Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 16

Chapter 163,901 wordsPublic domain

Ten oosten van Goudwana is Khondistan of het land der Kounds gelegen. Zoo worden de woeste volgers genoemd van Tado Pennor, den god der aarde en Maunck Soro, den rooden god der gevechten, de bloedige aanhangers der »Meriahs," of menschenoffers, die de Engelschen zooveel moeite hebben uit te roeien, die woestelingen, waardig vergeleken te worden met de inboorlingen van de onbeschaafde eilanden van Australië, tegen wie van 1840 tot 1854, de generaal-majoor John Campbell, de kapiteins Macpherson, Macviccar en Frye moeielijke en lange krijgstochten ondernamen,--dweepers, die alles zouden durven, als onder eenig godsdienstig voorwendsel, een machtige hand hen zou aanzetten.

Ten westen van Goudwana bevindt zich een land van vijftien honderd duizend à twee millioen zielen, bewoond door de Bhîls, machtig eertijds in Malwa en Rajpoutuna, nu verdeeld in klans, door de geheele streek der Vindhyas verspreid, bijna altijd dronken van den brandewijn, hun door den boom van »mhowah" verschaft, doch dapper, stoutmoedig, sterk, vlug en het oor altijd open voor den »kisri," hun oorlogskreet.

Men ziet dat Nana Sahib een goede keus gedaan had. In dat centrale gedeelte van het schiereiland hoopte hij, in plaats van een eenvoudigen militairen opstand, dezen keer een nationale beweging uit te lokken, waaraan de Hindoes van alle kanten zouden deelnemen.

Doch, alvorens iets te ondernemen, moest hij zich in het land vestigen, teneinde, naargelang de omstandigheden het medebrachten, op de bevolking te kunnen werken. Het was dus van het hoogste belang een veilige schuilplaats te zoeken, voor het oogenblik althans, om haar in geval zij verdacht mocht worden, te verlaten.

Dit was de eerste zorg van Nana Sahib. De Hindoes, die hem van Adjuntah af gevolgd hadden, konden in het geheele presidentschap vrij komen en gaan. Balao Rao, op wien de afkondiging van den gouverneur niet van toepassing was, zou ook dezelfde vrijheid hebben kunnen genieten, indien hij niet zoo sterk op zijn broeder geleken had. Sedert zijne vlucht naar de grenzen van Népaul, was de aandacht niet meer op zijn persoon gevestigd geweest, en men had alle reden hem voor dood te houden. Doch, voor Nana Sahib aangezien, zou hij gevat geworden zijn,--hetgeen men tot elken prijs moest vermijden.

Voor deze twee broeders dus, door hetzelfde doel vereenigd, door dezelfde gedachte bezield, was een zelfde schuilplaats noodig. Zulk eene te vinden nu, kon in de bergpassen van Sautpourra niet moeielijk zijn.

En inderdaad werd al spoedig zulk een schuilplaats door een der Hindoes van den troep, een Gound, die de vallei tot in haar meest afgelegen schuilhoeken kende, gevonden.

Aan den rechteroever van een kleinen bijstroom der Nerbudda bevond zich een verlaten pâl, de pâl van Tandît genaamd.

Een pâl is minder dan een dorp, nauwelijks een gehucht, een vereeniging van hutten, dikwijls zelfs een eenzame woning. De zwervende familie, die haar bewoont, heeft er zich tijdelijk gevestigd. Na eenige boomen verbrand te hebben, waarvan de asch voor een kort seizoen den bodem eenig leven schenkt, hebben de Gound en de zijnen hunne woning gebouwd. Doch, daar de veiligheid der streek veel te wenschen overlaat, heeft het huis het voorkomen van een klein fort aangenomen. Het is omringd door een rij palissaden en kan zich tegen een verrassing verdedigen. Daarenboven is het in dicht geboomte verborgen en schuilt het als het ware geheel weg onder een bladerengewelf van cactus en struikgewas, zoodat het niet gemakkelijk is het te ontdekken.

Gewoonlijk is de pâl gevestigd op een kleine hoogte, aan den kant eener nauwe vallei, tusschen twee steile berghellingen, temidden van een ondoordringbaar kreupelbosch. Bij het zien van een dergelijk verblijf doet zich de vraag bij ons op, hoe daar menschen kunnen wonen. Wegen, die er heen leiden, zijn er niet en zelfs van voetpaden is er geen spoor. Om zulk een pâl te bereiken, moet men somtijds de uitgeholde bedding van een bergstroom, welks water elk spoor uitwischt, volgen. Natuurlijk laat het gaan in zulk een bedding geen spoor na zich. In het heete jaargetijde loopt men tot aan de enkels, in het koude tot aan de knieën in het water en niets verraadt, dat eenig levend wezen daar gepasseerd is. Daarenboven zou een stortvloed van rotsen, die de hand van een kind zou kunnen doen nederstorten, iedereen verpletteren, die het zou wagen den pâl te genaken tegen den wil zijner bewoners.

Hoe afgezonderd zij evenwel in hunne ongenaakbare nesten wonen, kunnen de Gounds van pâl tot pâl snel met elkander in gemeenschap komen. Van de toppen der Sautpourra verspreiden zich de signalen binnen eenige minuten over twintig mijlen in de rondte. Nu eens is het een vuur op den top van een steile rots, nu eens een boom in een reusachtigen fakkel veranderd, dan weder een eenvoudige rookkolom op den top van een bergrug. Men kent de beteekenis van dergelijke signalen. De vijand, namelijk een detachement soldaten der koninklijke armée, een kleine afdeeling van de Engelsche politie, is in de vallei doorgedrongen, doorzoekt de bergengten ter opsporing van een misdadiger, wien dit land zoo gaarne een schuilplaats aanbiedt. De oorlogskreet, den bergbewoners zoo gemeenzaam, wordt een alarmkreet. Een vreemdeling zou hem houden voor het gehuil van nachtvogels of het gesis van slangen. De Gound kent ze, die geluiden. Men moet waken, men waakt, men moet vluchten, men vlucht. De verdachte pâls worden verlaten, verbrand zelfs. Deze zwervers zoeken andere schuilplaatsen op, die zij opnieuw gaan verlaten, als zij te dicht op de hielen gezeten worden en op die met asch bedekte terreinen, vinden de agenten van het openbare gezag slechts bouwvallen.

In een dezer pâls nu,--de pâl van Tandît,--waren Nana Sahib en de zijnen een schuilplaats komen zoeken. Daarheen had de getrouwe Gound, aan den persoon van den nabob gehecht, hen dadelijk geleid. Daar vestigden zij zich den 12n Maart.

Zoodra de twee broeders bezit van den pâl van Tandît genomen hadden, onderzochten zij met de grootste zorg de toegangen. Zij namen nauwkeurig waar in welke richting en hoever het oog kon reiken. Zij lieten zich inlichten welke de dichtstbij zijnde woningen en wie de bewoners waren. Zij bestudeerden den verlaten bergrug, die den pâl van Tandît te midden van een dichte boomgroep beheerschte en kwamen eindelijk tot de overtuiging van de onmogelijkheid er zich toegang te verschaffen zonder de bedding van een bergstroom te volgen, denzelfden stroom, waarlangs zij zelven gekomen waren.

De pâl van Tandît mocht dus als volkomen veilig beschouwd worden, te meer nog daar hij zich boven een sousterrein verhief, welks geheime uitgangen uitkwamen aan de zijde van den berg, die bij een voorkomend geval de gelegenheid aanboden te ontvluchten.

Nana Sahib en zijn broeder hadden nooit veiliger toevluchtsoord kunnen vinden.

Maar het was Balao Rao niet voldoende te weten wat de pâl van Tandît heden was, hij wilde ook weten wat hij geweest was en terwijl de nabob het inwendige van het fort bezocht, ging hij voort met den Gound te ondervragen.

»Nog eenige vragen," zeide hij tot hem. »Hoe lang is die pâl verlaten?"

»Sedert langer dan een jaar," antwoordde de Gound.

»Wie bewoonde hem?"

»Een familie van zwervers die er slechts eenige maanden gebleven is."

»Waarom hebben zij hem verlaten?"

»Omdat de bodem, die hen moest voeden, hun geen voedsel meer kon verschaffen."

»En heeft niemand na hun vertrek, voor zoover je weet, hem bewoond?"

»Niemand."

»Heeft nooit een soldaat van het koninklijk leger, nooit een agent van politie den voet binnen de omheining van dezen pâl gezet?"

»Nooit."

»Heeft ook geen vreemdeling hem ooit bezocht?"

»Niemand," antwoordde de Gound, »behalve een vrouw."

»Eene vrouw?" vroeg Balao Rao driftig.

»Ja, een vrouw, die sedert ongeveer drie jaren in de vallei der Nerbudda rondzwerft."

»Wie is die vrouw?"

»Wie zij is, weet ik niet," antwoordde de Gound. »Vanwaar ze komt, kan ik evenmin zeggen en in de geheele vallei is er niemand die iets meer van haar weet dan ik! Is ze een vreemde, is ze een Hindoesche, men heeft het nooit kunnen te weten komen!"

Balao Rao dacht een oogenblik na en vroeg toen:

»Wat doet die vrouw?"

»Ze komt, ze gaat," antwoordde de Gound, »en leeft alleen van aalmoezen. Men heeft in de gansche vallei een soort van bijgeloovigen eerbied voor haar. Meermalen heb ik haar in mijn eigen pâl ontvangen. Zij spreekt nooit. Men zou haast denken, dat ze stom was en 't zou me niet verwonderen of ze is het. 's Nachts ziet men haar wandelen met een harsachtigen, brandenden tak in de hand. Ook kent men haar niet anders dan onder den naam van de »Dwalende Vlam!"

»Maar," zei Balao Rao, »als die vrouw den pâl van Tandît kent, zou ze er wel eens kunnen terugkomen terwijl we er wonen, en gevaarlijk voor ons kunnen worden?"

»Dat nooit," antwoordde de Gound. »Die vrouw is niet recht bij haar verstand, hare oogen zien zonder te weten wat ze zien, hare ooren hooren niet wat ze meenen te hooren, haar tong kan geen woord meer uitspreken! Ze is als een blinde, een doove, een stomme voor al de dingen van het dagelijksch leven. Ze is krankzinnig en een krankzinnige is een doode, die in 't leven blijft!"

De Gound had met de aan de Hindoes der bergen eigenaardige taal het portret geschilderd van een vreemd schepsel, zeer bekend in de vallei, »de Dwalende Vlam," der Nerbudda.

Het was een vrouw, wier bleek, nog schoon gelaat, verouderd en niet oud, doch zonder eenige uitdrukking, noch den oorsprong, noch den leeftijd aanduidde. Men zou gezegd hebben, dat hare verwilderde oogen zich voor het leven des geestes gesloten hadden bij een of ander vreeselijk tooneel, dat zij »inwendig" bleven zien.

Dit argeloos schepsel, van haar verstand beroofd, had een goede ontvangst bij de bergbewoners genoten. Krankzinnigen zijn voor de Gounds, gelijk trouwens voor al de wilde volkeren, heilige wezens, die een bijgeloovige eerbied beschermt. De Dwalende Vlam werd dan ook, overal waar zij zich vertoonde, gastvrij ontvangen. Geen pâl, die de deur voor haar sloot. Men voedde haar wanneer zij honger had men bereidde haar een rustplaats als zij uitgeput van vermoeienis neerviel, zonder een woord van dank te verwachten, dat haar mond niet meer kon uitspreken.

Hoelang duurde dat bestaan? Van waar kwam die vrouw? Op welk tijdstip was zij in Goudwana verschenen? 't Zou moeilijk geweest zijn het juist te zeggen. Waarom wandelde zij rond met een brandende toorts in de hand? Was het om haar pad te verlichten? Was het om de wilde dieren op een afstand te houden? Niemand kon het zeggen. Het gebeurde somtijds, dat zij geheele maanden achtereen verdween. Waar was zij dan? Verliet zij de bergpassen, der Sautpourra, om zich naar die der Vindhyas te begeven? Dwaalde zij aan den anderen kant der Nerbudda, tot in Malwa of in Bundelkund rond? Er was niemand die het wist. Meermalen bleef zij zoolang weg, dat men niet anders dacht dan dat haar treurig leven een einde had genomen. Maar neen! Men zag haar weder terugkomen, altijd dezelfde, zonder dat noch vermoeienis, noch ziekte, noch gebrek haar schijnbaar zoo teer gestel schenen te hebben aangedaan.

Balao Rao had den Hindoe met de grootste aandacht aangehoord. Hij was het nog niet met zich zelven eens, of er niet eenig gevaar in gelegen was, dat de Dwalende Vlam den pâl van Tandît kende, er reeds een schuilplaats gezocht had en haar instinct er haar kon terugvoeren.

Hij kwam dus op dit punt terug en vroeg den Gound of hij of de zijnen wisten waar de krankzinnige zich op dit oogenblik bevond.

»'k Weet het niet," antwoordde de Gound. »'t Is al langer dan zes maanden geleden, dat men haar in de vallei gezien heeft. Mogelijk is ze dus dood. Maar, al kwam ze terug en bezocht ze ook den pâl van Tandît, dan was er toch niets van haar te vreezen. 't Is slechts een levend standbeeld. Ze zou u niet zien, u niet hooren, ze zou niet weten wie ge zijt. Ze zou binnenkomen, ze zou neerzitten aan uw haard, voor een, misschien twee dagen, dan zou ze haar uitgedoofde toorts weder aansteken, u verlaten en opnieuw beginnen met van huis tot huis te zwerven. Dat is haar geheele leven. Trouwens is ze ditmaal zoo lang weg geweest, dat ze waarschijnlijk wel nooit zal terugkomen. Zij, die geestelijk reeds dood was, zal nu ook lichamelijk wel overleden zijn!"

Balao Rao meende over dit onderwerp niet met Nana Sahib te moeten spreken en zelf hechtte hij er al spoedig niet het minste gewicht meer aan.

Een maand na hun komst in den pâl van Tandît, was van den terugkeer der Dwalende Vlam in de vallei van Nerbudda nog niets gebleken.

XVI.

DE DWALENDE VLAM.

Gedurende een geheele maand, van den 12n Maart tot den 12n April, bleef Nana Sahib in den pâl verborgen. Hij wilde het Engelsche bewind den tijd geven, hetzij de opsporingen op te geven, hetzij het op een valsch spoor te brengen.

Mochten al de twee broeders overdag niet uitgaan, hunne vrienden daarentegen doorliepen de vallei, bezochten de dorpen en de gehuchten, kondigden in bedekte termen de op handen zijnde verschijning aan van een »geduchten moulti," half god, half mensch, en zij bereidden de gemoederen voor op een nationale omwenteling.

Zoodra de nacht was aangebroken, waagden Nana Sahib en Balao Rao het hunne schuilplaats te verlaten. Zij begaven zich dan naar de oevers der Nerbudda en gingen van dorp tot dorp, van pâl tot pâl, het oogenblik verbeidende waarop zij met eenige zekerheid het domein konden bezoeken der aan de Engelschen schatplichtige rajahs. Nana Sahib wist trouwens, dat vele halfonafhankelijken, ongeduldig om het vreemde juk af te werpen, zich op zijne stem zouden vereenigen. Doch, op dit oogenblik gold het slechts de woeste bevolking van Goudwana.

Die onbeschaafde Bhîls, die zwervende Kounds, die Gounds, wild en woest als de inboorlingen van de eilanden van den stillen Oceaan, vond de Nana gereed, om hem te volgen. Indien hij zich uit onvoorzichtigheid slechts aan twee of drie machtige stamhoofden bekend maakte, was dat voldoende om hem te bewijzen, dat zijn naam alleen verscheidene millioenen Hindoes zou medesleepen, die over de centrale bergvlakten van Hindostan verspreid zijn.

Toen de beide broeders in den pâl van Tandît waren teruggekeerd, deelden zij elkander mede wat zij gehoord, gezien en gedaan hadden. Hunne metgezellen voegden zich toen bij hen, van alle kanten de tijding medebrengende, dat de geest van oproer als een stormwind in de vallei der Nerbudda was losgebroken. De Gounds wilden niet anders dan den »kisri" doen weergalmen, den oorlogskreet der bergbewoners, en de militaire kantonnementen van het presidentschap te overrompelen.

Het oogenblik was nog niet gekomen.

Het was namelijk niet voldoende, dat de geheele landstreek tusschen de Sautpourrabergen en de Vindhyas in vuur en vlam gezet werd, de brand moest al verder en verder om zich heen grijpen. Het was dus noodig de brandstoffen in de nabij de Nerbudda gelegen provinciën op te hoopen, die meer rechtstreeks onder Engelsche heerschappij verkeerden. Van al de steden en gehuchten van Bhopal, Malwa, Bundelkund en van het geheele uitgestrekte koninkrijk van Scindia moest een onmetelijke brandstapel gebouwd worden, gereed om ontstoken te worden. Doch Nana Sahib wilde met recht aan niemand anders dan aan zich zelven de zorg toevertrouwen de oude deelnemers aan den opstand van 1857 te bezoeken; al die landgenooten, die zijn zaak getrouw gebleven waren en nooit aan zijn dood geloofd hadden, verwachtten hem elken dag weder te zien verschijnen.

Een maand na zijn aankomst in den pâl van Tandît meende Nana Sahib veilig te kunnen handelen, daar toch het feit zijner wederverschijning in de provincie als valsch was erkend geworden. Partijgangers hielden hem op de hoogte van alles wat de gouverneur van het presidentschap van Bombay gedaan had om hem te vangen. Hij wist dat de overheid in de eerste dagen een nauwkeurig onderzoek had ingesteld, maar zonder gevolg. De visscher van Aurungabad, de oude gevangene van den Nana, was door een dolksteek omgebracht en niemand had kunnen vermoeden, dat de ontvluchte fakir de nabob Dandou-Pant was, op wiens hoofd een prijs gesteld was. Een week later, waren de geruchten tot zwijgen gekomen, de mededingers naar de premie van duizend gulden hadden alle hoop verloren en de naam van Nana Sahib kwam weder in vergetelheid.

De nabob kon dus in eigen persoon handelen en zonder vrees van erkend te worden, zijne omwentelingsplannen verwezenlijken. Nu eens in het kostuum van een parsi, dan weder in dat van een eenvoudigen raïot, vandaag alleen, morgen van zijn broeder vergezeld, begon hij zich van den pâl van Tandît te verwijderen, aan den anderen oever der Nerbudda naar het noorden en zelfs naar de andere zijde van de noordelijke helling der Vindhyas te reizen.

Een spion, die hem in al zijne gangen had willen bespieden, zou hem den 12n April te Indore hebben aangetroffen.

Daar, in die hoofdstad van het koninkrijk Holcar stelde Nana Sahib, een streng incognito bewarende, zich in gemeenschap met de talrijke landelijke bevolking, die zich met den bouw der slaapbollenvelden bezig hield. Het waren Rihillas, Mekranis, Valayalis, vurige, moedige, dweepzuchtige lieden, waarvan de meesten gedeserteerde Sipayers der inlandsche armée waren, die zich in de kleeding van den Hindoeschen boer verborgen hielden.

Daarna stak Nana Sahib de Betwa, een tak van de Jumna over, die naar het noorden aan de westelijke grens van Bundelkund loopt en kwam den 19n April, door een prachtige vallei met een overvloed van dadel- en mangoboomen, te Souari aan.

Daar bevinden zich zonderlinge bouwgewrochten van zeer hooge oudheid. Het zijn »tôpes," een soort van tumuli, bedekt met halfbolvormige koepeldaken, die ten noorden der vallei de voornaamste groep van Saldhara vormen. Uit die praalgraven, uit die woningen der dooden, waarvan de altaren, aan den Boeddhistischen eeredienst gewijd, beschut zijn onder steenen zonneschermen, uit die sedert zoovele eeuwen ledige graven kwamen, op de stem van Nana Sahib honderden vluchtelingen te voorschijn. Verscholen in de bouwvallen, om de vreeselijke weerwraak der Engelschen te ontgaan, was een woord voldoende hun te doen begrijpen wat de nabob van hunne medewerking verwachtte; een wenk zou op het bepaalde uur voldoende zijn om hen in massa op de veroveraars te werpen.

Den 24n April was Nana Sahib te Bhilsa, de hoofdplaats van een belangrijk distrikt van Malwa en daar, te midden van de bouwvallen der oude stad, verzamelde hij bouwstoffen voor den opstand, die de nieuwe hem niet zou verschaft hebben.

Den 27n April bereikte Nana Sahib Raygurh, op de grenzen van het koninkrijk Pannah en den 30n de overblijfselen van de oude stad Sangar, niet ver van de plek waar de generaal sir Hugh Rose den opstandelingen een bloedigen veldslag leverde, die hem met den Maudanporepas den sleutel gaf van de bergengten der Vindhyas.

Daar voegde zijn broeder, door Kâlagani vergezeld, zich bij den nabob en beiden maakten zich bekend aan de hoofden der voornaamste stammen, waarvan zij volkomen zeker waren. In deze geheime vergaderingen, werden de voorloopige handelingen van een algemeenen opstand besproken en vastgesteld. Terwijl Nana Sahib en Balao Rao dan in het zuiden zouden werken, moesten hunne bondgenooten aan de noordelijke hellingen der Vindhyas hunne maatregelen nemen.

Alvorens naar de vallei der Nerbudda terug te gaan, wilden de twee broeders het koninkrijk Pannah nog bezoeken. Zij waagden zich langs de Keyne, onder bedekking van reusachtige teks, van kolossale bamboes en onder de beschutting van die ontelbare Indische vijgeboomen, welke bestemd schijnen gansch Indië in te nemen. Daar werden talrijke en woeste aanhangers geworven onder het ellendige personeel, dat voor rekening van den rajah, de rijke diamantmijnen exploiteert. »Deze rajah," zegt Rousselot, »de positie begrijpende, die de Engelsche overheersching den vorsten van Bundelkund bereidt, heeft de rol van een rijken grondeigenaar verkozen boven die van een weinig beteekenend vorstje." Een rijke grondbezitter is hij inderdaad! De diamanten bevattende streek, in zijn bezit, strekt zich uit over een lengte van dertig kilometers ten noorden van Pannah en de exploitatie zijner diamantmijnen, waarvan de producten op de markten van Bénares en Allahabad het meest geacht zijn, houdt een groot aantal Hindoes bezig. Maar onder de ongelukkigen, gewoon aan den zwaarsten arbeid, die de rajah doet onthoofden, zoodra de opbrengst van de mijn aan het dalen is, moest Nana Sahib duizenden aanhangers vinden, die gereed waren zich voor de onafhankelijkheid van hun land te laten dooden, en hij vond ze.

Van dit punt af, keerden de beide broeders naar de Nerbudda terug, teneinde de pâl van Tandît wederom te bereiken. Evenwel wilden zij, alvorens den opstand van het zuiden voor te bereiden, die tegelijk met dien van het noorden moest losbreken, zich te Bhopal ophouden. Dit is een belangrijke muzelmansche stad, die het middelpunt van het Islamisme in Indië gebleven is en waarvan de bégoem gedurende het gansche tijdperk van den opstand den Engelschen getrouw is gebleven.

Nana Sahib en Balao Rao, vergezeld van een dozijn Gounds, kwamen den 24n Mei, den laatsten dag van de feesten van Moharum, ingesteld ter viering van de hernieuwing van het Muzelmansche leger, te Bhopal aan. Beiden waren gekleed als »joguis," sombere godsdienstige bedelaars, met lange dolken gewapend waarmede zij zich uit dweepzucht treffen, doch zonder zich gevaarlijke wonden toe te brengen.

De twee broeders, die in deze vermomming onherkenbaar waren, hadden de processie in de straten der stad gevolgd, te midden der talrijke olifanten, die »tadzias," een soort van kleine tempels van twintig voet hoog op den rug droegen; zij hadden zich kunnen mengen onder de rijk met goud gestikte onderrokken gekleede en met moesselinen mutsen gedekte muzelmannen en zich kunnen wegschuilen in de rangen der muzikanten, der soldaten, der bajaderen, der als vrouwen vermomde jongelingen,--een vreemde opeenhooping van menschen, die aan deze plechtigheid het voorkomen gaf van een vastenavondsvertooning. Met deze Hindoes van allerlei kasten, waaronder zij talrijke aanhangers telden, hadden zij een soort van maçonniek teeken kunnen wisselen, dat bij de oude opstandelingen van 1857 in zwang was.

Met het vallen van den avond hadden al die menschen zich naar het meer begeven, dat de oostelijke voorstad bespoelde.

Daar wierpen onder een oorverdoovend geschreeuw, het ontbranden van vuurwapenen, het geknetter van voetzoekers en ander klein vuurwerk, bij het licht van duizenden toortsen, al deze geestdrijvers de tadzias in het meer. De feesten van Moharum waren hiermede geëindigd.

Op dit oogenblik voelde Nana Sahib een hand op zijn schouder. Hij keerde zich om. Een Bengali stond voor hem.

Nana Sahib herkende in dezen Hindoe een zijner oude krijgskameraden van Lucknow. Hij ondervroeg hem met de oogen.

De Bengali bepaalde zich tot het fluisteren van de volgende woorden, die Nana Sahib hoorde zonder dat een enkel gebaar zijn ontroering verraden had.

»Kolonel Munro heeft Calcutta verlaten."

»Waar is hij?"

»Hij was gisteren te Bénares."

»Waar gaat hij heen?"

»Naar de grenzen van Népaul."

»Met welk doel?"

»Om er eenige maanden te verblijven."

»En dan?"

»Naar Bombay terug te keeren."

Eensklaps deed zich een scherp geluid hooren. Een Hindoe sloop door de verzamelde menigte en was weldra Nana Sahib genaderd.

Het was Kâlagani.

»Vertrek dadelijk," zei de nabob. »Zoek Munro op, die zich op 't oogenblik naar het noorden begeeft. Dring je aan hem op, maak je noodzakelijk door hem den een of anderen dienst te bewijzen en waag je leven, als 't moet. Verlaat hem niet voordat hij aan gene zijde der Vindhyas weder naar de vallei der Nerbudda is teruggekeerd en kom dan, maar alleen dan mij zijn tegenwoordigheid melden."

Kâlagani vergenoegde zich met een bevestigend teeken te geven en was weldra onder de menigte verdwenen. Een gebaar van den nabob was voor hem een order. Tien minuten later, had hij Bhopal achter den rug.