Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
Part 13
Sir Edward Munro, Banks en ik, wij waren onder de achterste veranda gebleven, van waar wij de vorderingen van den brand in het bosch konden waarnemen. Zij waren snel en vreeselijk om aan te zien. De groote boomen stortten in den onmetelijken vuurhaard, de takken knapten met een geluid als van revolverschoten, de lianen wrongen zich van den eenen stam naar den anderen en het vuur deelde zich bijna onmiddellijk aan nieuwe brandstof mede. Binnen vijf minuten was de verbranding vijftig meters vooruit gegaan, terwijl de vlammen, verdeeld en verscheurd door den stormwind, zich tot zulk een hoogte verhieven, dat de bliksemstralen ze in alle richtingen doorploegden!
»Binnen vijf minuten moeten we de plek verlaten hebben!" zei Banks, »of alles vliegt in den brand!"
»Hij gaat snel, die brand!" antwoordde ik.
»We zullen sneller gaan dan hij!"
»Als Hod en zijn metgezellen maar terug waren!" zei sir Edward Munro.
»Gefloten, gefloten!" riep Banks uit. »Ze zullen 't misschien hooren!"
En, op het torentje toesnellende, deed hij dadelijk de lucht van de schrille tonen der stoomfluit weergalmen, die scherp tegen het diepe gerommel van den donder uitkwamen en ver moesten gehoord worden.
Men kan zich dezen toestand voorstellen, men kan hem niet beschrijven.
Van den eenen kant was men genoodzaakt zoo snel mogelijk te vluchten, van den anderen kant verplicht op hen, die nog niet terug waren, te wachten!
Banks was naar de achter veranda teruggekeerd. De zoom van den brand was nu tot minstens vijftig voet van het stoomhuis voortgeschreden. Een ondraaglijke hitte kwam tot ons over en de brandende lucht zou ons weldra de ademhaling beletten. Talrijke vuurspranken vielen reeds op onzen trein neder, die evenwel, zeer gelukkig, in zekere mate door de stortvloeden beschermd werd, doch blijkbaar niet tegen den rechtstreekschen aanval van het vuur bestand zou zijn.
De machine deed steeds haar schel gefluit hooren, doch noch Hod, noch Fox, noch Goûmi kwamen voor den dag.
Op dit oogenblik vervoegde de machinist zich bij Banks en zeide hem dat alles gereed was.
»Welnu, op marsch dan, Storr!" antwoordde Banks, »maar niet al te snel vooruit!.... Juist snel genoeg om ons buiten het bereik van den brand te houden!"
»Wacht nog wat, Banks!" zei kolonel Munro, die niet kon besluiten het kamp te verlaten.
»Nog drie minuten, Munro," antwoordde Banks koel, »maar niet langer. Over drie minuten zal de trein van achteren vuur vatten!"
Er verliepen twee minuten. Het was nu onmogelijk langer onder de veranda te blijven. Het plaatijzer begon te blakeren en was zoo heet, dat men het niet kon aanraken. Het was hoogst onvoorzichtig slechts eenige oogenblikken langer te blijven!
»Op marsch, Storr!" riep Banks.
»Daar zijn ze!" riep de sergeant uit.
Kapitein Hod en Fox vertoonden zich rechts van den weg, Goûmi als een onbezield lichaam in de armen dragende en kwamen met hem aan de voettrede van achteren.
»Dood!" riep Banks uit.
»Neen, door den bliksem getroffen, die zijn geweer in de hand verbrijzeld heeft," antwoordde kapitein Hod, »en alleen aan het linkerbeen verlamd!"
»God zij geloofd!" zei kolonel Munro.
»Dank, Banks!" voegde de kapitein er bij. »Zonder je gefluit, zouden we het kamp nooit hebben kunnen terugvinden!"
»Op marsch!" riep Banks, »op marsch!"
Hod en Fox waren in den trein gesprongen, en Goûmi, die het gebruik zijner zintuigen niet verloren had, werd in zijn kamertje neergelegd.
»Welke drukking hebben we nu?" vroeg Banks, die even naar den machinist gegaan was.
»Bijna vijf atmosfeeren," antwoordde Storr.
»Op marsch!" herhaalde Banks.
Het was half elf uur. Banks en Storr plaatsten zich in het torentje. De regulateur werd geopend, de stoom stortte zich in de cilinders, het eerste gebriesch deed zich hooren en de trein ging te midden van het driesoortige licht, voortgebracht door den brand van het bosch, de electrische vuren en den bliksem in het eerst langzaam voorwaarts.
Met weinige woorden vertelde kapitein Hod ons de lotgevallen van zijn tocht. Zijne metgezellen en hij hadden geen spoor van dieren ontmoet. Met het opkomende onweer kwam de duisternis sneller en vooral dieper dan ze zich hadden voorgesteld. De eerste donderslag verraste hen dus toen ze zich reeds meer dan drie mijlen van het kamp af bevonden. Toen wilden ze op hunne schreden terugkeeren, maar wat ze ook deden om zich te orienteeren, waren ze al spoedig te midden van de groepen vijgeboomen, die allen op elkander gelijken, verdwaald, terwijl geen enkel pad hun de goede richting aanwees.
Het onweer barstte nu met buitengewone hevigheid los. Op dit oogenblik bevonden ze zich alle drie buiten het bereik van het electrische licht en konden ze zich dus niet in rechte lijn naar het Stoomhuis richten. De hagel en de regen vielen in stroomen neder en geen schuilplaats behalve het onvoldoende bladerendak, dat weldra doorboord was, beschutte hen.
Eensklaps barstte een donderslag los op hetzelfde oogenblik dat een felle bliksemstraal nederschoot. Goûmi viel door den bliksem getroffen bij kapitein Hod, aan de voeten van Fox neder. Van het geweer, dat hij in de hand hield, bleef niets dan de kolf over. In een oogwenk was het beroofd van loop, slot, trekker, van alles in één woord wat er van metaal aan het geweer wordt aangetroffen.
Zijne metgezellen dachten dat hij dood was. Gelukkig evenwel was dit zoo niet, maar zijn linkerbeen was, hoewel niet rechtstreeks, door den bliksem getroffen, verlamd. Het was den armen Goûmi onmogelijk een voet te verzetten. Men moest hem dus dragen. Tevergeefs drong hij er op aan hem te laten waar hij was, men kon hem dan later wel komen halen. Zijne metgezellen wilden dit volstrekt niet, de een nam hem bij de schouders op, de andere aan de voeten en goed schiks, kwaad schiks, namen zij den tocht door het donkere bosch aan.
Twee uren achtereen dwaalden Hod en Fox op goed geluk rond, nu eens stilhoudende, dan hun marsch weder hervattende, zonder een enkel teeken, dat hun de richting naar het Stoomhuis aanwees.
Gelukkig drong eindelijk het schrille geluid van de stoomfluit, duidelijker hoorbaar dan wanneer het geweerschoten geweest waren, boven het geraas der elementen, tot hen door. Het was de stem van den IJzeren Reus.
Een kwartier later, kwamen zij juist aan op het oogenblik dat de halt weldra zou verlaten zijn. Het was meer dan tijd!
Mocht evenwel de trein zich op den breeden en effen weg van het bosch voortspoeden, de brand ging even spoedig als hij. Wat het gevaar dreigender maakte, was dat de wind veranderd was, wat meermalen bij onweer plaatsheeft. Inplaats van ter zijde, waaide hij nu van achteren en blies door zijn hevigheid het vuur nog meer aan. Het vuur maakte zichtbaar vorderingen. Het regende brandende takken en gloeiende spranken te midden van een wolk heete asch, van den grond opgewaaid, alsof een krater allerlei brandbare voorwerpen in het luchtruim had uitgebraakt. En werkelijk kon men dezen boschbrand nergens beter bij vergelijken dan bij den loop van een stroom lava, zich een weg door de vlakte banende en alles op zijn weg vernietigende.
Banks had het oog op dit alles en, al had hij het niet gezien, zou hij het gemerkt hebben aan den verschroeienden wind, die den adem beklemde.
Men ging dus sneller voorwaarts, alhoewel dit op dien onbekenden weg niet zonder gevaar was. Doch de weg was door den regen zoo diep uitgehold, dat de machine niet zoo hard kon werken als de ingenieur het wel gewenscht had.
Tegen half twaalf uur was er een nieuwe donderslag en was de bliksem opnieuw ingeslagen! We uitten een kreet van ontzetting en dachten dat Banks en Storr beiden getroffen waren in het torentje van waaruit zij den trein bestuurden.
Dit ongeluk was ons evenwel bespaard geworden. Het was onze olifant, die door de electrische ontlading aan de punt van een zijner lange hangende ooren getroffen was.
Gelukkig was de machine er volstrekt niet door beschadigd, en het scheen dat de IJzeren Reus de donderslagen wilde beantwoorden door zijn sneller brieschend geluid.
»Hoera!" schreeuwde kapitein Hod, »hoera! Een olifant van vleesch en been zou stellig gevallen zijn! Gij, gij trotseert den bliksem en niets kan je tegenhouden! Hoera, IJzeren Reus, hoera!"
Nog een half uur lang bleef de trein denzelfden afstand bewaren. Uit vreeze al te hard ergens tegen aan te stooten, gaf Banks hem slechts de noodige snelheid om niet door het vuur bereikt te worden.
Van de veranda waar kolonel Munro, Hod en ik plaats genomen hadden, zagen wij bij het licht door den brand en den bliksem verspreid, groote schaduwen voorbijgaan. Het waren eindelijk roofdieren!
Uit voorzorg greep kapitein Hod zijn geweer, want het was mogelijk, dat de door den schrik waanzinnige dieren zich op den trein wilden werpen om er een schuilplaats te zoeken.
En werkelijk wilde een reusachtige tijger dit beproeven, doch een ontzettenden sprong nemende, bleef hij met den nek tusschen twee uitspruitsels van een vijgeboom vastzitten. Toen deze zich nu onder den storm boog, spande hij zijne loten als twee énorme koorden, die het dier verworgden.
»Arm dier!" zei Fox.
»Die wilde dieren," antwoordde kapitein Hod, »zijn geschapen om behoorlijk door een karabijnkogel gedood te worden en niet op zulk een ellendige manier! Jawel, arm dier!"
Waarlijk, het liep den kapitein niet mede! Toen hij tijgers zocht, zag hij ze niet en toen hij ze niet meer zocht, gingen ze hem in de vlucht voorbij, zonder dat hij ze kon schieten, of ze kwamen om als een muis in den val!
Ten een ure 's morgens verdubbelde het gevaar nog, hoe groot het tot nog toe ook geweest ware.
Onder den invloed van de ongestadige winden, die al de streken van het kompas doorliepen, had de brand den weg voor ons bereikt en waren we nu van alle kanten ingesloten.
Intusschen was het onweer nu zeer in hevigheid afgenomen, zooals dit bijna onveranderlijk gebeurt, als deze luchtverschijnselen boven een bosch heen gaan, waarvan de boomen allengs de electrische stof onttrekken en uitputten. Doch zoo de bliksemstralen zeldzamer waren en de donderslagen zich in langere tusschenpoozen lieten hooren, zoo de regen met minder hevigheid nederviel, streek daarentegen de wind steeds met eene ongeloofelijke woede langs den grond.
Het kostte wat het wilde, men moest den gang van den trein verhaasten, op het gevaar af in onzachte aanraking met eenig voorwerp te komen of hem in een diepen kuil te storten.
Banks ging er dan ook toe over, maar hij deed het met een verwonderlijke koelbloedigheid, den blik gevestigd houdende door de lensvormige glazen van het torentje, de hand aan den regulateur, dien zij niet meer verliet.
De weg scheen nog slechts half open tusschen twee rijen vuur. Het was dus noodzakelijk tusschen deze twee rijen door te gaan.
Banks aarzelde niet en stuurde den trein er tusschen door met een snelheid van zes à zeven mijlen per uur.
Ik dacht dat wij er zouden blijven, vooral toen men een vijftig meters ver, een zeer nauwe plaats van den oven moest passeeren. De wielen van den trein knarsten over de gloeiende kolen, die den grond bedekten en een brandende atmosfeer omgaf hem geheel!....
Gelukkig waren wij er door!
Eindelijk deed zich te twee uur 's morgens de uiterste zoom van het bosch in het licht der nu zeldzame bliksemstralen voor. Achter ons ontvouwde zich een uitgestrekt panorama van vlammen. De brand zou niet eerder gebluscht zijn, dan na den laatsten vijgeboom van het onmetelijk woud verteerd te hebben.
Toen het dag was, hield de trein eindelijk op; het onweer was geheel geweken en men richtte een voorloopig kamp in.
Onze olifant werd met zorg onderzocht en nu bleek het, dat de punt van het rechteroor door verscheidene gaatjes doorboord was.
Ongetwijfeld ware onder zulk een bliksemstraal ieder ander dier dan een dier van ijzer, gevallen om zich niet weder op te richten en zou de trein in nood snel door het vuur verslonden zijn!
Ten zes ure 's morgens, werd de reis na een korte rust voortgezet en ten twaalf ure kampeerden wij in de omstreken van Rewah.
XIII.
HELDENDADEN VAN KAPITEIN HOD.
De halve dag van den 5n Juni en de volgende nacht werden rustig in het kamp doorgebracht. Na zooveel vermoeienissen en doorgestane gevaren, hadden wij die rust hoog noodig.
Het was nu niet meer het koninkrijk Oude, dat zijne vruchtbare vlakten voor ons uitbreidde; het Stoomhuis vervolgde toen zijn reis door het grondgebied, steeds vruchtbaar, doch met »nullahs", of bergkloven doorsneden, dat Rohilkhande genoemd wordt. Bareilli is de hoofdstad van den uitgestrekten vierhoek van honderd vijf en vijftig duizend mijlen kustland, rijkelijk besproeid door de talrijke takken van de Cogra, hier en daar bepoot met prachtige mangoboomen en bezaaid met dichte jungles, die evenwel allengs plaatsmaken voor bebouwde velden.
Daar was het middelpunt van den opstand na de inneming van Delhi; daar was het tooneel van een der veldtochten van sir Colin Campbell; daar was de legerafdeeling van den brigade-generaal Walpole in den aanvang niet gelukkig: daar kwam een vriend van sir Edward Munro om het leven, de kolonel van het 93e regiment Schotten, dat zich in het gevecht van den 14n April bij de twee belegeringen van Lucknow onderscheiden had.
Met het oog op de gansche inrichting van dit grondgebied, kon geen ander gunstiger geweest zijn voor onzen trein. Fraaie, effen wegen, gemakkelijk over te steken stroomen tusschen de twee belangrijker slagaderen die van het noorden komen, alles bracht mede dit gedeelte van ons reisplan gemakkelijk te maken. Er bleef ons slechts nog eenige honderden kilometers te doorloopen over, alvorens de eerste verheffing van den bodem te gevoelen, die de vlakte met de bergen van Népaul verbindt.
Alleen slechts moest nu ernstig rekening gehouden worden met het regenseizoen. De regentijd doet zich heviger in de kuststreek gevoelen dan binnen in het schiereiland en duurt ook wat langer. De reden hiervan is dat de wolken zich ontlasten alvorens het midden van Indië te bereiken, doch behalve dat veranderen zij eenigszins van richting door den slagboom der hooge bergen. Op de kust van Malabar begint de moesson in de maand Mei; in de centrale en noordelijke provinciën, doet hij zich slechts eenige weken later gevoelen, in de maand Juni.
Nu bevonden wij ons juist in Juni en in deze bijzondere, doch vooruit geziene omstandigheden zou onze reis voortgezet worden.
Alvorens evenwel met de mededeeling onzer lotgevallen verder te gaan, moet ik zeggen dat het met onzen braven Goûmi, zoo ongelukkig door den bliksem ontwapend, den volgenden dag reeds beter ging. De verlamming van zijn linkerbeen was slechts tijdelijk. Hij hield er niets uit over, maar scheen toch eenigen wrok tegen het hemelvuur te koesteren.
Op de twee dagen van den 6n en 7n Juni, had kapitein Hod met behulp van Phann en Black gelukkige jacht. Hij kon toch een paar antilopen, hier »nilgaus" genaamd, schieten. Dit zijn de blauwe ossen der Hindoes, die men juister herten zou moeten noemen, omdat zij meer op herten dan op de stamgenooten van den god Apis gelijken. Men zou ze zelfs parelgrijze herten kunnen noemen en hunne kleur herinnert voorzeker meer aan de kleur van een stormachtige lucht dan aan die van een azuurblauwen hemel. Men verzekert evenwel, dat bij eenigen dezer prachtige dieren met kleine, scherpe en rechte horens, langen en een weinig gewelfden kop, het haar bijna blauw wordt,--een kleur die de natuur den viervoetigen dieren standvastig schijnt geweigerd te hebben, zelfs den blauwen vos, wiens pels eerder zwart is.
Toch waren dit de roofdieren nog niet, waarvan kapitein Hod droomde. Evenwel is de nilgau, al is het geen roofdier, gevaarlijk, wanneer hij licht gekwetst den jager aanvalt. Een eerste kogel van den kapitein, een tweede van Fox, stuitten deze tweede prachtige dieren in hun vaart. Zij werden als in de vlucht geschoten. Voor Fox was het dan ook slechts vliegend wild!
»Monsieur" Parazard, evenwel dacht er heel anders over en de heerlijk gebraden bouten, die hij ons dien dag opdischte, deden ons tot zijne meening overhellen.
Den 8n Juni, met het krieken van den dag, verlieten wij ons kamp, dat bij een klein dorp van Rohilkhande was opgeslagen. Wij waren er den vorigen avond aangekomen, na de veertig kilometers, die het van Rewah scheiden, te hebben afgelegd. Onze trein had dus slechts met een zeer gematigde snelheid gereisd over een grond, dien de regens steeds weeker maakten. Bovendien begonnen de beken te zwellen, terwijl verscheidene doorwaadbare plaatsen onze reis eenige uren vertraagden. Doch, aan een paar dagen waren wij niet gebonden. Wij waren toch zeker vóór het einde van Juni de bergachtige streek te bereiken, waar wij ons gedurende eenige maanden van den zomer met het Stoomhuis wilden ophouden, als te midden van een sanitarium. Wij behoefden ons dus niet ongerust hierover te maken.
Dien dag van den 8n miste kapitein Hod een prachtig schot.
Terzijde van den weg bevonden zich dichte jungles van bamboes, zooals men er velen rondom de dorpen aantreft, die gebouwd schijnen in bloemenkorfjes. Het was nog de echte jungle niet, zooals die zoo vaak in Hindostan op de woeste, naakte, onvruchtbare vlakte wordt aangetroffen, en waarboven grijsachtige struiken uitsteken. Wij bevonden ons integendeel in een bebouwd land, te midden van vruchtbare landouwen, die gewoonlijk waren afgedeeld in moerassige rijstvelden.
De IJzeren Reus ging bedaard voorwaarts, bestuurd door de hand van Storr en wierp fraaie rookwolkjes uit, die door den wind over het bamboes langs den weg verspreid werden.
Eensklaps sprong een dier met verbazende vlugheid op den nek van onzen olifant.
»Een tchîta! een tchîta!" riep de machinist.
Op dezen kreet snelde kapitein Hod naar het voorste balkon en greep een geweer, dat daar altijd gereed stond.
»Een tchîta!" riep hij op zijn beurt.
»Schiet hem dan toch!" schreeuwde ik.
»'k Heb den tijd!" antwoordde kapitein Hod, die zich vergenoegde met op het dier aan te leggen.
De tchîta is een soort van luipaard, in Indië thuis behoorende, niet zoo groot als de tijger, maar bijna even zoo geducht, zoo vlug, lenig en sterk is hij.
Kolonel Munro, Banks en ik wij hielden hem onder de veranda staande in 't oog, en wachtten altijd op het schot van den kapitein.
Blijkbaar had zich de luipaard op het gezicht van onzen olifant vergist. Hij had zich stoutmoedig op hem geworpen, doch daar waar hij levend vleesch meende te vinden, waarin hij zijne tanden of klauwen kon slaan, was het vleesch van plaatijzer, dat noch zijn tanden, noch zijn klauwen konden oprijten. Woedend over dit slechte resultaat, klampte hij zich aan de lange ooren van het gewaande dier vast, en was ongetwijfeld op punt het weder los te laten, toen hij ons opmerkte.
Kapitein Hod bleef steeds op hem aanleggen, als een jager, die zeker van zijn schot is en het dier slechts op het juiste oogenblik en op de juiste plek wil treffen.
De tchîta richtte zich brullende op. Zeker gevoelde hij het gevaar, maar scheen het niet te willen ontvluchten. Misschien zocht hij het gunstige oogenblik om zich op de veranda te werpen.
Werkelijk zagen wij hem weldra naar den kop van den olifant kruipen, met zijne pooten den snuit, die tot schoorsteen diende, omvatten en daarna naar de opening klimmen, waaruit de stoom ontsnapte.
»Schiet dan toch, Hod!" zei ik weder.
»'k Heb den tijd," antwoordde de kapitein.
Daarna, zich tot mij wendende, vroeg hij, zonder echter den luipaard, die naar ons keek, uit het oog te verliezen:
»Heb je nooit een tchîta gedood, Maucler?"
»Nooit."
»Wil je er een dooden?"
»Kapitein," antwoordde ik, »'k wil je dat prachtige schot niet ontnemen...."
»Wat dat betreft," zei Hod, »'t is toch geen schot voor een jager! Neem een geweer en leg op het schoudergewricht van het dier aan! Als je mis schiet, zal ik het in de vlucht raken!"
»Nu, goed."
Fox gaf mij een karabijn met dubbelen loop aan, die hij in de hand hield. Ik nam haar aan, spande den haan, legde op het schoudergewricht van het dier aan, dat zich steeds onbeweeglijk hield en schoot.
Het dier, gekwetst, doch licht, nam een geweldigen sprong, en over het torentje van den machinist heen gaande, stortte het zich op het eerste dak van het Stoomhuis neder.
Welk een goede jager kapitein Hod ook ware, hij had den tijd niet gehad het in het voorbijgaan te treffen....
»Pas op, Fox, pas op!" riep hij uit.
En beiden snelden van de veranda af en posteerden zich in het torentje.
De luipaard, die heen en weer ging, wierp zich op het tweede dak, na het brugje te zijn overgesprongen.
Op het oogenblik dat de kapitein zou schieten, nam het dier opnieuw een aanloop, die het op den grond deed neerkomen, richtte zich met een krachtigen sprong in de hoogte en verdween in de jungle.
»Stop! stop!" riep Banks den machinist haastig toe, die, den stoom afsluitende, de wielen van den trein door middel van den remtoestel oogenblikkelijk tot staan bracht.
De kapitein en Fox sprongen op den weg en wierpen zich in het dichte kreupelhout om den tchîta te bereiken.
Eenige minuten luisterden wij niet zonder eenig ongeduld of zich ook een geweerschot deed hooren, doch te vergeefs en de twee jagers kwamen met ledige handen terug.
»Verdwenen! gevlogen!" riep kapitein Hod uit, »en zelfs geen spoor van bloed op den grond!"
»'t Is mijn schuld!" zei ik tot den kapitein, »en 't zou beter geweest zijn, als gij op dien tchîta geschoten hadt, inplaats van het aan mij over te laten! Gij zoudt hem niet gemist hebben!"
»En gij hebt hem toch geraakt, daar ben ik zeker van," antwoordde Hod, »maar niet op de goede plaats!"
»Die zal mijn acht en dertigste en uw een en veertigste niet zijn, kapitein!" zei Fox, tamelijk onthutst.
»Ook goed!" zei Hod, op een toon van gemaakte onverschilligheid, »een tchîta is geen tijger. Als dat het geval niet geweest was, mijn waarde Maucler, zou ik het niet van me hebben kunnen verkrijgen, u dat schot af te staan!"
»Aan tafel, mijne vrienden," zei toen kolonel Munro. »Het ontbijt wacht ons en dat zal u troosten...."
»Des te meer nog," zei Mac Neil, »omdat alles de schuld van Fox is!"
»Mijn schuld?" antwoordde de oppasser, die niets in zijn schik was over deze onverwachte opmerking.
»Ongetwijfeld, Fox," hernam de sergeant. »De karabijn, die je mijnheer Maucler hebt overhandigd, was slechts met hagel No. 6 geladen!"
En Mac Neil liet de tweede patroon zien, die hij uit het geweer gehaald had waarvan ik me bediend had. Zij bevatte werkelijk niets anders dan patrijzenhagel.
»Fox!" zei kapitein Hod.
»Kapitein?"
»Twee dagen politiekamer!"
»Tot uw orders, kapitein!"
En Fox begaf zich naar zijn kamertje, vast besloten binnen acht en veertig uren niet meer voor ons te verschijnen. Hij was zeer beschaamd over zijn vergissing en wilde zijn schande verbergen.
Den volgenden dag, 9 Juni, doorkruisten Hod, Goûmi en ik, gedurende den halven dag rust, dien Banks ons had toegestaan, de vlakte langs den weg. Het had den geheelen morgen geregend, doch tegen den middag was de lucht wat opgeklaard en mocht men eenige uren droog weer verwachten.
Intusschen was het niet Hod, de jager op roofdieren, die mij ditmaal medenam, maar de jager op wild. Ter voorziening van de tafel, ging hij bedaard langs den zoom der rijstvelden wandelen, in gezelschap van Black en van Phann. »Monsieur" Parazard had den kapitein laten weten, dat de voorraadkamer ledig was en hij van Zijn Achtbaarheid verlangde dat Zijn Achtbaarheid »de noodige maatregelen" wel wilde nemen om haar te vullen.
Kapitein Hod onderwierp zich en wij vertrokken, gewapend met eenvoudige jachtgeweren. Gedurende twee uren zagen wij niets anders dan eenige hazen en patrijzen, maar op zulk een afstand, dat wij, niettegenstaande den goeden wil onzer honden, alle hoop ze te bereiken, moesten opgeven.