Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 18

Chapter 183,849 wordsPublic domain

Links is het tweede huis aangeleund tegen de zijde van een énorme rots van graniet, door de stralen der zon verguld. Deze rots herinnert zoowel door haar zonderlingen vorm als door haar warme kleur aan de reusachtige »plumpudding" van steen, die Russell-Killough in zijn reis door Zuid-Indië vermeldt. Van die woning, toegewezen aan den sergeant Mac Neil en zijne metgezellen van het personeel, ziet men slechts de zijde. Zij bevindt zich twintig passen van het voornaamste huis af, als een aanhangsel eener belangrijker pagode. Aan het uiteinde van een der daken, die haar bedekken, ziet men een klein blauwachtig rookkolommetje uit het keuken-laboratorium van »monsieur" Parazard ten hemel stijgen. Meer links bevindt zich een groep boomen op de westelijke borstwering, als een voorpost van het bosch, en vormt deze het zijplan van het landschap.

Op den achtergrond, tusschen de twee woningen, vertoont zich een reusachtige mastodont. Het is onze IJzeren Reus, die onder een prieel van groote pendanus als in een koetshuis geborgen is. Met zijn opgerichte tromp, zou men zeggen, dat hij er de bovenste takken van af eet. Maar hij blijft stationnair en rust uit, ofschoon hij volstrekt geen behoefte aan rast heeft. Thans de onwankelbare bewaker van het Stoomhuis, verdedigt hij als een énorm autediluviaansch dier er den toegang van. In tegenwoordigheid van de reusachtige bergketen, die zich tot een hoogte van zes duizend meters boven het bergvlak verheft, schijnt onze kunstmatige reus, waarmede de hand van Banks de Hindoesche fauna verrijkt heeft, niets buitengewoons meer te hebben, hoe kolossaal onze olifant ook zij, met andere woorden, hij past volkomen in de schilderij van het landschap.

Ja zelfs had kapitein Hod recht, toen hij niet zonder eenigen spijt de aanmerking maakte: »Een vlieg op den gevel van een hoofdkerk!"

En hij heeft volkomen gelijk. Achter ons toch bevindt zich een blok van graniet, waarin men gemakkelijk duizend olifanten, zoo groot als de onze, zou kunnen uithouwen en dit blok is slechts een van de honderd treden van den trap, die naar den top van de bergketen leidt en waarboven de Dwalaghiri zich met zijn scherpe spits verheft.

Somwijlen daalt de hemel van dit tooneel voor het oog van den waarnemer. Niet alleen verdwijnen de hooge toppen, maar ook de lager gelegen bergrug van de keten verdwijnt een oogenblik onder de dikke dampen, die zich van de middelste streek der Himalaya verheffen en het geheele bovenste gedeelte in nevelen hullen. Het landschap verkleint zich en dan is het alsof door een lichteffect de woningen, de boomen, de naburige bergruggen en de IJzeren Reus zelf hunne werkelijke grootte hernemen.

Ook gebeurt het dat de nog lager hangende wolken door zekere vochtige winden voortgedreven, zich onder het bergvlak ontrollen. Het oog ziet dan slechts een golvende zee van wolken aan welker oppervlakte de zon verwonderlijke lichtspelingen toovert. Dan is, zoowel in de hoogte als in de laagte, de horizont verdwenen en schijnt het alsof wij naar de een of andere streek van het luchtruim zijn overgebracht, buiten de grenzen der aarde.

Doch de wind loopt naar het noorden en, zich met geweld een weg tusschen de openingen der keten banende, jaagt hij al die nevelen uiteen, de zee van dampen verdicht zich bijna oogenblikkelijk, de vlakte komt aan den zuidelijken horizont weder te voorschijn, de grootsche gevaarten van het Himalayagebergte teekenen zich opnieuw scherp af tegen den thans helderen hemel, de schilderij doet zich wederom in al haar oorspronkelijke grootschheid voor en de blik, die nu door niets meer beperkt wordt, kan langs een horizont van zestig mijlen al de bijzonderheden onderscheiden van een onvergelijkelijk schoon panorama.

XVIII.

MATTHIAS VAN GUITT.

Den volgenden dag, den 26n Juni, werd ik bij het aanbreken van den dageraad door het geluid van bekende stemmen gewekt. Ik stond dadelijk op. Kapitein Hod en zijn oppasser Fox hadden een druk gesprek in de eetzaal van het Stoomhuis. Ik voegde mij dadelijk bij hen.

Op hetzelfde oogenblik verliet Banks zijn kamer en werd dadelijk door den kapitein met zijn luidklinkende stem toegesproken:

»Wel, vriend Banks," zeide hij tot hem, »eindelijk zijn we dan toch in een goede haven aangekomen! Ditmaal is het voor goed. 't Is nu geen halt meer van eenige uren, maar een verblijf van eenige maanden."

»Ja, waarde Hod," antwoordde de ingenieur, »en nu kunt ge uw jachten op uw gemak organiseeren. De fluit van den IJzeren Reus zal u niet meer in het kamp terugroepen."

»Hoor je, Fox?"

»Ja, kapitein," antwoordde de oppasser.

»De hemel sta me bij!" riep Hod uit, »maar 'k verzeker je, dat ik ons sanitarium niet verlaat voordat ik mijn vijftigsten geschoten heb! Mijn vijftigsten, Fox! 'k Heb zoo'n idée, dat die al bijzonder moeilijk te snappen zal zijn!"

»Toch zal men hem snappen," antwoordde Fox.

»Hoe kom je aan dat idée, kapitein Hod?" vroeg ik.

»Wat zal 'k je zeggen, Maucler, 't is een voorgevoel, niets anders!"

»Dus," zei Banks, »ga je vandaag den veldtocht al openen?"

»Vandaag al," antwoordde kapitein Hod. »We zullen beginnen met het terrein te verkennen, en de onderste streek gaan doorzoeken tot de bosschen van Tarryani. Als de tijgers die streek maar niet verlaten hebben!"

»Waarom zou je dat denken?..."

»En, mijn slechte veine?"

»Slechte veine!... in de Himalaya!..." antwoordde de ingenieur. »Is dat mogelijk!"

»Nu, we zullen zien!--Je gaat toch mede, Maucler?" vroeg kapitein Hod, zich tot mij wendende.

»Ja zeker."

»En gij, Banks?"

»Ik ook," antwoordde de ingenieur, »en 'k denk dat Munro zich bij u zal voegen, zooals ik het doen zal... als liefhebber!"

»Nu, mij wel!" antwoordde kapitein Hod, »als liefhebbers, maar dan toch als goed gewapende liefhebbers! Men kan daar moeilijk gaan wandelen met een rotting in de hand! Dat zou vernederend zijn voor de wilde dieren van Tarryani!"

»Dat is dus afgesproken!" antwoordde de ingenieur.

»En nu, Fox," hernam de kapitein, zich tot zijn oppasser richtende, »geen vergissingen, dezen keer! We zijn in het land der tijgers! Vier Enfield-karabijnen voor den kolonel, Banks, Maucler en mij, twee geweren met ontplofbare kogels voor jou en Goûmi."

»Wees gerust, kapitein," antwoordde Fox. »'t Wild zal zich niet te beklagen hebben!"

Deze dag zou dus gewijd zijn aan de verkenning van het bosch van Tarryani, dat het onderste gedeelte van de Himalayaketen onder ons sanitarium, bedekt. Tegen elf uren dus, na het ontbijt, daalden we, Sir Edward Munro, Banks, Hod, Fox, Goûmi en ik, allen goed gewapend, den weg af, die schuins naar de vlakte loopt, na gezorgd te hebben de twee honden in het kamp achter te laten, die we op dezen tocht niet noodig hadden.

Sergeant Mac Neil was met Storr, Kâlouth en den kok in het Stoomhuis gebleven om de laatste hand aan onze installatie te leggen. Na een reis van twee maanden, was het noodig dat de IJzeren Reus in- en uitwendig onderzocht, schoon gemaakt en opgeknapt werd. Dat was een lange, nauwkeurige, moeielijke arbeid, die zijn gewonen cornacs, den stoker en den machinist niet veel rust zou geven.

Ten elf ure hadden wij het sanitarium verlaten en eenige minuten daarna, bij de eerste kromming van den weg, hadden we het Stoomhuis achter het dichte geboomte uit het oog verloren.

Het regende niet meer. Een frissche wind uit het noordoosten joeg het zwerk in de hooge streken van den dampkring met drift voort. De hemel was grijs,--de temperatuur zeer geschikt voor voetgangers; maar nu ook miste men de schilderachtige afwisseling van licht en schaduw, die zulk een eigenaardige bekoorlijkheid aan de groote bosschen verleent.

Een recht eind wegs van twee duizend meters af te dalen, zou het werk van vijf en twintig à dertig minuten geweest zijn, maar nu die weg zich verlengde door al de bochten, waardoor de steile hellingen vermeden werden, was er meer tijd toe noodig. We hadden niet minder dan anderhalf uur noodig om den bovensten zoom van de bosschen van Tarryani op vijf of zes honderd voet boven de vlakte te bereiken. Natuurlijk werd de weg in vroolijke stemming afgelegd.

»Opgepast!" zei kapitein Hod. »We komen nu op het domein der tijgers, leeuwen, panters, luipaarden en andere lieve diertjes van de streek der Himalaya-bergen. 't Is goed om de wilde dieren te dooden, maar 't is beter niet door hen gedood te worden! Laten we ons dus niet van elkander verwijderen en voorzichtig zijn!"

Zulk een aanbeveling in den mond van den koenen jager was geld waard. Ook stelden we haar allen op prijs. De karabijnen en de geweren waren geladen, de hanen gespannen. Wij bereidden ons op alles voor.

Doch het waren niet alleen de verscheurende dieren, waartegen wij op onze hoede moesten zijn, maar ook de slangen, waarvan de gevaarlijkste in de wouden van Indië worden aangetroffen. De »belongas," de groene slangen, de zweepslangen en nog zooveel andere soorten zijn zeer vergiftig. Het aantal slachtoffers, die jaarlijks ten gevolge van de beten dezer kruipende dieren omkomen, is vijf- of zesmaal grooter dan dat der huisdieren of der menschen, die ten prooi der wilde beesten bezwijken.

Het is dan ook in deze streken meer dan ooit zaak op alles te letten, goed toe te zien waar men den voet zet, waar men de hand steunt, het oor te leenen aan de minste geruchten, die uit het gras of van tusschen de struiken voortkomen.

Het was half een uur toen wij onder de groote boomen aan den zoom van het bosch aankwamen. Hunne hooge takken breidden zich boven eenige breede lanen uit, waardoor de IJzeren Reus, gevolgd door den trein, dien hij zooals gewoonlijk voorttrok, gemakkelijk had kunnen passeeren. Werkelijk was dan ook dit gedeelte van den weg sedert lang in gebruik voor het vervoer van het door de bergbewoners in den handel gebrachte hout, hetgeen te zien was aan de versche sporen in de weeke klei. Deze groote lanen liepen in de richting der keten en, in de lengte loopende van het Tarryani-woud, verbonden zij de door den bijl van den houthakker hier en daar opengehouden plekken; maar aan elke zijde namen zij smalle voetpaden op, die zich onder ondoordringbaar kreupelhout verloren.

Wij volgden dus deze lanen, meer als landmeters dan als jagers, teneinde hare algemeene richting te verkennen. Geen gehuil verstoorde de stilte in het diepst van het woud. Groote, versche in den bodem achtergelaten indrukselen evenwel, waren het bewijs dat de roofdieren het woud van Tarryani niet verlaten hadden.

Eensklaps, op het oogenblik dat wij een van de bochten der laan doorliepen, die op deze plaats door den voet van een berg van de rechte lijn was afgeweken, deed een uitroep van kapitein Hod, die vooruitliep, ons stilstaan.

Op twintig schreden van ons af, aan den hoek van een open plek in het bosch, omzoomd door groote pendanus, verhief zich een gebouwtje van vrij zonderlingen vorm. Het was geen huis, want het had noch schoorsteen, noch vensters. Het was ook geen jagershut, want het had noch schietgaten, noch openingen voor deuren en vensters. Men zou het eerder voor een Hindoesche grafplaats hebben kunnen houden, verloren in het diepst van dit woud.

Men stelle zich namelijk een soort van lang vierkant voor, samengesteld uit boomstammen, vertikaal tegen elkander geplaatst, die stevig in den grond geheid en aan hun bovenste gedeelte door een dikken band van takken verbonden waren. Als dak andere dwarsstammen, stevig aan de opgaande stammen bevestigd.

Blijkbaar had de bouwer zijn best gedaan het gebouwtje tegen alle uitwendige invloeden bestand te maken. Het was ongeveer zes voet hoog, twaalf lang en vijf breed, Het had schijnbaar geen opening, behalve aan den voorgevel, alwaar zij door een zwaren balk, waarvan het afgeronde hoofd iets boven het dak uitstak, verborgen was.

Boven het dak uit waren lange, buigzame staken opgericht, op een zonderlinge wijze met elkander verbonden. Aan het uiteinde van een horizontale spaak, die deze stelling torschte, hing een lus, of liever een ring, gevormd door een dikke vlecht lianen.

»Wat is dat?" riep ik uit.

»Dat is eenvoudig," antwoordde Banks, na alles goed opgenomen te hebben, »een muizenval, maar 'k geef je te raden, mijne vrienden, welke muizen zij bestemd is te vangen!"

»Een tijgerval?" riep kapitein Hod uit.

»Ja," antwoordde Banks, »een tijgerval, waarvan de deur, gesloten door den balk, die door dezen strik van lianen gedragen werd is nedergevallen, omdat de wipplank van binnen door een dier is aangeraakt."

»Voor het eerst," antwoordde Hod, »zie ik in een bosch van Indië een val van deze soort. Een muizenval, je hebt gelijk! Maar dat is een jager onwaardig!"

»Een tijger ook," voegde Fox er bij.

»Zeer zeker," antwoordde Banks, »maar zoo het er op aankomt deze woeste dieren te vernietigen en niet ze voor pleizier te jagen, dan is de beste val die, welke de meeste vangt. Nu komt deze mij werkelijk schrander gesteld voor om wilde beesten te lokken en gevangen te houden, hoe wantrouwig en sterk ze ook zijn!"

»En daar," zei toen kolonel Munro, »het evenwicht der wipplank, die de deur van den val ophield, verbroken is, is het waarschijnlijk dat werkelijk een dier zich heeft laten vangen."

»We zullen het gauw weten!" riep kapitein Hod uit, »en als de muis niet dood is!..."

Dit zeggende gaf de kapitein het voorbeeld en hield zich gereed zijn karabijn aan te leggen, hetgeen door allen gevolgd werd.

Natuurlijk twijfelden wij geen oogenblik of dit gebouwtje was werkelijk een val van die soort, welke dikwijls in de bosschen van Java wordt aangetroffen. Doch, al was het niet het werk van een Hindoe, dan beantwoordde het toch ten volle aan al de voorwaarden die deze vernielingswerktuigen zoo praktisch maken, buitengewone gevoeligheid, gepaard aan beproefde stevigheid.

Nadat onze beschikkingen genomen waren, naderden kapitein Hod, Fox en Goûmi den val, dien zij eerst van alle kanten wilden opnemen. Ongelukkig was er geen opening tusschen de vertikale stammen, die hun veroorloofde een blik in het inwendige te slaan.

Zij luisterden met de grootste aandacht. Geen enkel geluid verried de tegenwoordigheid van een levend wezen binnen het houten vierkant, zoo stom als het graf.

Kapitein Hod en zijne metgezellen kwamen aan de voorzijde terug. Zij overtuigden zich, dat de beweegbare balk in twee groote vertikaal gestelde groeven gegleden was. Men behoefde hem dus slechts op te lichten om tot het inwendige van den val door te dringen.

»Niet het minste geluid!" zei kapitein Hod, die zijn oor tegen de deur had aangelegd, »geen zuchtje zelfs! De muizenval is ledig!"

»Het doet er niet toe, weest voorzichtig!" antwoordde kolonel Munro.

En hij zette zich op een boomstam, links van de open plek. Ik plaatste mij naast hem.

»Kom Goûmi!" zei kapitein Hod.

Goûmi, vlug, hoewel klein van persoon, toch slank, snel in zijn bewegingen als een aap, lenig als een luipaard, een echte Hindoesche clown, begreep wat de kapitein wilde. Door al deze hoedanigheden was hij de aangewezen persoon voor den dienst, welken men van hem verwachtte. Met één sprong was hij op het dak van den val en in een oogenblik had hij een der staken bereikt die de bovenste stelling vormden. Daarna liet hij zich langs de spaak, die tot hefboom diende, tot den ring van lianen afglijden en door zijn gewicht boog hij haar tot het boveneinde van den balk, die de opening sloot.

Deze ring werd vervolgens in een keep boven aan den balk geschoven en nu had men niets anders te doen dan even te wippen, door het andere uiteinde van de spaak of hefboom naar beneden te drukken.

Maar toen moesten al de vereenigde krachten van onzen kleinen troep te hulp geroepen worden. Kolonel Munro, Banks, Fox en ik, we begaven ons dus achter den val om deze beweging voort te brengen.

Goûmi was in de stelling gebleven, om den hefboom los te maken, ingeval hij door eenigen hinderpaal belet werd vrij te werken.

»Mijne vrienden," riep kapitein Hod ons toe, »als het noodig is dat ik me bij je voeg, kom ik, maar als je 't zonder me kunt doen, blijf ik liever bij de opening staan. Als er dan althans een tijger uit tevoorschijn komt, begroet ik hem in het voorbijgaan met een kogel!"

»En telt die dan voor den twee en veertigsten?" vroeg ik den kapitein.

»Waarom niet?" antwoordde Hod. »Als hij onder mijn schot valt, zal hij altijd in volle vrijheid gevallen zijn!"

»Laten we het vel van den beer niet verkoopen....." hernam de ingenieur, »voordat hij geschoten is!"

»Vooral als die beer wel eens een tijger kon zijn!....." voegde kolonel Munro er bij.

»Tegelijk, mijne vrienden," riep Banks, »tegelijk!"

De balk was zwaar en gleed slecht in zijn sponningen. Toch gelukte het ons hem in beweging te brengen, hij schommelde een oogenblik en bleef een voet van den grond af hangen.

Kapitein Hod trachtte in half gebogen houding, met aangelegde karabijn, te zien of er geen énorme poot of open muil in de opening van den val te voorschijn kwam, doch niets vertoonde zich nog.

»Nog één poging, mijne vrienden!" riep Banks.

En dank zij Goûmi, die het achtereinde van den hefboom eenige schokken kwam geven, werd de balk langzamerhand in de hoogte geheschen. Weldra was de opening wijd genoeg om zelfs een groot dier door te laten.

Doch er vertoonde zich geen dier, welk ook.

Evenwel was het mogelijk, dat, tengevolge van al het leven in den omtrek van den val, de gevangene in het achterste gedeelte van zijn gevangenis de wijk had gekomen. Misschien zelfs wachtte hij slechts op het geschikte oogenblik om zijn sprong te nemen, iedereen omver te werpen, die zich tegen zijn vlucht zou verzetten en in het dichtst van het woud te verdwijnen.

Het was waarlijk een kritiek oogenblik.

Kapitein Hod deed nu eenige schreden voorwaarts met den vinger aan den trekker van zijn karabijn en spande zich in om met den blik tot in het achterste gedeelte van den val door te dringen.

Eindelijk was de balk geheel opgelicht en stroomde het licht door de opening naar binnen.

Op dit oogenblik meende men door de wanden van den val heen een lichte beweging te vernemen, daarna een dof geronk of liever een geducht gegeeuw, dat ik zeer verdacht vond.

Hoogst waarschijnlijk was daar een dier, dat sliep en dat we plotseling hadden wakker gemaakt.

Kapitein Hod kwam nog wat naderbij en richtte zijn karabijn op iets, dat hij in de halve duisternis zag bewegen.

Eensklaps bewoog zich iets van binnen en weerklonk een kreet van schrik, die dadelijk gevolgd werd door deze woorden, in goed Engelsch uitgesproken:

»Schiet niet, in God's naam! Schiet niet!"

Daar sprong een man buiten den val.

We waren zoo verbaasd, dat wij den balk loslieten en hij met een dof geluid voor de opening neerviel, die hij wederom sloot.

Intusschen liep deze zoo geheel onverwachte persoon op kapitein Hod toe, wiens karabijn hem steeds bleef bedreigen, en zeide op een vrij verwaanden toon, gepaard met een sprekend gebaar:

»Wees zoo goed, mijnheer, en wend uw wapen af. Ge hebt met geen tijger van Tarryani te doen!"

Kapitein Hod bracht na eenige aarzeling zijn karabijn in een minder gevaarlijke positie.

»Tot wien hebben we de eer te spreken?" vroeg Banks.

»Tot den natuurkundige Matthias van Guitt, gewoon leverancier van dikhuidige dieren, luiaards, zoolgangers, snuitdragers, verscheurende en andere zoogdieren voor het huis Charles Rice van Londen en het huis Hagenbeck van Hamburg!"

Vervolgens een zwierig gebaar in de rondte makende:

»En de heeren?...."

»Kolonel Munro en zijne reisgenooten," antwoordde Banks, ons met de hand aanduidende.

»Op een wandeling in de wouden van het Himalayagebergte!" hernam de leverancier. »Werkelijk een bekoorlijk tochtje! Uw onderdanige dienaar, mijne heeren, uw onderdanige dienaar!"

Wie was de origineel met wien we te doen hadden? Zijne hersenen waren toch niet gekrenkt tengevolge zijner gevangenschap in den tijgerval? Was hij krankzinnig of bij zijn verstand? Tot welke categorie van tweehandige schepselen behoorde toch dat wezen?

We zouden het spoedig weten en in het vervolg leerden wij dat zonderlinge personage, dat zich natuurkundige noemde en het inderdaad geweest was, beter kennen.

De heer Matthias van Guitt, leverancier van menagerieën, droeg een bril en was vijftig jaar oud. Zijn glad gelaat, zijn knippende oogen, zijn neus in den wind, de aanhoudende beweeglijkheid van zijn geheelen persoon, zijn levendige gebaren bij elken volzin, die aan zijn wijden mond ontrolde, dat alles deed hem kennen als het overbekende type van den reizenden komediant. Wie heeft niet hier of daar een van die acteurs ontmoet, wier geheele leven verloopt tusschen het voetlicht en den achtergrond van een tooneel? Als onvermoeide praters, vervelende gebarenmakers, bluffers met zich zelve ingenomen, dragen ze het hoofd hoog, dat te ledig is in den ouderdom om op jeugdigen leeftijd ooit goed gevuld geweest te zijn. Werkelijk had Matthias van Guitt veel van den ouden komediespeler.

Misschien heeft men de aardige anecdote wel eens hooren vertellen, betreffende dien armen drommel van een zanger, die elk woord van zijn rol door een bijzonder gebaar meende te moeten doen vergezeld gaan.

Hief hij bijvoorbeeld in de opera Masaniello uit volle borst aan:

Als van een Napelschen visscher....

dan zwaaide hij zijn rechter arm, naar de zaal uitgestrekt, koortsachtig alsof hij een snoek aan zijn hengel had, die den haak had ingeslikt. Daarna voortgaande:

De hemel een monarch wilde maken,

terwijl hij een zijner handen naar boven uitstak om den hemel aan te wijzen, vertoonde de andere, een kring om zijn fier opgericht hoofd beschrijvende, een koningskroon.

Zich verzettende tegen de beslissing van het noodlot,

zijn geheele lichaam bood hevig weerstand tegen een kracht, die poogde hem achterover te doen vallen.

Zou hij, zijn bootje besturende, zeggen....

en nu bewogen zich zijn beide armen snel van links naar rechts en van rechts naar links, alsof hij den wrikriem behandelde en toonde hij daarmede zijne handigheid in het besturen van een bootje.

Welnu, dergelijke gebaren, die vermelden zanger tot een tweede natuur geworden waren, waren nagenoeg die van den leverancier Matthias van Guitt. Hij maakte in zijn spreken slechts van uitgezochte termen gebruik en moest voor hem, die met hem sprak en zich niet buiten het bereik zijner gebaren kon stellen, al zeer hinderlijk zijn.

Zooals wij later van hem zelven vernamen was Matthias van Guitt oud-hoogleeraar in de natuurkunde, die evenwel niet veel succes van zijn professoraat gehad had. Het is zeker, dat de waardige man veel stof tot lachen moest geven en dat, zoo hij al veel toehoorders kreeg, dit meer was om zich te vermaken, dan om te leeren. Het kwam eindelijk zoo ver, dat het hem begon te vervelen zonder succes de theoretische zoölogie te onderwijzen en hij liever naar de Indiën ging om de practische zoölogie te bestudeeren. Deze soort van handel beviel hem beter en hij werd aangesteld als leverancier der belangrijke huizen van Hamburg en Londen, die meerendeels de publieke en bijzondere diergaarden der twee werelden voorzien.

En de reden waarom Matthias van Guitt zich thans in Tarryani ophield, was dat een belangrijke bestelling van wilde dieren voor Europa hem daar gebracht had. Inderdaad was zijn kamp niet meer dan twee mijlen van den val verwijderd, waaruit wij hem pas verlost hadden.

Maar hoe kwam toch de leverancier in den val? Dit was de eerste vraag, die Banks hem deed en ziehier wat hij antwoordde in een taal door een menigte gebaren opgeluisterd: