwoordig »square der draagbaren" genoemd, talrijke gewonden neergesabeld en nog levend in de vlammen geworpen.
En eindelijk nog zooveel andere afzonderlijke moorden in de steden en op het land, die aan dezen opstand een karakter van gruwzame wreedheid verleenden.
De Engelsche generaals beantwoordden trouwens deze moorden dadelijk met weerwraak, die wel is waar noodzakelijk, omdat zij een heilzame vrees onder de opstandelingen verspreidde, maar die niettemin verschrikkelijk was.
In het begin van den opstand hadden de opperrechter Montgomery en de brigade-generaal Corbett, te Lahore, zonder bloed te vergieten, voor den mond van twaalf stukken geschut, met brandende lont, het 8e, 16e, 26e en 49e regiment van het inlandsche leger kunnen ontwapenen. Te Moulton hadden het 62e en 29e inlandsche regiment ook de wapenen moeten nederleggen, zonder ernstigen tegenstand te kunnen bieden. Evenzeer werden te Peschawar het 24e, 27e en 51e regiment ontwapend door den brigade-generaal S. Colton en den kolonel Nicholson op het oogenblik dat het oproer zou uitbarsten. Maar toen eenige officieren van het 51e regiment in de bergen gevlucht waren, werd een som op hun hoofd gezet en werden weldra allen door de bergbewoners teruggebracht.
Dit was het begin der wederwraak.
Nu werd een legerafdeeling, onder kolonel Nicholson, tegen een inlandsch regiment aangevoerd, dat naar Delhi marcheerde. De opstandelingen werden weldra bereikt, geslagen, verspreid en honderd twintig man gevangen genomen en te Peschawar binnengebracht. Allen werden ter dood veroordeeld, maar een op de drie man zou werkelijk ter dood gebracht worden. Tien kanonnen werden op het exercitieveld in slagorde gesteld, een gevangene voor elk hunner monden gebonden en vijfmaal gaven de tien kanonnen vuur, het plein met vormlooze overblijfselen bedekkende, te midden van een ondraaglijke lucht van verbrand vleesch.
Deze slachtoffers stierven, volgens de Valbezen, bijna allen met de heldhaftige onverschilligheid, die de Indianen met den dood voor oogen, zoo goed weten te bewaren. »Mijnheer de kapitein," sprak tot een der officieren, die de terechtstelling kommandeerden, een schoone Sipayer van twintig jaar, in een bevallige houding tegen het moordtuig aangeleund, »mijnheer de kapitein, 't is niet noodig me vast te binden, 'k ben niet van plan te vluchten."
Dit was de eerste van een talrijke reeks van vreeselijke terechtstellingen.
Ziehier overigens de dagorder, die op dienzelfden datum te Lahore de brigade-generaal Chamberlain, na de terechtstelling van twee Sipayers van het 55e regiment, ter kennisse bracht van de inlandsche troepen.
»Gij hebt twee uwer kameraden levend voor den mond der kanonnen zien vastbinden en in stukken schieten; deze kastijding zal het lot zijn van alle verraders. Uw geweten zal u zeggen welke straffen zij in de andere wereld zullen ondergaan. De twee soldaten zijn door het kanon en niet aan de galg ter dood gebracht, omdat ik hun de bezoedeling van de aanraking des beuls heb willen besparen en daardoor heb willen bewijzen dat het gouvernement, in deze dagen van spanning, niets wil doen om hen in hun godsdienst of kaste te krenken."
Den 30n Juli vielen twaalfhonderd zeven en dertig gevangenen achtereenvolgens voor het peleton, dat met de terechtstelling belast was en vijfhonderd anderen ontsnapten slechts aan de uitvoering van het doodvonnis om van honger en gebrek aan lucht te sterven in de gevangenis waar men hen had opgesloten.
Den 28n Augustus werden van de achthonderd zeventig Sipayers, die Lahore ontvluchtten, zeshonderd negen en vijftig meedoogenloos door de soldaten van het koninklijk leger vermoord.
Den 23n September, na de inneming van Delhi, gaven zich drie prinsen van de familie des konings, de vermoedelijke erfprins en zijne twee neven, onvoorwaardelijk aan generaal Hodson over, die hen medevoerde met een geleide van slechts vijf man te midden van een dreigenden hoop van vijfduizend Hindoes,--een tegen duizend. En evenwel liet Hodson halfweg de kar met de gevangenen stilhouden, klom bij hen, beval hun zich de borst te ontblooten en doodde hen alle drie met revolverschoten. »Deze bloedige terechtstelling, door de hand van een Engelsch officier," zei de Valbezen, »moest in Pendjab de grootste bewondering wekken."
Na de inneming van Delhi, kwamen drieduizend gevangenen door het kanon of de galg om, waaronder negenentwintig leden van de koninklijke familie. Het beleg van Delhi, wel is waar, had den belegeraars tweeduizend eenenvijftig Europeanen en zestienhonderd zesentachtig inboorlingen gekost.
Te Allahabad hadden vreeselijke menschenslachtingen plaats, niet alleen onder de Sipayers, maar in de rangen van de lagere volksklasse, die door de dweepers bijna onwetend tot plundering waren medegesleept.
Te Lucknow bedekten twee duizend gedoode Sipayers met hunne lijken een oppervlakte van honderdtwintig vierkante meters.
Te Cawnpore verplichtte kolonel Neil de veroordeelden, alvorens hen aan de galg over te leveren, naar gelang van hun kasterang, met de tong alle bloedvlekken af te likken en schoon te maken, die in het huis waar men de slachtoffers had omgebracht, waren overgebleven. Dit was voor deze Hindoes den dood door de schande doen voorafgaan.
Gedurende den tocht door Centraal-Indië, hielden de terechtstellingen der gevangenen aanhoudend aan, en werden »muren van menschenvleesch door geweervuur omvergeworpen!"
Den 9n Maart 1858, bij den aanval van het Gele Huis, ten tijde van het tweede beleg van Lucknow, na een vreeselijke slachting onder de Sipayers, schijnt het boven allen twijfel verheven, dat een dezer ongelukkigen, onder de oogen der Engelsche officieren zèlven, levend door de Sikhs gebraden werd.
Den 11n vulden vijftig lijken van Sipayers de grachten om het paleis der Begoem te Lucknow, zonder dat een enkele gewonde was gespaard geworden door soldaten, die geen meester van zich zelven meer waren.
Eindelijk stierven in twaalf dagen van strijd, drie duizend inboorlingen door het koord of door den kogel en onder hen, drie honderd tachtig vluchtelingen, opgehoopt op het eiland Hydaspes, die zich tot in Kasjmir gered hadden.
Om kort te gaan, zonder het aantal Sipayers mede te rekenen, die gedurende deze meedoogenlooze fnuiking van den opstand,--eene fnuiking, die geen gevangenen duldde omkwamen, telt men alleen in den veldtocht van Pendjab, niet minder dan zes honderd acht en twintig op bevel der militaire autoriteit doodgeschoten of voor den mond der kanonnen vastgebonden inboorlingen, dertien honderd zeventig op bevel van de burgerlijke autoriteit, drie honderd zes en tachtig gehangen op bevel der beide autoriteiten.
In het geheel dus schatte men in het begin van het jaar 1859 op meer dan honderd twintig duizend het aantal officieren en inlandsche soldaten die omkwamen, en op meer dan twee honderd duizend dat der burgerlijke inboorlingen, die met hun leven hunne dikwijls twijfelachtige deelneming aan dezen opstand boetten. Verschrikkelijke weerwraak, waartegen Gladstone, misschien niet zonder reden in het Engelsche parlement, met kracht opkwam.
Het was voor het verhaal dat volgt, van belang van weerszijden de balans van dit doodregister vast te stellen. Dit moest, om den lezer te doen begrijpen, welk een onvoldane haat, zoowel in het hart der naar wraak dorstende overwonnelingen, als in dat der overwinnaars, die tien jaar later rouwden over de slachtoffers van Cawnpore en Lucknow, moest zijn overgebleven.
Wat de zuiver militaire feiten van den geheelen veldtocht tegen de oproerlingen betreft, zij bestaan uit de volgende expedities, die hier kortelijk vermeld zullen worden.
Het is vooreerst de eerste veldtocht van Pendjab, die aan sir John Laurence het leven kostte.
Daarna volgt het beleg van Delhi, de hoofdstad van den opstand, versterkt door duizenden vluchtelingen en gedurende welk Mohammed Schah Bahadour tot keizer van Hindostan werd uitgeroepen. »Maak het uit met Delhi!" had de gouverneur-generaal in een laatste dépêche aan den opperbevelhebber verordend en het beleg, in den nacht van 13 Juni begonnen, eindigde den 19n September, na het leven gekost te hebben aan de generaals sir Harry Barnard en John Nicholson.
Ter zelfder tijd, nadat Nana Sahib zich tot Peïschwah had laten benoemen en in het versterkte kasteel Bilhour had laten kronen, marcheerde generaal Havelock naar Cawnpore. Hij kwam er den 17n Juli binnen, maar te laat om den laatsten moord te beletten en zich van den Nana meester te maken, die met vijf duizend man en veertig stukken geschut kon ontvluchten.
Daarna ondernam Havelock een eersten veldtocht in het koninkrijk Oude, en trok den 28n den Ganges over met slechts zeventien honderd man en tien kanonnen, zich naar Lucknow richtende.
Nu verschenen sir Colin Campbell en de generaal-majoor sir James Outram op het tooneel. Het beleg van Lucknow zou zeven en tachtig dagen duren en het leven kosten aan sir Henri Lawrence en generaal Havelock. Vervolgens maakte Colin Campbell de toebereidselen voor een tweeden veldtocht, na gedwongen te zijn zich op Cawnpore terug te trekken, waarvan hij zich eindelijk meester maakte.
Gedurende dien tijd ontzetten andere troepen Mohir, een stad van Centraal-Indië en maakten een expeditie door Malwa, waardoor het Engelsche gezag in dit koninkrijk hersteld werd.
In het begin van het jaar 1858, ondernamen Campbell en Outram een tweeden veldtocht in Oude, met vier divisies infanterie, aangevoerd door de generaals sir James Outram, sir Edward Lugar en de brigade-generaals Walpole en Franks. De kavalerie stond onder de bevelen van sir Hope Grant, de andere wapens onder Wilson en Robert Napier,--uitmakende ongeveer vijf en twintig duizend strijders, die de maharajah van Nepaul met twaalf duizend Gourgkhas ging versterken. Doch het oproerige leger van de Begoem telde niet minder dan honderd twintig duizend man, en de stad Lucknow zeven- à acht honderd duizend inwoners. De eerste aanval had plaats den 6n Maart. Den 16n Maart, na een reeks van gevechten, waarin de kapitein ter zee sir William Peel en majoor Hodson sneuvelden, kwamen de Engelschen in bezit van het aan de Goumti gelegen gedeelte der stad. Niettegenstaande deze voordeelen, boden de Begoem en haar zoon nog wederstand in het paleis van Mousa Bagh, aan het noord-westelijk uiteinde van Lucknow en de Moulvi, een muzelmansch opperhoofd van den opstand, die in het midden der stad zelve de wijk genomen had, weigerde zich over te geven. Den 19n verzekerde een aanval van Outram en den 21n, een gelukkig gevecht, den Engelschen eindelijk het volle bezit van dit geduchte bolwerk van den opstand der Sipayers.