Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
Part 17
Op dit oogenblik naderde Balao Rao zijn broeder.
»Het is tijd om te vertrekken," zeide hij tot hem.
»Ja," antwoordde Nana Sahib, »en vóór den morgen moeten we den pâl van Tandît bereikt hebben."
»Op marsch dan."
Beiden, door hunne Gounds gevolgd, begaven zich langs den noordelijken oever van het meer naar een afgezonderde landhoeve. Daar werden zij opgewacht door paarden voor hen en hun geleide. Het waren van die snelloopende paarden, die met een zeer gekruid voedsel gevoerd worden, en die vijftig mijlen in een enkelen nacht kunnen afleggen. Ten acht ure galoppeerden zij op den weg van Bhopal naar de Vindhyas.
Dat de nabob vóór den dageraad in den pâl van Tandît terug wilde zijn, was slechts een maatregel van voorzichtigheid. Natuurlijk was het beter, dat zijn terugkeer in de vallei onopgemerkt voorbijging.
De kleine troep ging dus zoo snel als de paarden slechts loopen konden, vooruit.
Nana Sahib en Balao Rao, hoewel dicht bij elkander, reden stilzwijgend voort, maar dezelfde gedachte hield hen bezig. Van dien tocht aan gene zijde der Vindhyas, brachten zij niet alleen de hoop, maar ook de zekerheid mede, dat ontelbare aanhangers hunne zaak omhelsden. De centrale hoogvlakte van Indië was geheel in hunne handen. De militaire kantonnementen, over dit uitgestrekte grondgebied verdeeld, konden aan de eerste aanvallen der opstandelingen geen weerstand bieden. Hunne vernietiging zou de omwenteling vrij spel geven en weldra zou van het eene strand naar het andere een gansche muur dweepzieke Hindoes in opstand komen, waartegen de koninklijke armée zich te bersten zou stooten.
Doch terzelfder tijd was Nana Sahib met de gedachte vervuld aan het gelukkige toeval, dat hem Munro in handen zou leveren. De kolonel had eindelijk Calcutta verlaten, alwaar het moeielijk was hem te bereiken. Voortaan zou geen enkele zijner bewegingen den nabob ontgaan. Geheel onbewust, zou de hand van Kâlagani hem naar de woeste streek der Vindhyas geleiden en eenmaal daar, zou niemand hem aan het vonnis kunnen onttrekken, dat de haat van Nana Sahib hem bereid had.
Balao Rao wist nog niets van hetgeen tusschen den Bengali en zijn broeder gesproken was. Eerst bij de nadering van den pâl van Tandît, terwijl de paarden een oogenblik uitbliezen, vergenoegde Nana Sahib zich het hem in deze termen te zeggen:
»Munro heeft Calcutta verlaten en richt zich naar Bombay."
»De weg van Bombay," riep Balao Rao uit, »loopt naar het strand van de Indische Zee!"
»De weg van Bombay, ditmaal," antwoordde Nana Sahib, »zal ophouden bij de Vindhyas!"
In dit antwoord lag alles opgesloten.
De paarden werden op nieuw in galop gebracht en sloegen den weg in door het bosch, dat zich aan den zoom van de vallei der Nerbudda verhief.
Het was toen vijf uur 's morgens. De dag was pas aangebroken. Nana Sahib, Balao Rao en hunne metgezellen waren aan den woest stroomenden Nazzur aangekomen, die naar den pâl liep.
De paarden werden hier achtergelaten en aan de hoede toevertrouwd van twee Gounds, belast ze naar het dichtstbijzijnde dorp te geleiden.
De anderen volgden de beide broeders, die de door het water van den bergstroom schuddende treden bestegen.
Alles was stil en de eerste geluiden van den dag hadden de plechtige stilte van den nacht nog niet afgebroken.
Eensklaps barstte een geweerschot los, dat door vele andere gevolgd werd. Terzelfder tijd deden zich deze kreten hooren:
»Hoera! hoera! voorwaarts!"
Een officier, aan het hoofd van een vijftig soldaten van het koninklijk leger, verscheen op den rug van den pâl.
»Vuur! Dat niemand ontsnappe!" riep hij opnieuw.
Nieuwe losbranding, van zeer nabij gericht op de groep Gounds, die Nana Sahib en zijn broeder omringde.
Vijf of zes Hindoes vielen. De anderen wierpen zich terug in de bedding van den Nazzur en verdwenen onder de eerste boomen van het woud.
»Nana Sahib! Nana Sahib!" schreeuwden de Engelschen, de nauwe bergkloof betredende.
Toen richtte een van hen, doodelijk getroffen, zich op met de hand naar hen uitgestrekt.
»Dood aan de veroveraars!" schreeuwde hij met een nog vreeselijke stem en viel toen onbeweeglijk neder.
De officier naderde nu het lijk.
»Is dit werkelijk Nana Sahib?" vroeg hij.
»Hij is het," antwoordden twee soldaten van het détachement, die te Cawnpore in garnizoen geweest zijnde, den nabob van nabij kenden.
»En de anderen!" riep de officier.
En het geheele détachement ijlde het bosch in ter vervolging der Gounds.
Nauwlijks was het verdwenen, of een schaduw gleed over de steilte waarboven de pâl zich verhief.
Het was de Dwalende Vlam, in een lang bruin kleed gewikkeld, dat met een gordel om haar middel bevestigd was.
Den vorigen avond was deze krankzinnige de onbewuste gids geweest van den Engelschen officier en zijne manschappen. Sedert den vorigen dag in de vallei teruggekomen, was zij werktuiglijk naar den pâl van Tandît gegaan, waarheen een soort van instinct haar terugvoerde. Doch dezen keer liet het zonderlinge schepsel, dat men stom waande, aan hare lippen een naam ontsnappen, slechts een enkelen, dien van den moordenaar van Cawnpore!
»Nana Sahib! Nana Sahib!" herhaalde zij, alsof het beeld van den nabob, door eenig onverklaarbaar voorgevoel, in hare herinnering was opgekomen.
Deze naam deed den officier ontroeren. Hij volgde de schreden der krankzinnige. Zij scheen hem niet te zien, noch de soldaten die haar naar den pâl volgden. Was het daar dus, dat de nabob, op wiens hoofd een prijs gesteld was, de wijk genomen had? De officier nam de noodige maatregelen en liet de bedding van den Nazzur bezetten totdat de dag aanbrak. Toen nu Nana Sahib en zijne Gounds er zich in hadden begeven, ontving hij ze met een losbranding, die er verscheidenen neervelde en onder hen, het hoofd van den opstand der Sipayers.
Dit was de ontmoeting, die de telegraaf denzelfden dag den gouverneur van het presidentschap van Bombay berichtte. Deze telegram verspreidde zich over het geheele schiereiland, de dagbladen namen hem onmiddellijk over en zoo kwam het, dat kolonel Munro er den 26n Mei in het dagblad van Allahabad kennis van kon nemen.
Het was dus ditmaal niet te betwijfelen of Nana Sahib was wel degelijk dood. Zijn identiteit was nu werkelijk vastgesteld en het dagblad kon met volle recht zeggen: »Het koninkrijk Indië heeft voortaan niets meer te vreezen van den wreeden rajah, die het zooveel bloed gekost heeft!"
Intusschen daalde de krankzinnige, na den pâl verlaten te hebben, langs de bedding van den Nazzur naar beneden. In hare oogen blonk de glans van een inwendig vuur, dat plotseling in haar scheen ontbrand te zijn, terwijl zij werktuiglijk in zich zelve den naam van den nabob herhaalde.
Zoo kwam zij op de plaats waar de lijken lagen en hield stil bij dat wat door de soldaten van Lucknow was herkend geworden. Het vertrokken gelaat van den doode scheen nog te dreigen. Het was alsof, na slechts voor de wraak geleefd te hebben, de haat in hem overleefde.
De krankzinnige knielde, betastte met beide handen het met kogels doorboorde lijk, waarvan het bloed de plooien van haar kleed bevlekte. Zij beschouwde het langen tijd, richtte zich daarna op en het hoofd schuddende, daalde zij langzaam langs de bedding van den Nazzur naar beneden.
Maar toen was de Dwalende Vlam weder in hare gewone onverschilligheid vervallen en herhaalde haar mond niet meer den vervloekten naam van Nana Sahib.
XVII.
ONS SANITARIUM.
Zou de grootsche uitdrukking, »de onmeetbaren in de schepping," waarvan de mineraloog Haüy zich bediend heeft om de Amerikaansche Andes aan te duiden, niet met meer recht van toepassing zijn op de ontzagverwekkende Himalayaketen, die de mensch nog niet bij machte is met mathematische juistheid te bepalen?
Een dergelijk gevoel bezielt mij op het gezicht van die onvergelijkelijke streek, alwaar kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en ik eenige weken zouden doorbrengen.
»Niet alleen," deelt de ingenieur ons mede, »zijn deze bergen onmeetbaar, maar hunne toppen moeten als ontoegankelijk beschouwd worden, omdat het menschelijk lichaam op zulke hoogten, waar de lucht niet dicht genoeg meer is om aan de behoeften der ademhaling te voldoen, de gewone functies niet meer kan volbrengen!"
Een bolwerk van primitieve rotsen, van graniet, gneis, micaschilfer, tweeduizend vijfhonderd kilometers lang, dat zich van den twee en zeventigsten tot den vijf en negentigsten meridiaan uitstrekt over twee presidentschappen, Agra en Calcutta en over twee koninkrijken, Bouthan en Népaul;--een keten, waarvan de gemiddelde hoogte, een derde hooger dan de top van den Mont-Blanc, in drie onderscheiden luchtstreken kan afgedeeld worden, de eerste, vijfduizend voeten hoog, meer gematigd dan de lager gelegen vlakte, des winters een korenoogst gevende, des zomers een rijstoogst; de tweede van vijf tot negen duizend voet, waar de sneeuw bij den terugkeer der lente smelt; de derde, van negen duizend tot vijf en twintig duizend voet, met dikke ijsmassa's bezet, die zelfs in het heete seizoen de zonnestralen trotseeren,--dwars door die grootsche verhevenheid, de hoogste der aarde, verleenen elf bergpassen, waarvan eenige den berg op een hoogte van twintig duizend voet doorboren, den toegang van Indië naar Thibet, doch niet dan ten koste van buitengewone moeielijkheden, want die bergpassen worden onophoudelijk bedreigd door sneeuwvallen, door bergstroomen vernield en uitgehold, overweldigd door het ijs;--boven die kruin, nu eens in groote koepels afgerond, dan weder vlak als de Tafelberg van de Kaap de Goede Hoop, zeven à acht spitse bergtoppen, waarvan eenige vulkanisch, de bronnen van de Cogra, de Djoemna en den Ganges beheerschende, de Doukia en de Kinchinjunga, zich tot een hoogte van meer dan zeven duizend meters, de Dhiodounga tot acht duizend, de Dawaghaliri tot acht duizend vijf honderd, de Tchamoulari tot acht duizend zeven honderd, de berg Everest, zich tot negen duizend meters verheffende en van welks top de blik een omtrek zou omvatten gelijk aan dien van geheel Frankrijk;--een opeenhooping van bergen eindelijk, die door de Alpen op de Alpen, de Pyreneeën op de Andes op de schaal van de hoogten der aarde niet zou overtroffen worden; zoodanig is die kolossale verhevenheid, waarvan de voet der stoutmoedigste bergbeklimmers misschien nooit de hoogste toppen zal betreden en die bekend is onder den naam van het Himalayagebergte!
De eerste trappen naar die reusachtige zuilengangen zijn met dichte en uitgestrekte bosschen bedekt. Men vindt er nog verschillende vertegenwoordigers van de rijke familie der palmboomen, die in een hoogere luchtstreek plaats maken voor uitgestrekte wouden van eikenboomen, cipressen en pijnboomen, voor weelderige bosschen van bamboes en grasachtige planten.
Banks, die ons deze bijzonderheden mededeelt, vertelt ons ook, dat, terwijl de onderste sneeuwlijn langs de Hindoesche helling der bergketen tot vier duizend meters daalt, zij zich aan de Thibetsche helling tot zes duizend meters verheft. De reden hiervan is, dat de dampen, door de zuidenwinden aangevoerd, door den énormen slagboom worden opgehouden. Daardoor hebben zich dan ook aan de andere zijde dorpen kunnen vestigen tot een hoogte van vijftien duizend voet, te midden van gerstevelden en prachtige weilanden. Volgens het getuigenis der bergbewoners zouden in één nacht die weilanden met een grastapijt bedekt zijn.
In de middelste, de gematigde luchtstreek wordt het rijk der vogelen vertegenwoordigd door pauwen, patrijzen, fazanten, trapganzen en kwartels. Het wemelt er van geiten en schapen. In de hoogste luchtstreek ontmoet men slechts het wilde zwijn, de gems, de wilde kat, terwijl de arend alleen boven de zeldzame gewassen zweeft, die slechts tot de nederige planten der Noordpoolflora behooren.
Doch dat was het niet wat kapitein Hod aanlokte. Waarom zou die Nimrod in de streken der Himalaya gekomen zijn, als hij niets anders te doen had gehad dan wild voor de keuken te schieten? Zeer gelukkig voor hem was er ook geen gebrek aan groote roofdieren, waardig door zijn Enfield-buks en zijne ontplofbare kogels geveld te worden.
Inderdaad strekt zich aan den voet van de eerste helling der keten een onderste streek uit, die de Hindoes den gordel van Tarryani noemen. Het is een uitgestrekte, afhellende vlakte, zeven à acht kilometers groot, vochtig, warm, met een somberen plantengroei, bedekt met dichte bosschen, waarin de wilde dieren gaarne een schuilplaats zoeken. Dit Eden van den jager, die de sterke gemoedsbewegingen van den kampstrijd lief heeft, was slechts vijftien honderd meters onder ons kamp gelegen. Het was dus gemakkelijk naar dit afgesloten terrein af te dalen, dat zich zelf bewaarde.
Het was dus waarschijnlijk, dat kapitein Hod de onderste hellingen der Himalaya liever zou bezoeken dan de bovenste streken. Daar toch zijn zelfs na den humoristischen reiziger Victor Jacquemont, nog vele belangrijke geografische ontdekkingen te maken.
»Die énorme bergketen is dus nog maar zeer onvolkomen bekend?" vroeg ik aan Banks.
»Zeer onvolkomen," antwoordde de ingenieur. »Het Himalaya-gebergte is als een soort van kleine planeet, die zich aan onzen aardbol heeft vastgehecht en die hare geheimen bewaart."
»Maar men heeft het toch doorkruist," antwoordde ik, »men heeft het toch zooveel mogelijk doorzocht!"
»O! voorzeker heeft het niet aan reizigers in de Himalaya ontbroken!" antwoordde Banks. »De gebroeders Gérard de Webb, de officieren Kirpatrick en Fraser, Hogdson, Herbert, Lloyd, Hooker, Cuningham, Strabing, Skinner, Johnson, Moorcroft, Thomson, Griffith, Vigne, Hügel, de zendelingen Huk en Gabet, en later de gebroeders Schlagintweit, de kolonel Wangh, de luitenant Reuillier en Montgomery, hebben na een belangrijken arbeid op groote schaal de orografische gesteldheid der bergketen doen kennen. Toch, mijne vrienden, blijft er veel over, dat nog nader moet uitgemaakt worden. De juiste hoogte der voornaamste toppen heeft aanleiding gegeven tot ontelbare verbeteringen. Zoo was vroeger de Dwalaghiri de koning der geheele keten, daarna heeft deze, na nieuwe metingen, plaats moeten maken voor den Kintchindjïnga, die op zijn beurt nu onttroond is door den berg Everest. Tot nog toe wint deze laatste het van al zijne mededingers. Evenwel zou volgens het zeggen der Chineezen, de Kouin-Lun,--op welken, weliswaar, de juiste methode der Europeesche meetkundigen nog niet zijn toegepast,--den berg Everest iets overtreffen en zou het dus niet in de Himalaya zijn, dat men het hoogste punt van onzen aardbol zou moeten zoeken. Doch werkelijk kunnen deze metingen niet eerder als mathematisch beschouwd worden dan wanneer men ze ook barometrisch en met al de voorzorgen zal verkregen hebben, die deze rechtstreeksche bepaling medebrengt. En hoe ze te verkrijgen, zonder een barometer te brengen naar het hoogste punt dezer bijna ontoegankelijke bergtoppen? En, tot nog toe is dit niet kunnen verricht worden."
»Dat zal geschieden," antwoordde kapitein Hod, »zooals eenmaal de reizen naar de zuid- en de noordpool zullen gedaan worden!"
»Waarschijnlijk!"
»De reis naar de grootste diepten van den Oceaan!"
»Ongetwijfeld!"
»De reis naar het middelpunt der aarde!"
»Bravo, Hod!"
»Zooals alles eenmaal geschieden zal!" voegde ik er bij.
»Zelfs een reis op de planeten van het zonnestelsel!" antwoordde kapitein Hod, die nergens meer voor stond.
»Neen, kapitein," antwoordde ik. »De mensch, als eenvoudige aardbewoner, zal er de grenzen nooit van kunnen overschrijden! Doch, gebonden aan haar korst, kan hij er al de geheimen van doorgronden!"
»Hij kan en moet zulks!" hernam Banks. »Alles wat binnen de grens der mogelijkheid ligt, moet en zal volbracht worden. Dan, als er niets meer voor den mensch overblijft te weten van den bol, dien hij bewoont....."
»Zal hij verdwijnen met dien bol, die geene geheimen meer voor hem heeft," antwoordde kapitein Hod.
»Volstrekt niet!" hernam Banks. »Als meester zal hij er dan genot van hebben en er nog beter partij van trekken. Maar, vriend Hod, daar we ons in de streek der Himalaya bevinden, zal ik je in de gelegenheid stellen onder anderen een zonderlinge ontdekking te doen, waarin je voorzeker belang zult stellen."
»Wat meen je, Banks?"
»De zendeling Huc spreekt in het verhaal zijner reizen van een wonderlijken boom, dien men in Thibet »den boom met de tienduizend spreuken" noemt. Volgens de Hindoesche legende, zou Tong Kabac, de hervormer van den Boeddhistischen godsdienst, een duizend jaren nadat hetzelfde avontuur aan Philemon, Baucis, Daphné, die vreemde plantenwezens in de mythologische flora, overkomen was, in een boom veranderd zijn. Het haar van Tong Kabac zou het gebladerte van dien heiligen boom geworden zijn en op die bladeren verzekert de zendeling met eigen oogen Thibétaansche letters, duidelijk door hunne ribben gevormd, gezien te hebben."
»Een boom met bedrukte bladeren!" riep ik uit.
»En waarop men spreuken van de reinste zedekunde leest," antwoordde de ingenieur.
»Dat is de moeite waard om te onderzoek," zei ik lachende.
»Onderzoek het dan, mijne vrienden," antwoordde Banks. »Als er van die boomen in het zuidelijke gedeelte van Thibet bestaan, moeten er ook in de noordelijke streken, aan de zuidelijke helling der Himalaya gevonden worden. Zoek dus, op uw tochten, zoek dien..... hoe zal ik zeggen?.... dien spreukenschrijver...."
»Waarachtig niet!" antwoordde kapitein Hod. »'k Ben hier gekomen om te jagen en niet om bergen te beklimmen!"
»Wel, vriend Hod!" hernam Banks. »Zoo'n stoutmoedige bergbeklimmer als gij, zal toch hier of daar wel eens een opstijging wagen?"
»Nooit," riep de kapitein uit.
»En waarom niet?"
»'k Heb het beklimmen van bergen opgegeven!"
»En sedert wanneer?....."
»Sedert den dag toen het mij, na twintigmaal het leven er bij gewaagd te hebben," antwoordde kapitein Hod, »eindelijk mocht gelukken den top van den Vrigel, in het koninkrijk Bouthan te bereiken. Men had me verzekerd, dat de top van dezen berg nooit door den voet van eenig menschelijk wezen was betreden geworden! Mijn eigenliefde kwam er dus bij in het spel! Nu, eindelijk, na duizend gevaren bereik ik den top en wat zie ik? deze woorden in een rots gegrift: »Durand, tandmeester, 14, straat Caumartin te Parijs!" Sedert dien tijd bestijg ik geen bergen meer!"
Die goede kapitein! We mogen niet onvermeld laten, dat, toen hij ons deze treurige omstandigheid vermeldde, hij zulk een dwaas gezicht trok, dat het onmogelijk was niet hartelijk te lachen!
Meermalen heb ik van de »sanitariums" van het schiereiland gesproken. Deze stations in de bergen worden in den zomer druk bezocht door de renteniers, de ambtenaren en de kooplieden van Indië, die de brandende hitte der vlakte ontvlieden.
Bovenaan staat Simla, gelegen op den een en dertigsten breedtegraad en ten westen van den vijf en zeventigsten meridiaan. Het is een klein hoekje van Zwitserland met zijn bergstroomen, zijn beken, zijn châlets, bekoorlijk gelegen in de schaduw van ceders en pijnboomen, op twee duizend meters boven het vlak der zee.
Na Simla komt Dorjiling met zijn witte huizen, aan den voet van den Kinchinjinga, twee duizend drie honderd meters hoog, op vijf honderd kilometers ten noorden van Calcutta, op den zes en tachtigsten lengtegraad en den zeven en twintigsten breedtegraad,--een verrukkelijke plek in het schoonste land der wereld.
Op verschillende punten van de Himalayaketen bevinden zich nog andere sanitariums.
En nu bij die frissche en gezonde stations, die het brandende klimaat van Indië onmisbaar maakt, moet ons Stoomhuis gevoegd worden. Maar dit hoort ons toe. Het biedt al de geriefelijkheid aan der weelderigste woningen van het schiereiland. Er wacht ons in een gelukkige luchtstreek, met al het genot van het moderne leven, een kalmte, die men te vergeefs te Simla of te Dorjiling zou zoeken, waar de Anglo-Indiërs in menigte voorkomen.
De plek is met zorg gekozen. De weg, die langs het onderste gedeelte van den berg loopt, verdeelt zich op deze hoogte in tweeën ter verbinding met eenige in het oosten en westen verspreide gehuchten. Het dichtstbij gelegen dezer dorpen bevindt zich op vijf mijlen van het Stoomhuis. Het wordt bewoond door een gastvrij ras van bergbewoners, fokkers van geiten en schapen, bebouwers van rijke velden koren en gerst.
Dank zij de medewerking van ons personeel onder de leiding van Banks, heeft het slechts eenige uren gekost om een kamp in orde te brengen, waarin we gedurende zes of zeven weken moeten verblijven.
Het bergvlak, waarop ons kamp gevestigd is, is zacht golvend en heeft een lengte van ongeveer een mijl en een breedte van een halve mijl. Het groene tapijt, dat het bedekt, bestaat uit een kort, dicht, plucheachtig gras, hier en daar met viooltjes bestrooid. Dichte boschjes van boomvormige rhododendrons, zoo groot als kleine eikenboomen, natuurlijke korfjes met camelias, vormen er een honderdtal bekoorlijke boeketten. De natuur heeft geen werklieden van Ispahan of Smyrna noodig gehad om dit prachtig plantaardig tapijt samen te stellen. Eenige duizenden zaadkorreltjes, op dien vruchtbaren bodem door den zuidenwind medegevoerd, een weinig water, een weinig zon, zijn voldoende geweest om dit zachte en onverslijtbaar weefsel te fabriceeren.
Verder prijkt het plateau met een dozijn prachtige boomgroepen. Het is alsof zij zich losgemaakt hebben van het onmetelijke bosch, dat de berghelling bedekt en tot een hoogte van zes honderd meters tegen de naburige bergen opklimt. Ceders, eikenboomen, pendanus met lange bladeren, beuken, ahornboomen vermengen zich met pisangboomen, bamboes, magnolias, St. Jan's broodboomen en Japansche vijgeboomen. Sommigen dezer reuzen spreiden hunne hoogste takken tot meer dan honderd voet boven den grond uit. Zij schijnen op deze plek gebracht te zijn met het doel een boschwoning te overschaduwen. Het Stoomhuis, op het juiste tijdstip gekomen, heeft het landschap voltooid. De koepelsgewijze daken zijner twee pagoden paren zich gelukkig met al dat verschillende loof, met al die stijve of buigzame takken, die nu eens kleine en teere bladeren als vlindervleugels, dan weder breede en lange als Australische pagaaien dragen. De rijtuigentrein schuilt weg onder een dicht bosch van groen en bloemen. Niets verraadt het beweegbare huis en men zou zeggen, dat het een vaste woning was, volkomen ingericht om niet van haar plaats te gaan.
Achter, rechts van de schilderij, loopt een bergstroom, welks zilveren band men tot een hoogte van verscheidene duizenden voeten langs de helling van de bergsteilte kan volgen en die zich in een natuurlijk bekken stort, dat door een groep heerlijke boomen overschaduwd wordt.
Uit dit bekken vloeit het water als een beek weg, loopt door het grasveld en eindigt in een ruischenden waterval, die in een afgrond valt, welks diepte niet met den blik kan gepeild worden.
Met ziet dat het Stoomhuis, wat de ligging betreft, het nuttige met het aangename vereenigde.
Begeeft men zich naar den voorsten rand der bergvlakte, dan ziet men, dat zij zich boven een aantal minder belangrijke bergruggen uitstrekt, die in reusachtige trappen naar de vlakte afdalen. De helling is zoo zacht, dat men haar in haar geheel met den blik kan omvatten.
Rechts is het eerste huis van het Stoomhuis schuins geplaatst, zoodanig dat het gezicht van den zuidelijken horizont gespaard is, zoowel voor het balkon der veranda als voor de zijramen van het salon, de eetzaal en de kleine vertrekken links. Groote cederboomen breiden hunne takken er boven uit en teekenen zich in zwarte lijnen scherp af tegen den verren achtergrond der groote keten, die door de eeuwige sneeuw bekleed wordt.