Het settlement Malakka en het sultanaat Perak De Aarde en haar Volken, 1908

Part 1

Chapter 13,772 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Het settlement Malakka en het sultanaat Perak.

Naar het Fransch van F. J. Agassis.

De stad Malakka en haar economische beteekenis.--De toekomst der caoutchouc op het schiereiland.--De tinmijnen van Perak.-- Degelijke exploitatie van het gebied door particulieren of door europeesche ondernemingen.--De verschillende mijncentra. --De rijkdom van Perak.

Op het schiereiland Malakka bezitten de Engelschen drie settlements of middelpunten van koloniale vestigingen, namelijk het eiland Poeloe Pinang met het territorium Wellesley op het vasteland en de eilanden Dinding; verder het gebied van Malakka en het eiland Singapore met erbij behoorend gebied. Al die bezittingen zijn gelegen in het Zuidwesten en Zuiden van het schiereiland Malakka; ze zijn niet zeer uitgestrekt, maar hebben een uitstekende ligging aan de straat van Malakka, den gewonen en verplichten weg voor den europeeschen handel met het uiterste Oosten, en aan die ligging hebben ze hun belangrijkheid te danken.

Als een enclave tusschen die bezittingen van Engeland, staande onder britsche suzereiniteit, vindt men er het uitgestrekte sultanaat Perak, welks natuurlijke hulpbronnen, voor zoo ver ze reeds zijn geëxploiteerd, van groot economisch gewicht zijn. Singapore, de grootste stad van de britsche bezittingen in het verre Oosten, heeft haar stadsgebied liggen op het eilandje van denzelfden naam. Wij brengen het thans niet onder de aandacht onzer lezers. Wat ons zal bezighouden, is Malakka en het sultanaat Perak.

De beroemde stad Malakka, die vroeger een der handelsmiddelpunten van het Oosten was, is door Singapore voorbijgestreefd; maar de plaats heeft nog het prestige behouden van een beteekenisvol verleden. Voordat de Portugeezen onder bevel van Albuquerque zich hadden meester gemaakt van de stad in 1510, werd zij reeds sinds langen tijd bezocht door perzische kooplieden, door Mooren en Arabieren en door handelaars uit China en Japan. En het was niet alleen een handelsentrepôt van fabelachtigen rijkdom, neen, de specerijen, het goud, het tin, die in het gebied van Malakka werden gevonden, werden als handelsartikelen uitgevoerd en deden Malakka wedijveren met Goa, Ormoezd of Golconda; Ptolomaeus noemt Malakka daarom al "het gouden schiereiland".

De portugeesche heerschappij, die honderddertig jaren duurde, was een schrikbewind, dat de welvaart van Malakka deed verdwijnen. Door een zeer streng gehandhaafd monopolie hebben de dweepzieke beheerschers van de stad er allen vreemden handel kunnen weren. De Hollanders, die eindelijk de groote stad aan hun concurrenten ontrukten, hielden er alleen een handelsentrepôt en schenen noch tijd, noch middelen te hebben, om de uitgestrekte terreinen, die erbij behoorden, te exploiteeren. Zij legden een nieuwe stad aan den voet van de citadel aan en scheidden die door diepe en breede grachten van de wijk der Chineezen, gesticht tijdens hun bezetting van het maleische schiereiland.

Malakka werd toen weer de opslagplaats van de voortbrengselen uit het Uiterste Oosten, zonder echter zijn vroegeren luister terug te winnen. De Hollanders deden weinig of niets, om de streek voor de beschaving te openen en om de natuurlijke rijkdommen tot hun recht te doen komen. Zij bepaalden er zich toe, de stad zelve te doen bezetten en de forten, die haar moesten verdedigen. Eerst toen de tijd der engelsche bezetting in 1795 kwam, scheen het, dat Malakka weer iets van zijn ouden en grooten voorspoed terug zou krijgen.

De eerste daad der nieuwe meesters was de afschaffing van alle monopolies en de openstelling van de haven voor vreemde schepen. Het is waar, dat later de schepping van de haven op Poeloe Pinang en vooral de stichting van Singapore in 1819 voor Malakka noodlottig waren; maar de ontginning van de streken, waar Malakka de natuurlijke hoofdplaats voor is, is ten deele een vergoeding voor wat de stad verloren heeft als handelsentrepôt. Een bewijs voor die stelling is de toeneming der bevolking.

In 1828 telde de stad 28.000 inwoners; thans wonen er 100.000 menschen. Ook de uitvoer en de invoer nemen toe; ze hadden in 1903 het cijfer van 8.700.000 francs voor den invoer en dat van 7.570.000 voor den uitvoer bereikt; in de haven van Malakka kwamen in dat jaar binnen 1614 koopvaardijstoomers en 2641 inlandsche vaartuigen.

Men behoeft slechts op een dag, dat er markt wordt gehouden, enkele uren in de stad door te brengen, om een denkbeeld te krijgen van den overvloed van producten, die men uit het vruchtbare land in den omtrek te voorschijn brengt. De bevolking is zeer gemengd, daar het inlandsen element zich door de invallen van Javanen, Atjehers en Siameezen heeft gewijzigd, waar onderlinge huwelijken het gevolg van waren. Tot de inlandsche stammen behoorden o.a. de Mantra's, Sakaï's, Negrito's en andere stammen. Tegenwoordig ziet men er een bonte menigte kooplieden van arabische, indische, japansche, chineesche en portugeesche afkomst; afstammelingen der vroegere veroveraars zijn er levendig aan het handel drijven. Wat de maleische inboorlingen betreft, zij doen liefst niets; de meeste zijn uit noodzakelijkheid landbouwers, karrijders, visschers of schippers. Wat voeren zij naar de stad in hun voertuigen, die op de markt de bontste mengeling vormen die men zich denken kan, en waaronder vele ossenkarren met strooien daken, puntig als daken van pagoden?

Zij brengen peper mee en gambir, veel thee ook, die verbouwd wordt op groote schaal in de hoogere streken van het gebied van de stad Malakka. Een ondernemend Chinees heeft eenige jaren geleden theeplantjes uit Assam en Ceylon laten komen en heeft ze overgeplant op het schiereiland. De nieuwe aanplantingen slaagden wonderwel; er zit een toekomst in, want ze brengen een product voort, dat zeer gezocht is om den bijzonderen geur, gevolg waarschijnlijk van den ijzerhoudenden grond. Op dezelfde terreinen gaat ook de cultuur van kruidnagelen naar wensch. Die zullen op de markten van het Oosten de vroeger zoo beroemde kruidnagelen van Amboina vervangen. De muskaatboomen groeien overal in het district Malakka; maar ze hebben te lijden van een ziekte, die binnen weinige uren een geheele plantage kan vernielen.

Een chineesche maatschappij had ongeveer dertig jaren geleden caoutchouc geplant, Ficus elastica en Hevea brasiliensis. Die beide soorten slaagden op het schiereiland, en door de verwoede speculaties, die daarin werden ondernomen, werden de gelukkige planters in weinige jaren rijk; zij verkochten hun gronden voor zeven millioen francs. Sedert dien tijd zijn er veel ondernemingen van dien aard opgericht. Als de prijs van het caoutchouc blijft stijgen, mag men verwachten, dat het geheele schiereiland weldra niet dan een groot veld van gomboomen zal zijn. Die cultuur is dan ook de meest belovende van Malakka, waar in de nabijheid der stad de grond maar matig vruchtbaar is.

Voorloopig is echter de bouw van tapioca nog de hoofdzaak. Veel stoomfabrieken houden zich in en bij de stad bezig met de bereiding van die sago; maar de lage prijs van het product maakt, dat er niet veel voordeel mee is te behalen, en bovendien zijn er groote uitgestrektheden voor de sagopalmen noodig, en de ontbossching van den grond schijnt op het klimaat der streek ongunstig te werken en doet de bronnen opdrogen.

Vóór de komst der Europeanen werden in den omtrek van Malakka talrijke goudmijnen ontgonnen, die nog niet geheel door chineesche mijnwerkers in den steek zijn gelaten. Een europeesche maatschappij wascht met eenig resultaat het zand van een rivier, die naar beneden komt uit de goudhoudende districten van Soegei Ugong. Ook is er goud gevonden te Kedona op de hellingen van het Ophisgebergte en te Bate Bersawa. Buitendien gebruiken de Chineezen en de inboorlingen het water van enkele geneeskrachtige bronnen in de buurt der stad. Maar alles bijeengenomen, moet Malakka haar toekomst verzekeren door den landbouw, en wat de mineralen aangaat zal de stad kunnen meehelpen aan den uitvoer van wat er in het sultanaat Perak wordt gewonnen.

In 1895 werden de maleische staten Perak, Selangor, Negri Sembilan en Pahang vereenigd tot een confederatie onder britsche bescherming. Zij worden sinds dien tijd bestuurd door een resident generaal, die te Kwala Sumper resideert, de hoofdstad der federatie, terwijl elk der staatjes buitendien onder het toezicht van de groote europeesche mogendheid zijn eigen sultan heeft behouden.

Nadat men de rivier, de Kriang, is overgestoken, die niet ver van de zuidgrens der provincie Wellesley de zee bereikt, komt men in het sultanaat Perak met de mooie hoofdstad Taïping. Die streek, de bekoorlijkste van wat de maleische staten aan natuurschoon te zien geven, is bergachtig, en twee gebergten loopen er door van het Noordwesten naar het Zuidoosten. Zij hebben een rijken plantengroei, en het geheele grondgebied van Perak is geschikt voor allerlei cultures. Talrijke mooie rivieren besproeien er den grond en dienen als gemeenschapswegen. Ook is de rivier, de Perak, bevaarbaar voor stoombooten over een lengte van 65 kilometers, voor stoombooten ten minste van 300 tot 400 tonnen inhouds, en over een afstand van 190 kilometers kunnen inlandsche vrachtbooten er varen.

Deze rijke streek is zeer gezond en heeft een vrij gematigd klimaat. De nachten zijn heerlijk koel, wat wel iets bijzonders is voor het Maleische Schiereiland. Er is geen regentijd in den eigenlijken zin des woords; maar de hoeveelheid water, die er soms uit de lucht valt, is toch een ernstig beletsel voor mijnondernemingen.

Over het algemeen is de grond kalkhoudend, vooral in het schilderachtige dal Kinta, een der rijkste mijnstreken en waar men zeer eigenaardige bergvormingen vindt. Heuvels van marmer vertoonen er diepe holen, en het dal schijnt een herhaling in het klein van het Mekongdal in de buurt van Kamarat.

De dierenwereld is door zijn verscheidenheid en rijkdom al even gezegend als de weelderige plantengroei. Wilde olifanten, rhinocerossen, tijgers en wilde zwijnen komen veel voor in de wouden en de jungles, wier terrein echter inkrimpt ten gevolge van den mijnbouw. Prachtige herten vluchten bij de nadering van den mensch; de inboorling maakt jacht op hen door vergiftigde pijlen, die met gif van den upasboom bestreken zijn. In de schors van den boom maken ze diepe insnijdingen en het sap, dat uit de wonde vloeit, heeft doodende kracht. De inboorlingen zijn zeer bedreven in de jacht en missen zelden zelfs den snelsten vogel in zijn vlucht. De streek is hier zoo wildrijk, dat de mensch minder dan elders bevreesd behoeft te zijn voor de verscheurende dieren.

Groote apen spelen in de toppen der boomen. Met wat tabak kan men in vriendschappelijke aanraking komen met sommige inlandsche stammen, zooals de Sakaï's, die veel op Maleiers gelijken, maar niets van die laatsten willen weten, omdat ze veroveraars van het land zijn. Die Sakaï's schijnen inderdaad de echte inboorlingen van het schiereiland te wezen. Zij leven van de jacht en den landbouw, en verbouwen pataten en soms ook rijst. In zekeren zin zijn ze de leveranciers geworden van de europeesche en chineesche kooplieden, aan wie ze caoutchouc en andere gomsoorten leveren, die zij inzamelen in hun wouden.

De caoutchouc belooft, met het tin, de voornaamste bron van inkomsten voor het schiereiland te worden. Tot nu toe heeft het district Malakka de beste aanplantingen, maar het betrekkelijk kleine gebied zal het niet lang kunnen volhouden tegen het zooveel uitgestrekter en niet minder vruchtbare gebied van Perak, waar men nog maar aan het nemen van proeven is, maar van proeven, die uitstekend schijnen te gelukken. Zoo breidt zich dichtbij Sunger Liput, een stad in wording, de groote landbouw- en mijnonderneming van Kemming uit, waar een ondernemend Engelschman de eerste gomboomen plantte, die hun wortels mochten laten groeien in den vruchtbaren grond van Malakka. Het was een groot succes, en nu heeft de caoutchouckoorts die van de koffie vervangen, welk laatste product te veel in prijs is gedaald.

Op de markt te Liverpool, waar de vraag van geheel Europa zich doet gelden, is de prijs der ruwe caoutchouc onafgebroken sedert 1902 gestegen. In die dagen was de opbrengst veel geringer dan tegenwoordig, nu het verbruik tot 62.000 ton per jaar is gestegen. Antwerpen zal de grootste caoutchoucmarkt der wereld worden naast Bordeaux, en binnen eenige jaren zullen Ceylon en de maleische staten een belangrijk aandeel hebben in de wereldproductie.

Het is jammer, dat de cultuur vertraagd is door een vergissing der planters. Dit geldt ten minste van Perak. Daar de meeste rubberboomen in het Amazonengebied in streken groeien, die vaak onder water staan, meende men langen tijd, dat ze niet konden groeien dan in moerassen. Maar het is niet door, neen, het is in spijt van de slikbanken van de Amazonerivier, dat de Hevea het uithoudt in ongunstige omstandigheden. En dit verklaart den snelleren groei van de boomen op Ceylon en in Perak, waar men ze ten slotte in minder vochtigen grond is gaan planten. Sinds dien zijn de bladen grooter, de volledige ontwikkeling wordt eerder bereikt en de opbrengst is ruimer.

Sedert de uitvinding der vulkanisatie, waardoor men het caoutchouc met zwavel verbindt; sedert de caoutchoucindustrie zich zoo enorm heeft ontwikkeld, en in duizenderlei behoeften voorziet, zijn Brazilië en de Kongostaat de voornaamste leveranciers van het product, maar het groote Maleische Schiereiland dreigt een ernstige concurrent te worden. Op Ceylon en op Malakka groeit, zooals gezegd werd, de boom sneller en ziet er krachtiger uit dan de braziliaansche gomboom. Bovendien komen de kosten der cultuur in het Amazonengebied op 3 francs 60 centimes per half kilo voor handenarbeid en uitvoerrechten, terwijl op het Maleische schiereiland, evenals Ceylon het arbeidsloon niet meer dan 1 francs 20 centimes bedraagt. Wat de uitgaande rechten betreft, die worden niet geheven; de eenige belasting die de engelsche regeering heft van de concessionarissen is 3 francs 60 centimes tot 5 francs per jaar en per acre (1 acre = 40.41 are). De exploitatie van een acre caoutchouc, op het schiereiland aangeplant, kost 2 francs 80 centimes en brengt 450 francs op.

Met uitzondering van de witte mier hebben de maleische aanplantingen geen enkelen vijand te vreezen, ten minste als er voortdurend toezicht wordt gehouden. De Ficus elastica bereikt er in het wild een verbazende hoogte. Deze epiphytische plant groeit aanvankelijk op een boom, die haar tot steun dient; maar als dan de parasiet genoeg krachten heeft verzameld, zendt hij een groot aantal wortels naar beneden, luchtwortels, die soms bijna even dik worden als de stam zelf. Onder dien weelderigen groei sterft veelal de boom, die tot steun diende. De wijze van insnijding, die in Malakka wordt gevolgd, brengt mee, dat de boomen, die ouder dan twaalf jaar zijn, aan twee zijden worden afgetapt, en de boomen van tusschen zes en twaalf jaar aan één zijde. Vóór het zesde jaar raakt een ingesneden boom uitgeput of levert ten minste een minderwaardig product. Er wordt tweemaal in het jaar geoogst.

Jaarlijks wordt een onmetelijke uitgestrektheid van de jungle verbrand voor het aanplanten van jonge caoutchoucstekken.

De bereiding uit de bladeren is zuiniger voor den planter dan de oude manier.

Ook heeft men getracht, in de Maleische staten de bereidingswijze toe te passen, die bekend is als "worm rubben"; maar die poging schijnt tot geen resultaat te zullen leiden, daar de bereiding veel omslachtiger is, meer werk geeft en de caoutchouc moeilijker te hanteeren maakt, daar de stof in kleine stukjes uiteenvalt.

Maar in afwachting van den misschien niet meer verren tijd, dat het Maleische Schiereiland het voornaamste caoutchoucproduceerende land zal wezen, vormen zijn minerale schatten zijn hoofdzakelijken rijkdom. Perak, de naam van het sultanaat en die van de geheele federatie, waar het sultanaat de kern van uitmaakt, beteekent, naar het schijnt, zilver. Maar hoewel dit kostbare metaal inderdaad hier en daar wordt ingezameld, evenals het geval is met sommige edelgesteenten, zijn het de vele en rijke tinmijnen, die van de maleische staten een der meest begunstigde streken der aarde maken.

De exploitatie dier mijnen voorziet in het levensonderhoud van honderd duizend inboorlingen of geïmmigreerde Chineezen. De laatste zijn herkenbaar aan hun donkere kleederen, die een tegenstelling vormen met de bonte of geheel witte kleeren der Maleiers, en hun vrouwen in rijkgekleurde zijden sarongs. De inboorlingen komen in steeds grooter aantal in de mijnen werken en verlaten voor dien arbeid hun wouden en hun velden. Dikwijls werken ze voor eigen rekening en brengen de opbrengst van hun mijnwerk naar de naburige stad. Ze gaan daar altijd in troepjes heen, want ze wantrouwen de chineesche handelaars, die trouwens ook nu nog altijd hun caoutchouc en tin afkoopen tegen een vierde van de waarde. Voor het geld schaffen de Maleiers zich dan wat rijst en zout en tabak aan en eenige ellen stof, eveneens te duur betaald.

Wat de Europeanen betreft, die komen hier alleen bij den mijnbouw in aanmerking als kapitalisten, ingenieurs en directeuren van de maatschappijen.

Wat den rijkdom van het land uitmaakt, is hier evenals in Europa een oorzaak van vermindering der schoonheid van het land door de ontwouding. Toch voeren er nog prachtige wegen door de maleische staten; spoorwegen gaan over bergen en door dalen, vliegen over stoutmoedige viaducten of duiken in tunnels, die, even bewonderenswaardig zijn als die van den Mont Cenis en den Simplon. Een dier lijnen die, welke den Taïping overgaat, loopt door een land van tooverachtige schoonheid. Maar te dikwijls valt het oog van den reiziger op onmetelijke vlakten, die kaal zijn of die worden omgewoeld tot in het binnenste der aarde. Heele bergen van puin, van uitgewasschen kwarts, dat ontdaan is van zijn metaalrijkdom, zijn in de plaats gekomen van de groene heuvels, waar zich vroeger de lagen tin in verscholen, tot de wonderbare speurzin der Chineezen of de europeesche wetenschap ze ten laatste hebben ontdekt.

Als om de eentonigheid te breken, ziet men nu en dan reuzengroote buizen van bamboe, die over den weg en den spoorweg loopen en van heuvel tot heuvel soms over verscheiden kilometers afstands het water aanvoeren, dat de zware machines moet voeden van de hydraulische installaties.

Een tegenstelling met die moderne machinerieën, gemaakt door europeesche ingenieurs en machinisten, vormen de kintya of merkwaardige ouderwetsche chineesche pompen, in beweging gebracht door drie of vier sterke koelies. Iets verder passeert men primitieve smelterijen of geheel chineesche steden, die in enkele maanden als met een tooverslag zich hebben ontwikkeld. Op feestdagen zijn het echte menschelijke mierenhoopen; maar gewoonlijk is de heele bevolking bezig in de mijnen en werkt met dat uithoudingsvermogen en die meer dan bescheiden eischen aan het leven, die in andere streken de mededinging van den mongoolschen handwerksman zoo bezwarend maken voor den blanken werkman.

Alleen in het sultanaat Perak telt men op een bevolking van 340.000 zielen minstens 150.000 Chineezen, bijna alle in de mijnen werkzaam. De meeste van die immigranten komen naar het land met een jaarlijksch contract of een, dat voor drie jaar geldt, en meestal wordt dat na den afgesproken tijd vernieuwd, terwijl de menschen zich dikwijls voor goed in het land komen vestigen.

Zoo hebben de vlijtige Mongolen op vreedzame manier een streek bezet, waar ze zich in economisch opzicht gerust de meesters mogen noemen. Zij hebben meer dan eenig ander volk, en ook meer dan de Maleiers, de groote minerale rijkdommen van den grond weten te exploiteeren.

Verscheiden europeesche maatschappijen, waaronder eenige fransche, hebben prachtige zaken in het land gedaan. Maar soms hebben onderlinge twisten een eind gemaakt aan een mijnontginning, waarbij de tusschenkomst van den britschen resident noodig was, zoodat ook in de onafhankelijke staten de britsche invloed oppermachtig is.

Het stadje Kamper bij de haven Telok Anson, zes en dertig uren varens van Singapore verwijderd, was het eerste middelpunt voor een fransche maatschappij, die weldra door engelsche en chineesche maatschappijen werd gevolgd. De mijn, die nog onder de leiding van fransche ingenieurs wordt bewerkt, is een bezoek overwaard. Het is een bovengrondsche mijn. Het mijnerts, dat de koelies voor den dag brengen, wordt langs twee hellende vlakken omhoog gevoerd. Het wordt losgemaakt in groote zuiveringsbakken, door zware machines bewogen. Het mineraal, dat dan nog niet geheel van alle onzuiverheden bevrijd is, wordt opnieuw behandeld en door Chineezen in lange goten met de hand gewasschen. Het is daarna ontdaan van het zand, waarmee het vermengd was; maar er moet nog veel onzuiver ijzer uit verwijderd worden. Het wordt daartoe gewasschen in bakken, die op bijzondere manier gesloten worden. De nieuwerwetsche gereedschappen en werktuigen, in deze mijn in gebruik, stellen in staat tot een doelmatige en voordeelige exploitatie.

Van Kamper naar Batoe Gayah is de afstand klein en bijna langs den geheelen weg ziet men mijnen, die in exploitatie zijn of die men heeft moeten verlaten bij gebrek aan kapitaal. De tegenstelling tusschen de schitterende witheid der hoopen kwartspuin en het sombere groen van het woud eromheen is zeer schilderachtig.

Batoe Grayah is de hoofdplaats van een der rijkste mijndistricten van Perak. Die mijnen worden ontgonnen door Chineezen met hun primitieve werkwijzen. Zoo heb ik een ploeg van vijftien mijnwerkers zien arbeiden in een kuil van ongeveer honderd vierkante meters. Tusschen de spleten van enorme rotsblokken, die neergevallen waren bij den een of anderen aardschok, haalden zij met houweelslagen de roodachtige aarde uit en de brokken kwarts, die de rotsen in evenwicht hielden, door de verschillende deelen der groote massa onderling bijeen te houden. Men kan voorzien, wat gebeuren gaat; er is ieder oogenblik een instorting te verwachten, waardoor de onvoorzichtige mijnwerkers verpletterd zullen worden.

In dien kuil liep het infiltratiewater met stroomen binnen, en de arme duivels hadden nog niet eens de traditioneele chineesche pomp. Onvermoeid schepten vier mannen met een bakje aan langen steel water op met de roode aarde, en in datzelfde bakje wieschen ze voorloopig de stukken kwarts.

Toch kregen ze een aardige opbrengst aan tin, en ieder van hen verdiende zijn vijf francs per dag. Ze werkten en woonden voor gemeenschappelijke rekening.

Langs den geheelen weg ziet men zulke oude verlaten mijnen, die weer onder handen worden genomen. Twee of drie koelies scheppen water met de kintya, die bestaat uit een ketting zonder eind, voorzien van bakjes op een tandrad met houten treden, bewogen door de voeten der koelies. Het werk vordert langzaam en dikwijls lossen de arbeiders elkander nacht en dag af.

Andere koelies halen intusschen uit de diepte der holte met het houweel het productieve kwarts, dat eerst in lange goten in stroomend water wordt gewasschen. Daarna wordt het verkregen mineraal weer door vrouwen en kinderen ter hand genomen en voor de tweede maal gewasschen in de "doelang", een houten bord van anderhalven voet in middellijn en twee duim diep in het midden.

Onnoodig te zeggen, dat dit een langzaam werk is en dat het weinig opbrengt, en dat het veelal wordt ondernomen door vereenigingen van koelies, die om de een of andere reden moeilijk elders werk zouden kunnen krijgen.

Vele van die ingenieuse kintya's of pompen op plaatsen, waar stroomend water niet te ver uit de buurt is, zijn verbonden aan een centraal wiel, dat vier of vijf kettingen tegelijk in beweging brengt. Dat bespaart veel arbeid. Hier en daar wordt het water opgevoerd met schroeven van Archimedes, vervaardigd naar een chineesch procédé, dat met succes wordt aangewend.