Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Part 10

Chapter 103,863 wordsPublic domain

De natuur heeft voorzeker alles gedaan ons Allahabad tot hoofdstad te maken van Engelsch-Indië, het middelpunt der regeering, de residentie van den onderkoning. Het is daarom niet onmogelijk dat, als de cyclonen Calcutta, de tegenwoordige hoofdstad, eenige slechte streken spelen, zij het eenmaal worde. Het is zeker, dat eenige goede geesten deze mogelijkheid reeds ingezien en voorzien hebben. In het groote lichaam, Indië genoemd, wordt de plaats van het hart door Allahabad ingenomen, evenals Parijs het hart van Frankrijk is. Londen bevindt zich wel niet in het middelpunt van het Vereenigd Koninkrijk, doch heeft ook Londen op de groote Engelsche steden, Liverpool, Manchester, Birmingham niet denzelfden voorrang als Parijs op al de andere steden van Frankrijk.

»En gaan we nu van dit punt af," vroeg ik Banks, »rechtstreeks naar het noorden?"

»Ja," antwoordde Banks, »of althans bijna rechtstreeks. Allahabad is in het westen de grens van dit eerste gedeelte van onzen tocht."

»Nu!" riep kapitein Hod uit, »de groote steden, goed, maar de groote vlakten, de groote jungles, beter! Als we zoo voortgaan met langs de spoorwegen te reizen, zullen we eindigen met er op te reizen en zou onze IJzeren Reus tot een eenvoudige locomotief gedegradeerd worden! Welk een achteruitgang!"

»Stel je gerust, Hod," antwoordde de ingenieur, »dat zal niet gebeuren. We zullen ons weldra in je geliefkoosde streken wagen."

»Dus, Banks, gaan we rechtuit naar de Indisch-Chineesche grens, zonder Lucknow door te gaan?"

»Ik zou er voor zijn deze stad te vermijden, en vooral Cawnpore, zoo vol noodlottige herinneringen voor kolonel Munro."

»Je hebt gelijk," hernam ik, »en we kunnen er ons nooit ver genoeg van verwijderd houden!"

»Zeg eens, Banks," vroeg kapitein Hod, »heb je tijdens je bezoek van Bénares, niets bijzonders van Nana Sahib vernomen?"

»Niets," antwoordde de ingenieur. »Waarschijnlijk zal de gouverneur van Bombay nogmaals op een dwaalspoor gebracht en Nana nooit weder in het presidentschap van Bombay verschenen zijn."

»Werkelijk, zeer waarschijnlijk," antwoordde de kapitein, »want anders zou de oude opstandeling zeker al van zich hebben doen spreken?"

»Hoe het zij," zeide Banks, »gaarne zou ik zoo spoedig mogelijk die vallei van den Ganges, die van Allahabad af tot Cawnpore toe, tijdens den opstand der Sipayers, het tooneel van zooveel onheilen geweest is, willen verlaten. Maar laten we vooral zorgen, dat de naam van die stad, even als die van Nana Sahib, nooit meer in tegenwoordigheid van den kolonel worde uitgesproken!"

Den volgenden dag wilde Banks mij wederom vergezellen tijdens de weinige uren, die ik nog aan een bezoek van Allahabad zou wijden. Misschien zouden er drie dagen noodig geweest zijn om de drie steden, waaruit Allahabad eigenlijk bestaat, goed te zien. En toch biedt zij over het geheel niet zooveel bijzonderheden aan als Bénares, alhoewel ook zij onder de heilige steden telt.

Van de Hindoesche stad valt niets te zeggen. Het is een ophooping van lage huizen, gescheiden door nauwe straten, beschaduwd hier en daar door prachtige tamarindeboomen.

Ook van de Engelsche stad en de kantonnementen zullen we niets zeggen. Goed beplante, fraaie lanen, rijke woningen, groote pleinen, al de elementen eener stad, eenmaal bestemd om een groote hoofdstad te worden.

Het geheel is gelegen in een uitgestrekte vlakte, begrensd ten noorden en ten zuiden door de Jumna (Djoemna) en den Ganges. Men noemt het de »vlakte der Aalmoezen," omdat de Hindoesche vorsten zich ten allen tijde derwaarts begaven om weldaden te bewijzen en aalmoezen uit te reiken, terwijl de overlevering beweert, »dat het verdienstelijker is één stuk geld op deze plaats te geven, dan honderdduizend stuks elders."

De God der christenen geeft slechts honderdvoudig. Dat is voorzeker honderdmaal minder, doch Hij boezemt mij meer vertrouwen in.

Een woord slechts van de citadel van Allahabad, die der moeite waard is om te bezoeken. Zij is gebouwd ten westen van de groote vlakte der Aalmoezen en hare hooge muren van rooden zandsteen beheerschen de beide stroomen. Binnen de wallen van de vesting bevindt zich een paleis, vroeger de geliefkoosde residentie van den sultan Akbar, later tot arsenaal ingericht. In een der hoeken is een zeer fraaie zuil of lât van Féroze-Schachs, een prachtige, cylindervormige monolith, zesendertig voet hoog, een leeuw dragende, terwijl niet ver vandaar een kleine tempel wordt aangetroffen, dien de Hindoes, wien men den toegang tot het fort weigert, niet bezoeken kunnen, ofschoon het een der heiligste punten der vesting is, die de aandacht der toeristen trekken.

Banks deelde mij mede, dat het fort van Allahabad ook zijn legende had, die aan de bijbelsche legende herinnert betreffende den wederopbouw van den tempel van Salomon te Jeruzalem.

Toen de sultan de citadel van Allahabad wilde bouwen, schijnt het dat de steenen zich zeer wederspannig toonden. Nauwlijks was een muur opgebouwd, of hij stortte weder in. Men raadpleegde het orakel en dit antwoordde als altijd, dat er een gewillig slachtoffer noodig was om de betoovering te bezweren. Een Hindoe bood zich aan, werd geofferd en het fort kon nu voltooid worden. Deze Hindoe noemde zich Brog en daarom wordt nog heden ten dage de stad aangeduid onder den dubbelen naam van Brog-Allahabad.

Banks geleidde mij vervolgens naar de tuinen van Khousrou, die beroemd zijn en hunne beroemdheid werkelijk verdienen. Daar, in de schaduw der schoonste tamarinden van de wereld, verheffen zich verscheidene Mohamedaansche praalgraven. Een van deze is de laatste woning van den sultan, wiens naam deze tempels dragen. Op een der muren in wit marmer is de palm eener énorme hand ingedrukt. Men toonde haar ons met een bereidwilligheid, die wij misten bij de heilige indrukselen van Gaya.

Weliswaar was het niet het spoor van den voet eens gods, maar het teeken van de hand eens eenvoudigen stervelings, naneef van Mahomet.

Tijdens den opstand van 1857, werd er niet minder bloed vergoten te Allahabad dan in de andere steden van de vallei van den Ganges. De strijd der opstandelingen op het exercitieveld van Bénares geleverd, lokte de omwenteling uit van de inlandsche troepen, en, in het bijzonder, den opstand van het 6e regiment van het leger van Bengalen. Al dadelijk werden acht vaandrigs vermoord, doch dank zij de krachtige houding van eenige Europeesche artilleristen, die tot het corps der invaliden van Chounar behoorden, eindigden de Sipayers met de wapenen neer te leggen.

In de kantonnementen ging het erger toe. De inlanders stonden op, de gevangenissen werden geopend, de dokken geplunderd, de Europeesche woningen in brand gestoken. Middelerwijl kwam kolonel Neil, na de orde te Bénares hersteld te hebben, met zijn regiment en honderd fusiliers van het regiment van Madras aan. Hij heroverde de schipbrug op de opstandelingen, nam den 18n Juni de voorsteden in, joeg de leden eener voorloopige regeering, door een muzelman ingesteld, uiteen en werd opnieuw het hoofd der provincie.

Gedurende dit uitstapje naar Allahabad letten Banks en ik zorgvuldig op of we ook gevolgd werden zooals dit te Bénares het geval was geweest. Doch ditmaal zagen wij niets verdachts.

»Om 't even," zei de ingenieur, »we kunnen niet te voorzichtig zijn! 'k Was gaarne incognito gebleven, want de naam van kolonel Munro is maar al te zeer bekend bij de inboorlingen dezer provincie!"

Wij waren te zes uur terug voor het diner. Sir Edward Munro, die gedurende een paar uren het kampement had verlaten, was terug en wachtte ons. Wat kapitein Hod aangaat, die eenigen zijner kameraden in de kantonnementen in garnizoen was op gaan zoeken, hij kwam bijna tegelijk met ons terug.

Ik merkte toen op en deed Banks opmerken, dat kolonel Munro er niet zoo zeer meer bedroefd, dan wel meer bezorgd dan gewoonlijk uitzag. Ik meende in zijne blikken een zeker vuur op te merken, dat de tranen er sedert lang moesten hebben uitgedoofd!

»Je hebt gelijk," antwoordde Banks mij, »er is iets! wat zou er voorgevallen zijn?"

»Als je 't Mac Neil eens vroegt?" zei ik.

»Ja, Mac Neil zal er misschien meer van weten."

Dit zeggende verliet de ingenieur het salon en opende de deur van het kamertje van den sergeant.

De sergeant was er niet.

»Waar is Mac Neil?" vroeg Banks aan Goûmi, die ons aan tafel zou bedienen.

»Hij heeft het kampement verlaten," antwoordde Goûmi.

»Sedert wanneer?"

»Sedert ongeveer een uur en op bevel van kolonel Munro."

»Je weet niet waarheen hij gegaan is?"

»Neen, mijnheer Banks, en 'k weet ook niet waarom hij gegaan is."

»Er is toch sedert ons vertrek niets bijzonders voorgevallen?"

»Niets."

Banks kwam terug, deelde mij de afwezigheid van den sergeant mede waarvan niemand de reden wist, en herhaalde:

»'k Weet niet wat er is, maar zeer zeker is er iets! We dienen wat geduld te hebben."

Men zette zich aan tafel. Gewoonlijk nam kolonel Munro onder den maaltijd deel aan het gesprek. Hij hoorde gaarne wat we op onze uitstapjes gezien en ondervonden hadden. Ik vermeed steeds snaren aan te roeren, die hem zelfs van verre den opstand der Sipayers konden herinneren. Ik geloof dat hij het opmerkte, maar, zou hij mij dank weten voor mijne discretie? Daarbij kwam dat het soms vrij moeielijk was, als er gesproken werd over steden als Bénares of Allahabad, die het tooneel van oproerige bewegingen geweest waren.

Heden en onder het diner mocht ik dus terecht vreezen, verplicht te zijn om over Allahabad te spreken. IJdele vrees. Kolonel Munro ondervroeg noch Banks, noch mij, hoe we onzen dag besteed hadden. Hij bleef zwijgen, tijdens den geheelen duur van onzen maaltijd. Zijne afgetrokkenheid scheen zelfs van uur tot uur toe te nemen. Hij keek dikwijls naar den weg, die naar de kantonnementen voerde en ik geloof zelfs, dat hij verscheidene malen op het punt was van tafel op te staan om beter in deze richting te kunnen zien. Sir Edward Munro wachtte blijkbaar met ongeduld op de terugkomst van den sergeant Mac Neil.

Het diner ging dus vrij vervelend voorbij. Kapitein Hod keek Banks aan, om hem stilzwijgend te vragen wat er toch aan scheelde, maar Banks wist het evenmin als hij.

Toen het diner was afgeloopen, stapte kolonel Munro, in plaats van zijn gewoon middagdutje te doen, de trede van de veranda af, deed eenige schreden op den weg, sloeg er een laatste maal een langen blik op en zeide, zich naar ons omkeerende:

»Banks, Hod en gij ook Maucler, zoudt gij me willen vergezellen tot de eerste huizen van de kantonnementen?"

Wij verlieten onmiddellijk de tafel en volgden den kolonel, die langzaam zonder een woord te spreken, voortstapte.

Na een honderd schreden afgelegd te hebben, bleef sir Edward Munro staan voor een paal, die aan den rechterkant van den weg was opgericht en waaraan een aankondiging was aangeplakt.

»Lees," zeide hij.

Het was de afkondiging, nu reeds meer dan twee maanden oud, die een prijs stelde op het hoofd van den nabob Nana Sahib en zijne tegenwoordigheid in het presidentschap van Bombay bekend maakte.

Banks en Hod maakten onwillekeurig een gebaar van teleurstelling. Tot nog toe was het hun gelukt zoowel te Calcutta als onder de reis, te beletten dat deze afkondiging onder de oogen van den kolonel kwam. Een noodlottig toeval had hunne voorzorgen verijdeld!

»Banks," zeide sir Edward Munro, de hand van den ingenieur grijpende, »je kende deze afkondiging?"

Banks antwoordde niet.

»Je wist, nu al voor twee maanden," hernam de kolonel, »dat de tegenwoordigheid van Nana Sahib in het presidentschap van Bombay was aangegeven en je hebt er me niets van gezegd!"

Banks bleef zwijgen, niet wetende wat te antwoorden.

»Welnu, ja, kolonel," riep kapitein Hod uit, »ja, we wisten het, maar waarom zouden we 't u gezegd hebben? Wie bewijst dat het feit, door deze afkondiging aangeduid, waar is en waartoe herinneringen bij u opgewekt, die u zoo smartelijk aandoen?"

»Banks," riep Kolonel Munro uit, wiens gelaat plotseling een geheel andere uitdrukking aannam, »heb je dan vergeten, dat het mij, mij meer dan iemand anders, toekomt, dien man te rechten! Weet, dat, zoo ik er in toegestemd heb Calcutta te verlaten, deze reis mij naar het noorden van Indië moest terugvoeren, dat ik geen enkelen dag aan den dood van Nana Sahib geloofd heb, dat ik nooit mijn plicht als handhaver van het recht vergeten heb! Met u vertrekkende, heb ik slechts één denkbeeld, één hoop gehad! 'k Heb, om me mijn doel te doen bereiken, gerekend op de toevalligheden der reis en op de hulp van God! 'k Heb gelijk gehad! God heeft me voor deze aankondiging geleid! In het noorden moeten we Nana Sahib niet meer zoeken, maar in het zuiden! Welnu! 'k Zal naar het zuiden gaan!"

Onze voorgevoelens hadden ons dus niet bedrogen! Het was maar al te waar! Meer dan ooit werd kolonel Munro beheerscht door een geheime gedachte of liever een idée fixe. Hij had zich nu geheel aan ons blootgegeven.

»Munro," antwoordde Banks, »'k heb je wel nergens over gesproken, maar 'k dacht ook volstrekt niet dat Nana Sahib zich in het presidentschap van Bombay zou ophouden. Het blijkt maar al te zeer, dat de overheid nogmaals bedrogen is. Inderdaad, de afkondiging is den 6n Maart gedateerd en sedert dat tijdstip heeft niets de tijding van de verschijning des nabobs bevestigd."

Kolonel Munro gaf niet dadelijk antwoord op de opmerking van den ingenieur. Hij wierp nog een laatsten blik op den weg en zeide toen:

»Mijne vrienden, 'k zal trachten te vernemen wat er van de zaak is. Mac Neil is met een brief voor den gouverneur naar Allahabad vertrokken. In een oogenblik zal ik weten of Nana Sahib zich werkelijk in een van de provincies van het westen heeft laten zien, of hij er nog of reeds verdwenen is."

»En zoo hij er gezien is, zoo het feit niet te betwijfelen valt, Munro, wat denk je dan te doen?" vroeg Banks, die de hand van den kolonel greep.

»'k Zal vertrekken!" antwoordde sir Edward Munro. »'k Zal overal gaan waar het in den naam van de opperste gerechtigheid, mijn plicht is te gaan!"

»Is dat vast beslist, Munro?"

»Ja, Banks, vast. Gij, mijne vrienden, zult uw reis zonder mij voortzetten.... Heden avond nog ga ik met den trein van Bombay."

»Goed, maar je zult niet alleen gaan!" antwoordde de ingenieur, zich tot ons wendende. »We vergezellen je, Munro!"

»Ja, ja, kolonel!" riep kapitein Hod uit. »We laten u niet zonder ons vertrekken! In plaats van op wilde beesten te jagen, zullen we op schurken jagen!"

»Kolonel Munro," liet ik er op volgen, »u zult me toestaan me bij den kapitein en uwe vrienden te voegen!"

»Ja, Maucler," antwoordde Banks, »en van avond nog, zullen we allen Allahabad verlaten hebben...."

»Onnoodig!" sprak een ernstige stem.

We keerden ons om. Sergeant Mac Neil stond voor ons, met een dagblad in de hand.

»Lees, kolonel," zeide hij. »Dit heeft de gouverneur me verzocht u te laten lezen."

En sir Edward Munro las het volgende:

»De gouverneur van het presidentschap van Bombay brengt ter kennisse van het publiek, dat de afkondiging van den 6n Maart ll., ter zake van den nabob Dandou-Pant, voortaan als nutteloos moet beschouwd worden. Gisteren is Nana Sahib aangetast in de bergpassen van Sauptourra, alwaar hij met zijn troep de wijk genomen had en is in het gevecht gedood. Er valt niet te twijfelen aan zijn identiteit. Hij is herkend door de inwoners van Cawnpore en Lucknow. Er ontbrak hem een vinger aan de linkerhand en men weet, dat Nana Sahib een zijner vingers had afgesneden op het oogenblik dat hij door een valsche begrafenis aan zijn dood wilde doen gelooven. Het koninkrijk van Indië heeft dus niets meer te vreezen van den wreeden nabob, die het zooveel bloed gekost heeft."

Kolonel Munro had deze regels op doffen toon voorgelezen en legde het dagblad uit de hand.

Wij zwegen. De dood van Nana Sahib, ontwijfelbaar zeker dezen keer, verloste ons van alle vrees voor de toekomst.

Na eenige minuten van stilte, streek kolonel Munro de hand over zijne oogen als om vreeselijke herinneringen weg te wisschen. Vervolgens vroeg hij:

»Wanneer moeten we Allahabad verlaten?"

»Morgen, met het krieken van den dag," antwoordde de ingenieur.

»Banks," hernam kolonel Munro, »kunnen we ons niet eenige uren te Cawnpore ophouden?"

»Wil je?...."

»Ja, Banks, gaarne.... 'k zou voor een laatste maal Cawnpore nog eens willen terugzien!"

»Welnu, we zijn er binnen twee dagen!" antwoordde de ingenieur eenvoudig.

»En dan?" hernam kolonel Munro.

»Dan?...." antwoordde Banks, »zullen we onzen tocht naar het noorden van Indië voortzetten!"

»Ja!.... naar het noorden! naar het noorden!...." zei de kolonel op een toon, die me tot in de ziel trof.

Inderdaad was het niet onwaarschijnlijk, dat sir Edward Munro nog eenigen twijfel koesterde omtrent den uitslag dezer laatste worsteling tusschen Nana Sahib en de agenten der Engelsche overheid. Had hij gelijk tegenover hetgeen overtuigend bewezen scheen?

De toekomst zal het ons leeren.

X.

VIA DOLOROSA.

Het koninkrijk Oude was vroeger een der belangrijkste gedeelten van het schiereiland en ook heden nog is het een der rijkste van Indië. Het had vorsten waarvan deze sterk, geene zwak waren. Door de zwakheid van een hunner, Wajad-Ali-Schah, werd 6 Februari 1857, zijn koninkrijk bij het domein der Compagnie geannexeerd. Dit was dus nauwlijks eenige maanden voor het begin van den opstand en juist op dit gebied werden de vreeselijkste moorden, gevolgd door de felste weerwraak gepleegd.

Twee namen van steden, Lucknow en Cawnpore, hebben sedert dien tijd een treurige vermaardheid verworven.

Lucknow is de hoofdstad, Cawnpore een van de voornaamste steden van het oude koninkrijk.

Kolonel Munro wilde naar Cawnpore gaan, alwaar wij dan ook in den morgen van den 29n Mei aankwamen, na den rechteroever van den Ganges gevolgd te zijn, door een vlakte waar zich onmetelijke met indigo beplante velden uitstrekten. Twee dagen achtereen had de IJzeren Reus met een gemiddelde snelheid van drie mijlen per uur geloopen, en waren dus op die wijze de twee honderd vijftig kilometers tusschen Cawnpore en Allahabad afgelegd.

Wij bevonden ons toen nagenoeg duizend kilometers van Calcutta, ons punt van uitgang, verwijderd.

Cawnpore is een stad van ongeveer zestigduizend zielen. Zij neemt op den rechter oever van den Ganges een strook grond in van vijf mijlen lang. Er bevindt zich een militair kantonnement, waarin zeven duizend man gekazerneerd zijn.

De toerist zou in deze stad te vergeefs een monument vinden, dat waardig is zijn aandacht te trekken, ofschoon zij van zeer ouden oorsprong is en, naar men zegt, reeds van voor de christelijke jaartelling dateert.

Het was dus geenszins een gevoel van nieuwsgierigheid, dat ons naar Cawnpore gevoerd had. Alleen de wil van Sir Edward Munro had er ons gebracht.

's Morgens van den 30n Mei hadden wij ons kamp verlaten. Banks, kapitein Hod en ik, we vergezelden den kolonel en sergeant Mac Neil bij dien smartelijken gang, dien Sir Edward Munro voor het laatst doen wilde.

Het volgende is het verkorte verhaal van hetgeen Banks mij omtrent die vreeselijke gebeurtenissen mededeelde.

»Cawnpore, dat op het oogenblik van de annexatie van het Koninkrijk Oude van zeer vertrouwde troepen voorzien was, telde in den aanvang van den opstand slechts tweehonderdvijftig soldaten van het koninklijke leger tegenover drie inlandsche regimenten infanterie, het 1e, 53e en 56e, twee regimenten kavallerie en een batterij artillerie van het leger van Bengalen. Bovendien bevonden er zich een vrij aanzienlijk getal Europeanen, bedienden, ambtenaren, kooplieden, enz., verder, achthonderdvijftig vrouwen en kinderen van het 32e regiment der koninklijke armée, in garnizoen te Lucknow.

»Sedert vele jaren, bewoonde kolonel Munro Cawnpore. Daar was het dat hij het jonge meisje, later zijne vrouw, leerde kennen.

»Miss Honlay was een jong, bekoorlijk, verstandig Engelsch meisje, met een verheven karakter, een edel hart, een heldennatuur, waardig bemind te worden door een man als den kolonel, die haar bewonderde en aanbad. Zij bewoonde met haar moeder een bungalow in de omstreken der stad, alwaar Edward Munro haar in 1855 huwde.

»Twee jaar na zijn huwelijk, in 1857, toen zich de eerste verschijnselen van den opstand te Mirat vertoonden, moest kolonel Munro zich zonder een dag te verliezen, weder bij zijn regiment bevinden. Hij was dus verplicht zijn vrouw en zijn schoonmoeder te Cawnpore te laten, haar evenwel op het hart drukkende onmiddellijk aanstalten te maken voor hun vertrek naar Calcutta. Kolonel Munro meende, dat Cawnpore niet veilig was en de feiten hebben later zijne voorgevoelens maar al te zeer gerechtvaardigd.

»De afdeeling werd toen gekommandeerd door den generaal Sir Hugh Wheeler, een rond en braaf soldaat, die weldra het slachtoffer der listige handelingen van Nana Sahib moest worden.

»De nabob bewoonde toen, op tien mijlen van Cawnpore, zijn kasteel van Bilhour en sedert lang veinsde hij in de beste termen met de Europeanen te leven.

»Ge weet, waarde Maucler, dat de eerste beginselen der omwenteling zich te Mirat en te Delhi voordeden. De tijding er van kwam den 14n Mei te Cawnpore aan. Dienzelfden dag toonde het 1e regiment Sipayers vijandige neigingen.

»Toen bood Nana Sahib de regeering zijne goede diensten aan. Generaal Wheeler was onvoorzichtig genoeg om aan de goede trouw van dien bedrieger geloof te slaan, wiens eigen soldaten dadelijk de gebouwen der schatkamer bezetten.

»Dienzelfden dag vermoordde een ongeregeld regiment Sipayers, dat Cawnpore passeerde, aan de poorten der stad zijne Europeesche officieren.

»Het gevaar deed zich toen voor zooals het was, ontzettend. Generaal Wheeler gaf bevel aan al de Europeanen in de kazerne de wijk te nemen, waar de vrouwen en kinderen van het 32e regiment van Lucknow woonden,--eene kazerne op het dichtst bijzijnde punt van den weg naar Allahabad gelegen, die de eenige weg was waarlangs hulp kon komen.

»Daar was het waar lady Munro en hare moeder zich moesten opsluiten. Tijdens den geheelen duur dezer gevangenschap, wijdde de jonge vrouw zich geheel aan hare lotgenooten toe. Zij verzorgde hen met hare eigen handen, zij hielp hen met haar beurs, zij moedigde hen aan door haar voorbeeld en hare woorden, zij toonde zich zooals zij was, een edel hart, en zooals ik u gezegd heb, een heldhaftige vrouw.

»Het duurde niet lang of ook het arsenaal werd aan de bewaking der soldaten van Nana Sahib toevertrouwd.

»De verrader ontrolde toen de vaan des opstands en op zijn bevel, tastten de Sipayers den 7n Juni de kazerne aan, die geen driehonderd soldaten telde in staat de wapenen te dragen.

»Deze dapperen verdedigden zich evenwel onder het vuur der belegeraars, te midden van een kogelregen en van ziekten van allerlei aard, stervende van honger en dorst, zonder levensmiddelen, want de voorraad was onvoldoende, zonder water, want de putten waren spoedig opgedroogd.

»Deze weerstand duurde tot den 27n Juni.

»Nana Sahib stelde toen een capitulatie voor, waarin de generaal Wheeler de onvergeeflijke fout beging toe te stemmen, niettegenstaande lady Munro hem smeekte en zelfs bezwoer den strijd voort te zetten.

»Tengevolge dezer capitulatie werden de mannen, vrouwen en kinderen, vijfhonderd personen ongeveer,--lady Munro en hare moeder behoorden tot deze,--ingescheept op vaartuigen, die den Ganges moesten afzakken en hen naar Allahabad zouden brengen.

»Nauwelijks zijn deze vaartuigen van den oever losgemaakt, of de Sipayers openen er hun vuur op. Een hagelbui van kogels en schroot! Eenigen zinken, anderen worden in brand geschoten. Een der vaartuigen evenwel mocht het gelukken, eenige mijlen ver den stroom af te zakken.

»Lady Munro en haar moeder bevonden zich op dit vaartuig. Een oogenblik mochten zij de hoop voeden, dat zij gered waren, doch de soldaten van den Nana vervolgden hen, en namen hen weder naar de kantonnementen terug.