# Het portret van Dorian Gray

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/het-portret-van-dorian-gray-10512/index.md

--Beide zijn imitaties, merkte Lord Henry op. Maar laat ons nu gaan, Dorian. Blijf nu niet langer hier. Het is niet goed voor je moreel om slechte actie aan te zien. Buitendien denk ik, dat je je vrouw toch niet zal laten spelen. Wat kan het je dus schelen, of zij Juliet speelt als een houten pop. Ze ziet er allerliefst uit en als ze van het leven een weinig afweet als van acteeren, is zij een charmant tijdverdrijf. Er zijn maar twee soorten van menschen, die werkelijk interessant zijn: menschen, die àlles weten en menschen, die totaal niets weten. Goede hemel, kerel, kijk toch zoo tragisch niet! Het geheim om jong te blijven is: nooit emotie te hebben, die niet goed staat. Ga met ons meê naar de club. We zullen wat cigaretten rooken en op de charmes van Sybil Vane drinken. Ze is prachtig. Wat wil je nu meer?

--Ga heen, Harry, riep de jongen uit; ik wil alleen zijn; Basil, jij moet weg. O, zie je dan niet, dat mijn hart breekt?

Tranen kwamen in zijne oogen, zijne lippen beefden. Hij vloog achter in de loge en tegen den muur leunend, verborg hij het gelaat in de handen.

--Kom meê, Basil, sprak Lord Henry met eene vreemde teederheid in zijne stem en zij gingen samen weg. Na een oogenblik vlamde het voetlicht weder op voor de derde acte. Dorian ging op zijne plaats terug. Hij zag bleek, trotsch, onverschillig. Het stuk sleepte voort en scheen eindeloos. Het halve publiek ging weg, lachend en stampend met de zware schoenen. Het geheele ding was een fiasco. De laatste acte werd voor bijna geheel leêge banken gespeeld. Het gordijn viel onder gegichel en hier en daar een zucht.

Zoodra het uit was, vloog Dorian Gray achter de coulissen naar den foyer. Het meisje stond daar alleen, met een glans van voldoening op haar gezichtje. Haar oogen schitterden van een exquis vuur. Er scheen een glorie om haar heen te stralen. Haar halfgeopende lippen glimlachten om een geheim, dat zij alleen kenden.

Toen hij binnenkwam, zag zij hem aan en eene uitdrukking van onzegbaar geluk kwam over hare trekken.

--Wat heb ik van avond slecht gespeeld, Dorian! jubelde zij.

--Afschuwelijk! antwoordde hij, ze vol verbazing aanziende. Afschuwelijk! Het was verschrikkelijk!! Ben je ziek? Je weet niet hoe verschrikkelijk het geweest is. Je hebt geen idee van hetgeen ik geleden heb.

Zij glimlachte.

--Dorian, antwoordde ze en streelde zijn naam met een langen toon van muziek, als was die naam zoeter dan honig voor de purperen meêldraden van hare lippen. Dorian, je hadt het toch kunnen begrijpen. Maar nu, nu begrijp je toch, niet waar?

--Wat begrijpen? vroeg hij boos.

--Waarom ik zoo slecht was? Waarom ik altijd zoo slecht zal zijn. Waarom ik nooit meer goed zal spelen. Hij haalde de schouders op.

--Ach, je bent ziek. En als je ziek bent, moet je niet spelen. Je maakt jezelf bespottelijk. Mijn vrienden hadden het land. En ik had ook het land.

Zij scheen hem niet te hooren. Zij stond als verheerlijkt van vreugde. Een glorie van geluk omstraalde haar.

--Dorian, Dorian, riep zij, vóór ik jou kende was mijn spel mij de eenige werkelijkheid in het leven. Ik leefde eerst waarlijk als ik speelde. Ik dacht, dat alles waar was. Ik was den eenen keer Rosalind en den volgenden keer Portia. Ik was gelukkig in Rosalind, ik leed in Cordelia. Ik geloofde in alles. Die slechte acteurs om mij heen, schenen mij goden toe. De geschilderde decoraties waren mijn wereld. Ik kende alleen schimmen en ik dacht, dat zij het leven waren. Toen kwam jij, o, mijn heerlijke lieveling! en je maakte mijn ziel los uit haar gevangenis. Jij leerde mij eerst wat waar is. Ik voelde van avond voor het eerst hoe leêg, hoe hol, hoe nutteloos alles was in de wereld, waar ik totnogtoe leefde. Voor het eerst viel het mij op, dat Romeo leelijk, oud, en geverfd, dat het maanlicht in den tuin valsch, dat het decor vulgair was, en dat de woorden, die ik zeggen moest, onwaar klonken, dat zij niet mijne woorden waren, dat zij niet uitdrukten wat ik zeggen woû. Je hebt mij iets moois, iets hoogs gegeven en waarvan iedere kunst maar een flauwe weêrkaatsing is. Je hebt mij geleerd wat liefde waarlijk is. Mijn lieveling! Mijn lieveling! Mijn tooverprins, prins van mijn leven! O, ik ben nu zoo moê van al die schimmen. Je bent voor mij méér dan alle kunst ooit voor mij zijn kan. Toen ik zoo even opkwam, begreep ik niet waarom alles zoo ver van mij afscheen. Ik dacht juist nu zoo goed te spelen, en ik merkte, dat ik niets meer kon. Opeens lichtte het in mijne ziel, wat dat alles was. En die kennis was mij zalig. Ik hoorde ze fluiten en ik lachte. Wat weten zij van een liefde als de onze. O! neem mij meê, Dorian, neem mij met je meê, ergens waar wij heel alleen zijn. Ik heb een afkeer van dat tooneel. Ik kon een passie imiteeren, die ik niet voel, maar een, die mij brandt als een vuur, kan ik niet spelen. O! Dorian, Dorian, nu begrijp je het, niet waar? Zelfs als ik het kon, zoû het profanatie voor mij zijn, zoo ik op de planken deed of ik liefhad. Zie je, dat heb je me geleerd.

Hij wierp zich op een bank en keerde het gezicht af.

--Je hebt mijn liefde vermoord! steunde hij.

Zij zag hem aan met verwondering en lachte. Hij gaf geen antwoord. Zij kwam bij hem en streelde zijn haar met hare dunne vingers. Zij knielde neêr en drukte zijne handen aan haar lippen. Hij trok ze terug en een rilling liep over hem.

Toen vloog hij op en liep naar de deur.

--Ja, wierp hij haar toe, je hebt mijn liefde vermoord. Vroeger streelde je mijn verbeelding, nu wek je niet eens nieuwsgierigheid in mij op. Je maakt geen indruk meer op me. Ik had je lief, omdat je mooi was, omdat je talent en ontwikkeling bezat, omdat je droomen van groote dichters tot werkelijkheid maakte, omdat je leven en kleur gaf aan de schaduwen van de kunst. Dat alles heb je nu weggegooid. Je bent klein en dom. Mijn God, ik was gek zooveel van je te houden! Ik was dwaas! Je bent nu immers niet meer voor me! Ik wil je niet meer zien! Ik wil niet meer aan je denken! Ik wil je naam niet meer uitspreken! O! je weet niet wat je voor me geweest bent, vroeger. Waarom vroeger?... O! ik kan er niet aan denken. Ik woû, dat ik je nooit gezien had. Je hebt de poëzie van mijn leven bedorven. Hoe weinig weet je wat liefde is, als je zegt, dat het niet samengaat met kunst. Zonder je kunst ben je niets. Ik zoû je beroemd, schitterend en rijk gemaakt hebben. De wereld zoû je aanbeden hebben, en je zoû mijn naam hebben gedragen. Wat ben je nu? Een slechte actrice met een mooi gezichtje.

Ze werd wit en trilde. Ze klampte haar handen samen en de stem scheen haar in de keel te hokken.

--Je meent het zoo niet, Dorian? fluisterde zij. Je speelt met me.

--Spelen! Dat laat ik aan jou over. Jij doet het zoo mooi, antwoordde hij bitter.

Ze richtte zich op, en met een smart over haar gelaat kwam zij naar hem toe. Zij legde haar hand op zijn arm en zag hem in de oogen. Hij duwde haar weg.

--Raak me niet aan! schreeuwde hij. Een doffe snik, en zij wierp zich aan zijne voeten. Zoo bleef zij liggen als een bloem, die vertrapt was.

--Dorian, Dorian, ga niet van mij weg, stamelde zij. Het spijt me zoo, dat ik slecht speelde. Ik dacht ook altijd door aan jou. Maar ik zal mijn best doen, waarlijk, ik zal mijn best doen. Het kwam zoo onverwachts, mijn liefde voor jou. Ik zoû het nooit zoo geweten hebben, als je mij niet omhelsd hadt, als wij elkaâr niet gekust hadden. O, zoen me nog eens! Ga niet van mij weg. Dat zoû ik niet kunnen verdragen. O, ga niet van mij weg! Mijn broêr ... Ach neen, het is niets! Hij meende het niet. Het was maar gekheid van hem ... Maar jij ... O! kan je mij dezen éénen avond niet vergeven?! Ik zal hàrd studeeren en gòed mijn best doen! Wees niet wreed tegen me, omdat ik meer van jou hoû dan van iets ter wereld. En dan, het is toch maar één keer geweest, dat ik niet goed gespeeld heb! Maar je hebt gelijk, Dorian. Ik had meer artiste moeten blijven. Het was heel dwaas van me, maar ik kon het niet helpen! O, laat me niet alleen, laat me niet alleen!

Een hartstochtelijk gesnik scheen haar te doen stikken. Zij kroop over den grond als een gewond dier, en Dorian Gray zag met zijne mooie oogen op haar neêr, en zijne fijne lippen krulden van minachting, er is altijd iets dwaas' in de emoties van iemand, die men opgehouden heeft lief te hebben. Hij vond Sybil Vane bespottelijk melodramatisch. Haar tranen en snikken verveelden hem.

--Ik ga weg! sprak hij eindelijk met zijn kalme, heldere stem. Ik wil niet boos op je zijn, maar ik kan je niet meer zien. Je bent me een groote teleurstelling geweest!

Zij weende stilletjes, gaf geen antwoord, maar kroop dichter bij hem. Hare handjes strekten zich in het vage uit als zochten zij hem. Hij keerde zich om en ging de kamer uit. Een paar seconden later had hij het gebouw verlaten. Waar hij ging, wist hij nauwlijks. Hij herinnerde zich later gedwaald te hebben door flauw verlichte straten, door nauwe spookachtige poortjes, langs verdachte huizen. Vrouwen hadden met schorre stemmen en ruw gelach hem toegeroepen. Dronken kerels waren langs hem gezwaaid, vloekende en in zichzelven pratende, als reusachtige apen. Hij had misvormde kinderen bij elkaâr zien kruipen op de stoepen voor de deuren, hij had gegil, gevloek gehoord uit sombere holen ...

Tegen den morgen merkte hij, dat hij dicht bij Covent Garden was. De duisternis trok op en, zich vervelende met hier en daar een flauwen weêrglans, rondde de hemel zich tot een zuivere parel. Groote karren opgehoopt met knakkende lelies, rammelden langzaam door de leeg geveegde straat. De lucht werd zoo zwaar van dien bloemengeur; uit die kelken steeg als een tegengift voor zijne smart. Hij volgde de karren naar de markt en zag hoe de mannen ze ontlaadden. Een wit-gekielde karreman bood hem een paar kersen aan. Hij dankte hem en verwonderde zich, dat de man weigerde er geld voor te nemen; hij begon ze lusteloos op te eten. Ze waren 's nachts geplukt en ze hadden de kilte der maan nog in zich. Een lange rij jongens met bonte tulpen, roode en witte rozen, liep voor hem uit; ze zochten hun weg door hooge, fletsgroene hoopen groenten. Onder de loods met grijze, zonverbleekte pilaren, drentelde een troep vuile meisjes met bloote hoofden, te wachtten tot de markt afgeloopen was. Anderen verdrongen zich om de open-en dichtslaande deuren van een café. De zware karrepaarden trappelden en stampten op de ruwe steenen en schudden tuig en bellen. Een paar karrevoerders lagen te slapen op een hoop zakken. Duiven trippelden heen en weêr met roode pootjes en bogen hare glanzige nekjes.

Na een poosje riep hij een hansom aan en reed naar huis. Even draalde hij nog voor de open deur, zag om zich heen, in het slapende Square, met zijn stil gesloten vensters en blank starende luiken. De lucht was helder opaal geworden; de daken der huizen glinsterden als zilver er tegen af. Uit een enkelen schoorsteen steeg een dun streepje rook. Het kronkelde als een violet lint, door de lucht van parelmoêr.

In de groote vergulde Venetiaansche lantaren,--gestolen uit de bark van een Doge,--die in de ruime eikenhouten vestibule huig, brandden nog drie flikkerende lichtjes; dunne blauwe vlamblaadjes met randen van wit vuur. Hij draaide ze uit, wierp hoed en jas op de tafel, ging door de bibliotheek naar zijne slaapkamer: een groot achthoekig vertrek, dat hij in zijn nieuwe zucht naar luxe juist had laten inrichten en behangen met kostbare Renaissance-gobelins, gevonden op een ongebruikten zolder in Selby Royal. Hij draaide de deur open; zijn oog viel op het portret, dat Basil Hallward geschilderd had. Hij schrikte terug als in ontsteltenis. Toen ging hij naar zijne zitkamer, verwarring in zijne oogen. Hij nam de bloem uit zijn knoopsgat; bleef even staan, als draalde hij. Toen keerde hij terug, bleef voor het portret staan en beschouwde het met aandacht. In het half gedempte licht, dat door neêrgelaten crême zijden gordijnen viel, scheen het of het portret veranderd was. De uitdrukking was niet meer dezelfde. Iets als een grijns van wreedheid lag om den mond. Het was zeer vreemd.

Hij ging naar het raam en trok het gordijn op. Het nieuwe daglicht viel in de kamer, drong fantastische schaduwen terug in schemerhoekjes, waar zij sidderend bleven liggen. Maar het vreemde op het gezicht van dat portret was er nog, scheen zelfs intenser. Het warm levende zonlicht toonde hem die lijnen van wreedheid om den mond even duidelijk, als had hij zich in den spiegel bezien, na iets slechts gedaan te hebben.

Hij deinsde terug, nam van de tafel een ovalen spiegel, vastgehouden door ivoren kupido's, een van Lord Henry's vele geschenken, en zag haastig in die gepolijste diepte.

Geen trek verwrong zijne lippen. Wat beteekende dat? Hij wreef zich de oogen, kwam vlak bij het portret en beschouwde het weêr. In het werk zelf was niets te bespeuren; toch was de geheele uitdrukking veranderd. Het was geene verbeelding. Het was akelig duidelijk.

Hij gooide zich in een stoel en dacht na. In eens bliksemde door hem heen wat hij gezegd had in Basils atelier, toen het portret voltooid was. Ja, hij herinnerde het zich nu heel goed. Hij had toen dien dollen wensch geuit: hij altijd jong; het portret zoû ouder worden; hij zijne eigen schoonheid en frischheid; het gezicht op het doek zoû den last zijner hartstochten en zonden dragen; het geschilderde beeld zoû doorgroefd worden met lijnen van smart en ouderdom; aan hem de teedere bloesem van zijn jeugd, altijd! En die wensch, werd die nu vervuld? Zulke dingen waren toch onmogelijk. Het was zelfs monsterlijk zoo iets te bedenken. Toch stond het portret daar voor hem, met dien trek, om den mond. Wreedheid! Was hij dan wreed geweest! Het was haar schuld en niet de zijne. Hij had zich haar gedroomd als een groot artiste, had haar zijn liefde gegeven omdat hij haar groot waande. Toen had zij hem teleurgesteld. Zij was klein en min geweest. En toch rees er een groote spijt in hem op, nu hij haar zich voorstelde, liggende aan zijn voeten, snikkende als een kind. Hij herinnerde zich hoe ongevoelig hij toen op haar had neêrgezien. Waarom was hij zoo geweest? Waarom was hem zulk een ziel gegeven? Maar hij had toch ook geleden. Die drie verschrikkelijke uren, dat het stuk geduurd had, had hij eeuwen van smart, aeonen van folterpijn doorstaan. Zij stonden nu gelijk. Had hij haar voor het leven gewond, zij had hem een moment gemarteld. Buitendien kunnen vrouwen beter lijden dan mannen. Zij leven van hare emoties. Ze denken alleen aan hare emoties. Houden ze van je, dan is het alleen om iemand te hebben, waar zij scènes meê kunnen maken. Dat had Lord Henry hem verteld, en die wist immers wat de vrouwen waren? Waarom zoû hij nu tobben over Sybil Vane? Zij was nu niets meer voor hem.

Maar het portret? Hoe moest hij dat uitleggen? Het bezat het geheim van zijn leven, van zijn doen en laten. Het had hem geleerd zijne eigen schoonheid lief te krijgen. Zoû het hem nu ook leeren, zijne eigene ziel te verafschuwen? Zoû hij er ooit weêr op zien?

Neen, het was slechts een droom zijner verwarde zinnen. De verschrikkelijke nacht doorleefd, had spookbeelden achter zich gelaten. Op zijne hersens was plotseling dat kleine purperen spatje gevallen, waardoor een mensch gek wordt. Het portret wàs niet veranderd. Het was dwaasheid zoo iets te denken.

En toch zag het hem aan met dat vertrokken, mooie gelaat en dien wreeden lach. Het haar gulde zich in dit vroege zonlicht. De blauwe oogen ontmoetten de zijne. Een gevoel van oneindig medelijden, niet met zichzelven, met zijn geschilderd beeld, kwam over hem. Het was nu al veranderd; het zoû al meer en meer veranderen. Dat goud zoû grijs worden. Die roode en witte rozen zouden verleppen. Voor iedere zonde zoû een smet die bloesem-frischheid bezoedelen. Maar hij wilde niet zondigen. Dat portret, veranderd of niet, zoû hem zijn zichtbaar geweten zijn. Hij zoû de verleiding weêrstaan. Hij wilde Lord Henry niet meer zien, wilde in ieder geval niet meer hooren naar die fijn geslepen theorieën vol gift, welke in Basils tuin voor hem passie hadden opgezweept. Hij zoû teruggaan naar Sybil Vane, haar vergeving vragen, haar trouwen, pogen haar weêr lief te hebben, ja, het was zijn plicht. Zij moest meer geleden hebben dan hij. Arm kind! Hij was egoïst en hard tegen haar geweest. De bekoring, die zij op hem had, zoû weêr komen. Zij zouden gelukkig zijn. Zijn leven met haar zoû mooi en rein zijn.

Hij rees uit zijn stoel op, schoof een groot scherm recht voor het portret, rilde toen hij er naar zag.

--Hoe verschrikkelijk! murmelde hij, terwijl hij naar het deurvenster liep en het open wierp. Hij ging naar buiten, op het gras, haalde diep adem. De zuivere ochtendlucht scheen al zijn somber lijden weg te blazen. Hij dacht alleen aan Sybil. Flauwe echo van zijne liefde zuchtte tot hem door. Hij sprak haar naam telkens, telkens weêr uit. De vogels die zongen in de bedauwde tuinen, schenen de bloemen van haar te vertellen.

Noot:

[1] Dr. A. L. J. Burgersdijk: Romeo en Julia.

VIII.

Het was lang over twaalven, toen hij wakker werd. De knecht was verscheidene malen op de teenen binnengeslopen om te zien of hij zich bewoog, en verwonderde zich, dat zijn jonge meester toch zoo lang sliep. Eindelijk klonk zijn bel, en Victor kwam zachtjes binnen, een kop thee en een stapeltje brieven op een antiek Sèvres blaadje; hij trok de olijfgroene satijnen gordijnen, blauwig gevoerd, voor de drie hooge vensters open.

--Meneer heeft goed geslapen van morgen, sprak hij met een glimlach.

--Hoe laat is het, Victor? vroeg Dorian Gray nog loom.

--Kwart over eenen, meneer.

Wat was het al laat! Hij ging opzitten, dronk wat thee, bezag zijne brieven. Een was er van Lord Henry, zooeven aangereikt. Hij weifelde, legde dien toen terzij. De anderen opende hij zonder interest, Het was de gewone verzameling kaartjes, invitaties voor diners, entrées voor de eene of andere liefhebberijvoorstelling, programma's van liefdadigheidsconcerten, die ieder uitgaand jongmensch gedurende den season krijgt. Er was ook bij eene heel hooge rekening van een gedreven zilveren Louis XV toiletgarnituur, die hij nog geen moed had gehad aan zijne voogden op te zenden: ouderwetsche menschen, die niet begrepen, dat men leeft in eene eeuw, waarin onnoodige zaken juist de meest noodige zijn. Ook waren er verscheidene zeer beleefde aanbiedingen van geldschieters uit Jermyn Street, om tegen de meest billijke interesten geld voor te schieten.

Na tien minuten stond hij op, wierp een vreemd geborduurden cachemiren chambercloak om en ging naar de onyx-geplaveide badkamer. Het koude water frischte hem op na zijn langen slaap. Hij scheen alles wat er gebeurd was te zijn vergeten. Even nog kreeg hij het vage gevoel of hij had meêgespeeld in een vreemde tragedie, maar het scheen hem toe als een droom.

Zoodra hij gekleed was, ging hij naar de bibliotheek, en zette zich voor een licht ontbijt, voor het open raam. Het was een heerlijke dag. De warme lucht scheen zwaar van sterke aroom. Een bij vloog binnen en gonsde om de groenblauwe vaas, gevuld met zwavelgele rozen vóór hem. Hij gevoelde zich volmaakt gelukkig. Eensklaps viel zijn oog op het scherm voor het portret; hij ontstelde.

--Heeft meneer het koud? vroeg de knecht, die een omelette op tafel zette. Zal ik het raam dicht doen? Dorian schudde het hoofd.

--Ik heb het niet koud, fluisterde hij.

Zoû het waar zijn? Zoû het portret werkelijk veranderd zijn? Of was het maar een spel van verbeelding geweest? Een beschilderd doek kon toch niet veranderen? Het was te dwaas. Hij zoû het later eens aan Basil vertellen. Die zoû er wel om lachen.

En toch, hoe levendig zag hij het nog voor zich! Eerst in de flauwe schemering, toen in het volle licht had hij dien trek van wreedheid opgelet, de verwrongen lippen. Hij voelde bijna angst voor het oogenblik, dat de knecht de kamer zoû verlaten. Hij voelde dat, zoodra hij alleen was, hij het portret zoû bezien. En hij huiverde voor de zekerheid. Toen de knecht koffie en cigaretten gebracht had, wegging, had Dorian grooten lust hem te zeggen te blijven. En toen hij de deur achter zich sloot, riep hij hem terug. De man stond weêr vóór hem. Dorian zag hem aan.

--Ik ben vandaag voor niemand thuis, Victor, sprak hij met een zucht.

De knecht boog, en vertrok.

Toen stond Dorian van tafel op, stak een cigarette aan en wierp zich op een lage bank voor het scherm. Het was een oud scherm van Spaansch goudleer met bloemerig Louis XIV patroon. Hij beschouwde het vol aandacht, zich afvragend of het de eerste maal was, dat het een geheim van menschenleven verborg.

Zoû hij het op zij schuiven? Waarom het maar niet laten staan? Wat gaf het te weten? Was het werkelijkheid, dan was die verschrikkelijk. Zoo niet, waarom er dan over te tobben? Maar als, door eene noodlottige omstandigheid, andere oogen dan de zijne het bespiedden en die afschuwelijke verandering zagen, wat dan? Als Basil Hallward het nog eens wilde zien? Neen, hij moest het onderzoeken, en dadelijk. Alles was beter dan die verschrikkelijke onzekerheid.

Hij stond op, sloot beide deuren af. Hij wilde tenminste alleen zijn bij het beschouwen van zijne schaduw van schande. Toen schoof hij het scherm weg en zag zichzelven in het gelaat. Het was waar. Het portret was veranderd ...

Hij herinnerde zich later dikwijls en met niet geringe verbazing dat hij het portret eerst een geheelen tijd met zuiver wetenschappelijke nieuwsgierigheid had beschouwd. Hij kon niet begrijpen, dat zoo iets gebeuren kon. En toch was het een feit. Bestond er dan eene affiniteit tusschen de chemische atomen, die zich op doek tot vorm en kleur lieten voegen, en zijne ziel in hem? Kon het wezen, dat zij terugkaatsten, wat die ziel dacht, dat zij tot werkelijkheid maakten, wat die ziel droomde? Hij huiverde, voelde zich bang, kroop terug naar de bank, lag daar te staren naar zijn beeld, in angstig afgrijzen.

Eén ding wist hij nu, had het hem geleerd. Het had hem doen inzien, hoe onrechtvaardig, hoe wreed hij tegen Sybil Vane geweest was. Het was niet te laat om dat goed te maken. Zij kon nog zijn vrouw worden. Zijn egoïste en valsche liefde zoû zich voegen naar een hoogeren invloed, zoû herschapen worden in een mooier gevoel en het portret, dat Basil Hallward van hem geschilderd had, zoû voor hem zijn, wat heiligheid voor den een, geweten voor den ander, vreeze voor God voor ons allen is. Al bestonden er verdoovende middelen voor het berouw, kruiden, die moreel in slaap wiegden, hier was een zichtbaar symbool van ondergang door zonde, hier was een altijd zichtbaar beeld van de ellende, die de ziel over zich brengen kan.

De klok sloeg drie, vier uur, half vijf, maar Dorian Gray bewoog zich niet. Hij was bezig de purperen draden van het leven samen te vatten, ze tot een patroon samen te weven; hij trachtte zijn weg te vinden door het bloedig labyrinth van passie, waarin hij ronddoolde. Hij wist niet wat te doen, wat te denken. Eindelijk zette hij zich aan de tafel en schreef een brief, vol hartstocht, aan de vrouw, die hij had liefgehad, haar smeekend om vergeving, zichzelven beschuldigend van dolle drift. Hij beschreef bladzijde op bladzijde met gloeiende betuigingen van smart. Er is weelde in zelfverwijt. Door onszelven te beschuldigen, ontnemen wij anderen het recht dit te doen! Het is door de biecht zelve, maar niet door den priester, dat wij absolutie krijgen. Toen Dorian zijn brief had geëindigd, voelde hij zich als ware hij reeds vergeven. Een klop op de deur; hij hoorde Lord Henry's stem, buiten.

--Beste jongen, ik moet je absoluut zien. Laat me toch binnen. Ik vind het zoo naar, dat je je zoo opsluit.

Hij gaf eerst geen antwoord en bleef roerloos.--Het kloppen hield aan, werd dringend. Ja, het was beter Lord Henry binnen te laten, te zeggen, dat hij een nieuw leven wenschte, met hem te kibbelen, zoo dit noodig ware, afscheid van hem te nemen, zoo dit onvermijdelijk was. Hij sprong op, trok het scherm weêr voor het portret en ontsloot de deur.

