Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 11

Chapter 113,828 wordsPublic domain

»Daar verdeelde men de gevangenen. Al de mannen werden over de kling gejaagd. Wat de vrouwen en kinderen aangaat, men vereenigde ze met de andere kinderen en vrouwen, die den 27n Juni niet vermoord waren geworden.

»Het was een totaal van twee honderd slachtoffers wien een lange doodstrijd was voorbehouden en die opgesloten werden in den bungalow, waarvan de naam Bibi-Ghar een treurige vermaardheid heeft behouden."

»Maar hoe heb je die vreeselijke bijzonderheden vernomen?" vroeg ik Banks.

»Door een oud sergeant van het 32e regiment van het koninklijk leger," antwoordde de ingenieur. »Die man, als door een wonder ontkomen, werd opgenomen door den rajah van Raïschwarah, een der provinciën van het koninkrijk Oude, die hem en eenige andere vluchtelingen met de grootste liefderijkheid ontving."

»En wat werd er van lady Munro en haar moeder?"

»Mijn waarde vriend," antwoordde Banks mij, »we hebben geen rechtstreeksche getuigenis meer van 't geen er sedert dien datum is voorgevallen, maar 't is maar al te gemakkelijk het te gissen. Inderdaad, de Sipayers waren meester van Cawnpore. Zij waren het tot den 15n Juli en die negentien dagen waren negentien eeuwen! De ongelukkige slachtoffers wachtten elk oogenblik hulp, die slechts te laat zou komen.

»Reeds sedert eenigen tijd was generaal Havelock uit Calcutta vertrokken op marsch, tot ontzet van Cawnpore, en na de opstandelingen herhaalde malen geslagen te hebben, hield hij er den 17n Juli zijn intocht."

»Maar, twee dagen te voren, toen Nana Sahib vernam, dat de koninklijke troepen de rivier Pandou-Naddi waren overgestoken, besloot hij de laatste uren zijner heerschappij door gruwelijke moordtooneelen voor eeuwig in het geheugen te griffelen. Tegenover de veroveraars van Indië scheen hem alles veroorloofd!"

»Eenige mannelijke gevangenen, die de gevangenschap der vrouwen in Bibi-Ghar gedeeld hadden, werden voor hem gebracht en onder zijne oogen geworgd."

»De menigte vrouwen en kinderen bleef nog over en onder dezen, lady Munro en haar moeder. Een peloton van het 6e regiment Sipayers kreeg order ze te fusilleeren door de vensters van Bibi-Ghar heen. De terechtstelling of liever de moord begon, maar daar het naar den zin van Nana, verplicht weldra te wijken, niet snel genoeg ging, voegde deze bloeddorstige vorst muzelmansche slagers bij de soldaten zijner garde en nu werd het een ware slachting!"

»Den volgenden dag werden dooden en levenden, vrouwen en kinderen, in een naburige put gestort, en toen de soldaten van Havelock te hulp snelden, rookte deze put, tot den rand toe gevuld, nog!"

»Toen begon de wederwraak. Een zeker aantal opstandelingen, medeplichtigen van Nana Sahib, waren in de handen van generaal Havelock gevallen. Nu vaardigde deze de volgende vreeselijke dagorder uit, waarvan ik de bewoordingen nooit vergeten, zal:

»De put waarin de stoffelijke overblijfselen rusten der arme vrouwen en kinderen, vermoord op last van den snoodaard Nana Sahib, zal gedempt en met zorg bedekt worden in den vorm van een graf. Een detachement Europeesche soldaten, aangevoerd door een officier, zal zich heden avond van die vrome taak kwijten. Het huis en de kamers waar de moord heeft plaatsgehad zullen door de landgenooten der slachtoffers niet schoongemaakt en gewit worden. De generaal wil, dat elke druppel onschuldig bloed, door de veroordeelden met de tong schoongemaakt of afgelikt worde, voordat zij terechtstaan, en dat, naargelang van hun kastenrang en het deel, dat zij in den moord genomen hebben. Bij gevolg zal iedere veroordeelde, na de lezing van het doodvonnis gehoord te hebben, naar het huis gevoerd worden waar de moord gepleegd is en gedwongen worden een zeker gedeelte van den vloer schoon te likken. Men drage zorg de taak zoo stuitend mogelijk te maken voor de godsdienstige gevoelens van den veroordeelde en de provoost-geweldige spare zijne roede niet. Nadat de taak verricht is, worde het vonnis tenuitvoergebracht aan de galg, bij het huis opgericht."

»Dit was," hernam Banks, die zeer ontroerd was, »deze dagorder. Zij werd letterlijk opgevolgd. Maar de slachtoffers waren niet meer. Zij waren vermoord, verminkt, verscheurd! Toen kolonel Munro, twee dagen later aangekomen, wilde beproeven, eenige overblijfselen van lady Munro en haar moeder op te sporen, vond hij niets.... niets!"

Dit was het wat Banks mij, vóór onze komst te Cawnpore had medegedeeld en nu was het diezelfde plek waar de afgrijslijke moord gepleegd was, die de kolonel wilde bezoeken.

Maar vooraf wilde hij den bungalow terugzien waar lady Munro gewoond had, waar zij haar jeugd had doorgebracht, de woning waar hij haar het laatst gezien had, den drempel waarop hij hare laatste omhelzingen genoten had.

Deze bungalow was een klein eind buiten de voorsteden der stad gelegen, niet ver van de lijn der militaire kantonnementen. Bouwvallen, stukken zwarte muren, eenige omgevallen, verdorde boomen, was alles wat er van de woning was overgebleven. De kolonel had niet gewild dat iets hersteld werd. De bungalow verkeerde na zes jaren nog in denzelfden toestand als de hand der brandstichters hem gebracht had.

Wij brachten een uur op die verwoeste plek door. Sir Edward Munro waarde zwijgend onder die bouwvallen rond, waaruit zich zooveel herinneringen voor hem opdeden. Zijne gedachten waren geheel vervuld met dat gelukkige leven, dat niets hem voortaan kon teruggeven. Hij zag het jonge meisje weder, gelukkig in het huis waar zij geboren was, waar hij haar gekend had en somtijds sloot hij de oogen als om zich haar nog beter te kunnen voorstellen.

Doch eindelijk, plotseling, alsof hij zich zelven geweld had moeten aandoen, voerde hij ons met zich naar buiten.

Banks had gehoopt dat de kolonel zich alleen tot het bezoeken van dezen bungalow bepalen zou.... Maar neen! Sir Edward Munro had besloten tot de laatste toe de bitterheden uitteputten, die deze noodlottige stad voor hem bewaard had! Na de woning van lady Munro, wilde hij de kazerne wederzien waar zoovele slachtoffers, waaraan de krachtvolle vrouw zich zoo heldhaftig had toegewijd, al de verschrikkingen van een beleg hadden doorgestaan.

De kazerne was op de vlakte buiten de stad gelegen en men bouwde toen een kerk op de plek waar de bevolking van Cawnpore een schuilplaats had moeten zoeken. De weg daarheen was een macadamweg, beschaduwd door fraaie boomen.

Daar was het eerste bedrijf van het vreeselijk treurspel afgespeeld. Daar hadden lady Munro en hare moeder geleefd, geleden, met den dood geworsteld tot het oogenblik dat de capitulatie in de handen van Nana Sahib den troep slachtoffers stelde, reeds tot een afgrijslijken moord gedoemd en dien de verrader beloofd had behouden te Allahabad te zullen brengen.

Te midden van den onvoltooiden bouw, onderscheidde men nog overblijfselen van steenen muren, sporen der verdedigingswerken, die door generaal Wheeler [7] waren opgericht.

Kolonel Munro bleef langen tijd onbeweeglijk en zwijgend voor deze overblijfselen. In zijne herinnering kwamen de afschuwelijke voorvallen waarvan zij het tooneel geweest waren, levendiger terug. Na den bungalow, waar lady Munro gelukkig geleefd had, de kazerne waarin zij meer geleden had dan alles wat men zich kan voorstellen!

Nog bleef het bezoek over van den Bibi-Ghar, de woning waarvan de Nana een gevangenis maakte, waar zich de put bevond op welks bodem de slachtoffers in den dood vermengd waren geworden.

Toen Banks den kolonel zich naar deze zijde zag wenden, greep hij hem bij den arm als om hem terug te houden.

Sir Edward Munro zag hem vlak in het gelaat en zeide op vreeselijk kalmen toon:

»Kom, laat ons gaan!"

»Munro! ik bid je!...."

»Dan zal ik alleen gaan."

Er bleek niets aan te doen.

Wij hebben ons toen naar den Bibi-Ghar gewend, waaraan prachtig aangelegde tuinen, beplant met fraaie boomen voorafgingen.

Er verheft zich daar een zuilengang in Gothischen stijl, van octogonalen vorm. Hij omgeeft de plek waar de put zich bevindt, welks opening nu met een bekleeding van steenen gesloten is. Het is een soort van voetstuk, dat een standbeeld van wit marmer draagt, den Engel van het Medelijden, een der laatste werken van den beeldhouwer Marocchette voorstellende.

Het was lord Canning, gouverneur-generaal van Indië gedurende den grooten opstand van 1857, die dit monument van boete en rouw deed oprichten; het was vervaardigd naar de teekeningen van den kolonel der genie Yule en lord Canning verkoos het uit zijne eigene middelen te betalen.

Voor dezen put waarin de beide vrouwen, de moeder en de dochter, na door de slachters van Nana getroffen te zijn, misschien nog levend waren geworden, kon Sir Edward Munro zijne tranen niet inhouden. Hij viel op zijne knieën op de steenen van het monument neder.

Sergeant Mac Neil weende naast hem in stilte.

Het hart ontzonk ons en woorden ontbraken ons om deze ontroostbare smart te lenigen, hopende dat Sir Edward Munro daar zijne laatste tranen zou weenen!

O! als hij een der eerste soldaten van het koninklijk leger geweest was, die te Cawnpore binnenkwamen en die na den gruwzamen moord in dat Bibi-Ghar doordrongen, zou hij van smart gestorven zijn!

En wat wonder als men het verslag leest van een der Engelsche officieren,--een verhaal door den reiziger Rousselet medegedeeld.

»Nauwlijks te Cawnpore binnengekomen, haastten we ons om de ongelukkige vrouwen op te sporen, die wij wisten, dat zich in de handen bevonden van den verfoeilijken Nana, doch weldra vernamen wij de afschuwelijke terdoodbrenging. Gekweld door een verschrikkelijken dorst naar wraak en doordrongen van het gevoel der ontzettende smarten, die de ongelukkige slachtoffers hadden moeten verduren, gevoelden wij zonderlinge en woeste ideeën in ons wakker worden. Half krankzinnig van drift, loopen wij naar de droevige plek van het martelaarschap. Gestold bloed, vermengd met overblijfselen, waaraan men geen naam kon geven, bedekte den grond van het kleine vertrek waar zij opgesloten waren en reikte ons tot de enkels. Lange, zijdeachtige haarvlechten, brokstukken van vrouwenkleederen, kleine kinderschoentjes, speelgoed, lagen op den vochtigen grond verspreid. De met bloed besmeerde muren, droegen de sporen van den vreeselijken doodstrijd. Ik raapte een klein gebedenboek op, waarvan op de eerste bladzijde deze treffende woorden geschreven stonden: »27 Juni, de vaartuigen verlaten.... 7 Juli, gevangenen van den Nana.... noodlottige dag." Maar dit waren niet de eenige gruwelen, die ons wachtten. Veel verschrikkelijker nog was het gezicht van den diepen en nauwen put waar de verminkte overblijfselen van die teere schepselen waren opgehoopt!...."

Sir Edward Munro was in de eerste uren dat de soldaten van Havelock zich van de stad meester maakten, niet tegenwoordig. Hij kwam slechts twee dagen na de verfoeielijke slachting! En nu had hij niets anders voor oogen dan de plek waar de noodlottige put zich opende, het vreeselijke graf der twee honderd slachtoffers van Nana Sahib!

Ditmaal gelukte het Banks, geholpen door den sergeant, hem met geweld weg te voeren.

Kolonel Munro zou nooit de twee woorden vergeten, die een der soldaten van Havelock met zijn bajonet op den rand van den put geschreven had:

»Remember Cawnpore!"

»Herinner u Cawnpore."

XI.

DE VERANDERING VAN MOESSON.

Ten elf ure waren wij in het kamp terug en hadden wij natuurlijk grooten haast Cawnpore te verlaten, maar eenige herstellingen aan de voedingspomp der machine lieten niet toe dat wij voor den volgenden morgen vertrokken.

Er bleef mij dus nog een halve dag over. Ik meende hem niet beter te kunnen besteden dan met het bezoeken van Lucknow. Het plan van Banks was niet door deze stad te gaan, alwaar kolonel Munro zich wederom op een der voornaamste tooneelen van den oorlog bevonden zou hebben. Hij had gelijk. Ook dat waren al te pijnlijke herinneringen voor hem.

Na dus te twaalf uur het Stoomhuis verlaten te hebben, bereisde ik het kleine eindje spoorweg, dat Cawnpore met Lucknow verbindt. De afstand bedraagt geen twintig mijlen en ik kwam binnen twee uren in de belangrijke hoofdstad van het Koninkrijk Oude aan, waarvan ik slechts een oppervlakkig overzicht wilde nemen, niets meer dan wat men een indruk noemt.

Ik moest overigens de waarheid erkennen van hetgeen ik had hooren zeggen van de monumenten te Lucknow, gebouwd onder de regeering der muzelmansche keizers in de XVIIe eeuw.

Het was een Franschman, een inwoner van Lyon, Martin genaamd, een eenvoudig soldaat uit het leger van Lally-Tollendal, die, in 1730, de gunsteling van den koning geworden, de schepper, de bestuurder, men zou kunnen zeggen de bouwmeester werd van die alom geroemde wonderen van het Koninkrijk Oude. De officiëele residentie der vorsten, de Kaiserbâgh, een vreemde verzameling van alle bouwstijlen, die in de verbeelding van een korporaal konden opkomen, is slechts een zeer oppervlakkig werk. Niets inwendig, alles uitwendig, maar dat uitwendige is tegelijk Hindoesch, Chineesch, Moorsch en.... Europeesch. Het is hetzelfde geval met een ander, kleiner paleis, Farid Bâkch, dat ook het werk van Martin is. Wat de Imâmbara betreft, gebouwd midden in de vesting door Kaïfiâtoulla, den eerste bouwkundige van Indië in de XVIIe eeuw, dat is werkelijk een prachtig monument en brengt een grootsche uitwerking teweeg, met de duizend klokjes, die de tusschenwanden overdekken.

Ik kon Lucknow niet verlaten zonder het paleis Konstantijn te bezoeken, dat ook het persoonlijk gewrocht is van den Franschen korporaal en den naam draagt van paleis de la Martinière. Ik wilde ook nog den naburigen tuin zien, den Secunder Bâgh, waar de Sipayers, die, alvorens de stad te verlaten, het graf van den nederigen soldaat geschonden hadden, bij honderden vermoord werden.

Wij moeten hier nog bijvoegen, dat de naam van Martin niet de eenige Fransche naam is, die te Lucknow in eere wordt gehouden. Een oude onderofficier van de Afrikaansche jagers, Duprat genaamd, onderscheidde zich zoodanig door zijne dapperheid tijdens het tijdperk van den opstand, dat de opstandelingen hem aanboden zich aan hun hoofd te plaatsen. Duprat was te edel om dit aanbod aan te nemen, niettegenstaande de rijkdommen, die hem werden toegezegd, niettegenstaande de bedreigingen, die hem naar 't hoofd werden geslingerd. Hij bleef den Engelschen getrouw. Maar, bijzonder blootgesteld aan de schoten der Sipayers, die geen verrader van hem hadden kunnen maken, werd hij gedood in een ontmoeting. »Ongeloovige hond," hadden de opstandelingen gezegd, »we zullen je toch hebben, al wilde je niet!" Zij hadden hem, dood.

Beide deze Fransche soldaten werden bloedig gewroken. De Sipayers, die het graf van den een geschonden en het graf voor den ander gegraven hadden, werden zonder mededoogen vermoord.

Eindelijk, na de prachtige parken bewonderd te hebben, die deze groote stad van vijfhonderd duizend inwoners als een krans van groen en bloemen omgeven, na op den rug van een olifant de voornaamste straten en haar heerlijken boulevard van Hazrat Gaudj doorloopen te hebben, kwam ik dienzelfden avond met den trein te Cawnpore terug.

Den volgenden dag, 31 Mei, begaven wij ons in den vroegen morgen op weg.

»Eindelijk," riep kapitein Hod uit, »is het dan toch uit met al die steden, die me mooi beginnen te vervelen!"

»Ja, 't is gedaan, Hod," antwoordde Banks, »en nu gaan we rechtstreeks op weg naar het noorden, om bijna in rechte lijn den voet van het Himalaya-gebergte te bereiken."

»Bravo!" hernam de kapitein. »Wat ik bij uitnemendheid Indië noem, dat zijn niet de provinciën met steden bezaaid of met Hindoes bevolkt, dat is het land waar mijne vrienden de olifanten, de leeuwen, de tijgers, de panters, de luipaarden, de beren, de buffels, de slangen in vrijheid leven! Daar is het eenige werkelijk bewoonbare gedeelte van het schiereiland! Als je dat ziet, Maucler, zullen de wonderen van de vallei van den Ganges je niet berouwen!"

»'k Zal in uw gezelschap nergens berouw over hebben, mijn waarde kapitein," antwoordde ik.

»En toch," zeide Banks, »zijn er in het noordwesten nog andere zeer belangrijke steden, Delhi, Agra, Lahore."

»Wel, vriend Banks," riep Hod uit, »wie heeft ooit iets bijzonders gehoord van die ellendige gehuchten!"

»Ellendige gehuchten!" antwoordde Banks, »wel neen, Hod, je meent prachtige steden! Stel je gerust, waarde vriend," voegde de ingenieur er bij, zich tot mij wendende, »we zullen trachten je dat alles te laten zien, zonder de veldtochtsplannen van den kapitein in de war te brengen."

»Nu, daar heb ik vrede mee, Banks," antwoordde Hod, »maar vandaag begint onze reis pas!"

Toen riep hij met luide stem:

»Fox?"

De oppasser verscheen.

»Present! kapitein," zei hij.

»Fox, zorg dat de geweren, de karabijnen en de revolvers in orde zijn!"

»Alles in orde."

»Heb je alles goed nagekeken?"

»Alles."

»Maak de patronen gereed."

»Ze zijn gereed."

»Alles goed klaar dus?"

»Alles klaar."

»'t Zal niet lang duren of de acht en dertigste zal op je lijst prijken, Fox!"

»De achtendertigste!" riep de oppasser uit, wiens gelaat plotseling verhelderde. »'k Zal hem een springkogeltje gereed maken, waarover hij zich niet zal te beklagen hebben!"

»Ga je gang, Fox, ga je gang!"

Fox groette op soldatenwijs, maakte rechtsomkeert en sloot zich in zijn arsenaal op.

Zie hier nu het plan van dit tweede gedeelte onzer reis,--een plan, waarin geen verandering zal komen, of er moeten zich onverwachts gebeurtenissen opdoen, die onmogelijk te voorzien waren.

Vijf en zeventig kilometers ver ongeveer zal de reis in de richting van het noordwesten langs den Ganges worden voortgezet, doch van dit punt af aan gaat het recht naar het noorden tusschen een der takken van den grooten stroom en een anderen belangrijken tak van de Goutmi. Op deze wijze wordt een zeker aantal stroomen vermeden, die zich links en rechts verspreiden, terwijl de reis verder door Biswah schuins naar de eerste bergen van Nepaul gaat, door het westelijk gedeelte van het koninkrijk Oude en Rokilkhanne.

Deze weg was met de grootste zorg door den ingenieur gekozen en daardoor werden allerlei moeielijkheden vermeden. Mocht de steenkool in het noorden van Hindostan moeielijker te vinden zijn, aan hout zou het nimmer ontbreken en wat onzen IJzeren Reus betreft, de goed onderhouden wegen door de prachtige wouden van het Indische schiereiland, zouden voor hem geen beletsel zijn om te gaan in welken tred hij verkoos.

Wij waren nog ongeveer tachtig kilometers van de kleine stad Biswah verwijderd. Men kwam overeen dien afstand met zeer gematigde snelheid af te leggen--in zes dagen. Men kon dan halt houden, als de streek ons beviel, terwijl de jagers dan tijd zouden hebben hunne heldendaden te verrichten. Kapitein Hod en de oppasser Fox, aan wie Goûmi zich gaarne aansloot, zouden dan gemakkelijk het veld kunnen ontdekken, terwijl de IJzeren Reus gelijken tred met hen zou houden. Het was mij niet verboden hen op hun drijfjacht te vergezellen, ofschoon ik een slechts weinig bedreven jager was, en ik voegde mij dan ook enkele malen bij hen.

Ik moet niet onvermeld laten, dat kolonel Munro sedert het oogenblik dat onze reis een nieuw tijdperk was ingetreden, zich wat minder afgezonderd hield. Hij scheen buiten de meer volkrijke buurten, te midden van de Ganges-vallei, die we pas doorreisd hadden, gezelliger te worden. Onder die veranderde omstandigheden, scheen hij de kalmte terug te erlangen van het bestaan, dat hij te Calcutta leidde. En toch, kon hij vergeten, dat zijn rollend huis zich begaf naar het noorden van Indië, waar een onweerstaanbaar noodlot hem heen trok? Hoe het zij, onder de maaltijden, alsmede in den tijd, die gewoonlijk aan de siesta gewijd wordt, was hij veel levendiger en dikwijls zelfs werd in de uren van de halt, en in de schoone nachten, die het warme seizoen ons nog schonk, het gesprek tot diep in den nacht voortgezet. Wat Mac Neil aangaat, sedert het bezoek aan de put van Cawnpore, scheen hij mij nog somberder toe dan gewoonlijk. Had misschien het gezicht van Bibi-Ghar een haat bij hem verlevendigd, dien hij nog altijd hoopte te koelen?

»Neen, mijnheer, neen," zeide hij mij op zekeren dag, »'k houd het voor onmogelijk, dat ze 't niet aan ons zouden hebben overgelaten Nana Sahib te dooden."

De eerste dag ging voorbij zonder voorvallen die der moeite waard zijn vermeld te worden. Noch kapitein Hod, noch Fox waren in de gelegenheid eenig dier te schieten. Het was verdrietig en zonderling genoeg om de vraag te wettigen of de verschijning van den IJzeren Reus de vreeselijke roofdieren dezer streken niet op een afstand hield. Werkelijk ging men eenige jungles voorbij, die toch de gewone schuilplaatsen der tijgers en andere wilde dieren van het kattengeslacht zijn en geen een vertoonde zich. Evenwel hadden de jagers zich een paar mijlen ter zijde van onzen trein begeven en moesten het zich getroosten Black en Phann mede te nemen om op klein wild te jagen, waarvan »Monsieur Parazard" zijn dagelijkschen voorraad eischte. Hij verstond geen rede daaromtrent, onze zwarte chef, en toen de oppasser hem over tijgers, luipaarden en andere weinig eetbare dieren sprak, trok hij minachtend de schouders op, zeggende:

»Is dat eetbare waar!"

Dienzelfden avond kampeerden wij onder het lommer van een groep énorme vijgeboomen. De nacht was even rustig als de dag stil geweest was. De stilte werd zelfs niet verstoord door het gehuil der wilde beesten. Onze olifant rustte evenwel. Zijn gebriesch liet zich niet meer hooren. De kampvuren waren uitgedoofd en om den kapitein te voldoen, liet Banks zelfs den electrischen stroom niet werken, die de oogen van den IJzeren Reus in twee machtige vuurbakens veranderde. Maar niets!

Dit was eveneens tijdens de dagen van den 1n en 2n Juni het geval. Het was om wanhopig te worden.

»Ze hebben mijn koninkrijk Oude veranderd!" herhaalde kapitein Hod. »Ze hebben 't in 't midden van Europa overgebracht. Er zijn hier evenmin tijgers als in de laaglanden van Schotland!"

»Mogelijk, mijn waarde Hod," antwoordde kolonel Munro, »hebben ze hier pas drijf jacht gehouden en zijn de dieren in massa verhuisd. Maar wanhoop niet en wacht totdat we aan den voet van de bergen van Népaul zijn. Daar zult ge naar hartelust aan uw instinct van jager kunnen voldoen."

»We willen het hopen, kolonel," antwoordde Hod het hoofd schuddende, »want anders zouden we onze kogels tot hagel moeten omgieten!"

De dag van den 3n Juni was een der heetste, die we nog gehad hadden. Zoo de weg niet door groote boomen beschaduwd was geworden, geloof ik dat we letterlijk in onze rollende woning gekookt zouden zijn. De thermometer steeg tot zeven-en-veertig graden in de schaduw en er was zelfs geen tochtje wind. Het was dus mogelijk, dat de roofdieren bij een dergelijke temperatuur, in dien gloeienden dampkring hunne holen niet durfden te verlaten, zelfs des nachts.

Den volgende morgen, den 3n Juni, vertoonde zich de horizont bij het opgaan der zon, voor de eerste maal vrij mistig in het westen. We hadden toen het prachtige schouwspel van een dier verschijnselen van luchtspiegeling, die men in zekere gedeelten van Indië »seekote," of luchtkasteelen en in andere »dessasur" of »zinsbegoocheling" noemt.

Het was geene gewaande watervlakte met hare zonderlinge uitwerkselen van straalbreking, die zich aan onze blikken voordeed, het was een lage heuvelrij, bebouwd met de meest fantastische kasteelen van de wereld, iets in den trant van de hoogten langs den Rijn, met hare oude roofsloten. In een oogwenk gevoelden we ons overgebracht, niet alleen in het Romaansche gedeelte van het oude Europa, maar een tijdvak van vijf of zes honderd jaren terug, in het hart der middeleeuwen.

Dit natuurverschijnsel gaf ons met verrassende duidelijkheid, het gevoel eener volkomen werkelijkheid. De IJzeren Reus met den geheelen toestel der moderne machinerie, onderweg naar een stad der elfde eeuw, kwam mij dan ook veel vreemder voor dan toen hij met een rookpluim versierd, het land van Vishnoe en Brahma bewandelde.