Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
Part 15
De vrouwen droegen den »choli", een soort van jakje met korte mouwen en den »sarrie", overeenkomende met den dhoti der mannen, dien zij om de lendenen wikkelen en waarvan zij het eind koket over het hoofd slaan.
Deze Hindoes rookten onder de boomen uitgestrekt en het uur van den maaltijd afwachtende, sigaartjes, gewikkeld in een groen blad, of den »gurago", een soort van zwartachtig mengsel, samengesteld uit tabak, suikersiroop en opium. Anderen kauwden het mengsel van betelbladeren, arekanoten en gebluschte kalk, dat zekere spijsverterende eigenschappen bezit, zeer nuttig in het heete klimaat van Indië.
Al die menschen, gewoon aan het onrustige leven der karavanen, leefden in de beste verstandhouding en vertoonden alleen bij de feestelijkheden eenige levendigheid. Zij hadden veel van de figuranten bij een komedietroep, die, zoodra zij niet meer op het tooneel zijn, zich volkomen onverschillig houden.
Toen wij evenwel bij het kamp waren aangekomen, haastten deze Hindoes zich ons met eenige »salams" te begroeten, zich tot den grond buigende. De meesten schreeuwden: »Sahib! sahib!" hetgeen wil zeggen: Mijnheer! mijnheer! dat wij met teekenen van vriendschap beantwoordden.
Zooals ik zei, was het mij in de gedachte gekomen, dat de prins Gourou Singh ter onzer eere misschien een van die feesten wilde geven, waarmede de rajahs niet karig zijn. Het groote binnenplein van den bungalow was als aangewezen voor een soortgelijke plechtigheid en scheen mij bijzonder geschikt toe voor de dansen der bajaderen, de betooveringen der slangenbezweerders en de kunsten der koorddansers. Ik moet bekennen, dat ik verrukt zou geweest zijn als ik te midden van een seraï, in de schaduw van prachtige boomen dit schouwspel had kunnen bijwonen en daarenboven bekend had kunnen worden met de natuurlijke tooneelmatige inrichting, door het personeel der karavaan gevormd. Het zou ongetwijfeld beter geweest zijn dan de planken van een bekrompen theater, met zijn wanden van geschilderd doek, zijn randen van valsch groen en zijn beperkte ruimte.
Ik deelde mijne gedachten aan mijne metgezellen mede, die, hetzelfde verlangen koesterende, niet aan de verwezenlijking geloofden.
»De rajah van Guzarate," vertelde mij Banks, »is een onafhankelijk vorst, die zich na den opstand der Sipayers, waarin hij een vrij dubbelzinnige rol gespeeld heeft, nauwlijks onderworpen heeft. Hij houdt niet van de Engelschen en zijn zoon zal voorzeker niets doen om het ons aangenaam te maken."
»Welnu, we kunnen zeer goed buiten zijne nautchs!" antwoordde kapitein Hod, met een minachtend schouderophalen.
En het geschiedde zooals Banks wel gedacht had en wij werden zelfs niet tot het inwendige bezoek van den seraï toegelaten. Misschien verwachtte de prins Gourou Singh het officieele bezoek van den kolonel, maar sir Edward Munro had dit personage niets te vragen, hij verwachtte er niets van en bekreunde zich niets om hem.
Wij kwamen dus in ons kamp terug en bewezen het uitstekende diner, dat »monsieur" Parazard ons opdischte, alle eer. Ik moet evenwel zeggen, dat de verduurzaamde levensmiddelen er het voornaamste menu van uitmaakten. Sedert verscheidene dagen hadden wij wegens het slechte weer niet kunnen jagen, maar onze kok was een knap man en onder zijn bekwaam toezicht kregen onze verduurzaamde vleezen en groenten hunne natuurlijke frischheid en smaak terug.
Gedurende den geheelen avond en niettegenstaande de beweringen van Banks, verwachtte ik, door een gevoel van nieuwsgierigheid gedreven, een uitnoodiging, die niet kwam. Kapitein Hod lachte mij uit om mijn smaak voor de balletten in de open lucht en verzekerde mij zelfs, dat het in de Opera veel beter was. Ik wilde er niets van gelooven, doch, wegens de weinige beminnelijkheid van den prins, was het mij niet mogelijk dit uit te maken.
Den volgenden dag, den 18n Juni, werd alles in gereedheid gebracht om met het krieken van den dag te vertrekken.
Te vijf uur begon Kâlouth te stoken. Onze olifant, die uitgespannen was, bevond zich een vijftig passen van den trein verwijderd en de machinist hield zich bezig met den voorraad water te vernieuwen.
Onderwijl wandelden wij aan den oever der kleine rivier.
Veertig minuten later had de ketel de noodige drukking en Storr zou juist zijn achterwaartsche beweging beginnen, toen een groep Hindoes kwam aanwandelen.
Zij waren met hun vijven of zessen, rijk gekleed in witte toga's, zijden onderkleederen en tulbanden met goud borduursel. Zij werden vergezeld door een twaalftal wachters, met geweren en sabels gewapend. Een dezer soldaten droeg een kroon van groene bladeren,--'t geen de tegenwoordigheid van een voornaam personage aanduidde.
Werkelijk was dit voornaam personage niemand anders dan de prins Gourou Singh in eigen persoon, een man van ongeveer vijf en dertig jaar, trotsch van voorkomen,--de vrij goed geslaagde type van de afstammelingen dier rajahs van vroegere tijden, in wiens trekken het maharatten-karakter niet te miskennen was.
De prins verwaardigde zich zelfs niet onze tegenwoordigheid op te merken. Hij deed eenige passen voorwaarts en naderde den reusachtigen olifant, dien de hand van Storr weldra in beweging zou brengen. Vervolgens, na hem niet zonder nieuwsgierigheid bekeken te hebben, ofschoon hij er niets van wilde laten blijken, vroeg hij aan Storr:
»Wie heeft die machine gemaakt?"
De machinist wees den ingenieur aan, die eenige schreden van ons afstond.
Prins Gourou Singh drukte zich zeer gemakkelijk in 't Engelsch uit en zich tot Banks wendende, zeide hij gedwongen:
»Is u het, die....?"
»Ik ben het, die....!" antwoordde Banks.
»Men heeft, meen ik, me gezegd, dat het een fantasie was van den overleden rajah van Bouthan?"
Banks knikte.
»Waartoe," hernam Zijn Hoogheid, onbeleefd de schouders ophalende, »waartoe zich dan door een machine te laten trekken, als men olifanten van vleesch en beenderen tot zijn dienst heeft!"
»Omdat," antwoordde Banks, »deze olifant waarschijnlijk sterker is dan al de olifanten, die de overleden rajah in gebruik had."
»Wat zeg je!" zei Gourou Singh, ongeloovig glimlachende, »sterker?...."
»Oneindig sterker!" antwoordde Banks.
»Niet een van uw lieden," zei toen kapitein Hod, wien dit gesprek bijzonder hinderde, »niet een van uw lieden is in staat dien olifant een poot te doen verzetten, als hij 't niet wilde."
»U zegt?"..... zei de prins.
»Mijn vriend zegt," antwoordde de ingenieur, »en ik zeg het hem na, dat dit kunstdier alleen is opgewassen tegen de trekkracht van tien spannen paarden en dat uw drie olifanten, te zamen aangespannen, hem geen stroobreedte zouden kunnen doen wijken!"
»'k Geloof er letterlijk niets van," antwoordde de prins.
»U hebt ongelijk er letterlijk niets van te gelooven," antwoordde kapitein Hod.
»En als uw Hoogheid er een behoorlijke prijs voor geven wil," voegde Banks er bij, »neem ik aan hem er een te leveren, die zoo sterk zal zijn als twintig olifanten, gekozen uit de beste van zijn stallen!"
»Men kan dat licht zeggen," hernam Gourou Singh droog.
»En men kan het doen," antwoordde Banks.
De prins maakte zich warm. Men zag dat hij niet gaarne tegengesproken werd.
»Men zou er nu dadelijk de proef van kunnen nemen," zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben.
»Dat zou kunnen," antwoordde de ingenieur.
»En zelfs," voegde prins Gourou Singh er bij, »zou men met deze proef een aanzienlijke weddenschap kunnen verbinden,--of je zoudt moeten achteruitgaan voor de vrees haar te verliezen, zoo als je olifant ongetwijfeld zou achteruitgaan, als hij met de mijne moest kampen!"
»De IJzeren Reus achteruitgaan!" riep kapitein Hod uit. »Wie durft beweren, dat de IJzeren Reus zou achteruitgaan?"
»Ik," antwoordde Gourou Singh.
»En wat zou Uwe Hoogheid verwedden?" vroeg de ingenieur de armen kruisende.
»Vier duizend ropijen," antwoordde de prins, »als je vier duizend ropijen te verliezen hebt!"
Dat bedroeg ongeveer vijf duizend gulden. Het was voorzeker geen geringe som en 'k zag wel, dat Banks, in weerwil van zijn vertrouwen, niet gaarne zooveel geld waagde.
Kapitein Hod zou met pleizier het dubbele gehouden hebben, als zijn vrij bescheiden soldij het had toegelaten.
»Je weigert!" zei toen Zijn Hoogheid, voor wien vier duizend ropijen niet veel beteekenden. »Je durft dus geen vierduizend ropijen te wagen?"
»Gehouden," zei kolonel Munro, die dichterbij gekomen was en met dit enkele woord tusschenbeiden kwam.
»Kolonel Munro houdt dus vier duizend ropijen?" vroeg prins Gourou Singh.
»En zelfs tienduizend," antwoordde sir Edward Munro, »als Uwe Hoogheid het goedvindt."
»Best!" antwoordde Gourou Singh.
Het werd waarlijk interessant. De ingenieur drukte den kolonel de hand, als om hem dank te zeggen, dat hij hem, Banks, niet door dien minachtenden rajah had laten uittarten, maar een oogenblik had hij zijne wenkbrauwen gefronst en dacht bij zich zelven of hij geen te hoogen dunk had van het vermogen zijner machine.
Wat kapitein Hod aangaat, hij was verrukt, hij wreef zich in de handen en den olifant naderende, riep hij uit:
»Opgepast, IJzeren Reus! Het geldt hier de eer van ons vaderland!"
Al onze lieden hadden zich aan een der zijden van den weg geschaard en ook een honderdtal Hindoes hadden den seraï verlaten en kwamen den kampstrijd bijwonen.
Banks had zich in het torentje bij Storr begeven, die door een kunstmatige trekking den vuurhaard opstookte.
Intusschen waren op een wenk van prins Gourou Singh eenigen zijner dienaars naar den seraï gegaan en kwamen zij terug met drie olifanten, ontdaan van hun reisbagage. Het waren drie prachtige dieren, afkomstig uit Bengalen en grooter dan hunne stamgenooten uit Zuid-Indië. Deze trotsche dieren, in de kracht huns levens, deden mij toch wel wat ongerust zijn.
De »mahouts", op hun énormen nek gezeten, bestuurden ze met de hand en dreven ze aan met de stem.
Toen deze olifanten voorbij Zijne Hoogheid gingen, bleef de grootste van de drie,--een echte reus van zijn geslacht,--stilstaan, boog de knieën, lichtte zijn snuit op en groette den prins als een volleerde hoveling. Daarna naderden zijn twee makkers en hij den IJzeren Reus, dien zij met verwondering en niet zonder eenigen schrik schenen op te nemen.
Nu werden sterke kettingen aan den tender en aan de trekstangen, die door het achterdeel van onzen olifant verborgen waren, vastgemaakt.
Ik beken dat mijn hart klopte. Kapitein Hod beet koortsachtig op zijn knevel en kon geen oogenblik blijven staan.
Wat kolonel Munro betreft, hij was even bedaard en zelfs nog bedaarder dan de prins Gourou Singh.
»We zijn gereed," zei de ingenieur. »Als het Zijne Hoogheid behaagt?...."
»'t Behaagt me," antwoordde de prins.
Gourou Singh gaf een teeken, de mahouts deden een eigenaardig gefluit hooren, en de drie olifanten, hunne kolossale pooten schrap zettende, trokken volkomen gelijk aan. De machine ging eenige schreden achteruit.
Ik gaf een schreeuw. Hod stond te trappelen.
»Rem de wielen!" zei de ingenieur kalm, zich tot den machinist wendende.
En met een enkelen druk, waarop een stoomgesis volgde, werd onmiddellijk de atmosfeerische remtoestel toegepast.
De IJzeren Reus stond stil.
De mahouts zetten de drie olifanten aan, die, met gespannen spieren, een nieuwe poging deden.
Alles te vergeefs. Onze olifant stond als aan den grond geworteld.
De prins Gourou Singh beet zich de lippen ten bloede.
Kapitein Hod klapte in de handen.
»Vooruit!" schreeuwde Banks.
»Ja, vooruit," herhaalde de kapitein, »vooruit!"
De regulateur werd geheel geopend, dikke rookkolommen ontsnapten slag op slag uit den snuit, de ontremde wielen draaiden langzaam rond en sloegen in den macadamweg, met dat gevolg dat de drie olifanten, niettegenstaande hun hardnekkigen wederstand, achteruitgesleept werden, diepe gaten in den grond borende.
»Vooruit! vooruit!" gilde kapitein Hod het uit.
En, terwijl de IJzeren Reus werkelijk steeds vooruitging, vielen de drie ontzaglijke dieren omver en werden zij een twintig schreden voortgesleurd, zonder dat onze olifant er zelfs iets van scheen te merken.
»Hoera! hoera! hoera!" schreeuwde kapitein Hod, die zich geen meester meer was. »Voeg den geheelen seraï van Zijn Hoogheid er ook nog maar bij! 't Zal er voor onzen IJzeren Reus geen greintje zwaarder om zijn!"
Kolonel Munro gaf een teeken met de hand. Banks sloot nu den regulateur en de toestel stond stil.
Geen jammerlijker gezicht dan de drie olifanten van Zijn Hoogheid, met den snuit en de pooten in de lucht, zich werende als reusachtige torren op den rug!
Wat den prins aangaat, boos en beschaamd ging hij heen, zonder zelfs het eind der proef af te wachten.
De drie olifanten werden toen uitgespannen. Zij stonden op, zichtbaar vernederd door hun nederlaag. Toen zij weder voorbij den IJzeren Reus kwamen, kon de grootste, in spijt van zijn cornac, zich niet weerhouden de knie te buigen en met de tromp te groeten, gelijk hij voor prins Gourou Singh gedaan had.
Een kwartier later kregen wij een bezoek van een Hindoe, den »kâmdar" of secretaris van Zijn Hoogheid, die den kolonel een zak met tienduizend ropyen kwam brengen, het bedrag van de verloren weddingschap.
Kolonel Munro nam den zak en zeide, hem met minachting den verbluften secretaris voor de voeten werpende:
»Voor de bedienden van Zijn Hoogheid!"
Daarna wendde hij zich bedaard naar het stoomhuis.
Men kon dien verwaanden prins, die ons zoo minachtend had uitgedaagd, niet beter op zijn plaats zetten.
Zoodra intusschen de IJzeren Reus was ingespannen, gaf Banks het teeken van vertrek en, te midden van een ontzaglijken toeloop van verbaasde Hindoes, vertrok onze trein in volle vaart.
Jubelende kreten begroetten hem bij zijn vertrek en weldra hadden wij bij een kromming van den weg den seraï van den prins Gourou Singh uit het gezicht verloren.
Den volgenden dag begon het Stoomhuis de eerste hellingen te beklimmen, die het vlakke land met den voet van het Himalaya-gebergte verbinden. Het was slechts spel voor onzen IJzeren Reus, die met zijn vermogen van tachtig paardenkracht, in zijn schoot verborgen, in staat was geweest zonder moeite te kampen tegen de drie olifanten van prins Gourou Singh. Hij waagde zich dus gemakkelijk op de hellende wegen van die streek, zonder dat het noodig was de normale stoomdrukking te versterken.
Het was wezenlijk een vreemd gezicht den kolos te zien, stroomen vonken uitbrakende, met minder snelle, maar diepere zuchten de twee wagens voorttrekkende, die langs de wegen in de hoogte stegen. Weliswaar liet ons zware dier diepe gaten achter en bedierf het den weg, die door de stortregens reeds zacht geworden was, nog meer.
Toch steeg het Stoomhuis langzamerhand al hooger en hooger, steeds ontvouwde zich het panorama achter ons al verder en verder, al dieper en dieper zakte de vlakte onder ons weg en naar het zuiden ging de horizont zoover het oog reikte, achteruit.
De uitwerking was nog merkbaarder wanneer de weg eenige uren achtereen onder de boomen van een dicht woud liep. Als dan, als een onmetelijk venster op den top eens bergs, een uitgestrekte open plek in het woud zich voordeed, bleef de trein stilstaan,--een oogenblik slechts als een vochtige mist het landschap als met een sluier bedekte,--een halven dag, als het zich duidelijker aan onze blikken vertoonde. Dan kwamen wij alle vier onder de prachtige achterveranda gezeten, het prachtige panorama, dat zich aan onze blikken ontrolde, genieten en waren niet spoedig van dat treffende schouwspel verzadigd.
Deze opstijging, afgebroken door kortere of langere halten, al naar het uitkwam, duurde niet minder dan zeven dagen, van den 19n tot den 25n Juni.
»Met een weinig geduld," zei kapitein Hod, »zou onze trein tot de hoogste toppen der Himalaya stijgen!"
»Toch vooral geen al te grootsche verwachtingen, kapitein," antwoordde de ingenieur.
»Hij zou het werkelijk doen, Banks!"
»Ja, Hod, 'k wil gelooven, dat hij het doen zou, als de weg maar goed bleef en we brandstoffen mede konden nemen, die hij over de ijsvelden niet vinden zou en dan, als we op die hoogten maar lucht hadden, geschikt om in te ademen, maar op een hoogte van twee duizend vademen zou deze ons al gaan ontbreken. En wat hebben we er ook aan verder te gaan dan de bewoonbare grens van het Himalayagebergte! Zoodra de IJzeren Reus de gemiddelde hoogte der satitariums zal bereikt hebben, zal hij halt houden op de een of andere bekoorlijke plek, aan den zoom van een bergwoud, in een door de bovenstroomen van het luchtruim verfrischte atmosfeer. Onze vriend Munro zal dan eenvoudig zijn bungalow van Calcutta naar de bergen van Népaul verplaatst hebben en we zullen er zoolang blijven als hij wil."
Deze plek, waar wij eenige maanden zouden kampeeren, werd gelukkig den 25n Juni gevonden. Sedert acht en veertig uren werd de weg al minder en minder begaanbaar, hetzij hij onvolkomen was aangelegd, hetzij de zware regens hem te sterk gehavend hadden. De IJzeren Reus moest hier werkelijk sjouwen en had een weinig meer brandstof noodig. Eenige stukken hout meer in den vuurhaard van Kâlouth geworpen, waren voldoende om de spankracht van den stoom te doen toenemen. Maar het was nooit noodig de veiligheidskleppen te belasten, waarvan de smoorklep den stoom slechts onder een drukking van zeven atmosfeeren liet ontsnappen,--een drukking, die nooit overschreden werd.
Sedert acht en veertig uren trok onze trein dan ook door een nagenoeg verlaten streek. Van dorpen of gehuchten was niets meer te vinden. Nauwelijks nog eenige eenzame woningen, somtijds een landhoeve in de groote dennenwouden verloren, die de zuidelijk gelegen zijden der bergkruinen bedekten. Drie of vier malen werden wij door de bewonderende uitroepen der enkele bergbewoners begroet. Moesten ze op het gezicht van dat wonderbaarlijk gevaarte, dat den berg besteeg, niet denken, dat Brahma het in zijn hoofd had gekregen een geheele pagode naar een ontoegankelijke hoogte aan de Népaulsche grens over te brengen?
Eindelijk, den 25n Juni, riep Banks ons een laatste maal het woord: »Halt!" toe, dat het eerste gedeelte van onze reis in Noord-Indië voleindigde. De trein hield stil op een ruime open plek, bij een bergstroom, welks helder water aan al de behoeften van een kamp van eenige maanden kon voldoen. Van daar uit kon men den blik laten weiden over een vlakte van vijftig of zestig mijlen in omtrek.
Het Stoomhuis bevond zich toen op drie honderd vijf en twintig mijlen van zijn uitgangspunt af, op twee duizend meters ongeveer boven het vlak der zee en aan den voet van den Dwalaghiri, wiens top zich op vijf en twintig duizend voet in het luchtruim verloor.
XV.
DE PÂL VAN TANDÎT.
Wij moeten nu kolonel Munro en zijne metgezellen, den ingenieur Banks, den kapitein Hod, den Franschman Maucler een oogenblik verlaten en eenige bladzijden het verhaal dezer reis opschorten, waarvan het eerste gedeelte, den reisweg van Calcutta naar de Indisch-Chineesche grens bevattende, eindigt aan den voet der bergen van Thibet.
Men herinnert zich het voorval, dat plaats had op den tocht van het Stoomhuis naar Allahabad. Een nummer van het stedelijk dagblad, gedateerd 25 Mei, deed kolonel Munro den dood van Nana Sahib kennen. Deze tijding was al zoo dikwijls verspreid en daarna altijd weder tegengesproken, dat men niet wist of zij waar of valsch was. Kon sir Edward Munro, na zulke nauwkeurige bijzonderheden nog twijfelen en moest hij het niet eindelijk opgeven zich op den opstandeling van 1857 te wreken?
Men zal er later zelf over oordeelen.
Zie hier wat er sedert den nacht van den 7n op den 8n Maart gebeurd was, waarin Nana Sahib, vergezeld van zijn broeder Balao Rao, begeleid door zijn getrouwste krijgskameraden en gevolgd door den Hindoe Kâlagani, de grotten van Adjuntah verlaten had.
Zestig uren later bereikte de nabob de nauwe bergpassen van Sautpourra, na de Tapi te zijn overgestoken, die zich op de westkust van het schiereiland bij Surati in zee werpt. Hij bevond zich toen op honderd duizend mijlen van Adjuntah, in een weinig bezocht gedeelte der provincie, hetgeen hem voor het oogenblik eenige zekerheid verschafte.
De plaats was goed gekozen.
De Sautpourrabergen, van middelmatige hoogte, beheerschen ten zuiden het dal der Nerbudda, waarvan de noordelijke grens bekroond wordt door de Vindhyabergen. Deze twee bergketens, bijna evenwijdig met elkander loopende, vertakken zich wederzijds en vormen in dit bergachtige land moeielijk te ontdekken schuilhoeken. Doch terwijl de Vindhyas op de hoogte van den drie en twintigsten breedtegraad Indië bijna geheel van het westen naar het oosten doorsnijden, en zij een der groote zijden van den centralen driehoek van het schiereiland vormen, zoo is dit niet het geval met de Sautpourrabergen, die den vijf en zeventigsten lengtegraad niet overschrijden en er zich met den berg Kaligong vereenigen.
Daar bevond Nana Sahib zich bij den toegang tot het land der Gounds, geduchte stammen van die volkeren van oud ras, die slechts ten halve ten onder gebracht waren en die hij tot den opstand wilde aanzetten.
Het land van Goudwana, waarvan Rousselet de bewoners als oorspronkelijk beschouwt en waar de kiemen van den opstand altijd gereed zijn zich te ontwikkelen, bestaat uit een grondgebied van twee honderd vierkante mijlen en een bevolking van meer dan drie millioen inwoners. Het maakt een belangrijk gedeelte van Hindostan uit en verkeert eigenlijk slechts in naam onder Engelsch beheer. Wel loopt de spoorweg van Bombay naar Allahabad van het zuidwesten naar het noordoosten dwars door dit land en geeft zelfs een tak naar het midden af van de provincie van Nagpore, maar de stammen zijn woest gebleven, wars van alle beschaving, onwillig zich aan de Europeanen te onderwerpen, in een woord, zeer moeielijk in hunne ongenaakbare bergen tot onderwerping te brengen,--en Nana Sahib wist het wel.
Daar was het dus dat hij zich het eerst had willen verschuilen, teneinde de nasporingen der Engelsche politie te ontsnappen, totdat het uur zou slaan de oproerige beweging uit te lokken.
Indien de nabob in zijn onderneming slaagde, indien de Gounds aan zijne oproeping gehoorzaamden en hem volgden, zou de opstand snel een aanmerkelijke uitbreiding kunnen erlangen.
Inderdaad is het ten noorden van Goudwana, Bundelkund, dat de geheele bergachtige streek, gelegen tusschen het verheven bergvlak der Vindhyas en den belangrijken stroom der Jumna bevat. In dit land, bedekt met de schoonste maagdelijke wouden van Hindostan, woont een volk van Boundelas, bedrieglijk en wreed, waarbij alle misdadigers, staatkundige of andere gaarne een schuilplaats zoeken en gemakkelijk vinden; daar hoopt zich op een oppervlakte van acht en twintig duizend vierkante mijlen een bevolking op van twee en een half millioen bewoners; daar zijn de provinciën onbeschaafd gebleven; daar leven nog enkele partijgangers, die onder Tippo Sabib tegen de veroveraars streden; daar zijn de Thugs, de beruchte worgers geboren, zoo lang de schrik van Indië, dweepzieke moordenaars die, zonder ooit bloed te vergieten, ontelbare slachtoffers gemaakt hebben; daar hebben benden van Pindaris bijna straffeloos de verfoeielijkste moorden bedreven; daar wemelt het nog van die vreeselijke Dacoits, een secte van giftmengers, die in het bedrijven der ontzettendste misdaden met de Thugs wedijveren; daar eindelijk had Nana Sahib zelf reeds eens de wijk genomen, na aan de koninklijke troepen, die Jansie vermeesterd hadden, ontsnapt te zijn; daar was hij al de nasporingen ontkomen, alvorens een veiliger toevluchtsoord te gaan vragen aan de ontoegankelijke schuilplaatsen van de Indisch-Chineesche grens.