Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 2

Chapter 23,874 wordsPublic domain

»Goed gesproken!" riep kapitein Hod uit. »Zeg daar eens wat tegen, als je kunt, Banks! Wat zegt u er van, kolonel?"

De kolonel tot wien kapitein Hod zich wendde, knikte even met het hoofd, en vergenoegde zich met te zeggen:

»'k Zou wel eens willen weten wat Banks er den heer Maucler, onzen gast, op zou kunnen antwoorden."

»Dat brengt me volstrekt niet in verlegenheid," antwoordde de ingenieur en 'k moet zeggen, dat Maucler volkomen gelijk heeft."

»Als dat dan zoo is," riep kapitein Hod uit, »waarom maak je dan spoorwegen?"

»Om u, als u haast hebt, kapitein, instaat te stellen u binnen zestig uren van Calcutta naar Bombay te begeven."

»'k Heb nooit haast!"

»Welnu, volg dan den Great Trunk road," antwoordde de ingenieur. »Volg hem, Hod, en ga te voet!"

»Dat denk ik ook stellig te doen!"

»Wanneer?"

»Zoodra mijn kolonel er in toestemt een wandelingetje door het schiereiland met me te maken van een acht of negen honderd mijlen!"

De kolonel vergenoegde zich met te glimlachen en verviel al weder spoedig in een van die langdurige droomerijen, waaruit zelfs zijne beste vrienden, zooals de ingenieur Banks en kapitein Hod zooveel moeite hadden hem te wekken.

Ik was nog slechts sedert een maand in Indië, en daar ik met den Great Indian Peninsularspoorweg, die Bombay met Calcutta over Allahabad verbindt, gekomen was, kende ik tot nog toe niets van het schiereiland.

Maar het was mijn voornemen eerst het noordelijk gedeelte te doorreizen, aan de andere zijde van den Ganges de groote steden te bezoeken, de voornaamste gedenkteekenen te bestudeeren en aan dezen tocht al den tijd te wijden, die noodig was om alles goed te zien en te onderzoeken.

Ik had te Parijs den ingenieur Banks leeren kennen. Sedert eenige jaren reeds hadden wij vriendschap gesloten en een meer innige vertrouwelijkheid had dezen vriendschapsband slechts versterkt. Ik had beloofd hem te Calcutta te bezoeken, zoodra de voltooiing van het gedeelte Scindia Pendjab en Delhi, waarmede hij belast was, hem den tijd zou geven. Nu waren die werkzaamheden werkelijk voltooid en Banks had daardoor recht op een rust van verscheidene maanden, zoodat ik hem was komen vragen te rusten door zich te vermoeien met Indië te doorkruisen. Het spreekt van zelf, dat hij mijn voorstel met geestdrift had aangenomen. We zouden dan ook binnen eenige weken vertrekken, zoodra het seizoen gunstig zou geworden zijn.

Bij mijn komst te Calcutta, in Maart 1867, had Banks mij in kennis gebracht met een zijner goede kameraden, den kapitein Hod; daarna had hij mij voorgesteld aan zijn vriend, den kolonel Munro, bij wien we den avond doorbrachten.

De kolonel, toen zeven en veertig jaar oud, bewoonde een alleenstaand huis in de Europeesche wijk, en bijgevolg buiten de drukte en beweging, welke die handelsstad, de hoofdstad van Indië, met hare uitsluitend zwarte bevolking, kenmerkt. Deze wijk is somwijlen de »Stad der paleizen" genoemd en inderdaad is er geen gebrek aan paleizen, indien men althans die benaming mag toepassen op woningen, die van paleizen niets anders hebben dan de open arcadengalerijen, de zuilen en de terrassen. Calcutta is de verzamelplaats van al de bouworden, die de Engelsche smaak in de steden der oude en nieuwe wereld gewoonlijk in praktijk brengt.

Wat de woning van den kolonel betreft, deze was de »bungalow" in al zijn eenvoudigheid, een gebouw, opgericht op een grondmuur van steen, met een verdieping gelijkvloers, bedekt door een dak, dat in een pyramide uitloopt. Een veranda, gedragen door lichte kolommetjes, omgaf het geheele gebouw. Aan de zijden vormden de keukens, de koetshuizen, het verblijf der dienstboden, twee vleugels. Het geheel was bevat in een tuin met schoone boomen beplant en omringd door lage muren.

Het huis van den kolonel was dat van een zeer gegoed man. Zijn dienstbodenpersoneel was talrijk, zooals de bediening in de Indisch-Engelsche families het medebrengt. Meubelen, levensbenoodigdheden, huiselijke beschikkingen, alles was goed en deftig ingericht. Men gevoelde, dat de hand eener verstandige vrouw daar geordend en ook voor de toekomst gezorgd had, maar men gevoelde ook, dat die vrouw er niet meer was.

Het bestuur over zijne dienstboden, de algemeene leiding van zijn huis, had de kolonel geheel overgegeven aan een zijner krijgskameraden, een Schot, den sergeant Mac Neil, met wien hij al de veldtochten van Indië had medegemaakt, een van die edelaardige karakters, die hun leven veil hebben voor hem, dien ze hun vriend noemen. Het was een man van vijf en veertig jaar, krachtig, groot, met langen, vollen baard, als de Bergschotten. In zijn voorkomen, zijn gelaat, zoowel als door zijn costuum op de overlevering gegrond, was hij met hart en ziel hooglander gebleven, alhoewel hij tegelijk met kolonel Munro den militairen dienst verlaten had. Beiden hadden in 1860 hun ontslag genomen. Doch inplaats naar hunne bergen, te midden hunner voorvaderlijke klans terug te keeren, waren zij in Indië gebleven en woonden zij te Calcutta, in een soort van afzondering, waarvoor redenen bestonden.

Voor dat Banks mij aan kolonel Munro voorstelde, gaf hij mij onder vier oogen de volgende aanbeveling:

»Spreek niet over den opstand der Sipayers, en noem vooral nooit den naam van Nana Sahib!"

Kolonel Edward Munro behoorde tot een oude Schotsche familie, wier voorvaderen in de geschiedenis van het Vereenigd Koninkrijk een schitterende rol gespeeld hadden. Hij telde onder zijne voorvaderen Sir Hector Munro, die in 1760 het leger van Bengalen aanvoerde en die juist een oproer moest dempen, dat de Sipayers een eeuw later zouden herhalen. Majoor Munro onderdrukte den opstand met meedoogenlooze gestrengheid,--en aarzelde niet dienzelfden dag acht en twintig opstandelingen voor den mond der kanonnen te laten binden,--een vreeselijke strafoefening, die gedurende den opstand van 1857 telkens herhaald werd en waarvan die voorvader van den kolonel misschien de wreede uitvinder was.

Ten tijde dat de Sipayers opstonden, kommandeerde kolonel Munro het 93e regiment Schotsche infanterie. Hij maakte bijna den geheelen veldtocht mede, onder de bevelen van Sir James Outram, een der helden van dien oorlog, hij die den naam verwierf van »Bayard van het Indische leger", zooals Sir Charles Napier het bij proclamatie bekend maakte. Met hem was kolonel Munro dan ook te Cawnpore; hij maakte den tweeden veldtocht mede onder Colin Campbell; ook was hij bij het beleg van Lucknow en verliet dezen beroemden soldaat niet eer dan toen Outram tot lid van den raad van Indië te Calcutta benoemd was.

In 1858 was kolonel sir Edward Munro ridder-kommandant van de Ster van Indië, »the Star of India" (K. C. S. I.). Hij werd tot baronet verheven en zijn echtgenoote zou den titel van lady Munro [2] verkregen hebben, indien de ongelukkige den 27n Juni, 1857 niet omgekomen was in den vreeselijken moord van Cawnpore, een moord op bevel en onder de oogen van Nana Sahib volbracht.

Lady Munro.--de vrienden van den kolonel noemden haar nooit anders,--werd door haren man aangebeden. Zij was nauwelijks zeven en twintig jaar oud, toen zij met de tweehonderd slachtoffers dier afschuwelijke slachterij verdween. Mistress Orr en miss Jackson, wonderdadig gered na de inneming van Lucknow, hadden hun man en hun vader overleefd. Wat Lady Munro betreft, zij kon haren man niet teruggegeven worden. Het was onmogelijk geweest hare overblijfselen, onder die van zoovele slachtoffers in den put van Cawnpore, weder te vinden en ze een christelijke begrafenis te bezorgen.

Sir Edward Munro was wanhopig en had van dat oogenblik af slechts eene gedachte, eene enkele slechts, die van Nana Sahib weder te vinden, dien het Engelsche gouvernement overal deed opsporen en met zijn wraak een soort van dorst naar recht te stillen, die hem verteerde. Om vrijer in zijne handelingen te zijn, nam hij zijn ontslag.

Mac Neil volgde hem op al zijn schreden. Deze twee menschen, door denzelfden geest bezield, eene zelfde gedachte met zich omdragende, slechts hetzelfde doel beoogende, trachtten als speurhonden hem op het spoor te komen, maar zij waren niet gelukkiger dan de Engelsch-Indische politie. De Nana wist aan alle nasporingen te ontkomen en na drie jaren van vruchtelooze pogingen, moesten de kolonel en de sergeant hunne nasporingen voorloopig staken. Daarenboven had zich omstreeks dezen tijd het gerucht van den dood van Nana Sahib door Indië verspreid en ditmaal met zulk een schijn van waarheid, dat er geen reden was het te betwijfelen.

Sir Edward Munro en Mac Neil keerden naar Calcutta terug, waar zij zich in dien afgelegen bungalow vestigden. Daar, geen boeken noch dagbladen lezende, die hem het bloedige tijdperk van den opstand in het geheugen hadden kunnen terugroepen, nooit zijn woning verlatende, leefde de kolonel als iemand wiens leven verder doelloos is. Nooit evenwel was de vrouw, die hij eenmaal zoo liefhad, uit zijne gedachten. Het scheen zelfs, dat de tijd niet vermocht zijn smart te lenigen.

Wij moeten hier nog bijvoegen, dat de mare der wederverschijning van den Nana in het presidentschap van Bombay,--de tijding, die sedert eenige dagen in omloop was,--niet ter oore van den kolonel gekomen was. En dat was gelukkig, want hij zou onmiddellijk den bungalow verlaten hebben.

Dit had Banks mij medegedeeld, alvorens mij in deze woning voor te stellen, waar de vreugde voor altijd verbannen was en ziedaar ook de reden waarom elke zinspeling op den opstand der Sipayers en den wreedsten hunner aanvoerders, Nana Sahib, moest vermeden worden.

Slechts twee vrienden,--twee beproefde vrienden,--bezochten ijverig het huis van den kolonel. Het waren de ingenieur Banks en de kapitein Hod.

Banks had, zooals ik gezegd heb, juist de werkzaamheden voltooid, waarmede hij belast was geweest ter vestiging van de »Great Indian Peninsular" spoorbaan. Hij was een man van vijf en veertig jaren, in de volle kracht des levens. Hij moest ook een werkzaam deel nemen aan het leggen van den Madras-spoorweg, die bestemd was om de Arabische golf in gemeenschap te brengen met de baai van Benguela; maar het was niet waarschijnlijk, dat de werkzaamheden voor een jaar een aanvang konden nemen. Hij rustte dus uit te Calcutta, zich bezig houdende met verschillende onderwerpen van werktuigkunde, want het was een werkzame en vruchtbare geest, die altijd op nieuwe uitvindingen uit was. Buiten zijne bezigheden, wijdde hij al zijn tijd aan den kolonel, met wien hij door een vriendschap van twintig jaren verbonden was. Ook bracht hij al zijne avonden door onder de veranda van den bungalow, in gezelschap van sir Edward Munro en van kapitein Hod, die juist een verlof van tien maanden verkregen had.

Hod behoorde tot het 1e escadron karabiniers der koninklijke armée en had den geheelen veldtocht van 1857-58 medegemaakt, eerst met sir Colin Campbell in Oude en Rohilkhande, daarna met sir Hugh Rose, in Centraal-Indië,--een veldtocht, die eindigde met de inneming van Gwalior.

Kapitein Hod, een leerling uit de harde school van Indië, een der voortreffelijke leden van de Club van Madras, roodblond van haren en baard, was niet ouder dan dertig jaren. Ofschoon hij tot het koninklijke leger behoorde, zou men hem voor een officier der inlandsche armee gehouden hebben, zoo had hij zich gedurende zijn verblijf op het schiereiland »geïndianiseerd." Al was hij werkelijk in Hindostan geboren, kon hij niet meer Hindoe geweest zijn. Voor hem was Indië dan ook het land bij uitnemendheid, het beloofde land, het eenige land waar een mensch leven kon. Daar inderdaad kon hij aan al zijne neigingen voldoen. Soldaat van inborst, hernieuwden zich onophoudelijk de gelegenheden om te strijden. Was hij, de uitmuntende jager, niet in het land waar de natuur al de wilde dieren der schepping scheen vereenigd te hebben, en al het behaarde en gevederde wild der oude en nieuwe wereld? Had hij, de moedige bergbeklimmer, niet de ontzagverwekkende bergketen van Thibet bij de hand, die de hoogste toppen van den aardbol telt? Wie belette hem, den stoutmoedigen reiziger, den voet te zetten op plekken, nog nooit door iemand betreden, in de ontoegankelijke streken namelijk van het Himalaya gebergte. Had hij niet, als hartstochtelijke wedrenner, de renbanen van Indië, die in zijne oogen konden opwegen tegen die van La Marche of Epsom? Op dit punt, waren Banks en hij het zelfs geheel oneens. De ingenieur stelde in zijne hoedanigheid van volbloed werktuigkundige slechts een zeer middelmatig belang in de heldendaden der Gladiators en Filles-de-l'air.

En zelfs toen kapitein Hod het hierover met hem had, antwoordde Banks hem, dat de wedrennen naar zijne meening slechts op eene voorwaarde werkelijk merkwaardig zouden zijn.

»En op welke?" vroeg Hod.

»Dat er bepaald moest worden," antwoordde Banks ernstig, »dat de jockey, die het laatst aankomt, op staanden voet aan den eindpaal moet opgehangen worden!"

»Dat is nog zoo'n kwaad idée niet!...." antwoordde kapitein Hod eenvoudig.

En hij zou ongetwijfeld in staat geweest zijn, die kans in eigen persoon te wagen!

Zoodanig waren de twee ijverige bezoekers van den bungalow van sir Edward Munro. De kolonel mocht hen gaarne over alle dingen hooren redetwisten en zelfs brachten hunne eeuwige woordenwisselingen somtijds een soort van glimlach op zijn lippen.

Eén wensch hadden de beide kameraden gemeen, den kolonel namelijk over te halen tot een reis, die hem kon verstrooien. Meermalen reeds hadden zij hem voorgesteld met hen naar het noorden van het schiereiland te vertrekken en eenige maanden te gaan doorbrengen in de omstreken van een van die sanitariums, waar de rijke Engelsch-Indische wereld gedurende het heete seizoen gaarne een toevlucht zoekt, maar de kolonel had altijd geweigerd.

Wat betreft de reis, die Banks en ik wenschten te ondernemen, hadden wij hem reeds gepolst. Dienzelfden avond kwam de zaak opnieuw op het tapijt. Men heeft gezien, dat kapitein Hod maar eventjes plan had gemaakt te voet een grooten tocht in het noorden van Indië te ondernemen. Mocht Banks niet op paarden gesteld zijn, Hod hield van geen spoorwegen. Wat de eene niet wilde, wenschte de andere.

Nu hadden zij er dat op kunnen vinden, dat ieder op zijne wijze, om beurten, hetzij per rijtuig, hetzij per palankijn reisde,--hetgeen op de goed aangelegde en goed onderhouden wegen van Hindostan vrij gemakkelijk is.

»Spreek me toch niet van je wagens met bultossen bespannen!" riep Banks uit. »Als wij er niet voor gezorgd hadden, behielp je je nog altijd met die primitieve voertuigen, die men in Europa voor vijfhonderd jaren al afgeschaft heeft!"

»Nu, Banks," antwoordde kapitein Hod, »die zijn licht zoo goed als je met kussens voorziene waggons en je Cramptons! Die groote, witte ossen, die steeds in galop blijven en om de twee mijlen aan de poststations verwisseld worden...."

»En die een soort van tartanen op vier wielen voortsleepen, waarin men ruwer heen en weer geschud wordt dan de visschers in hunne booten op een onstuimige zee!"

»'k Moet je dat gedeeltelijk toestemmen, Banks," antwoordde kapitein Hod. »Maar hebben we niet onze rijtuigen met twee, drie en vier paarden, die in spoed kunnen wedijveren met je »treinen", veel gelijkende op een lijkstatie! Dan vind ik den eenvoudigen palankijn nog beter...."

»Je palankijnen, kapitein Hod, echte doodkisten, zes voet lang, vier breed, waarin men als een lijk ligt uitgestrekt!"

»Goed, Banks, maar geen schokken, men kan lezen, schrijven en gerust slapen, zonder bij elk station wakker te worden! Met een palankijn met vier of zes Bengaalsche Gamals [3] maakt men nog vier en een halve mijl [4] per uur en, zooals dat met je geweldige sneltreinen het geval is, waagt men althans niet om aan te komen, voordat je nog goed en wel vertrokken zijt.... als men aankomt.."

»Het best," zei ik daarop, »zou zeker zijn zijn huis met zich mede te kunnen nemen!"

»Als een slak!" riep Banks uit.

»Mijn vriend," antwoordde ik, »een slak, die zijn huisje kan verlaten en er naar goedvinden weer in kan komen, is misschien niet zoo bijzonder te beklagen! Met in zijn huis, een beweegbaar huis, te reizen, zal waarschijnlijk het laatste woord gezegd zijn van den vooruitgang in het reizen!"

»Misschien," zei daarop kolonel Munro; »thuis blijvende zich te verplaatsen, zijn thuis en al de herinneringen daaraan verbonden, mede te kunnen nemen, zijn horizont af te wisselen, zijn gezichtspunten, zijn klimaat te wijzigen, zonder zijne dagelijksche gewoonten te veranderen.... ja.... misschien!"

»Geen bungalows meer dus voor de reizigers!" antwoordde kapitein Hod, »waar voor de geriefelijkheden des levens altijd iets te wenschen zal overblijven en waarin men zonder toestemming van de plaatselijke overheid niet mag wonen!"

»Geen ellendige herbergen meer, waarin men naar ziel en lichaam op alle mogelijke manieren gevild wordt!" deed ik niet zonder eenige reden opmerken.

»Het rijtuig der goochelaars dus!" riep kapitein Hod uit, »maar ingericht naar den tijd waarin we leven. Welk een droom nog! Op te houden als men wil, te vertrekken naar goedvinden, te stappen of in galop voort te snellen naar den luim van het oogenblik, niet alleen zijn slaapkamer met zich te voeren, maar zijn salon, zijn eetzaal, zijn rookvertrek en vooral zijn keuken en zijn kok, dat noem ik je vooruitgang, vriend Banks! Dat is honderdmaal beter dan spoorwegen! Durf me dat eens tegenspreken, gij, ingenieur!"

»Wel! vriend Hod," antwoordde Banks, »'k zou 't volkomen met je eens zijn, als...."

»Als?...." vroeg de kapitein, het hoofd schuddende.

»Als in de vlucht naar vooruitgang, je niet plotseling onderweg waart blijven stilstaan."

»Zou er dan nog iets beters te doen zijn?"

»Oordeel zelf. Je stelt het rollende huis ver boven den waggon, zelfs boven het salonrijtuig, zelfs boven den slaapwaggon der spoorwegen. Je hebt gelijk, kapitein, als men tijd te verliezen heeft, als men voor zijn pleizier en niet voor zaken reist. 'k Geloof dat we 't allen in dit opzicht geheel eens zijn?"

»Allen!" antwoordde ik.

Kolonel Munro boog het hoofd, bij wijze van goedkeuring.

»Toegestemd dus," antwoordde Banks. »Goed! 'k Vervolg. Je hebt je gewend tot een rijtuigmaker, die den raad van een architect heeft ingewonnen en hij heeft je een rollend huis gemaakt. Het is sterk, goed ingericht en voldoet aan al de eischen van gemak en weelde. Het is niet te hoog, waardoor het niet licht kan ombuitelen, het is niet te groot, zoodat het alle wegen kan begaan; het is vernuftig opgehangen, zoodat het gemakkelijk en zacht rijdt. Uitstekend! Uitstekend! 'k Veronderstel dat het vervaardigd is voor onzen vriend den kolonel. Hij ontvangt er ons gastvrij. We gaan, als je wilt, de noordelijke streken van Indië bezoeken, weliswaar op de wijze van slakken, maar als slakken, wier staart niet onafscheidelijk aan hunne schelpen vast zitten. Alles is gereed. Men heeft niets vergeten.... zelfs niet den kok en de keuken, die de kapitein zoo lief heeft. De dag van het vertrek is gekomen, men gaat werkelijk vertrekken! Alles is in order!.... En wie zal het voorttrekken, uw rollend huis, mijn beste vriend?"

»Wie?" riep kapitein Hod uit! »wel, muilezels, ezels, paarden, ossen!..."

»Bij dozijnen?" zei Banks.

»Olifanten!" antwoordde kapitein Hod, »olifanten! Dat zou trotsch en statig zijn! Een huis voortgetrokken door een bespanning olifanten, goed gedresseerd, met fieren gang, die draven en galoppeeren als de beste koetspaarden van de wereld!"

»Dat zou prachtig zijn, kapitein!"

»Een rajah-trein te velde, ingenieur!"

»Ja, maar...."

»Maar.... wat? Is er nog een maar?" riep kapitein Hod uit.

»Een groote maar!"

»Die ingenieurs! overal zien ze moeielijkheden in!..."

»Die ze weten te overwinnen, als ze niet onoverkomelijk zijn," antwoordde Banks.

»Welnu, geef dan raad!"

»Wat is het geval, mijn waarde Munro. Al die trekdieren, die de kapitein opsomde, dat loopt, dat trekt, dat sleept, maar dat vermoeit zich ook. Daarenboven zijn ze koppig, weerspannig en hebben vooral veel voedsel noodig. Zoodra nu de weiden ontbreken en men geen vijfhonderd bunders weiland op sleeptouw kan nemen, staat de bespanning stil, put zich uit, valt, sterft van honger, het rollende huis rolt niet meer en blijft even onbeweeglijk als de bungalow waar we op dit oogenblik zitten te praten. Er volgt dus uit, dat het genoemde huis dan eerst praktisch bruikbaar zal zijn als het een stoomhuis zal zijn."

»Dat op rails zal loopen!" riep de kapitein uit, de schouders ophalende.

»Neen, op wegen en getrokken door een tot volkomenheid gebrachte weglocomotief."

»Bravo!" juichte de kapitein, »bravo! zoodra je huis geen spoorweg noodig heeft en zich naar willekeur kan richten, zonder genoodzaakt te zijn een ijzeren spoor te volgen, ben ik je man."

»Maar," deed ik Banks opmerken, »als muilezels, ezels, paarden, ossen, olifanten eten, een machine eet ook, en uit gebrek aan brandstof zal je ook onderweg blijven staan."

»Een stoompaard," antwoordde Banks, »staat in kracht gelijk met drie of vier gewone paarden en dit vermogen kan nog toenemen. Een stoompaard is niet aan vermoeienis noch aan ziekte onderhevig. Ten allen tijde, onder alle breedten, in de zon, in den regen, in de sneeuw, altijd gaat het voort, zonder ooit uitgeput te raken. Het behoeft zelfs de aanvallen der wilde beesten niet te vreezen, noch den beet der slangen, noch den steek der horzels en andere geduchte insecten. Het heeft noch den prikstok der ossendrijvers, noch de zweep der geleiders noodig. Rust is overbodig en slaap kan het missen. Het stoompaard, door de hand van den mensch vervaardigd, is, met het oog op zijne bestemming en bij de onmogelijkheid dat het eenmaal tot voedsel zal verstrekken, te verkiezen boven al de trekdieren, die de Voorzienigheid ter beschikking van den mensch gesteld heeft. Een weinig olie en vet, een weinig steenkolen of hout, is alles wat het verteert. En, ge weet het, mijne vrienden, aan bosschen is geen gebrek op het Indische schiereiland en het hout is er het eigendom van iedereen.

»Goed gesproken!" riep kapitein Hod uit. »Hoera voor het stoompaard! 'k Zie reeds in mijne verbeelding het rollende huis van den ingenieur Banks, in beweging op de groote wegen van Indië, door de wilde kreupelbosschen zich een weg banende, doordringende onder de boomen van het woud, zich wagende tot in de holen der leeuwen, der tijgers, der beeren, der panters, der luipaarden, en wij achter zijne muren verscholen, een slachting makende onder de wilde dieren om al de Nimrods, de Andersons, de Gérards, de Pertuisets, de Chassaings van de wereld van ergernis te doen barsten! Zeg, Banks, 'k moet er van watertanden en je doet het me bitter betreuren, dat ik niet een vijftig jaren later geboren ben!"

»En waarom dat, kapitein?"

»Omdat je droom over een vijftig jaar zal verwezenlijkt worden en eerst dan het stoomrijtuig zal gereed zijn."

»Het is gereed," antwoordde eenvoudig de ingenieur.

»Gereed! en door u vervaardigd misschien?...."

»Door mij, en om de waarheid te zeggen vrees ik maar eene zaak, dat het je verwachting overtreft."

»Op weg, Banks, op weg!" riep kapitein Hod uit, die zich oprichtte als door den schok eener electrische ontlading. Hij was gereed om te vertrekken.

De ingenieur bracht hem tot bedaren; daarna, op ernstiger toon zich tot sir Edward Munro wendende, zeide hij:

»Edward, als ik een rollend huis ter uwer beschikking stel, als ik over een maand, zoodra het seizoen er geschikt toe is, je kom zeggen: Daar is je kamer, die zich zal verplaatsen en gaan zal waarheen je wilt, daar zijn je vrienden, Maucler, kapitein Hod en ik, die niets liever willen dan je vergezellen op een tocht door het noorden van Indië, zal je me dan antwoorden: Laten we vertrekken, Banks, laten we vertrekken, en dat de God der reizigers ons bescherme!"

»Ja, mijne vrienden," antwoordde kolonel Munro, na een oogenblik nagedacht te hebben. »Banks, beschik over het noodige geld. Doe, wat je belooft. Breng ons dat ideale stoomhuis, dat de stoutste verwachtingen zou overtreffen en we zullen geheel Indië doorkruisen!"