Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 14

Chapter 143,915 wordsPublic domain

Kapitein Hod was dan ook niets in zijn humeur. Trouwens, midden in die uitgestrekte vlakte, zonder jungles, zonder kreupelhout, bezaaid met dorpen en landhoeven, kon hij niet op de ontmoeting van eenig verscheurend dier rekenen, dat hem den gemisten luipaard van den vorigen dag had kunnen vergoeden. Hij was slechts uitgegaan in zijne hoedanigheid als proviandmeester en dacht aan de ontvangst van »monsieur" Parazard als hij met ledigen weitasch thuiskwam.

Het was toch onze schuld niet. Te vier uur waren we nog niet in de gelegenheid geweest een enkel schot te lossen. Het woei flink en, zooals ik reeds zeide, rees al het wild buiten schot op.

»Mijn waarde vriend," sprak toen kapitein Hod tot mij, »het loopt ons alles tegen! Toen we Calcutta verlieten heb ik je prachtige jachten beloofd en een halsstarrig noodlot, dat me volkomen onverklaarbaar is, belet mij mijne belofte gestand te doen."

»Kom, kom, kapitein," antwoordde ik, »we moeten niet wanhopen. Als ik er eenig verdriet van heb, dan is dat minder voor mij, dan wel voor u!.... We zullen onze schade trouwens inhalen in de bergen van Népaul!"

»Ja," zei kapitein Hod, »daar op de eerste hellingen van het Himalaya-gebergte zullen de omstandigheden beter voor ons zijn. Zie je, Maucler, 'k zou willen wedden, dat onze trein met al zijn omhaal, het geloei van zijn stoom, en vooral zijn reusachtigen olifant, die verwenschte roofdieren schrik aanjaagt, nog meer dan een spoortrein zou doen en dit zal maar al te zeer het geval zijn, zoolang hij op marsch is! Als de trein rust, moeten wij hopen, dat we gelukkiger zullen zijn. Die luipaard was toch werkelijk dwaas! Hij moet zeker woest van den honger geweest zijn, dat hij zich zoo op onzen IJzeren Reus wierp en hij was waard geweest morsdood geschoten te zijn! Die satansche Fox! 'k Zal nooit vergeten wat hij gedaan heeft!--Hoe laat is 't nu?"

»'t Is bij vijf uren!"

»Al vijf uur, en we hebben nog geen patroon verschoten!"

»Ze wachten ons eerst om zeven uur in 't kamp terug. Misschien dat in dien tijd....!"

»Neen, 't loopt ons allemaal tegen," riep kapitein Hod uit, »en zie je, geluk moet er bij zijn!"

»Maar volharding ook," antwoordde ik. »Kom aan, kapitein, laten we afspreken, dat we niet met ledige handen zullen thuiskomen! Vindt u dat goed?"

»Of ik dat goed vind!" riep Hod uit. »Een man een man, een woord een woord!"

»Afgesproken."

»Zie je, Maucler, 'k bracht liever een veldmuis of een eekhoorn mee dan platzak thuis te komen!"

Kapitein Hod, Goûmi en ik, we bevonden ons in een stemming om met alles tevreden te zijn. De jacht werd dus met een hardnekkigheid voortgezet, een beter lot waardig, maar 't was alsof de onschadelijkste vogeltjes onze vijandige voornemens geraden hadden. Het was niet mogelijk er een onder schot te krijgen.

Zoo gingen wij tusschen de rijstvelden door, nu eens de eene zijde van den weg, dan de andere houdende, op onze schreden terugkeerende, om ons niet te ver van het kamp te verwijderen. Alles te vergeefs! Ten half zeven ure 's avonds, was er nog geen schot gevallen. We hadden daar even goed met een rotting in de hand kunnen komen. Het resultaat zou hetzelfde geweest zijn.

Ik keek kapitein Hod aan. Hij liep met de tanden op elkaar geklemd. Een stille woede had zich van hem meester gemaakt, kenbaar aan een diepen rimpel op zijn voorhoofd, tusschen de twee wenkbrauwen. Hij prevelde tusschen zijn saamgeknepen lippen allerlei bedreigingen tegen alle levende behaarde of gevederde wezens, waarvan geen enkel exemplaar zich op deze vlakte vertoonde. Ik zag aankomen, dat hij zijn geweer tegen een boom of een rots of eenig ander voorwerp ging lossen--een jagersmanier om aan zijn toorn lucht te geven. Zijn wapen brandde hem in de hand. Dat bleek uit zijn heele wijze van doen. Hij wierp het op in den arm, dan op schouder, dan droeg hij het in de hand, alles onwillekeurig, ondanks zich zelven.

Goûmi keek hem aan.

»De kapitein zal gek worden als dat zoo voortgaat!" zeide hij tot mij, het hoofd schuddende.

»Ja," antwoordde ik, »en ik zou wel dertig shillings willen geven voor de eenvoudigste tamme duif, die een menschenvriend in zijn bereik wierp! Dat zou hem wat kalmeeren!"

Maar, noch voor dertig shillings, noch voor het dubbele, noch voor het driedubbele had men op het oogenblik zich het minst kostbare en gemeenste stuk wild kunnen verschaffen. Het was nu alles stil en verlaten op de vlakte en zelfs zagen we geen landhoeve noch dorp meer.

Ik geloof waarlijk, dat als het mogelijk geweest was, ik Goûmi had uitgestuurd om tegen elken prijs een of ander stuk gevogelte te koopen, al was het een geplukte kip, om haar onzen vergramden kapitein ter voldoening van zijn wraak over te leveren!

De avond begon nu evenwel te vallen. Overeen uur zou het zoo donker zijn, dat het onmogelijk was onzen vergeefschen tocht voort te zetten. Alhoewel wij waren overeengekomen in geen geval met een ledigen weitasch in het kamp terug te komen, zouden we er toch wel toe verplicht zijn, tenzij we den nacht op de vlakte doorbrachten. Doch, behalve dat we een regenachtigen nacht te wachten hadden, zouden kolonel Munro en Banks, ons niet ziende terugkeeren, in groote ongerustheid verkeerd hebben.

Kapitein Hod keek met wijd geopende oogen, van links naar rechts en van rechts naar links met de vlugheid van een vogel en liep een tiental passen vooruit, in een richting, die ons nu juist niet dichter bij het Stoomhuis bracht.

Ik wilde juist mijne schreden verhaasten en hem inhalen om hem te zeggen, dat we het toch eindelijk maar moesten opgeven langer tegen het noodlot te strijden, toen een luid vleugelgeklep zich rechts van mij deed hooren. Ik keek en zag een witachtige massa zich langzaam boven een kreupelboschje verheffen.

Snel, zonder kapitein Hod den tijd te laten zich omtekeeren, legde ik aan en schoot achtereenvolgens mijne twee loopen af.

De onbekende vogel, dien ik geschoten had, viel zwaar aan den zoom van een rijstveld neder.

Phann maakte zich met één sprong meester van het wild, dat ik getroffen had en bracht het den kapitein.

»Eindelijk!" riep Hod uit, »als »monsieur" Parazard nu niet tevreden is, mag hij zich met zijn hoofd vooruit in zijn ketel storten!"

»Maar, is 't wel wild, dat gegeten wordt?" vroeg ik.

»Wel zeker.... bij gebrek aan wat anders!" antwoordde de kapitein.

»Zeer gelukkig heeft niemand u gezien, mijnheer Maucler!" zei Goûmi.

»Welk kwaad heb ik dan gedaan?"

»Wel! u heb een pauw geschoten en het is verboden pauwen te dooden, die in gansch Indië als gewijde vogels geëerd worden."

»De duivel hale de gewijde vogels en hen, die ze vereeren!" riep kapitein Hod uit. »Deze is nu eenmaal gedood en men zal hem eten.... met eerbied, als je wilt, maar gegeten zal hij worden!"

Inderdaad is in dit land der brahmanen, sedert de expeditie van Alexander, de pauw, die zich omstreeks dezen tijd over het schiereiland verspreidde, een dier heilig boven allen. De Hindoes hebben er het zinnebeeld van de godin Saravasti van gemaakt, die voorzit bij de geboorten en huwelijken. Het is verboden dezen vogel te dooden op straffen, die door de Engelsche wet bekrachtigd zijn.

Dit exemplaar van het hoendergeslacht, dat de vreugde uitmaakte van kapitein Hod, was prachtig met zijn donkergroene vleugels met metaalachtigen weerglans, aan de randen omzoomd met een smal goud randje. De goed gevulde en met schitterende oogen voorziene staart van den vogel, vormde een prachtigen waaier met zijdeachtige franjes.

»Op marsch! op marsch!" zei de kapitein. »Morgen zal »monsieur" Parazard ons pauwenvleesch laten eten, wat al de brahmanen van Indië er van mogen denken! Weliswaar is de pauw maar een verwaand hoentje, maar deze zal met zijn kunstig opgemaakte veeren, toch een goed effect op onze tafel maken!"

»Eindelijk ben je dan toch tevreden, kapitein!"

»Tevreden.... over u, mijn waarde vriend, maar volstrekt niet over mijzelven! Mijn ongelukkig gestarnte heeft me nog niet verlaten! Kom, op marsch!"

Wij keerden dus nu op onze schreden naar den kant van het kamp terug, waarvan wij omstreeks drie mijlen moesten verwijderd zijn. Onze weg liep in bochten tusschen de dichte jungles van bamboes en noodzaakte ons dicht bij elkander te gaan, terwijl Goûmi met ons wild een pas of drie achter ons liep. De zon was nog niet verdwenen, doch door dichte wolken omsluierd, zoodat wij onzen weg half in het duister moesten zoeken.

Plotseling weerklonk een vreeselijk gebrul in een kreupelbosch rechts. Dit gebrul maakte zulk een geduchten indruk op mij, dat ik eensklaps stil bleef staan, als ondanks mij zelven.

Kapitein Hod greep mij bij de hand.

»Een tijger!" zeide hij.

Daarna uitte hij een vloek.

»Bij alle duivels!" riep hij uit, »we hebben slechts hagel op onze geweren!"

Het was maar al te waar, en noch Hod, noch Goûmi, noch ik, hadden scherpe patronen bij ons!

Trouwens zou ons de tijd ontbroken hebben om onze geweren met kogels te laden. Tien seconden later nam het dier, na zijn gebrul herhaald te hebben, een sprong buiten het kreupelhout en kwam op twintig passen van daar op den weg terecht.

Het was een prachtige tijger, van de soort, die door de Hindoes menscheneters genoemd worden, woeste roofdieren, waarvan de slachtoffers jaarlijks bij honderden geteld worden.

De toestand was vreeselijk.

Ik keek den tijger aan, ik verslond hem met de oogen en ik moet bekennen, dat ik bevende mijn geweer vasthield. Hij was negen à tien voet lang, oranjekleurig en wit en zwart gestreept.

Hij keek ons ook aan. Zijn kattenoog schitterde in het halfdonker. Zijn staart zweepte koortsachtig den grond. Hij dook ineen als om ons te bespringen.

Hod had niets van zijn koelbloedigheid verloren en hield steeds de tromp van zijn geweer op het dier gevestigd, terwijl hij op een toon, die moeielijk was weer te geven, mompelde:

»No. zes! Een tijger te vernietigen met hagel no. zes! Als ik hem niet heel dichtbij in zijn oogen schiet, zijn we...."

De kapitein kon niet uitspreken. De tijger naderde, niet bij sprongen, maar met kleine pasjes.

Goûmi, achter ons neergehurkt, mikte ook op hem, maar ook zijn geweer bevatte slechts hagel. Wat het mijne betreft, het was zelfs niet meer geladen.

Ik wilde een patroon uit mijn patroontasch nemen.

»Niet de minste beweging!" fluisterde de kapitein mij in. »De tijger zou springen en hij moet niet springen!"

Alle drie hielden we ons dus onbeweeglijk.

De tijger kwam langzaam naderbij. Zijn kop, dien hij straks nog heen en weer schudde, bewoog zich nu niet meer. Zijne oogen keken strak, maar als van onderen op. Met zijn half geopenden muil, dien hij dicht bij den grond hield, scheen hij er de uitwasemingen van op te snuiven.

Weldra was het geduchte dier nog slechts tien schreden van den kapitein af.

Hod, die zich stevig in postuur gezet had, onbeweeglijk als een standbeeld, concentreerde zijn geheele leven in zijn blik. De vreeselijke worsteling, die zou plaats hebben en waaruit misschien niemand onzer levend zou ontkomen, deed hem het hart zelfs niet sneller slaan!

Op dit oogenblik dacht ik, dat de tijger eindelijk zijn sprong zou nemen.

Hij deed nog vijf schreden vooruit. Ik had al mijn geestkracht noodig om kapitein Hod niet toe te roepen:

»Maar schiet dan toch! schiet!"

Neen! De kapitein had het gezegd,--en het was waarschijnlijk het eenige reddingsmiddel,--hij wilde het dier de oogen verbranden, maar daarvoor moest hij hem van zeer nabij schieten.

De tijger deed nog drie passen voorwaarts en richtte zich op om zijn sprong te nemen....

Daar klonk een geweldige losbarsting, die bijna dadelijk door een tweede gevolgd werd.

Deze tweede losbarsting had plaats in het lichaam van het dier zelf, dat na drie of vier schokken en een gebrul van pijn, dood neerviel.

»O, wonder!" riep kapitein Hod uit. »Mijn geweer was dan toch met een kogel geladen! en nog wel met een ontplofbaren kogel! o! ditmaal dank, Fox, dank!"

»Is 't mogelijk!" riep ik uit.

»Kijk!"

En zijn geweer naar omlaag houdende, haalde kapitein Hod de patroon uit den linker loop.

Het was een kogelpatroon.

Hoe was de toedracht der zaak?

Kapitein Hod had een karabijn en een geweer met dubbelen loop beiden van hetzelfde kaliber. Terwijl nu Fox, bij vergissing, de karabijn met jachthagel geladen had, had hij het jachtgeweer met de ontplofbare kogels geladen. En terwijl nu die vergissing den vorigen dag het leven van het luipaard gered had, had zij heden ons leven gered!

»Ja," antwoordde kapitein Hod, »en nooit heb ik van meer nabij den dood onder de oogen gezien!"

Een half uur later, waren wij in het kamp terug. Hod liet Fox voor zich komen en vertelde hetgeen gebeurd was.

»Kapitein," antwoordde de oppasser, »dat bewijst, dat ik in plaats van twee dagen consigne er vier verdien, omdat ik mij tweemalen vergist heb?"

»Dat is ook mijn meening," antwoordde kapitein Hod; »maar omdat ik door je vergissing den een en veertigsten geschoten heb, is het ook mijn meening je een guinje aan te bieden...."

»En de mijne haar aan te nemen," antwoordde Fox.

Dit waren de bijzonderheden, die de eerste ontmoeting van kapitein Hod en zijn een en veertigsten tijger kenmerkten.

Den 12n Juni 's avonds, hield onze trein stil bij een weinig belangrijk gehucht en den volgenden morgen vertrokken wij weder om de honderd vijftig kilometers af te leggen, die nog tusschen ons en de bergen van Népaul lagen.

XIV.

EEN TEGEN DRIE.

Nog eenige dagen en we zouden eindelijk de eerste hellingen beklimmen van die noordelijke streken van Indië, die al hooger en hooger, van heuvel tot heuvel, van berg tot berg, de grootste hoogten van den aardbol bereiken. Tot nog toe was de helling van den bodem slechts ongevoelig geweest en scheen ook onze IJzeren Reus er niets van te bemerken.

Het weer was stormachtig, regenachtig vooral, doch het bleef overigens een zeer draaglijke gemiddelde temperatuur. De wegen waren nog niet slecht en nog hard genoeg om de wielen van den zwaren trein met hare breede vellingen niet te diep te doen inzakken. Gebeurde het somtijds dat de gaten te diep waren, dan was een lichte druk van de hand van Storr op den regulateur voldoende om den stoom krachtiger te doen werken en den trein den hinderpaal te doen overwinnen. Men weet, dat onze machine kracht in overvloed bezat en, werd de toelaatklep een vierde slag meer geopend, zoo werd onmiddellijk de effectieve werking met eenige dozijnen paardekracht vermeerderd.

En inderdaad hadden we slechts reden tot tevredenheid, zoowel over de wijze van vervoer als over de beweegkracht, door Banks aangenomen en de geriefelijkheid onzer rollende huizen, met hunne telkens zich hernieuwende gezichtspunten.

Want nu was het niet meer de onbegrensde vlakte, die zich uitstrekt van de vallei van den Ganges tot het grondgebied van Oude en Rohilkhande. De toppen toch van het Himalayagebergte vormden in het noorden een reusachtigen rand, waartegen de door den zuidwesten wind voortgedreven wolken kwamen aanbotsen. Het was nog onmogelijk het schilderachtige profiel goed te bewonderen van een bergketen, die zich op een gemiddelde hoogte van acht duizend meters boven het vlak der zee tegen den hemel afteekende; doch bij het naderen van de grenzen van Thibet, werd het voorkomen van het land woester en maakten zich de jungles ten koste der bebouwde velden van den bodem meester.

Ook de flora van dit gedeelte van het Hindoesche grondgebied was dezelfde niet meer. Reeds hadden de palmboomen plaats gemaakt voor prachtige pisangboomen, voor die dichte mangoboomen, die de lekkerste vruchten van Indië geven, doch vooral voor de groepen bamboes, welker takken en bladeren tot een hoogte van honderd voet boven den grond ontloken. Daar ook vertoonden zich magnolias, met groote bloemen, die de lucht met hare doordringende geuren vervulden, prachtige ahornboomen, verschillende soorten van eikenboomen, kastanjeboomen met de met stekels als zeeëgels bezette vruchten, caoutchoucboomen, waarvan het sap uit hunne geopende aderen stroomde, pijnboomen met hunne énorme bladeren; vervolgens kleiner van stuk, schitterender van kleuren, geraniums, rhododendrons, laurierboomen, in bedden geschikt, die de wegen omzoomden.

Ook vertoonden zich nog eenige dorpen met hutten van stroo of bamboes, twee of drie landhoeven, verloren te midden der hooge boomen, maar reeds door een grooter aantal mijlen van elkander afgescheiden. De bevolking nam bij de nadering der hooge gronden af.

Als achtergrond van de schilderij denke men zich nu over dat uitgestrekte landschap, een grijze en nevelachtige lucht verspreid, terwijl de regen meestal in stroomen nederviel. Gedurende vier dagen, van den 14n tot den 17n Juni, hadden wij misschien geen halven dag goed weer. Men was dus verplicht in het salon van het stoomhuis te blijven en moest dus de lange uren doorbrengen als in een vaste woning, rookende, pratende en whist spelende.

Gedurende al dien tijd hadden de geweren niets te doen, tot groot verdriet van kapitein Hod, maar twee »schlems" op een enkelen avond, brachten hem weder in zijn gewoon humeur.

»Men kan altijd een tijger dooden," zeide hij, »maar men kan niet altijd schlem maken!"

Op zulk een ware en juist uitgedrukte bewering viel niet veel te antwoorden.

Den 17n Juni werd het kamp opgeslagen bij een seraï,--de naam der bungalows, die inzonderheid voor de reizigers bestemd zijn. Het weder was een weinig opgehelderd en de IJzeren Reus, die gedurende die vier dagen gewerkt had, vorderde zooal niet eenige rust, dan toch eenige zorg. Men besloot dus den halven dag en den volgenden nacht op deze plaats door te brengen.

De seraï is de karavansera, de openbare herberg der groote wegen van het schiereiland, een vierhoek van lage gebouwen, die een binnenplein omgeven, en meestal voorzien van vier hoektorens, hetgeen er een recht Oostersch voorkomen aan geeft. In die seraïs wordt de bediening waargenomen door een bijzonder daartoe aangewezen personeel, den »bhisti," of waterdrager, den kok, die voorzienigheid der reizigers die, niet veel eischend, zich met eieren en kippen weten te behelpen, en den »khansama," of bezorger van levensmiddelen, met wien men rechtstreeks en gewoonlijk tegen lagen prijs kan handelen.

De bewaarder van den seraï is eenvoudig een agent der zeer achtbare Compagnie, waaraan de meesten dezer inrichtingen behooren en die ze door den hoofdingenieur van het distrikt laat inspecteeren.

Een vrij zonderlinge regel, maar die gestreng in deze inrichtingen gehandhaafd wordt, is deze: iedere reiziger kan gedurende vier en twintig uren van den seraï gebruik maken, doch, wil hij er langer in vertoeven, dan moet hij verlof van den inspecteur hebben. Heeft hij deze machtiging niet, dan kan de eerste de beste Engelschman of Hindoe, vorderen dat hij hem zijn plaats afstaat.

Het spreekt van zelf dat, zoodra wij onze halt bereikt hadden, de IJzeren Reus zijn gewone uitwerking teweegbracht, namelijk zeer werd opgemerkt en misschien wel benijd werd. Toch beschouwden de aldaar toen aanwezige gasten van den seraï hem eerder met een soort van minachting,--een minachting evenwel, die te gemaakt was om gemeend te zijn.

Nu hadden wij weliswaar met geen eenvoudige stervelingen te doen, die voor hun pleizier of hun handel reisden. Het was geen Engelsch officier, zich naar zijne kantonnementen aan de Népaulsche grenzen begevende, noch een Hindoesche koopman, die zijn karavaan naar de steppen van Afghanistan, aan gene zijde van Lahore of Peshawar geleidde, neen, het was niemand anders dan de prins Gourou Singh in eigen persoon, de zoon van een onafhankelijken rajah van Guzarate, zelf een rajah en die met groote staatsie het noorden van het Indische schiereiland bereisde.

Deze prins bewoonde niet alleen de drie of vier zalen van den seraï, maar ook al de toegangen, die zoodanig waren ingericht, dat zij de lieden van zijn gevolg konden herbergen.

Ik had nooit een rajah op reis gezien. Toen dus nu onze halt op een kwartier uur afstand van den Seraï, op een bekoorlijke plek, aan den oever van een kleinen stroom en in de schaduw van prachtige boomen was ingericht, ging ik in gezelschap van kapitein Hod en Banks het kamp van den prins Gourou Singh bezoeken.

De zoon van een rajah, die zich verplaatst, verplaatst zich niet alleen, verre van daar! Onder de menschen, die ik niet benijd, rangschik ik hen, die geen voet kunnen verzetten zonder dadelijk honderden van menschen in beweging te brengen! Naar mijn inzien is het beter een eenvoudige voetganger, met zijn bagage op den rug, zijn stok in de hand, zijn geweer op schouder te zijn, dan een prins in Indië reizende, met al de staatsie, hem door zijn rang opgelegd.

»'t Is geen mensch, die van de eene stad naar de andere gaat," zei Banks tot mij, »'t is een geheel gehucht, dat zich op reis begeeft."

»Ik reis liever met ons Stoomhuis," antwoordde ik, »en 'k zou niet graag ruilen met dien zoon van een rajah!"

»En wie weet," hernam kapitein Hod, »of die prins ons rollend huis niet ver zou verkiezen boven al dien omslag op reis!"

»Hij heeft maar één woord te zeggen," riep Banks uit, »en 'k zal hem een stoompaleis maken, als hij 't maar goed betaalt! Maar laten we, al wachtende op zijn bestelling, dat kamp eens zien, of 't ook de moeite waard is!"

Het gevolg van den prins bedroeg niet minder dan vijf honderd personen. Buiten, onder de groote boomen op de vlakte, stonden twee honderd symmetrisch geplaatste wagens geschaard, als de tenten van een uitgestrekt kamp. Om deze wagens te trekken, hadden dezen zebus, anderen buffels, zonder drie prachtige olifanten te rekenen, die op hun rug palankijns van den grootsten rijkdom droegen, behalve nog een twintig kameelen, afkomstig uit de landstreken ten westen van den Indus, die à la Daumont worden voorgespannen. Niets ontbrak aan deze vorstelijke karavaan, noch de muzikanten, die de ooren van Zijn Hoogheid streelden, noch de bajaderen, die zijne oogen bekoorden, noch de kunstenaars, die hem in zijn ledige oogenblikken vermaakten. Drie honderd dragers en twee honderd hellebardiers voltooiden dit personeel, waarvan de soldij iedere andere beurs zou uitgeput hebben dan die van een onafhankelijken rajah van Indië.

De muzikanten bespeelden de tamboerijn, cimbalen, den tamtam en behoorden tot de school, die de toonen door geraas doet vervangen; vervolgens bespelers van gitaar en viool met vier snaren, welke instrumenten nooit in de hand van den stemmer geweest waren.

Onder de kunstemakers waren eenige »sapwallahs" of slangenbezweerders, die door hunne betooveringen kruipende dieren wegjagen en aanlokken; »nutuis", zeer bekwaam in de behandeling van de sabel; koordedansers die op de losse koord dansen, het hoofd bedekt met een pyramide van aarden potten en buffelhorens aan de voeten en eindelijk goochelaars, die het talent hebben oude slangenvellen in vergiftige »cobra's" te veranderen, of andersom, naar gelieve des toeschouwers.

Wat de bajaderen aangaat, zij behoorden tot de klasse van die schoone »boundelis", zoo gezocht voor de »nautchs" of soirées, waarop zij de dubbele rol van zangeressen en danseressen vervullen. Zeer zedig gekleed, sommigen van haar in moesseline met goud geborduurd, anderen met geplooide rokken en sluiers, die zij bij hunne passen ontvouwen, droegen deze balletdanseressen kostbare juweelen, rijke armbanden, gouden ringen aan de vingers en teenen, zilveren schelletjes aan den enkel. Aldus opgeschikt, voeren zij den beroemden eierdans uit met een wezenlijk buitengewone bevalligheid en behendigheid, en ik rekende er op, dat wij in de gelegenheid zouden zijn ze op speciale uitnoodiging van den rajah te bewonderen.

Dan was er nog een zeker aantal mannen, vrouwen en kinderen, die onder geen bepaalden titel bij het personeel der karavaan voorkwamen. De mannen waren omhangen met een lange strook eener stof, die »dhoti" genoemd wordt, of gekleed met het hemd »angarkah" en het lange witte kleed »jamah", waarmede zij er recht schilderachtig uitzagen.