Het portret van Dorian Gray

Part 3

Chapter 3 4,194 words Public domain Markdown

--Dorian! Dorian! riep hij; spreek zoo niet. Ik had nooit een vriend zooals jij, en nooit zal ik een ander zoo hebben. Je bent toch niet jaloersch van dingen van materie, jij, die mooier bent dan wat ook!

--Ik ben jaloersch van alles wat mooi is en mooi blijft, altijd mooi blijft. Ik ben jaloersch van dat portret, dat je van mij gemaakt hebt. Waarom zal dàt altijd behouden, wat ik verliezen moet! Ieder moment, dat voorbij gaat, neemt iets van mij weg, en geeft het aan dat portret. O, was het dan toch omgekeerd! Veranderde dat portret maar, en bleef ik altijd, die ik nu ben! Waarom heb je het geschilderd? Eens zal het mij bespotten, verschrikkelijk bespotten!

Heete tranen kwamen in zijne oogen; hij trok zijne hand weg, gooide zich op den divan, verborg het gezicht in de kussens, als bad hij.

--Dat is jouw werk, Harry, zei de schilder bitter.

Lord Henry haalde de schouders op.

--Het is de ware Dorian Gray, dat is alles.

--Dat is het niet.

--Als het niet zoo is, wat heb ik er meê te maken?

--Je hadt weg moeten gaan, toen ik het je vroeg, mompelde Basil.

--Ik bleef, toen jij me dat ook vroeg, was het antwoord.

--Harry, ik kan niet op het zelfde oogenblik met mijn twee beste vrienden kibbelen, maar jullie met je beiden hebt me mijn mooiste werk leeren haten en ik zal het vernietigen. Wat is het anders dan een doek met wat kleuren? Ik wil niet, dat het iets leelijks wordt in onze drie levens.

Dorian Gray hief zich op uit de kussens; met een bleek gezicht met betraande oogen zag hij naar Basil: hij ging naar de schildertafel voor het hooge raam. Wat deed hij daar? Zijne vingers rommelden tusschen tinnen tubes en droge penseelen, als zochten zij iets. Ja, zij zochten het lange schildersmes met het dunne lemmet van fijn staal. Eindelijk vond hij het. Hij zoû het doek doorrijten ...

Met een onderdrukten snik sprong de jongen van de bank, vloog op Hallward toe, wrong hem het mes uit de hand en slingerde het in een hoek van het atelier.

--Niet doen, Basil, niet doen! kreet hij, het zoû een moord zijn!!

--Ik ben blij, dat je eindelijk mijn werk op éénige waarde stelt, Dorian, zei de schilder, koelweg. Ik dacht niet, dat je dat nog doen zoû.

--Op waarde stellen? Maar ik ben er verliefd op, Basil. Het is een deel van mijzelven. Dat voel ik.

--Nu ... zoodra je droog bent, zal ik je laten vernissen, encadreeren en thuis zenden. Dan kan je met je eigen doen wat je wilt.

En hij ging naar een hoek van de kamer om voor de thee te bellen.

--Jij drinkt natuurlijk thee, Dorian, niet waar? En jij Harry? Of heb je een diepe minachting voor zoo een onschuldig genot?

--Ik hoû heel veel van onschuldige genoegens. Maar ik hoû niet van scènes, behalve op het tooneel natuurlijk. Wat een dwaze kerels zijn jullie toch allebei! Wie heeft ook weêr gezegd, dat een mensch een beredeneerd dier was! Het is het voorbarigst oordeel, dat ik ooit gehoord heb. Een mensch is een heele boel, maar beredeneerd; alles behalve! Eigenlijk, ben ik er blij om, maar ik woû, dat jullie nu nooit meer kibbelden over dat portret. Je moest het mij maar geven, Basil. Het kan dien flauwen jongen eigenlijk niets schelen, en mij wel.

--Als je het aan iemand anders geeft dan aan mij, Basil, vergeef ik het je nooit! riep Dorian Gray, en ik geef niemand permissie mij een flauwen jongen te noemen.

--Je weet, dat het portret van jou is, Dorian. Ik gaf het je, nog vóór het bestond.

--En u weet heel goed, dat u een heel klein beetje flauw geweest is, en dat u het eigenlijk ook zoo heel naar niet vind er aan herinnerd te worden, dat u nog zeer jong is.

--Ik zoû het van morgen wel degelijk heel naar gevonden hebben, Lord Henry.

--O van morgen! U heeft "geleefd" na dien tijd ...

Een klop op de deur en de butler kwam binnen met een beladen theeblad; hij zette het neêr op een Japansch tafeltje. Daar was een gerinkel van kopjes en schoteltjes en het sissen van een geribden zilveren ketel. Twee porceleinen schalen werden door een knechtje binnen gebracht.

Dorian Gray ging naar het tafeltje en schonk thee.

--Laat ons van avond naar de komedie gaan, zei Lord Henry. Daar zal ergens wel wat moois gegeven worden. Ik heb wel een afspraak om in White te komen dineeren, maar het is een oud vriend; ik kan hem dus wel telegrafeeren, dat ik ziek ben, of dat ik verhinderd ben te komen door een latere afspraak. Mij dunkt, dat is nogal een aardig succes; het zoû de verrassing van openhartigheid hebben.

--Het is zoo vervelend je in een rok te steken, mompelde Hallward. En als je hem eens aan hebt, ben je afschuwelijk.

--Ja, antwoordde Lord Henry; ons toilet van de 19de eeuw is heel leelijk. Het is zoo somber, zoo saai. Zonde, dat is eigenlijk het éénige wat een kleurtje geeft aan het moderne leven.

--Je moet werkelijk zulke dingen niet zeggen, als Dorian er bij is, Harry!

--Welke Dorian? Die daar voor ons thee schenkt of die van het portret?

--Voor geen van beiden.

--Ik zoû wel met u naar de opera willen gaan, Lord Henry, zei de jongen.

--Dat is heel goed: jij gaat toch ook meê, Basil?

--Neen, ik kan niet, waarlijk liever niet. Ik heb nog een boel te doen.

--Nu, dan zullen wij samen gaan, Mr. Gray.

--Dat vind ik heel prettig.

De schilder beet zich op de lippen en ging met zijn kopje in de hand voor de schilderij staan.

--Ik zal bij den waren Dorian blijven, sprak hij weemoedig.

--Is dat de ware Dorian? vroeg het origineel bij hem komend. Lijk ik daar heusch op?

--Ja precies.

--Hoe wreed, Basil!

--Ten minste uiterlijk. Maar dàt zal nooit veranderen! zuchtte Hallward. Dat is tenminste iets.

--Wat een drukte maken de menschen toch over trouw! riep Lord Henry uit. Lieve hemel! zelfs in de liefde is het niets dan een fyziologisch verschijnsel. Het heeft niets met onzen wil te maken. Jonge lui willen trouw zijn, maar blijven het niet; oude lui willen ontrouw zijn, maar kunnen niet; dat is alles wat je er van zeggen kan.

--Ga van avond niet naar de opera, Dorian! zei Hallward. Blijf bij mij dineeren.

--Ik kan niet, Basil.

--Waarom niet?

--Omdat ik Lord Henry Wotton beloofd heb met hem meê te gaan.

--Hij zal niets meer van je houden, omdat jij je belofte trouw bent. Hij verbreekt altijd de zijne. Ik verzoek je niet te gaan.

Dorian Gray lachte en schudde het hoofd.

--Ik smeek je.

De jongen aarzelde en zag naar Lord Henry, die hen met een glimlach vol vermaak opnam.

--Ik moet heusch gaan, Basil, antwoordde hij.

--Heel goed, zei Hallward, en hij zette zijn kopje op het blad neêr. Het is al laat en daar je je nog kleeden moet, mag je wel gaan. Dag Harry. Dag Dorian. Kom weêr eens gauw bij mij. Kom morgen.

--Goed.

--Zal je het niet vergeten?

--Neen, natuurlijk niet! riep Dorian.

--En ... Harry!

--Ja, Basil.

--Denk aan hetgeen ik je vroeg, vanmorgen, in den tuin.

--Ik ben het vergeten.

--Ik vertrouw op je.

--Ik woû, dat ik mezelven kon vertrouwen, lachte Lord Henry. Kom, Mr. Gray, mijn coureuse is voor en ik kan u even thuis afzetten. Adieu Basil. Ik heb een interessanten middag gehad.

Terwijl de deur achter hen dicht sloeg, wierp de schilder zich op zijn bank; een trek van smart kwam over zijn gelaat.

III.

Den volgenden morgen, om half een, wandelde Lord Henry Wotton van Curzonstreet naar Albany om zijn oom op te zoeken, Lord Fermor, een joviale, wel wat ruwe oude vrijer: de wereld noemde hem egoïst, omdat zij geen voordeel van hem trok, maar onder zijne kennissen had hij den naam vrijgevig te zijn, omdat hij de menschen, die hem amuzeerden, te eten gaf. Zijn vader was onze ambassadeur in Madrid geweest, toen Isabella nog jong was en er aan Prim niet gedacht werd, maar hij had zich uit de diplomatie teruggetrokken in een haastig oogenblik van ontevredenheid, omdat men hem de ambassade te Parijs niet had aangeboden, een post, waarop hij alleen aanspraak meende te hebben, op grond van: zijne geboorte, zijne indolentie, het goede Engelsch van zijne telegrammen, en zijn dolle passie voor genot. De zoon, die de secretaris van zijn vader was geweest, had tegelijkertijd zijn ontslag ingediend, dat wel wat dwaas werd gevonden, en toen hij eenige maanden later den titel van hem erfde, had hij zich gewijd aan een ernstige studie van de groote aristocratische kunst, om absoluut _niets_ te doen. Hij had twee groote huizen in de stad, maar gaf er de voorkeur aan op kamers te wonen, omdat dit minder last gaf; hij at meestal in zijn club. Hij bemoeide zich een beetje met de exploitatie zijner kolenmijnen in het Graafschap Midland en waschte zich schoon van de smet dezer industrie met de bewering, dat het eenige voordeel van het bezit van kolen was, dat men met fatsoen hout kon branden in zijn eigen huis. In de politiek was hij een Tory, behalve wanneer de Tories de bovenhand hadden, want dan maakte hij ze kalm uit voor een hoop Radicalen. Hij was een held voor zijn knecht, die hem op den kop zat, en een schrik voor de meeste zijner familieleden, die hij weêr op zijn beurt op den kop zat. Alleen Engeland kon hem hebben voortgebracht, en toch, hij beweerde altijd, dat Engeland op de flesch ging. Zijne principes waren van voor den zondvloed, maar er was veel te zeggen voor zijn vooroordeelen.

Toen Lord Henry de kamer binnen kwam, vond hij zijn oom, in een dik jachtbuis, met een cigarette, brommende over de Times.

--Zoo Harry, sprak de oude heer, wat kom jij zoo vroeg doen? Ik dacht, dat jullie dandies nooit opstonden vóór tweeën en niet zichtbaar waren vóór vijven.

--Pure familie-affectie, dat verzeker ik u, oom George. Ik moet wat van u hebben.

--Geld natuurlijk, zei Lord Fermor met een leelijk gezicht. Nu, ga zitten en vertel de kwestie. Tegenwoordige jongelui denken, dat geld alles is.

--Ja, antwoordde Lord Henry, de bloem in zijn knoopsgat wat vaster zettend; en als ze ouder worden, dan weten ze het zeker. Maar ik kom niet om geld. Alleen menschen, die hun rekeningen betalen, hebben dat noodig. Krediet is het kapitaal van een jongeren zoon en je leeft er heel goed van. Buitendien ben ik altijd bij de leveranciers van Dartmoor en die laten me met rust. Wat ik noodig heb is informatie: geen nuttige natuurlijk, informatie zonder nut.

--Nu, ik kan je alles vertellen wat er staat in een Engelsch Blue-Book, hoewel de lui tegenwoordig een hoop nonsens schrijven. Toen ik bij de diplomatie was, was het veel beter. Maar ik hoor, dat ze ze tegenwoordig examens laten doen. Wat kan je daar dan ook van verwachten. Examens, meneer, zijn niets dan humbug van het begin tot het eind. Is iemand een heer, dan weet hij meer dan genoeg, en is hij het niet, dan is alles wat hij ook weet of kent, slecht voor hem.

--Mr. Dorian Gray behoort niet tot de Blue-Books, oom George? vroeg Lord Henry kwijnend.

--Mr. Dorian Gray? Wie is dat? vroeg Lord Fermor, zijn zware witte wenkbrauwen fronsend.

--Dat kom ik juist van u hooren, oom George, of liever, ik weet wie hij is. Hij is de kleinzoon van den laatsten Lord Kelso. Zijn moeder was een Devereux. Lady Margaret Devereux. Ik woû, dat u me wat van zijn moeder vertelde. Wat was ze voor een vrouw. Met wien is zij getrouwd? U heeft iedereen uit uw tijd gekend, dus haar zeker ook wel. Ik ben nogal geïnteresseerd in Mr. Gray voor het oogenblik. Ik heb hem pas ontmoet.

--Een kleinzoon van Kelso, herhaalde de oude heer. Een kleinzoon van Kelso!... Natuurlijk ... Ik heb zijn moeder heel goed gekend. Ik geloof, dat ik bij haar doop was. Zij was een pracht van een meid, Margaret Devereux, en zij heeft alle mannen dol gemaakt door weg te loopen met een jongen zonder een cent, meneer, een onderofficier bij de infanterie of zoo iemand. Wel ja, ik herinner me de heele geschiedenis, alsof het gisteren gebeurd was. De arme kerel werd een paar maanden na zijn huwelijk te Spa in een duel doodgeschoten. Dat was een leelijke historie. Ze zeggen, dat Kelso een gemeenen avonturier, een Belgischen schurk, heeft opgedragen zijn schoonzoon in het publiek te beleedigen--en hem ervoor betaald heeft, meneer, betaald heeft om het te doen; dat de kerel hem moest doorsteken alsof hij een hond was. De zaak is toen gesust geworden, maar, voor den donder, Kelso heeft een heelen tijd in de club alleen kunnen eten. Hij heeft zijn dochter weêr in huis genomen, heb ik gehoord, maar ze heeft nooit meer tegen hem gesproken. Ja, ja, het was een leelijke boel. En het meisje is ook gestorven binnen het jaar. En ze heeft dus een zoon nagelaten? Zoo, dat was ik vergeten. Wat is hij voor een jongen? Als hij op zijn moeder lijkt, is hij een knappe vent.

--Hij ziet er heel goed uit, bevestigde Lord Henry.

--Ik hoop, dat hij in goede handen valt, ging de oude man voort. Hij moest een hoop geld te wachten hebben, als Kelso voor hem gedaan heeft wat recht was. Zijn moeder had ook geld. Al het fortuin van de Selby's kwam ook aan haar, door haar grootvader. Haar grootvader had een haat aan Kelso, vond hem een gemeenen kerel. Nou, dat was hij ook. Is te Madrid geweest, toen ik er was. Waarachtig, ik schaamde me voor hem. De koningin vroeg me altijd naar dien Engelschman, die altijd standjes had met de koetsiers over hun fooien. Ze hadden er een heele legende van gemaakt. Ik heb me een maand lang niet aan het Hof durven vertoonen. Ik hoop, dat hij zijn kleinzoon beter behandelde?

--Dat weet ik niet, antwoordde Lord Henry. Ik geloof, dat hij er goed in zit. Hij is nog niet meerderjarig. Hij heet Selby, dat weet ik. Dat vertelde hij mij. En ... was zijn moeder zoo mooi?

--Margaret was een van de mooiste vrouwen, die ik ooit gezien heb, Harry. Wat haar ooit bezield heeft zoo iets te doen, begrijp ik nog niet. Zij kon iedereen gehad hebben, die zij woû. Carlington was gek op haar. Maar, ze was zoo romantisch uitgevallen. Trouwens, dat waren al de vrouwen uit die familie. De mannen waren niet veel bizonders, maar de vrouwen waren prachtig. Carlington is voor haar op zijn knieën geweest. Hij heeft het me zelf verteld. Ze lachte hem uit, en daar was geen meisje in Londen, dat niet op hem vlaste. A propos, Harry, over malle huwelijken gesproken, wat is dat toch voor een praatje van je vader, dat Dartmoor met een Amerikaansch meisje wil trouwen. Zijn de Engelsche meisjes niet goed genoeg voor hem?

--Het is mode tegenwoordig Amerikaansche meisjes te trouwen, oom George.

--Ik hoû het op de Engelsche vrouwen, Harry, donderde Lord Fermor en sloeg met de vuist op de tafel.

--De Amerikaansche zijn toch het meest gewild.

--Ze houden niet lang vol, hoor ik, mompelde zijn oom.

--Een lang engagement sloopt ze wel af, maar in een steeplechase zijn ze van staal. Ze doen de dingen vliegend. Ik geloof niet, dat Dartmoor er nog af zal kunnen.

--Ziet ze er aardig uit?

--Ze doet of ze heel mooi is. Dat doen de meeste Amerikaansche vrouwen. Het is het geheim van haar charme.

--Waarom kunnen die Amerikaansche vrouwen niet in hun eigen land blijven? Ze zeggen altijd, dat het daar het Paradijs voor vrouwen is.

--Dat is zoo. Maar dat is ook de reden, waarom ze, evenals Eva, er zoo vreeselijk graag uit willen, zei Lord Henry. Adieu, oom. Ik kom te laat voor de lunch als ik langer blijf. Dank voor de inlichtingen. Ik weet graag _alles_ van mijn nieuwe vrienden, en liefst niets van mijn oude.

--Waar ga je lunchen, Harry?

--Bij tante Agatha. Ik heb er mezelven geïnviteerd, met Mr. Gray. Hij is haar laatste protégé.

--Hm, zeg aan je tante Agatha, Harry, dat ze me niet meer komt zaniken met haar weldadigheidsinschrijvingen. Ik ben er wee van. Wel, het goede mensch denkt, dat ik niets te doen heb dan wissels in te vullen voor haar bevliegingen.

--All right, oom, ik zal het haar zeggen, maar het zal niet geven. Filanthropische menschen verliezen alle idee van menschelijkheid. Dat is hun grootste karaktertrek.

De oude heer bromde goedkeurend en belde voor de knecht. Lord Henry kwam door den lagen portiek in Burlingtonstreet en richtte zijne schreden naar Berkely Square.

Dat was dus de geschiedenis van Dorian Gray's afkomst. Rondweg verteld, had ze hem toch getroffen door den vreemden, bijna modernen roman, die er achter school. Een mooie vrouw, alles opofferend voor een dolle passie. Een paar weken van hartstochtelijk geluk, onderbroken door een lage, verraderlijke misdaad. Maanden van stomme smart, een kind in verdriet geboren. De moeder, door den dood weggerukt; de jongen, overgelaten aan de eenzaamheid en de tirannie van een ouden man zonder hart. Ja, het was een artistieke achtergrond. De jongen kwam er goed tegen uit; het volmaakte hem. Achter ieder mooi ding schuilt iets tragisch ...

Hoe bekoorlijk was hij geweest, den vorigen avond aan het diner, toen hij met verschrikte oogen en half geopende lippen in een genot vol huivering tegenover hem had gezeten in de club, waar de roode kaarsschermpjes de ontwakende verwondering op zijn gelaat nog warmer purperden! Tot hem te spreken was als het spelen op een fijnbesnaarde viool. Hij trilde bij iedere aanraking, iedere streek van den stok ...

Er was iets schrikkelijk bezielends in het uitoefenen van invloed. Geene andere bezigheid was aan die gelijk ... O, men kon van hem een wereldveroveraar of een stuk speelgoed maken. Hoe jammer, dat zoo iets moois vergaan moest ... En Basil, hoe interessant was die niet, uit een psychologisch oogpunt beschouwd. Een nieuwe manier in zijn kunst, een frissche blik op het leven, hem zoo vreemd ingegeven door het fyzieke bijzijn van iemand, die zich zijne eigene bekoring zoo geheel onbewust was.

...Ja, hij zoû probeeren te zijn voor Dorian Gray, wat de jongen, zonder het te weten, was voor den schilder, die dat portret gemaakt had. Hij zoû trachten hem te beheerschen, hij was inderdaad al goed op weg. Hij zoû die vreemde ziel tot zijn eigendom maken. Daar was iets boeiends in dat kind van Dood en Liefde.

Eensklaps stond hij stil, en zag op naar de gevels. Hij bemerkte, dat hij het huis zijner tante voorbij was, en, lachend over zichzelven, keerde hij terug. Toen hij de, ietwat donkere gang binnenkwam, zeide de butler hem, dat men reeds aan tafel was. Hij gaf een van de knechts hoed en stok en ging in de eetzaal.

IV.

Een maand later. Dorian Gray lag in een fauteuil in de bibliotheek van Lord Henry's huis in Mayfair.

Lord Henry was er zelve nog niet. Hij was laat uit principe; zijn principe was, dat stiptheid de dief van den tijd is. De jongen zag er wat gemelijk uit, terwijl hij met lustelooze vingers bladerde in een prachtexemplaar van Manon Lescaut, dat hij op een der boekenplanken had gevonden.

Het deftige, eentonige getik van de Louis XIV klok verveelde hem. Een paar malen had hij reeds weg willen gaan.

Eindelijk hoorde hij buiten een stap en de deur ging open.

--Wat ben je laat, Harry, sprak hij zacht.

--Ik vrees, dat het Harry niet is, Mr. Gray, antwoordde een hooge stem.

Hij wendde zich om, stond op.

--O pardon, ik dacht ...

--U dacht, dat het mijn man was. Het is maar zijn vrouw. Ik zal mijzelve maar voorstellen. Ik ken u heel goed door uw portretten. Ik geloof, dat mijn man er zeventien van heeft.

--Zeventien, Lady Henry?

--Nu, achttien dan. En ik zag u laatst met hem in de opera.

Zij lachte zenuwachtig, terwijl zij sprak en hem opnam met haar vage vergeet-me-niet-blauwe oogen. Zij was eene vreemde vrouw; haar toiletten schenen in een warrelwind ontworpen en in een stormwind aangedaan te zijn. Zij was gewoonlijk verliefd op iemand en daar hare passies nooit beantwoord werden, had zij al hare illuzies behouden. Zij deed haar best er schilderachtig uit te zien, maar bracht het niet verder dan slordigheid. Zij heette Victoria en had een manie van naar de kerk te gaan.

--Dat was met Lohengrin, Lady Henry, geloof ik.

--Ja, het was met dien heerlijken Lohengrin. Ik hoû het allermeest van Wagners muziek. Die klinkt zoo hard, dat je altijd door kan spreken, zonder dat iemand het hoort, vindt u niet, Mr. Gray?

Hetzelfde zenuwachtige staccato-lachje kwam weêr over hare dunne lippen en hare vingers speelden met een lang schildpadden vouwbeen.

Dorian glimlachte en schudde het hoofd.

--Ik vrees, dat ik het niet met u eens zal zijn, Lady Henry. Ik spreek nooit onder muziek, tenminste onder goede muziek. Wanneer men slechte muziek hoort, is het niet meer dan zijn plicht die te overpraten.

--O dat is iets van Harry, nietwaar Mr. Gray? Ik hoor altijd Harry's ideeën door zijn vrienden. Dat is voor mij de eenige manier ze te hooren. Maar u moet niet denken, dat ik niet van goede muziek hoû. Ik ben er dol op, maar ik ben er bang voor. Het windt me te veel op! Ik heb pianisten aangebeden, soms twee te gelijk, beweert Henry. Ik weet niet wat ze voor charme voor me hebben. Misschien is het omdat ze vreemdelingen zijn. Dat zijn ze toch allemaal, niet waar? Zelfs zij, die in Engeland geboren zijn, worden vreemdeling na een poosje, niet waar? Het is erg knap van hen, een heel compliment aan de kunst. Het wordt daardoor ook heel cosmopolitisch, vindt u niet? U is nooit op een van mijn soirées geweest, niet waar Mr. Gray. Maar u moet bepaald eens komen. Orchideeën zijn me te duur, maar ik spaar geen moeite om vreemdelingen te hebben. Zij stoffeeren een salon zoo aardig. Maar hier is Harry. Harry, ik kwam hier om je wat te vragen, ik ben het nu vergeten, en ik vond Mr. Gray. Wij hebben heel prettig samen gesproken over muziek. Wij hebben zoo precies dezelfde ideeën. O neen, toch niet, zij waren juist zeer uiteenloopend. Maar hij is heel aardig geweest. Ik ben blij hem ontmoet te hebben.

--Dat doet me pleizier, lieve, zeer veel pleizier, zei Lord Henry, de sikkels zijner donkere wenkbrauwen optrekkend en beiden aanziende met een glimlach van-voor-den-gek-houden ...

--Het spijt me, dat ik zoo laat ben, Dorian. Ik was uitgegaan op een stuk oud brokaat in Wardour Street en ik moest wel een uur bieden en loven. Tegenwoordig weet iedereen den prijs van alles en niemand de waarde van iets.

--Maar ik moet nu weg, riep Lady Henry, een benauwende stilte verbrekend, met haar kinderachtig lachje. Ik heb beloofd met de Hertogin te gaan rijden. Goeden dag, Mr. Gray. Adieu Harry. Je gaat zeker uit dineeren, niet waar? Ik ook. Misschien zie ik je nog wel bij Lady Thornburg.

--Dat kan wel, zei Lord Henry, de deur achter haar sluitend, terwijl zij de kamer uitzweefde, met iets van een paradijsvogel, die een nacht in den regen heeft gestaan, een geur van frangipani achter zich latend. Toen stak hij een cigarette op en wierp zich neêr op de bank.

--Trouw nooit een vrouw met geel haar, Dorian, zei hij, na een paar trekken.

--Waarom?

--Omdat ze zoo sentimenteel zijn.

--Maar ik hoû wel van sentimenteele menschen.

--Trouw nooit, Dorian. Mannen trouwen uit moêheid en vrouwen uit nieuwsgierigheid; beiden worden teleurgesteld.

--Ik geloof niet, dat ik ooit trouwen zal, Harry. Ik ben veel te verliefd. Dat is een van je aforismen. Ik breng ze nu in praktijk, zooals alles wat jij zegt.

--En wie is de gelukkige? vroeg Lord Henry na een pauze.

--Een actrice, zei Dorian Gray met een kleur. Lord Henry haalde de schouders op.

--Nog al een banaal debuut.

--Als je haar zag, zoû je dat niet zeggen, Harry.

--Wie is ze?

--Ze heet Sybil Vane.

--Nooit gehoord.

--Neen, niemand heeft van haar gehoord. Maar eens zal ze beroemd worden, want ze is een genie.

--Beste jongen, geen vrouw is ooit een genie. Vrouwen zijn het decoratieve geslacht. Ze hebben nooit veel bizonders te vertellen, maar wàt ze zeggen, zeggen ze aardig.

--Harry!

--Beste Dorian, het is de zuivere waarheid. Ik bestudeer op het oogenblik de vrouwen. Ik moet het dus wel weten. Ik ben tot de slotsom gekomen, dat er maar twee soorten van vrouwen zijn: leelijke en geverfde. Leelijke vrouwen zijn heel nuttig. Als je een reputatie van soliditeit wilt maken, heb je er maar een aan het souper te brengen. De andere vrouwen zijn allerliefst, maar ze hebben één fout. Ze verven zich om er jong uit te zien. Onze grootmoeders verfden zich om een brillante conversatie te hebben. Vroeger gingen rouge en esprit samen. Dat is nu voorbij. Zoolang een vrouw er tien jaar jonger uitziet dan haar dochter, is ze volmaakt tevreden.