Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
Part 12
»'k Zeg u dank, vrouw natuur!" riep kapitein Hod uit. »Na zooveel minarets en koepels, na zooveel moskeeën en pagoden, laat ge ons een oude stad uit het leenroerig tijdvak bewonderen, met de Romaansche of Gothische wonderen, die zich zoo prachtig aan onze oogen voordoen!"
»Wat is onze vriend Hod dezen morgen dichterlijk!" antwoordde Banks. »Zou hij bij zijn ontbijt misschien een ballade geslikt hebben?"
»Lach maar, Banks, steek den gek maar met me!" hernam kapitein Hod, »maar verzuim niet te kijken! Zie de voorwerpen op den voorgrond grooter worden! Zie de struiken, boomen, de heuvels, bergen worden, de....."
»De gewone katten tijgers worden, als er katten waren, niet waar, Hod?"
»Nu, dat zou nog zoo kwaad niet zijn, Banks! Maar, zie, daar storten mijn kasteelen aan den Rijn in, daar zakt de stad ineen en we komen tot de werkelijkheid terug, een eenvoudig landschap van het koninkrijk Oude, dat zelfs de wilde dieren niet meer willen bewonen!"
Nauwelijks verscheen de zon boven den oostelijken horizont, of zij veranderde oogenblikkelijk het spel der straalbreking. De burchten zakten met de heuvels ineen, die zich in vlakten veranderden.
»Welnu, de luchtspiegeling is verdwenen," zei Banks, »en met haar de dichterlijke geestdrift van kapitein Hod, maar weet je nu wel, mijne vrienden, wat dit natuurverschijnsel voorspelt?"
»Wel, ingenieur?" riep de kapitein uit.
»Een spoedig ophanden zijnde weersverandering," antwoordde Banks. »Overigens zijn we in de eerste dagen van Juni, waarin wijzigingen van het klimaat voorkomen. De verandering van moesson zal ons spoedig in het seizoen der periodieke regens brengen."
»Waarde Banks," zei ik, »me dunkt we behoeven niet bang voor den regen te zijn, niet waar, al waren het aanhoudende plasregens, toch schijnen ze mij verkieslijker, dan die warmte....."
»Nu, je zult je zin hebben, waarde vriend," antwoordde Banks. »'k Geloof dat de regen niet ver meer af is en dat we weldra de eerste wolken uit het zuidwesten zullen zien opdagen!"
Banks bedroog zich niet. Tegen den avond begonnen er dampen aan den westelijken horizont op te komen, hetgeen beteekende dat de moesson, zooals dat meestal gebeurt, zich des nachts zou instellen. Het was de Indische oceaan, die ons over het schiereiland zijne dampen met electriciteit beladen, overzond, dampen met stormen bezwangerd, die weldra over onze hoofden zouden losbarsten.
Ook hadden zich dien dag eenige andere verschijnselen voorgedaan, waarin een Anglo-Indiër zich niet had kunnen vergissen. Wolken zeer fijn stof hadden onder den marsch van den trein over den weg gedwarreld. De beweging der wielen, die weliswaar niet zeer snel was, zou toch stof hebben kunnen doen opwaaien, maar niet zoo woest en wild. Men zou gezegd hebben, dat het een wolk van die vlokjes was, die door electrische machines in beweging worden gebracht. De bodem kon dus vergeleken worden met een onmetelijken ontvanger, waarin de electriciteit zich sedert vele dagen zou hebben opgehoopt. Bovendien was dit stof met een gelen weerschijn gekleurd, van een allerzonderlingste uitwerking, terwijl in elk stofdeeltje een klein lichtend middelpunt schitterde. Er waren oogenblikken geweest, waarin ons geheele voertuig zich te midden der vlammen scheen voort te bewegen,--vlammen zonder warmte, doch die, noch door hun kleur, noch door hun beweeglijkheid aan die van het St. Elmusvuur herinnerden.
Storr vertelde ons, dat hij somtijds op die wijze treinen op hunne rails had zien loopen te midden eener dubbele haag lichtend stof en Banks bevestigde dit zeggen van den machinist. Een kwartier lang had ik dit zonderlinge natuurverschijnsel zeer nauwkeurig kunnen waarnemen door de kleine vensters van het torentje, waardoor ik den weg over een lengte van vijf of zes kilometers kon gadeslaan. Deze weg, zonder boomen, was stofferig en wit verbrand door de verticale stralen der zon. Op dit oogenblik scheen het mij toe, dat de warmte van den dampkring die van den vuurhaard der machine overtrof. Het was waarlijk niet om uit te houden en toen ik onder het heen en weer zwaaien der punka een frisscher lucht kwam inademen, was ik half gestikt.
's Avonds, tegen zeven uur, hield het Stoomhuis halt. De rustplaats, door Banks uitgekozen, was aan den zoom van een bosch met prachtige vijgeboomen, dat zich tot in het oneindige naar het noorden scheen uit te strekken. Een vrij fraaie weg doorkruiste dit bosch en beloofde ons voor den volgenden dag een aangenamer en gemakkelijker tocht onder een ruim en hoog koepeldak van groen.
De vijgeboomen, die reuzen der Hindoesche flora, zijn te beschouwen als de grootvaders, men zou kunnen zeggen als de huisvaders der plantenfamilie, omringd door hunne kinderen en kleinkinderen. Dezen, uit een zelfden wortel ontspringende, klimmen recht om den hoofdstam, waarmede zij volstrekt geen gemeenschap hebben, in de hoogte en gaan zich in de verheven vaderlijke takken verliezen. Het is wezenlijk alsof ze onder dit dichte gebladerte zijn uitgebroeid, als de kiekens onder de vleugelen hunner moeder. Daarvandaan het zonderlinge gezicht, dat deze meerdere eeuwen oude bosschen opleveren. De oude boomen gelijken op alleenstaande pilaren, het onmetelijke gewelf onderschragende, waarvan de fijne ribben op jonge vijgeboomen rusten, die op hun beurt pilaren zullen worden.
Dien avond werd het kamp met nog meer zorg ingericht dan gewoonlijk. Mocht toch de volgende dag even heet zijn als deze geweest was, dan stelde Banks zich voor de halt te verlengen, en zoo het noodig was, 's nachts te reizen.
Kolonel Munro trouwens vond het heerlijk om eenige uren in dat schoone, schaduwrijke en kalme bosch door te brengen. Allen waren zijne meening toegedaan, dezen omdat zij werkelijk rust noodig hadden, anderen omdat zij eindelijk toch eens een dier wenschten te ontmoeten, dat een geweerschot van een Anderson of van een Gérard waardig was. Men raadt wie deze laatsten waren.
»Fox, Goûmi, 't is pas zeven uren!" riep kapitein Hod. »Een toertje in het bosch, voordat het nog geheel donker is!--Ben je van de partij, Maucler?"
»Mijn waarde Hod," zei Banks, alvorens ik had kunnen antwoorden, »je moest je waarlijk niet van het kamp verwijderen. De lucht voorspelt niet veel goeds. Als de storm losbarst, zal je moeielijk het kamp kunnen bereiken. Morgen, als we ons kamp blijven betrekken, kan je gaan...."
»Morgen, is het licht," antwoordde Hod, »en juist nu is het oogenblik gunstig!"
»Dat weet ik, Hod, maar 'k ben bang voor den nacht. Wil je daarom toch vertrekken, ga dan niet ver. Over een uur is het al pikdonker en je zoudt misschien moeielijk het kamp kunnen weervinden."
»Wees gerust, Banks. 't Is pas zeven uren, en 'k vraag mijn kolonel slechts een permissie tot tien uren."
»Ga je gang, mijn waarde Hod," antwoordde Sir Edward Munro, »maar denk aan 't geen Banks je gezegd heeft."
»Ja, kolonel."
Kapitein Hod, Fox en Goûmi, met uitmuntende jachtkarabijnen gewapend, verlieten het kamp en verdwenen onder de hooge vijgeboomen, die aan de rechterzijde van den weg stonden.
Ik was zoo vermoeid van de warmte en de vermoeienissen van den dag, dat ik liever thuis bleef.
Evenwel werd het vuur, op bevel van Banks, in plaats van geheel te worden uitgedoofd, slechts naar achteren van den vuurhaard geschoven, zoodat de stoom een paar atmosfeeren drukking bleef behouden. De ingenieur wilde zich voor elke mogelijkheid gereed houden.
Storr en Kâlouth hielden zich in dien tusschentijd bezig met het opdoen van brandstof en water. Een klein beekje, aan den linkerkant van den weg, verschafte hun het noodige water, en de naburige boomen het hout, dat zij benoodigd hadden om den tender te voorzien. Gedurende dien tijd hield »monsieur" Parazard zich met zijne gewone bezigheden onledig en onder het afnemen van de overblijfselen van den maaltijd, bepeinsde hij het menu voor het diner van den volgenden dag.
Het was nog vrij licht en kolonel Munro, Banks, sergeant Mac Neil en ik, gingen aan den oever van de beek ons middagslaapje houden. Deze heldere waterstroom verfrischte den dampkring, die werkelijk, zelfs op dit uur, verstikkend was. De zon was nog niet ondergegaan. Haar licht verfde de massa dampen, die men door de groote openingen tusschen het gebladerte zich allengs aan het zenith zag ophoopen, donker blauw. Het waren zware, dikke wolken, die niet door wind schenen bewogen te worden en hun beweegkracht in zichzelven schenen te bezitten.
We zaten of lagen tot omstreeks acht uren te praten. Van tijd tot tijd stond Banks op om een ruimer gezicht van den horizont te nemen, door te gaan tot aan den zoom van het bosch, dat de vlakte, op minder dan een kwart mijl van het kamp, doorsneed. Toen hij terugkwam, schudde hij niet zeer gerustgesteld het hoofd.
De laatste maal vergezelden wij hem. Reeds viel de duisternis onder de vijgeboomen. Toen wij aan den zoom gekomen waren, zag ik, dat in het westen tot daar, waar zich een rij onduidelijk omschreven heuvels vertoonde die reeds met de wolken ineensmolten, zich een onmetelijke vlakte uitstrekte.
Het voorkomen van de lucht was vreeselijk in haar kalmte. Geen tochtje wind bewoog de hooge bladeren der boomen. Het was niet de rust van de ingeslapen natuur, die de dichters zoo vaak bezongen hebben, het was integendeel een zware en ziekelijke slaap. Het was alsof de atmosfeer in een toestand van spanning verkeerde en ik kon het luchtruim nergens beter bij vergelijken dan bij een stoomketel, als de te sterk saamgeperste stoom op het punt staat los te barsten.
De ontploffing was nabij.
De stormachtige wolken dreven inderdaad zeer hoog, zooals dit gewoonlijk plaatsheeft boven vlakten, en hadden breede, kromlijnige, scherp omschreven omtrekken. Zij schenen zelfs zich uit te zetten, in aantal te verminderen en in grootte toe te nemen, steeds evenwel dezelfde basis behoudende. Blijkbaar zouden ze spoedig allen tot een zelfde massa zijn opgelost, die de dichtheid der eenige wolk zou doen toenemen. Reeds smolten de kleine bijwolkjes, aan een soort van aantrekkingskracht gehoorzamende, tegen elkander aanbotsende en zich van elkander afstootende, in een verwarde massa in een.
Tegen half negen uur verscheurde een zig-zagsgewijze uitschietende, bliksemstraal, in zeer scherpe hoeken, de donkere massa op een lengte van twee duizend vijf honderd à drie duizend meters.
Vijf en zestig seconden later barstte een donderslag los en liet een lang gerekt, dof gerommel hooren, eigenaardig aan deze soort van bliksemflitsen, dat ongeveer vijftien seconden aanhield.
»Een en twintig kilometers," zei Banks, na zijn horloge geraadpleegd te hebben. »Dat is bijna de grootste afstand, waarop de donder zich kan doen hooren. Maar als eenmaal het onweer losgebroken is, komt het spoedig en we moeten het niet afwachten. Laten we naar binnen gaan, vrienden."
»En kapitein Hod?" zei sergeant Mac Neil.
»De donder gebiedt hem terug te komen," antwoordde Banks. »'k Hoop dat hij zal gehoorzamen."
Vijf minuten later waren we in het kamp terug, en namen plaats onder de veranda van het salon.
XII.
DRIEDUBBELE VUREN.
Indië deelt met zekere oorden van Brazilië,--die van Rio-Janeiro onder andere,--het voorrecht om van alle landen van den aardbol het meest door onweders geteisterd te worden. Wordt in Frankrijk, Engeland en Duitschland, in Midden-Europa dus, het aantal dagen van donder niet meer dan op twintig per jaar geteld, dan bedraagt dit getal jaarlijks in het Indische schiereiland meer dan vijftig.
Zooveel wat de algemeene meteorologie betreft. In dit bijzondere geval moesten wij met het oog op de omstandigheden waaronder het zich voordeed, een onweer van buitengewone hevigheid verwachten.
Zoodra wij in het stoomhuis waren teruggekomen, raadpleegde ik den barometer. Er had een plotselinge daling van twee duim--van negenentwintig tot zevenentwintig duim, [8] der kwikkolom plaatsgehad.
Ik deed dit kolonel Munro opmerken.
»'k Maak me ongerust over het lang wegblijven van kapitein Hod en zijn metgezellen," antwoordde hij mij. »Het onweer is op punt van los te barsten, de nacht komt, het wordt steeds donkerder. Jagers gaan altijd verder dan ze beloven en zelfs verder dan ze zelven willen. Hoe zullen ze den weg in die diepe duisternis vinden?"
»Die dwazen!" zeide Banks. »'t Is onmogelijk geweest ze reden te doen verstaan! Zeer zeker zouden ze beter gedaan hebben niet te vertrekken!"
»'t Is waar, Banks, maar ze zijn nu eenmaal vertrokken," antwoordde kolonel Munro, »en we moeten al 't mogelijke doen om ze te vinden."
»Is er geen middel hun de plaats te doen kennen waar we zijn?" vroeg ik den ingenieur.
»Jawel," antwoordde Banks, »door onze electrische vuren te ontsteken, die een groot lichtvermogen bezitten en van zeer ver gezien worden. 'k Ga den stroom stellen."
»Uitmuntend idée, Banks."
»Wilt u dat ik er op uit ga om kapitein Hod op te zoeken?" vroeg de sergeant.
»Neen, mijn oude Neil," antwoordde kolonel Munro, »je zoudt hem toch niet vinden en ook verdwalen."
Banks haastte zich nu om gebruik te maken van de vuren waarover hij beschikte. De elementen der kolom werden in werking gesteld, de stroom geleid en al spoedig wierpen de twee oogen van den IJzeren Reus, als twee electrische seinvuren hun schitterenden lichtbundel onder en door het sombere bladerengewelf der vijgeboomen. Zeker is het, dat dit licht in den donkeren nacht van zeer ver moest gezien worden en onze jagers tot gids kon verstrekken.
Op dit oogenblik barstte er een soort van orkaan van ongekende hevigheid los. Hij verscheurde de takken der boomen, richtte zich schuins naar den bodem en floot door de dunne zuilen der vijgeboomen, alsof hij door de welluidende pijpen van een kabinetorgel gesuisd had.
In een oogenblik werd de weg als bezaaid met een stortvloed van losgerukte takken en bladeren. Deze aanhoudende regen van met kracht op het dak van het stoomhuis neergeworpen boomloof, veroorzaakte een geluid als van aanhoudenden donder.
Wij moesten de wijk nemen naar het salon en al de vensters sluiten. Er viel nog geen regen.
»'t Schijnt een soort van »tofan" te zijn," zei Banks.
De Hindoes geven dezen naam gewoonlijk aan de woeste en plotseling opkomende orkanen, die meer in het bijzonder de bergachtige streken verwoesten en zeer in het land geducht zijn.
»Storr!" riep Banks den machinist toe, »heb je de schietgaten van het torentje zorgvuldig gesloten?"
»Ja, mijnheer Banks," antwoordde de machinist. »Van dien kant is er niets te vreezen."
»Waar is Kâlouth?"
»Hij heeft juist den tender van brandstof voorzien."
»Morgen," antwoordde de ingenieur, »ligt het hout overal voor 't oprapen! De wind wordt houthakker en bespaart ons veel arbeid! Blijf onder stoom, Storr en kom weer schuilen!"
»Dadelijk, mijnheer."
»Zijn je kuipen vol, Kâlouth?" vroeg Banks.
»Ja, mijnheer Banks," antwoordde de stoker. »We hebben nu genoeg water."
»Goed, maar kom binnen! kom binnen!"
De machinist en de stoker hadden weldra in het tweede rijtuig plaatsgenomen.
De bliksemstralen volgden elkander toen snel op, terwijl de ontploffing der electrische wolken een dof gerommel deed hooren. De »tofan" had den dampkring niet verfrischt. Het was een verschroeiende wind, die verbrandde alsof hij uit een heeten oven woei.
Sir Edward Munro, Banks, Mac Neil en ik, we verlieten de zaal slechts om onder de veranda te gaan. Onze blikken naar de toppen der vijgeboomen richtende, zag men het gebladerte zich als fijn zwart kantwerk tegen de brandende lucht afteekenen. Geen bliksemstraal of hij werd een paar seconden later door donderslagen gevolgd. Nauwlijks had de echo tijd gehad uit te sterven of een nieuwe donderslag werd door haar teruggekaatst. Ook was aanhoudend een diepe bas als grondtoon te hooren, waartegen dan de eigenaardige kort afgebroken ontploffingen uitkwamen, die Lucretius zoo te recht vergeleken heeft met het scherpe geluid van papier dat verscheurd wordt.
»Hoe is 't mogelijk, dat de storm ze nog niet naar huis gejaagd heeft!" zei kolonel Munro.
»Misschien," antwoordde de sergeant, »hebben kapitein Hod en zijne metgezellen een schuilplaats in het bosch gevonden, in een hollen boom of in een rotsholte en staan ze eerst morgen voor onze oogen! Het kamp is altijd daar om ze te ontvangen!"
Banks schudde het hoofd als iemand, die niet gerust is. Hij scheen de meening van Mac Neil niet te deelen.
Op dit oogenblik,--het was bijna negen uren,--begon het buitengewoon hard te regenen. Deze regen was vermengd met énorme hagelsteenen, die ons steenigden en op het luidklinkend dak van het Stoomhuis neer knetterden. Het was als het geroffel van honderden trommen, zoodat het onmogelijk was zich te hooren spreken, al had het geratel van den donder het luchtruim niet vervuld. Van alle kanten dwarrelden de door den hagel verscheurde bladeren der vijgeboomen rond.
Banks kon zich te midden van dat oorverdoovend geraas niet doen hooren en strekte toen den arm uit om ons opmerkzaam te maken op de hagelsteenen, die tegen de zijden van de IJzeren Reus aansloegen.
Het was ongeloofelijk. Alles flikkerde bij de aanraking met die harde lichamen. Men zou gezegd hebben, dat wat uit de wolken viel, werkelijke druppels waren van een in smelting verkeerend metaal, die het plaatijzer treffende, een lichtstraal terugwierpen. Dit natuurverschijnsel toonde hoe sterk de atmosfeer met electriciteit verzadigd was. Onophoudelijk werd de dampkring door den bliksem doorkruist, zoodat alles in vuur en vlam scheen te staan.
Banks gaf ons met een gebaar te verstaan, dat we in het salon zouden gaan en sloot de deur, die op de veranda uitkwam. Het was toch hoogst gevaarlijk zich in de open lucht aan den schok der electrische stroomen bloot te stellen.
Wij waren nu binnen in diepe duisternis gehuld, die door het onophoudelijk weerlichten buiten, nog dieper gemaakt werd. Hoe groot was niet onze verbazing toen we zagen, dat zelfs ons speeksel lichtend was! Het bleek dat we door en door met de omringende vloeistof verzadigd waren.
»We spogen vuur," om de uitdrukking te gebruiken, die gediend heeft om dit zeldzaam voorkomend, maar altijd ontzettend natuurverschijnsel te kenmerken. En waarlijk, te midden van al die vlammen, zoowel van binnen als van buiten, te midden van het woeste geweld dier vreeselijke donderslagen, altijd vergezeld van felle bliksemstralen, moest wel den koelbloedigste onder ons het hart sneller kloppen.
»En zij!" sprak kolonel Munro.
»Zij!.... zij!.... zij!" antwoordde Banks.
We maakten ons nu zeer ongerust en konden niets doen om kapitein Hod en zijne metgezellen te hulp te komen.
Indien zij werkelijk een schuilplaats gevonden hadden, dan kon het slechts onder de boomen zijn en men weet welke gevaren men onder dergelijke omstandigheden gedurende het onweer loopt. Hoe zouden ze zich in dat dichte bosch op vijf of zes meters van de loodlijn af hebben kunnen plaatsen, die door het uiteinde van de langste takken gaat,--zooals dit den personen, die in de nabijheid van boomen door het onweêr verrast worden, wordt aanbevolen?
Dit alles kwam mij in de gedachte, toen een donderslag, korter afgebroken dan een der anderen, plotseling losbarstte. Een tusschenpoos van nauwlijks een seconde was er tusschen den slag en den bliksem verloopen.
Het Stoomhuis trilde er van en werd als van den grond opgelicht. Ik dacht niet anders of de trein zou omvervallen.
Op hetzelfde oogenblik verspreidde er zich een sterke lucht,--de doordringende lucht van salpeterdamp,--en ongetwijfeld zou het regenwater, gedurende dit onweer verzameld, een groote hoeveelheid salpeterzuur bevat hebben.
»De bliksem is ergens ingeslagen...." zei Mac Neil.
»Storr! Kâlouth! Parazard!" schreeuwde Banks.
De drie mannen stormden de zaal binnen. Gelukkig was niemand getroffen.
De ingenieur opende toen de deur der veranda en begaf zich op het balkon.
»Daar!.... kijk!...." riep hij.
Op tien passen afstand, links van den weg, was een énorme vijgeboom door den bliksem getroffen. Bij het onophoudelijk lichten, kon men zien als op klaarlichten dag. De ontzaglijke stam, die door zijne uitspruitsels niet meer kon gedragen worden, was dwars over de naburige boomen heen gevallen. Hij was in zijn geheele lengte netjes van den bast ontdaan en een lange reep schors, door de rukwinden als een slang heen en weder bewogen, zweepte al draaiende de lucht. Dit afscheuren van den bast moest zeker van onderen naar boven geschied zijn, onder de werking van een buitengewoon hevigen, opstijgenden bliksemstraal.
»'t Scheelde weinig of het Stoomhuis was getroffen!" zei de ingenieur. »Toch moeten we blijven, want 't is hier nog veiliger schuilplaats dan die der boomen!"
»Laat ons dus blijven," antwoordde kolonel Munro.
Op dit oogenblik deed zich een geschreeuw hooren. Waren het onze metgezellen, die eindelijk terug kwamen?
»'t Is de stem van Parazard," zei Storr.
En werkelijk was het de kok, die, onder de achterste veranda staande, ons luidkeels riep.
We ijlden onmiddellijk naar hem toe.
Op minder dan honderd meters afstand, achter en aan de rechterzijde van het kamp, stond het vijgeboomenbosch in brand. De hoogste toppen der boomen verdwenen reeds in de vlammen. De brand nam met ongeloofelijke hevigheid toe in de richting van het Stoomhuis, dat dus in het grootste gevaar verkeerde.
Een langdurige gebrek aan regen, de hooge temperatuur gedurende de drie maanden van het heete jaargetijde, hadden boomen, struiken, kruiden en planten verdroogd. De brand voedde zich met al die licht ontvlambare brandstoffen en, zooals het menigmaal in Indië gebeurt, dreigde het geheele bosch verteerd te worden.
En werkelijk zag men dat het vuur al grootere kringen beschreef en hoe langer hoe dichter naderde. Indien het de plek van het kamp bereikte, zouden binnen weinige minuten de twee wagens vernield zijn, want hunne dunne paneelen konden ze niet voor het vuur beschermen, als de dikke wanden van plaatijzer van een koffer dit kunnen.
Zwijgend stonden wij dit gevaar aan te zien. Kolonel Munro kruiste zich de armen en zeide eenvoudig:
»Banks, jij bent de man om ons hieruit te helpen!"
»Ja, Munro," antwoordde de ingenieur, »en daar we geen enkel middel hebben, om den brand te blusschen, moeten we hem ontvluchten!"
»Te voet?" riep ik uit.
»Neen, met onzen trein."
»En kapitein Hod en zijn metgezellen?" zei Mac Neil.
»We kunnen hen niet helpen! als ze vóór ons vertrek niet terug zijn, vertrekken we toch!"
»We kunnen ze toch niet aan hun lot overlaten!" zei de kolonel.
»Munro," antwoordde Banks, »als de trein in veiligheid zal zijn, buiten het bereik van het vuur, zullen we terugkomen en het bosch doorzoeken totdat we ze gevonden hebben!"
»Ga je gang dan maar, Banks," antwoordde kolonel Munro, die zich naar de meening van den ingenieur moest schikken, omdat zij werkelijk de eenige geschikte bleek.
»Storr," zei Banks, »naar je machine! Kâlouth, naar je stoomketel, en stook de vuren op! Welke drukking op den manometer?"
»Twee atmosfeeren," antwoordde de machinist.
»Binnen tien minuten moeten we er vier hebben! Komt, mijne vrienden, komt!"
De machinist en de stoker lieten geen oogenblik verloren gaan. Het duurde niet lang of een stortvloed van zwarten rook ontwrong zich aan de tromp van den olifant en vermengde zich met de stroomen regen, die de reus scheen te trotseeren. De bliksemstralen, die het luchtruim doorkliefden, beantwoordde hij met een dichten vonkenregen. Een straal van stoom floot in den schoorsteen en de kunstmatige trekking verhaastte de verbranding van het hout, dat Kâlouth in zijn oven ophoopte.