Het portret van Dorian Gray

Part 8

Chapter 8 4,184 words Public domain Markdown

--Ik heb diep medelijden met je, Dorian, sprak Lord Henry binnenkomend. Maar je moet er maar niet al te veel over denken.

--Meen je over Sybil Vane? vroeg de jongen.

--Ja natuurlijk, antwoordde Lord Henry, terwijl hij in een stoel zonk en langzaam zijn gele handschoenen afschoof. Het is natuurlijk iets verschrikkelijks, maar jij kon er toch niets aan doen. Zeg eens: ben je later, na het stuk nog bij haar geweest? En heb je haar nog gesproken?

--Ja.

--Dat dacht ik wel! Heb je een scène met haar gehad?

--Ik was schandelijk, Harry, schandelijk. Maar nu is alles in orde. Ik heb geen spijt van hetgeen er gebeurd is. Het heeft mij mezelf beter leeren kennen.

--Wel Dorian, ik ben blij, dat je het zoo opneemt. Ik was al bang je diep wanhopig te vinden, met je handen in dat mooie haar!

--Dat heb ik al doorgemaakt, sprak Dorian, met een glimlach zijn hoofd schuddend. Ik ben zeer tevreden. Ik weet nu wat een geweten is. Het is niet, dat wat jij beweêrt. Het is het mooiste in ons, Je hoeft er niet om te lachen, Harry, ten minste niet als ik er bij ben. Ik wil goed worden. Ik vind het een onverdragelijk idee, een leelijke ziel te hebben.

--Een zeer artistieke bazis voor een moraal, Dorian. Ik feliciteer je er meê. En hoe begin je?

--Door Sybil Vane te trouwen.

--Sybil Vane te trouwen! riep Lord Henry opstaande en hem in stomme verbazing aanziende. Maar beste jongen.

--Ja, Harry, ik weet wat je zeggen wil. Iets leelijks over het huwelijk, natuurlijk. Zeg het maar niet. Zeg nooit meer zoo iets tegen mij. Twee dagen geleden vroeg ik Sybil Vane mijn vrouw te worden. Ik wil mijn woord niet verbreken. Zij zal het worden!

--Je vrouw, Dorian!... Heb je mijn brief niet gekregen? Ik heb je van morgen geschreven en den brief met den knecht gezonden.

--Je brief? O ja, nu herinner ik het me. Ik heb hem nog niet gelezen, Harry. Ik was bang, dat er iets in zoû staan, wat ik niet prettig zoû vinden. Je trekt het leven aan flarden, met al je aardigheden.

--Je weet dus niets?

--Wat meen je toch?

Lord Henry liep de kamer door, ging naast Dorian zitten, nam beide zijne handen in de zijne, en hield ze vast.

--Dorian, zei hij; die brief--schrik niet--was om je te zeggen, dat Sybil Vane dood is.

Een kreet van pijn kwam over Dorians lippen, hij vloog op en trok zijne handen weg.

--Dood! Sybil dood! Het is niet waar! Het is een afschuwelijke leugen! Hoe durf je het te zeggen!

--Het is waarlijk waar, Dorian! zei Lord Henry ernstig. Het staat alles in de couranten van van morgen. Ik schreef je om je te vragen niemand te zien vóór ik bij je kwam. Daar zal natuurlijk een onderzoek komen, maar jij moet er je buiten houden. In Parijs zoû door zoo een geschiedenis je naam gemaakt zijn. Maar hier in Londen zijn ze nog zoo ouderwetsch op dat punt. Hier moet je maar liever niet je débuut maken met een schandaaltje. Dat moet je hier maar bewaren om een tintje interest aan je ouden dag te geven. Niemand weet zeker je naam daar aan dat theater. Dan is alles in orde. Heeft iemand je naar haar toe zien gaan? Dat is een gewichtig punt.

Dorian bleef een paar seconden zonder antwoord. Hij was versuft van schrik. Eindelijk stamelde hij met een stem die dichtgeknepen was:

--Harry, sprak je over een onderzoek? Wat meende je daarmeê? Heeft Sybil ...? O, Harry, ik kan het niet begrijpen. Zeg me alles, zeg me gauw alles.

--Ik geloof zeker, dat het een ongeluk is, Dorian, hoewel ze het natuurlijk niet zoo aan het publiek zullen voorstellen. Het schijnt dat ze juist klaar was met haar moeder naar huis te gaan, om half één zoowat, toen zij beweerde, boven wat vergeten te hebben. Zij wachtten even op haar, maar Sybil kwam niet terug. En eindelijk vonden ze haar dood op den grond in de kleedkamer. Zij schijnt iets ingenomen te hebben, een vergift, dat zij noodig hebben bij het grimeeren. Ik weet niet wat het was, maar er moet pruisisch zuur of loodwit in gezeten hebben. Ik heb idee: pruisisch zuur, want ze moet onmiddellijk gestorven zijn.

--Harry, Harry, o God, het is verschrikkelijk! kreet de jongen.

--Ja, het is een allertreurigste historie, maar je moet je er buiten zien te houden. Ik zag in den Standard, dat zij zeventien jaar was. Ik had haar nog jonger gegeven. Zij was nog een kind, en kon niets van acteeren.--Dorian, trek je dit nu niet te veel aan. Ga met mij meê dineeren, dan kunnen we later eens even naar de opera gaan. Patti zingt van avond en iedereen zal er zijn. Je kan in de loge van mijn zuster zitten. En ze heeft een paar mooie vriendinnen bij zich.

--Ik heb Sybil Vane vermoord, stamelde Dorian Gray, half tot zichzelven; ik heb het gedaan, evengoed of ik haar met een mes had doorstoken. En toch zingen de vogels even vroolijk in den tuin. En van avond ga ik met je dineeren, dan naar de Opera en daarna nog ergens soupeeren, zeker. Hoe vreemd is het leven! Als ik dit alles in een boek gelezen had, Harry zoû ik er over gehuild hebben. En nu dat het werkelijk gebeurd is, en met mijzelven, nu schijnt het mij zoo vreemd, te vreemd voor tranen. Hier is mijn eerste brief van liefde, dien ik in mijn leven schreef aan een doode. Zouden ze nog voelen die witte, stille menschen, die wij de dooden noemen? Sybil! Zoû zij nog voelen, nog weten, nog hooren! O Harry! Ik had haar zoo lief! Het is mij nu of dat jaren geleden is. Ze was mijn alles. Toen kwam die avond--was dat pas gisteren?--die verschrikkelijke avond toen zij zoo slecht speelde, en toen mijn hart brak. Ze heeft mij later alles verklaard. Het was zoo treurig, zoo in-treurig. Maar toen deed het mij niets. Ik vond haar klein. En op eens gebeurde er iets dat me angstig maakte!!! Ik kan je niet zeggen wat, maar het was afschuwelijk! Ik zei, dat ik tot haar terug zoû gaan. Ik voelde, dat ik slecht was geweest. God! Mijn God! Harry! Wat moet ik beginnen! Je weet niet hoe gevaarlijk ik sta, en er is niets, niemand om mij staande te houden. Zij zoû het gedaan hebben. O, ze had het recht niet dood te gaan. Het was egoïst van haar.

--Beste Dorian, antwoordde Lord Henry,--hij nam een cigarette uit zijn koker, een gouden luciferdoosje uit den zak; de eenige manier van een vrouw om een man staande te houden is hem zoo te vervelen, dat hij alle interest in het leven verliest. Als je dit kind getrouwd hadt, was je diep ongelukkig geworden. Je zoû natuurlijk wel aardig tegen haar geweest zijn, ach, het is zoo gemakkelijk lief te zijn voor menschen, die je niet schelen kunnen. Maar zij zoû heel gauw uitgevonden hebben, dat je totaal niets om haar gaf en als een vrouw dàt merkt van haar man, wordt ze òf verschrikkelijk slordig òf ze draagt heel coquette hoedjes, die ze door den man van een ander laat betalen. Ik spreek nog niet eens over het verschil van stand; in ieder geval was het je ongeluk geweest.

--Misschien wel, fluisterde de jongen, terwijl hij de kamer op en neêr liep, doodelijk bleek. Maar ik dacht, dat ik het doen moest. Het is niet mijn schuld, dat dit drama mij belet heeft mijn plicht te doen. Ik herinner me, dat je eens gezegd hebt: er rust een noodlot op goede voornemens. Zij komen altijd te laat. Dat doen de mijne zeker.

--Goede voornemens zijn nuttelooze tegenstribbelingen tegen de wetten van de natuur. Ze komen voort uit ijdelheid. Hun uitslag is nihil. Het zijn wissels, getrokken op een bank, die niet uitbetaalt.

--Harry! riep Dorian Gray opeens, en hij zette zich bij hem; hoe komt het toch, dat ik al dit drama niet voel, zooals ik het zoû willen voelen? Ik geloof toch niet, dat ik ongevoelig ben, vindt jij wel?

--Je hebt de laatste veertien dagen te veel dwaze dingen gedaan, om dat te kunnen zijn, Dorian! antwoordde Lord Henry, met zijn zachten glimlach van melancholie.

De jongen fronste even het voorhoofd.

--Ik vind dat geen prettige verklaring, maar ik ben blij, dat je mij niet ongevoelig vindt. Dat ben ik waarlijk niet. En toch moet ik bekennen, dat het gebeurde mij niet zoo aandoet, als het moest doen. Het is voor mij niets dan een mooi slot van een mooi stuk. Het heeft de verschrikkelijke schoonheid van een Grieksche tragedie, een tragedie, waarin ik een groote rol speelde, maar niet gewond werd.

--Het is zeker een interessant geval, zei Lord Henry, die er een verfijnd genot in vond te spelen met het naïeve egoïsme van den jongen; heel interessant. Ik geloof, dat je het zoo kunt uitleggen, dat de werkelijke tragedies in het leven meestal op zoo een onartistieke manier gebeuren, dat zij ons afstooten door ruwe kracht, absolute onsamenhangendheid, bespottelijke nutteloosheid, totaal gebrek aan stijl. Ze geven ons een impressie van énkel dommekracht en daar verzetten wij ons tegen. Maar een enkele maal komt er in ons leven een tragedie met artistieke elementen voor. Zijn deze elementen waar en levend, toch maakt het geheel een theatralen indruk op ons. Op eens zijn wij niet langer de acteurs, maar het publiek. Of liever, wij zijn beiden. Wij beschouwen onszelve en alleen het wonder van het drama houdt ons als betooverd. Wat is er nu in dit geval gebeurd. Iemand heeft zich uit liefde voor jou om het leven gebracht. Wel, ik woû, dat mij ook eens zoo iets overkwam. Ik zoû mijn geheele verdere leven verliefd op mezelf zijn geweest. Maar de menschen, die mij aanbeden hebben,--het zijn er niet veel: een paar--zijn zoo dom geweest te blijven leven, lang nadat ik opgehouden had iets voor ze te voelen, en zij voor mij. Ze zijn dik en vervelend geworden, en als ik ze ontmoet, halen ze allerlei oude souvenirs op. O, dat geheugen van een vrouw! Ik ken niets verschrikkelijkers, en wat een bewijs is het van haar volslagen intellectueelen stilstand! Een mensch moet alleen de essence van het leven in zich opnemen, maar hij moet de details vergeten: details zijn altijd vulgair.

--Ik zal papavers in mijn leven moeten zaaien, zuchtte Dorian.

--O, dat is niet noodig. Het leven biedt overal papavers aan. Natuurlijk blijft er nu en dan wat hangen. Ik heb eens een heelen season niets dan viooltjes gedragen, als een artistieken rouw over een roman, die maar niet in me sterven woû. Maar eindelijk is het toch voorbij gegaan. Ik weet niet hoe. Ik geloof, door haar voorstel om de heele wereld aan mij op te offeren. Dat is altijd een gevaarlijk moment. Je krijgt zoo, in eens, angst voor de eeuwigheid. Nu, wil je wel gelooven, dat toen ik verleden week aan een diner bij Lady Hampshire naast de dame in quaestie zat, ze absoluut de geheele geschiedenis weêr over woû doen?! Ik had mijn roman begraven onder affodillen en zij groef hem weêr op en verweet me haar leven verwoest te hebben. Ik moet er bij vertellen, dat ze copieus dineerde, dus had ik niet de minste gewetenswroeging; maar wat een gemis aan smaak nu toch! De eenige charme van het verleden is juist, dat het het verleden is. Maar vrouwen weten nooit, wanneer het gordijn vallen moet. Ze willen altijd nog een zesde acte. Als je ze haar eigen gang liet gaan, zoû iedere comedie eindigen in een treurspel, en iedere tragedie in een klucht. Zij zijn allerliefst gekunsteld maar van kunst weten ze niets af. Jij bent gelukkiger dan ik. Ik verzeker je, Dorian, dat geen van de vrouwen, die ik gekend heb, voor mij zoû gedaan hebben wat Sybil Vane voor jou deed. Gewoonlijk troosten de vrouwen zich wel. Sommigen doen het door sentimenteele kleuren te dragen. Vertrouw nooit een vrouw, van welken leeftijd ook, die mauve draagt of een vrouw boven de vijf-en-dertig, die houdt van roze lintjes. Het is altijd een bewijs, dat ze een geschiedenis in haar leven gehad hebben. Anderen troosten zich weêr door eensklaps allerlei deugden in haar echtgenooten te vinden. Godsdienst is ook een uitstekende troost; een vrouw heeft me eens gezegd, dat de mysteries van den godsdienst dezelfde charme hadden als van flirt, en ik kan het mij best begrijpen. Zoo zie je, de vrouwen vinden genoeg troostmiddelen in ons modern leven en o, ik vergat nog de voornaamste ...

--Welke dan, Harry, vroeg de jongen lusteloos.

--Die het meest voor de hand ligt. Den adorateur van een ander te nemen, als je je eigen verliest. Maar Dorian, hoe geheel anders dan de meeste vrouwen, moet Sybil Vane geweest zijn. Ik vind zoo iets moois in haar dood! Ik ben blij, dat ik leef in een eeuw, waarin zulke dingen nog gebeuren. Het maakt, dat je heusch gaat gelooven aan dat, waar we meestal maar meê spelen, aan hartstocht en liefde.

--Ik was verschrikkelijk wreed tegen haar, dat vergeet je.

--Ik geloof, dat vrouwen wreedheid meer apprecieeren dan wat ook. Zij hebben curieuze, primitive instincten. Wij hebben ze wel wat geëmancipeerd, maar zij blijven slavinnen, die naar hun meesters opzien. Zij houden ervan overheerscht te worden. Je zal er prachtig uitgezien hebben in je drift, daar ben ik zeker van. Ik heb je nog nooit werkelijk goed kwaad gezien, maar ik kan me voorstellen hoe prachtig je moet geweest zijn. En ... nu herinner ik me in eens iets wat je me eergisteren zei. Ik beschouwde het eerst als een los gezegde, maar ik zie nu, dat het niet alleen, zeer waar is, maar ook alles verklaart.

--Je zei, dat Sybil Vane voor jou de verpersoonlijking was van alle Shakespeare's heldinnen, dat zij den eenen avond Desdemona en den volgenden Ofelia was; dat, zoo zij stierf als Juliet, zij weêr tot het leven keerde als Imogen.

--Maar nu zal zij nooit meer tot het leven terugkeeren, fluisterde Dorian en verborg het gelaat in de handen.

--Neen, dat is zoo. Zij heeft haar laatste rol afgespeeld. En je moet je dat sterven in een armoedig kleedkamertje eenvoudig voorstellen als een vreemd, somber fragment uit een Jacobijnsche tragedie, als een scène van Webster, of Ford, of Cyril Tourneur. Dat kind heeft nooit werkelijk geleefd, dus kan zij ook niet werkelijk sterven. Voor jou tenminste was zij altijd als een droom; een schim, die even zweefde door Shakespeare's drama's, en ze mooier maakte door haar wezen; een riet, waarin Shakespeare's muziek rijker en voller klonk. Het oogenblik, dat het werkelijke leven tot haar kwam, botste het tegen haar aan; daardoor verdween zij. Draag rouw Ofelia, als je wilt. Bestrooi je hoofd met asch, omdat Cordelia geworgd werd. Schreeuw ten hemel, dat Brabantio's dochter stierf. Maar verspil je tranen niet, om Sybil Vane. Zij was minder waar dan dezen.

Er was eene stilte. De avond donkerde in de kamer. Geluideloos, op zilveren voeten, slopen de schaduwen uit den tuin naar binnen. Moê welkten de kleuren uit alles weg. Na een oogenblik zag Dorian Gray op.

--Je hebt mij mezelven verklaard, Harry, fluisterde hij mat, met een zucht van verlossing. Ik voelde wel alles wat je zei, maar toch was ik er bang voor en ik begreep mijzelven niet. Wat ken je mij toch goed. Maar we zullen niet meer spreken, over wat er gebeurd is. Het is een wondermooie ondervinding geweest. Dat is alles. Zoû het leven nog iets voor mij in hebben, zoo mooi als dit?

--Het leven heeft nog heel veel voor je weggelegd, Dorian. Daar is niets, wat jij, met je mooie gezicht niet zoû kunnen doen.

--Maar stel eens voor, Harry, dat ik leelijk, oud en gerimpeld word? Wat dan?

--O, dan, sprak Lord Henry opstaande; dan zal je moeten strijden voor je overwinningen. Nu worden ze je op een zilver blaadje aangeboden. Neen, je moet je mooie jeugd trachten te behouden. We leven in een tijd, waarin men te veel leest, om verstandig te zijn en te veel denkt, om mooi te blijven. We kunnen je niet missen. En nu moest je je gaan kleeden en meê naar de club rijden. Het is al mooi laat.

--Ik zal liever in de opera bij je komen, Harry. Ik ben te moe om te eten. Wat is het nummer van de loge van je zuster?

--Zeven-en-twintig, geloof ik. Je zal haar naam wel op de deur zien. Maar het spijt me, dat je niet meê komt dineeren.

--Ik voel me heusch niet in staat, zei Dorian mat. Maar ik ben je dankbaar voor alles wat je met mij gesproken hebt. Je bent mijn liefste vriend. Niemand begrijpt me zooals jij.

--We zijn pas aan het begin van onze vriendschap, Dorian, antwoordde Lord Henry, hem de hand schuddend. Nu adieu. Ik hoop je vóór half tien te zien. Denk er om, Patti zingt.

Toen hij de deur achter zich sloot, trok Dorian Gray aan de bel, en Victor kwam met de lampen, liet de gordijnen vallen. Dorian wachtte ongeduldig, tot hij weg zoû gaan. De knecht scheen voor alles eeuwiglang tijd noodig te hebben.

Zoodra hij de kamer uit was, stortte Dorian op het scherm toe en trok het weg. Neen, er was geene verdere verandering in het portret te zien. Het had Sybil dood geweten, vóórdat hij het zelve nog wist. Het werd de dingen van het leven bewust zoodra zij gebeurden. De slechte wreedheid, die fijne lijnen om dien mond verwrongen had, was daar ongetwijfeld gekomen op het oogenblik, dat het vergif was ingenomen. Hij dacht er over na, en hoopte, dat hij eens die verandering zoû zien gebeuren onder zijne oogen. Eene rilling liep over hem, terwijl hij dit hoopte. Arme Sybil! Wat een drama was het geweest. Zij had zoo dikwijls verbeeld te sterven op de planken. Toen had de dood zelve haar beroerd en haar met zich meêgenomen. Hoe had zij die wanhopige laatste scène afgespeeld? Had zij hem vervloekt, toen zij stierf? Neen, zij was uit liefde voor hem gestorven, en voortaan zoû liefde een heilig sacrament voor hem zijn. Zij had voor alles boete gedaan, door de opoffering van haar leven. Hij wilde niet denken aan wat zij hem had doen lijden op dien verschrikkelijken avond. Wanneer hij aan haar dacht, zoû het zijn als aan een tooverachtig tragisch figuur op het wereld-tooneel, gezonden om de hooge waarheid van de liefde te verkondigen. Een tooverachtig tragisch figuur? Tranen kwamen in zijne oogen, terwijl hij zich haar blik vol kinderlijkheid, hare vriendelijke, innemend aardige maniertjes, en hare verlegen, aarzelende gratie herinnerde. Hij veegde de tranen haastig weg en zag weêr naar het portret.

Hij gevoelde, dat de tijd gekomen was om zijne keuze te doen. Of had hij dit reeds gedaan? Ja, het leven had reeds voor hem gekozen, het leven en zijn eigen groote nieuwsgierigheid naar het leven. Eeuwige jeugd, eindelooze passies, subtiele en geheime genoegens, woeste vreugden en nog woester zonden, dit alles zoû hij hebben. Het portret zoû den last zijner schande dragen, dat was alles.

Een gevoel van pijn sneed in hem; de gedachte aan de onteering, weggelegd voor dat mooie gezicht op het doek. Eens, in een jongensachtig nadoen van Narcissus, had hij ze gekust, die geschilderde lippen, welke hem nu zoo wreed toelachten. Morgen aan morgen had hij voor het portret gezeten, de schoonheid ervan bewonderend, als er op verliefd. Zoû het nu veranderen met iederen gril, waaraan hij toegaf? Zoû het een monsterachtig, afschuwelijk iets worden, dat men moest wegstoppen in een donkere kamer, ver van het zonlicht, dat zoo vaak het krulgoud van het haar helder had verguld? O, het was jammer, zoo jammer, Even nog dacht hij er over te bidden, dat die afgrijslijke sympathie tusschen hem en dat portret zoû ophouden. Het was veranderd in verhooring van een gebed, misschien zoû het onveranderd blijven in verhooring van een ander gebed. En toch, wie, die iets van het leven afwist, zoû de kans van altijd jong te kunnen blijven willen verliezen, hoe fantastisch die kans ook scheen, met welke noodlottige gevolgen die ook gekocht werd. Buitendien, kon hij er waarlijk iets aan doen? Was het werkelijk het gevolg van zijn gebed geweest? Kon er niet de eene of andere wetenschappelijke reden voor zijn? Zoo gedachte invloed kon hebben op een levend organisme, kon het dan ook geen invloed hebben op doode en anorganische dingen? Neen, zoû het niet kunnen, dat, zonder suggestie of bewusten wensch, uiterlijke dingen met onze eigen stemmingen en passies in harmonie samentrillen, en atoom zich voegt naar atoom in geheime liefde, vreemde affiniteit?

Maar wat deed het er toe, hoe het gebeurde. Hij zoû nooit door eenig gebed een verschrikkelijke macht verzoeken. Zoo het portret veranderen moest, moest het dan maar veranderen. Dat was al. Waarom er zoo diep in door te dringen.

En dan, het zoû hem een genoegen zijn die veranderingen langzaam te zien worden. Hij zoû zijne ziel kunnen volgen tot in haar geheimste hoekjes. Dit portret zoû voor hem zijn als een magische spiegel. Zooals het hem zijn lichaam had geopenbaard, zoo zoû het hem nu ook zijne ziel openbaren. En kwam er de winter overheen, hij zoû nog staan op de grens van zomer en lente. Wanneer het bloed wegkroop uit dat gezicht, en een bleek masker van kalk met doode oogen achterliet, zoû hij nog alle glans en jeugd behouden hebben. Niet één bloesem zijner schoonheid zoû verwelken. Geen polsslag van zijn leven zoû verzwakken. Als de goden der Grieken, zoû hij steeds krachtig, jong en vroolijk blijven. Wat deed het er toe wat er gebeurde met dat geschilderde beeld op doek. Hij zoû veilig zijn, dat was het voornaamste! Hij schoof het scherm weêr op zijne plaats vlak voor de schilderij lachende toen hij zoo deed, en hij ging in zijne kleedkamer, waar de knecht al wachtte.

Een uur later was hij in de opera, en leunde Lord Henry over zijn stoel heen.

IX.

Terwijl hij den volgenden morgen aan het ontbijt zat, werd Basil Hallward binnengelaten.

--Ik ben blij je te vinden, Dorian, begon hij ernstig; ik ben gisteren avond ook bij je geweest, maar hoorde, dat je naar de opera was. Ik wist, dat dat natuurlijk niet waar kon zijn. Maar ik had zoo gaarne geweten, waar je werkelijk was. Ik bracht een verschrikkelijken avond door, bang, dat de eene tragedie door de andere zoû gevolgd worden. Je hadt mij toch wel kunnen telegrafeeren, om bij je te komen, toen je het hoorde. Ik las het bij toeval in een vel van de Globe, die ik in de club opnam. Ik kwam toen direct hier, en was wanhopig je niet te vinden. Ik kan je niet zeggen hoe ellendig ik ben onder die geschiedenis. Ik begrijp wat je lijden moet. Maar waar was je nu toch? Ben je naar haar moeder geweest? Ik dacht een oogenblik je daar te gaan zoeken. Het adres stond in de courant. Ergens in Euston Road, niet waar? Maar ik was bang mij op te dringen bij een verdriet, waar ik niet aan helpen kon. Arme vrouw! In wat een toestand moet zij zijn! En haar eenig kind! Hoe was zij er onder?

--Beste Basil, hoe weet ik dat? fluisterde Dorian en nipte aan bleeken gelen wijn uit een doorzichtigen kelk van Venetiaansch glas met gouden facetten. Ik was in de opera. Je hadt daar ook moeten komen. Ik ontmoette voor de eerste maal Lady Gwendolen, Harry's zuster. We zaten in haar loge. Ze is allerliefst, en Patti zingt goddelijk. En spreek nu niet over akelige dingen. Als je maar niet over de dingen spreekt, is het net alsof ze niet gebeurd zijn. Ik moet je ook zeggen, dat het niet haar eenig kind is. Daar is nog een zoon, een goede kerel, geloof ik. Maar hij is niet aan het tooneel. Hij is matroos of zoo iets. En vertel me nu wat over jezelf en wat je bezig bent te schilderen.

--Je ging naar de opera? vroeg Hallward langzaam, met een klank van pijn in zijne stem. Je ging naar de opera, terwijl Sybil Vane dood lag in een treurig kamertje? Je kan me vertellen van andere vrouwen, die allerliefst waren en van Patti die goddelijk zingt, vóórdat het meisje, dat je lief hadt, nog zelfs de rust heeft om in te slapen.

--Hoû op, Basil! Ik wil het niet hooren! riep Dorian opvliegend. Je moet er niet meer over spreken. Wat gedaan is, is gedaan. Wat het verleden is, is het verleden.

--Noem je gisteren het verleden?

--Wat heeft het tijdsverloop er meê te maken? Alleen kleinzielige menschen hebben jaren noodig om zich over een emotie heen te zetten. Een man, die meester is over zichzelf, kan even gemakkelijk een einde maken aan een verdriet als een genot beginnen. Ik heb geen lust de slaaf van mijn emoties te zijn. Ik wil ze gebruiken, van ze genieten en ze beheerschen.