Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 19

Chapter 191,769 wordsPublic domain

»Het was gisteren. De zon had reeds de helft van haar dagelijkschen weg afgelegd, toen de gedachte bij mij opkwam een der tijgervallen te gaan bezoeken, door mijne handen gesteld. Ik verliet dus mijn kraal, dien ge wel met een bezoek zult willen vereeren, mijne heeren, en ik kwam op deze open plek in het bosch. 'k Was alleen, mijn personeel hield zich met allernoodzakelijkste bezigheden onledig en ik had er hen niet in willen stooren. Dat was onvoorzichtig. Toen ik mij voor den val bevond, zag ik dadelijk dat de schuifdeur, door den beweeglijken balk gevormd, was opgehaald, waaruit ik niet zonder een logische opeenvolging van feiten besloot, dat zich tot nog toe geen wild dier in den val had laten vangen. Evenwel wilde ik mij overtuigen of het lokaas nog altijd aanwezig was en de wipplank goed werkte. Met een handige kruipende beweging, sloop ik dus door de nauwe opening."

En met een sierlijk gebaar bootste Matthias van Guitt de beweging na van een slang, die door het hooge gras kruipt.

»Achter in den val gekomen," hernam de leverancier, »verzekerde ik mij dat het stuk geitenvleesch, waarvan de reuk de gasten van dit gedeelte van het bosch moest aantrekken, onaangeroerd was. Toen ik wilde heengaan, stootte ik onwillekeurig met mijn arm tegen de wipplank, de stelling boven ontspande zich, de schuifdeur viel neder en 'k was in mijn eigen val gevangen, zonder eenig middel er uit te komen."

Hier hield Matthias van Guitt even op om al het ernstige van zijn toestand te doen begrijpen.

»Evenwel, mijne heeren," hernam hij, »wil ik u niet verzwijgen, dat ik de zaak eerst geheel van haar komieke zijde beschouwde. 'k Was gevangen, goed! Geen cipier om de deur mijner gevangenis te openen, volkomen waar! Maar ik verkeerde in het gelukkige denkbeeld, dat mijne onderhoorigen, zoodra ze mij niet zagen terugkeeren, zich over mijn langdurige afwezigheid ongerust zouden maken en nasporingen zouden gaan doen, die vroeger of later met een goeden uitslag zouden bekroond worden. 't Was slechts een quaestie van tijd. 'k Gaf mij dus, om den tijd door te brengen, aan mijne overpeinzingen over en uren verliepen, zonder dat iets verandering in mijn toestand kwam brengen. Toen de avond gevallen was, begon de honger zich te doen gevoelen en 't beste wat ik meende te kunnen doen, was in den slaap verlichting van mijn leed te zoeken. 'k Nam dus vrij philosophisch mijn partij en 'k viel in een diepen slaap. De nacht was kalm te midden van de diepe stilte des wouds. Niets verstoorde mijn slaap en misschien zou ik op dit oogenblik nog slapen, zoo een vreemd geluid me niet gewekt had. De schuifdeur van den val werd opgehaald, het licht drong in stroomen mijn duister verblijf binnen en 'k had niet anders te doen dan naar buiten te snellen!..... Wat was ik verschrikt toen ik het doodelijk werktuig op mijn borst gericht zag! Een oogenblik en 'k was getroffen! Het uur van mijn verlossing zou het laatste mijns levens geweest zijn!..... Maar mijnheer de kapitein wilde wel een schepsel van zijn soort in mij zien..... en er blijft mij nog slechts over u te danken, mijne heeren, mij de vrijheid te hebben weergegeven."

Dit was het verhaal van den leverancier. Ik moet bekennen, dat we niet zonder moeite een glimlach konden weerhouden, dien zijn toon en zijn gebaren ons ontlokten.

»Dus, mijnheer," vroeg Banks hem, »is uw kamp in dit gedeelte van Tarryani gevestigd?"

»Ja, mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt. »Zooals ik het genoegen had u medetedeelen, is mijn kraal niet meer dan twee mijlen van hier verwijderd, en mocht u hem met uwe tegenwoordigheid willen vereeren, zal ik zeer gelukkig zijn er u te ontvangen."

»Ongetwijfeld, mijnheer van Guitt," antwoordde kolonel Munro, »zullen we u een bezoek komen brengen!"

»We zijn jagers," voegde kapitein Hod er bij, »en de inrichting van een kraal boezemt ons veel belang in."

»Jagers!" riep Matthias van Guitt uit, »jagers!"

En er kwam een uitdrukking op zijn gelaat, waaruit te lezen was, dat hij de zonen van Nimrod nu juist niet veel telde.

»U jaagt op wilde dieren.... om ze te dooden zeker?" hernam hij, zich tot den kapitein wendende.

»Alleen om ze te dooden," antwoordde Hod.

»En ik, alleen om ze te vangen!" zei de leverancier, met een zeker gevoel van fierheid.

»Welnu, mijnheer van Guitt, we zullen, hoop ik, geen concurrenten zijn!" antwoordde kapitein Hod.

De leverancier schudde het hoofd. Intusschen belette onze hoedanigheid van jager niet zijne uitnoodiging aan te nemen.

»U hebt me slechts te volgen, mijne heeren!" zeide hij bevallig buigende.

Doch op dit oogenblik deden zich verscheidene stemmen in het bosch hooren en verscheen een half dozijn Hindoes om den hoek der groote laan, die aan geene zijde der open plek begon.

»O! daar zijn mijn onderhoorigen," zei Matthias van Guitt.

Daarna kwam hij naar ons toe met den vinger op den mond en zeide, de lippen een weinig vooruitstekende:

»Geen woord over ons avontuur! Het personeel van den kraal moet niet weten, dat ik me als een gewoon dier in mijn eigen val heb laten vangen! Dat zou het gevoel van onderdanigheid, dat ze jegens mij koesteren kunnen verzwakken!"

Een teeken van instemming onzerzijds stelde den leverancier gerust.

»Meester," zei toen een der Hindoes, wiens strak maar schrander gelaat mijn aandacht trok, »meester, we zoeken u sedert langer dan een uur zonder u......"

»'k Heb kennis gemaakt met deze heeren, die me wel tot onzen kraal willen vergezellen," antwoordde van Guitt. »Maar voordat we op weg gaan, dient deze val in orde gebracht te worden."

Op bevel van den leverancier, gingen de Hindoes over tot het op nieuw stellen van den val.

Inmiddels noodigde Matthias van Guitt ons uit het inwendige van den val te onderzoeken. Kapitein Hod sloop er na hem in en ik volgde hem.

De plaats was wel wat bekrompen voor de gebaren van onzen gastheer, die zich weerde alsof hij in een salon geweest was.

»'k Maak u mijn kompliment," zei kapitein Hod, na den toestel bekeken te hebben. »'t Is waarlijk vernuftig bedacht."

»'k Kan u verzekeren, mijnheer de kapitein," antwoordde Matthias van Guitt, »dat deze soort van vallen verre de voorkeur verdient boven de oude kuilen, voorzien van palen van gehard hout en de buigzame als bogen gespannen boomen, van een strik voorzien. In het eerste geval wordt de buik opengereten, in het tweede wordt het dier geworgd. Nu komt er dat weinig op aan als het alleen te doen is om de wilde dieren te dooden! Maar ik moet ze levend, volkomen gaaf, zonder gebreken hebben!"

»'t Is duidelijk," antwoordde kapitein Hod, »dat we niet op dezelfde wijze te werk gaan."

»De mijne is zeker wel de beste!" hernam de leverancier. »Als men de wilde dieren raadpleegde....."

»Maar ik raadpleeg ze niet!" antwoordde de kapitein.

Het bleek, dat kapitein Hod en Matthias van Guitt wel eenige moeite zouden hebben elkander te verstaan.

»Maar," vroeg ik den leverancier, »hoe doet u om deze dieren uit den val te halen?"

»Er wordt een kooi op rollen voor de opening geplaatst, antwoordde Matthias van Guitt, »de gevangenen gaan er uit zich zelve in over en 'k heb niets anders te doen dan ze naar den kraal over te brengen, met den bedaarden en langzamen stap van mijn tamme buffels."

Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of er deed zich buiten een geschreeuw hooren.

Onze eerste beweging, van kapitein Hod en mij, was ons buiten den val te storten.

Wat was er gebeurd?

Een zweepslang van de boosaardigste soort was door een stokje dat een Hindoe in de hand hield, door midden geslagen en wel op hetzelfde oogenblik dat het vergiftige dier zich op den kolonel wierp.

Het was dezelfde Hindoe, dien ik reeds had opgemerkt. Zijn snelle tusschenkomst had ongetwijfeld Sir Edward Munro van een onmiddellijken dood gered, waarvan we ons allen konden overtuigen.

Werkelijk kwam het geschreeuw, dat we gehoord hadden, van een der bedienden van den kraal, die zich in de laatste stuiptrekkingen van den doodstrijd op den grond lag te wringen.

Een betreurenswaardig noodlot wilde, dat de kop der slang, glad afgesneden, op zijn borst was terecht gekomen, alwaar hij zich met de tanden had vastgehecht, zoodat de ongelukkige, doordrongen van het scherpe vergif, in minder dan een minuut den laatsten adem uitblies, zonder dat het mogelijk was hem hulp te verleenen.

In het eerste oogenblik, ontzet door dit vreeselijk tooneel, snelden we op den kolonel toe.

»Ben je niet gebeten?" vroeg Banks, die hem haastig bij de hand vatte.

»Neen, Banks, stel je gerust," antwoordde Sir Edward Munro.

Vervolgens, zich oprichtende en op den Hindoe toetredende, wien hij het leven verschuldigd was, zeide hij tot hem:

»Dank, mijn vriend."

De Hindoe gaf hem met een gebaar te kennen, dat hem daarvoor volstrekt geen dank verschuldigd was.

»Hoe is je naam?" vroeg kolonel Munro hem.

»Kâlagani," antwoordde de Hindoe.

INHOUD.

I. Een vogelvrij verklaarde 1 II. De kolonel Munro 12 III. De opstand der Sipayers 26 IV. In de grotten van Ellora 40 V. De IJzeren Reus 52 VI. Eerste halten 63 VII. De bedevaartgangers van den Phalgou 78 VIII. Eenige uren te Bénares 92 IX. Allahabad 107 X. Via Dolorosa 118 XI. De verandering van moesson 127 XII. Driedubbele vuren 140 XIII. Heldendaden van kapitein Hod 152 XIV. Een tegen drie 167 XV. De Pâl van Tandît 182 XVI. De dwalende vlam 191 XVII. Ons sanitarium 200 XVIII. Matthias van Guitt 211

AANTEEKENINGEN

[1] Onderkoning, prins, regent.

[2] Een vrouw zonder titel, die een baronet of ridder huwt, neemt den titel aan van lady, vóór den naam haars mans. Maar deze benaming van lady mag den doopnaam niet voorafgaan; dit is alleen het geval met de dochters van pairs.

[3] Naam der palankijndragers in Indië.

[4] Ongeveer 8 kilometers.

[5] Toestel om bij werktuigen eene ronddraaiende beweging in eene rechtlijnige te veranderen.

[6] De in de Indische godenleer voorkomende tien gedaanten van dieren en menschen, die Vishnoe, naar men beweert, heeft aangenomen.

[7] Sedert dien tijd is de kerk, aan de herinnering gewijd, voltooid. Op marmeren platen herinneren opschriften aan de ingenieurs van den Oostindische spoorweg, die tijdens den grooten opstand van 1857 aan ziekte of aan hunne wonden stierven, aan de officieren, sergeants en soldaten van het 34e regiment van het koninklijke leger, gedood in den strijd van den 17n November voor Cawnpore, aan kapitein Stuart Beatson, de officieren, mannen en vrouwen van het 32e regiment, gestorven gedurende de belegeringen van Cawnpore en Lucknow of gedurende de omwenteling, aan de martelaressen eindelijk van Bibi-Ghar, vermoord in Juli 1857.

[8] Omstreeks zeven honderd dertig millimeters.