Part 16
--O, alles wordt een genot als je het maar dikwijls genoeg doet, lachte Lord Henry. Dat is een van de grootste geheimen van het leven. Ik voor mij geloof, dat een moord altijd een vergissing is. Je moet nooit iets doen, waarover je na het diner niet praten kan. Maar laat ons nu Basil laten rusten. Ik woû, dat ik gelooven kon, dat hij een zoo romantisch einde heeft gehad, als je beweert, maar ik geloof het niet. Ik denk eerder, dat hij boven van een omnibus in de Seine viel, en dat de conducteur de zaak doodzweeg. Ja, dat geloof ik bepaald. Ik zie hem al liggen op zijn rug in dat vuile, groene water, terwijl zware booten over hem heen varen en lange wurmen zich in zijn haren hechten. Ik geloof niet, dat hij in staat was nog iets moois te leveren. De laatste tien jaren is zijn kunst erg achteruit gegaan.
Dorian zuchtte diep, en Lord Henry liep de kamer door en begon den kop van een Javaanschen papegaai te krauwen, een groote grijze vogel met roode borst en staart, die wiegelde op een bamboestokje.
Toen zijne puntige vingers het dier aanraakten sloot het de witte oogleden over de zwarte kralen van oogen en wiegde heen en weêr.
--Ja, ging hij voort; zijn kunst is erg achteruit gegaan. Het is net of er iets aan mankeerde, of het zijn ideaal verloren had. Toen jullie ophielden intieme vrienden te zijn, hield hij op een groot artist te wezen. Wat is er eigenlijk tusschen jullie gebeurd? Verveelde hij je? Dat zal hij je nooit vergeven hebben. Dat is een eigenschap van vervelende lui. A propos, wat is er toch geworden van dat mooie portret, dat hij van jou gemaakt heeft? Ik geloof niet, dat ik het ooit weêr gezien heb. O, ik herinner me, dat je me jaren geleden vertelde het naar Selby gezonden te hebben, en dat het onderweg zoek is geraakt. Heb je het nooit teruggekregen?! Jammer! Het was een meesterstuk. Ik herinner me, dat ik het koopen wilde. Had ik het maar gedaan! Het was een van Basils beste stukken. Na dien tijd is zijn werk een mengelmoes geworden van slecht schilderen en goede bedoelingen, het kenmerk van een Engelsch artist. Heb je er onderzoek naar gedaan? Dat moest je toch doen!
--Ik weet het niet meer, zei Dorian; ik geloof het wel. Maar ik gaf niet veel om het ding. Het spijt me nog, dat ik er voor gezeten heb. De herinnering alleen is mij al hatelijk. Waarom spreek je er over? Het herinnerde mij altijd aan die regels uit ... Hamlet, geloof ik ... hoe was het ook weêr:
Een gelaat zonder een hart.
Ja, daar had het veel van.
Lord Henry lachte.
--Als je het leven artistiek opneemt, zit je hart in je hersens, antwoordde hij, in een stoel zinkend.
Dorian Gray schudde het hoofd en sloeg een paar tonen aan op de piano.
--...Een gelaat zonder een hart! herhaalde hij.
Lord Henry lag achterover en zag naar hem met half gesloten oogen.
--Dorian, vroeg hij na een stilte; welk nut heeft de mensch of hij de geheele wereld wint en ... hoe was het ook weêr ... zijn eigen ziel verliest?
De muziek vervalschte en Dorian schrikte op en staarde zijn vriend ontzet aan.
--Waarom vraag je me dat, Harry?
--Maar mijn beste jongen, zei Lord Henry, verbaasd de wenkbrauwen optrekkend; omdat ik dacht dat jij er misschien het antwoord op zoû kunnen geven. Dat is alles. Verleden Zondag liep ik door het Park, en vlak bij Marble Arch stond een troepje arme lui te luisteren naar een gewonen straatprediker. En toen ik voorbij ging hoorde ik den man dien zin uitgillen. Het frappeerde me als iets dramatisch. Je vindt in Londen meer zulke effectjes. Een regenachtige Zondag, een onsmakelijke Christen in een regenjas, een kring van ziekelijk witte gezichten onder het gebroken dak van druipende parapluies, en een vreemden tekst uitgegalmd door schrille hysterische lippen, dat was een aardig effect, zoo alles bij elkaâr, iets als een suggestie. Ik dacht er nog over den profeet te vertellen, dat de kunst wèl een ziel, maar de mensch er geen heeft. Maar ik was bang, dat hij me toch niet begrepen zoû hebben.
--Harry, schei uit! De ziel is een realiteit, die verschrikkelijk is. Je kunt haar koopen, verkoopen, verdobbelen. Je kunt haar vergiftigen of je kunt er iets heel moois van maken. In ieder van ons is een ziel. Dat voel ik.
--Ben je daar wel heel zeker van, Dorian?
--Heel zeker.
--Dan is het een illuzie. De dingen, waar je zoo heel zeker van bent zijn nooit waar. Dat is het noodlottige van Geloof en de canon van het Romantisme. Wat ben je ernstig! Dat moet je niet zijn. Wat hebben jij of ik te maken met het bijgeloof van onze eeuw! Neen, wij gelooven immers niet meer aan een ziel. Speel eens wat. Een nocturne, Dorian, en vertel me dan onder het spelen, zachtjes, wat je gedaan hebt, om zoo jong te blijven. Daar moet je toch een geheim voor hebben. Ik ben maar tien jaar ouder dan jij, en ik ben gerimpeld en uitgeteerd en geel. Je bent bepaald een wonder, Dorian. Je hebt er nooit zoo goed uitgezien als van avond. Je herinnert me aan den eersten keer, toen ik je zag. Je was wat bleu, wat schichtig en zoo geheel en al iets buiten model. Je bent verandert, natuurlijk, maar niet in je uiterlijk. Ik woû, dat je mij je geheim vertelde. Om mijn jeugd terug te krijgen, zoû ik alles kunnen doen, behalve beweging nemen, vroeg opstaan en solide leven. Jong te zijn! Daar gaat toch niets boven. Het is bespottelijk om te praten over de onwetendheid van de jeugd. De eenige opinies waar ik naar luister, zijn de opinies van de jongeren. Zij zijn op ons vooruit. En de ouderen spreek ik altijd tegen. Dat doe ik uit principe. Als je hun opinie vraagt over iets, dat gisteren gebeurd is, geven ze je heel plechtig idees ten beste uit 1820, toen de menschen hooge hakken droegen, en alles geloofden en niets wisten. Wat is dat mooi, wat je daar speelde. Zoû Chopin het gecomponeerd hebben op Majorca met het weenen van de zee om zijn villa heen, en het zoute gesprinkel op de glazen? Het is iets bijzonder moois. Wat een geluk, dat er nog één kunst is, die het nabootst. Schei nog niet uit. Ik heb behoefte aan muziek van avond. Ik stel me zoo voor, dat jij Apollo bent, ik Marsyas, die naar je luistert. Ik heb veel verdriet, Dorian, verdriet van mijzelven, waar jij niets van weet. De tragedie van den ouderdom is niet, dat je oud wordt, maar dat je jong bent. Ik sta soms verbaasd over mijn eigen openhartigheid. O, Dorian, wat ben jij gelukkig! Wat heb jij een heerlijk leven gehad! Je hebt van alles genoten. Je hebt de druif tegen je verhemelte plat gedrukt. Niets is je verborgen gebleven. En dat alles is niets meer voor je geweest dan de klanken van muziek. Je bent er niet door bezoedeld, je bent dezelfde gebleven.
--Ik ben niet dezelfde, Harry.
--Ja, dat ben je wel. Hoe zal je verder leven zijn. Bederf het niet door onthoudingen; op het oogenblik ben je een type. Bederf niets aan jezelven. Je bent nu zonder fout. Je hoeft zoo niet je hoofd te schudden, je weet het zelf ook. Buitendien, Dorian, bedrieg jezelven niet. Je kunt het leven niet regeeren met wil of met bedoelingen. Het leven is een kwestie van zenuwen en spieren, en langzaam opgebouwde celletjes, waarin de gedachte schuilhoudt en de passie zijn droomen droomt. Je voelt je zeker van jezelven, je denkt sterk te zijn. Maar Dorian, ik zeg je, ons leven hangt af van een kleinigheid, een nuance, die je ziet in een lucht of in een kamer, een parfum, dat je eens lief was, dat nu wazige heugenissen in je optoovert; een regel uit een lang vergeten gedicht, dat je toevallig weêr ontmoet; een cadenz uit een stuk, dat je niet meer speelt. Er zijn momenten dat de geur van witte seringen over mij heen strijkt, en ik de vreemdste maand uit mijn leven weêr opnieuw moet doorvoelen. Ik woû, dat ik met je ruilen kon, Dorian. De wereld heeft veel over ons beiden gesproken, maar jou heeft ze toch altijd aangebeden. En dat zal ze je altijd blijven doen. Je bent het type van wat onze eeuw zoekt en wat ze vreest gevonden te hebben. Ik ben blij, dat je nooit iets gedaan hebt, nooit een beeld in marmer gehouwen, nooit een schilderij geschilderd, nooit iets geschapen hebt, behalve jezelven. Het leven is je kunst geweest. Je hebt jezelven op muziek gezet. Sonnetten zijn je levensdagen.
Dorian stond van de piano op, en streek zich met de hand door het haar.
--Ja, het leven is voor mij geweest als een exquize kunst, en toch Harry, zal ik niet meer dat zelfde leven leven. En je moet niet zoo overdreven tot me spreken. Je weet niet alles van me. Ik geloof, dat zoo je alles wist, zelfs jij je van mij af zoû wenden. O, je lacht. Lach niet Harry!
--Waarom speel je niet meer, Dorian? Toe, speel die nocturne nog eens over. Zie die groote gele maan daar hangen in een lucht van mist. Ze wacht, dat je haar bekoren zal, en als je speelt zal ze dichter bij de aarde komen. Wil je niet? Ga dan meê naar de club. Het is een gezellige avond geweest en we zullen hem ook prettig eindigen. Daar is iemand bij White, die erg verlangend is kennis met je te maken: de jonge Lord Poole, de oudste zoon van Bournemouth. Hij draagt al dezelfde dassen als jij, en vroeg mij hem aan je voor te stellen. Hij is een charmante jongen--en laat me wel wat aan jou denken.
--Dat hoop ik niet, zei Dorian, met een treurige blik in de oogen. Maar ik ben wat moê, Harry. Ik ga liever niet meê naar de club. Het is bij elven, en ik ga vroeg naar bed.
--Kom, blijf nog wat op. Je hebt nooit zoo mooi gespeeld als van avond. Je hadt in je aanslag een uitdrukking, die ik er nooit van te voren in gehoord heb.
--Dat komt misschien omdat ik braaf ga worden, antwoordde hij met een glimlach. Ik ben al een beetje veranderd.
--Voor mij kan je nooit veranderen, Dorian. Wij zullen altijd vrienden blijven.
--En toch heb je me eens vergiftigd met een boek. Dat kan ik je niet vergeven. Harry, beloof me, dat je dat boek nooit aan een ander zal leenen. Het maakt slecht.
--Jongenlief, je begint waarachtig te moralizeeren, en dat moet je niet doen: je bent er veel te amusant voor. En wat geeft het. Jij en ik zijn wat we zijn en zullen dat ook altijd blijven. En dat je vergiftigd bent door een boek, dat is onmogelijk. Kunst heeft geen invloed op je handelingen. Het vernietigt integendeel je kracht tot handelen. De boeken, die de wereld immoreel vindt, zijn die, welke de wereld haar eigen schande toonden. Dat is alles. Maar laat ons niet over litteratuur praten. Kom je morgen bij me? Ik ga om elf uur rijden. We kunnen dan samen gaan dejeuneeren bij Lady Branksome. Ze is een aardige vrouw en ze woû je raadplegen over een paar gobelins, die ze koopen wil. Zal je komen? Of wil je liever lunchen met ons hertoginnetje. Heb je misschien genoeg van Gladys? Ik kan het me best begrijpen. Haar vlug tongetje werkt op je zenuwen. Enfin, kom in ieder geval om elf uur.
--Is het bepaald noodig, Harry?
--Natuurlijk. Het Park is nu beeldig. Ik geloof, dat de seringen in jaren niet zoo prachtig gebloeid hebben.
--Nu ik zal komen, zei Dorian. Goeden nacht, Harry.
Bij de deur aarzelde hij even, als had hij nog iets te zeggen.
XIX.
Het was een heerlijke avond zoo warm, dat hij zijn jas over zijn arm nam, en zelfs de zijden das niet om zijn hals sloeg. Terwijl hij naar huis wandelde, een cigarette rookend, gingen twee jongelui in rok hem voorbij. Hij hoorde ze fluisteren:
--Dat is Dorian Gray.
Hij herinnerde zich hoe heerlijk hij het vroeger vond, wanneer men naar hem wees, hem aankeek of over hem sprak. Nu was hij moê van zijn eigen naam te hooren. Een groote bekoring van het kleine dorpje, waar hij den laatsten tijd zoo vaak geweest was, was dat niemand daar zijn naam wist.
Hij had het meisje, dat hij betooverd had hem lief te hebben, verteld, dat hij arm was, en zij had hem geloofd. Hij had haar eens gezegd, dat hij heel slecht was, en zij had gelachen en geantwoord, dat slechte menschen altijd oud en leelijk zijn. Wat klonk haar lach! als het geparel van een leeuwerik. En hoe lief zag zij er uit in haar katoenen japonnetje en grooten strooien hoed. Ze wist niets, maar zij bezat alles, wat hij verloren had.
Thuis vond hij den knecht nog op hem wachten. Hij zond hem naar bed, en wierp zich neêr op de bank in zijn bibliotheek en dacht na over wat Lord Henry gezegd had.
Zoû het waar zijn, dat een mensen nooit veranderen kan? Hij gevoelde een intens verlangen naar de smettelooze reinheid zijner jeugd, zijner bloesemblanke jeugd, zooals Lord Henry eens gezegd had. Hij wist, dat hij zichzelven had bezoedeld, zijn geest had verdorven, zijn verbeelding had wanschapen en dat hij een duivel was geweest voor anderen; en dat hij er een helsch genot in had gevonden dat te zijn, en dat hij de schoonste, de bloeiendste levens, die hij had ontmoet, tot schande had gebracht. Maar was dit alles dan onherroepelijk? Was er dan geen hoop meer voor hem!
Oh! in welk monsterachtig oogenblik van ijdelheid en passie had hij dan gebeden, dat het portret den last zijner dagen zoû torsen, opdat hijzelve de vlekkelooze glorie der eeuwige jeugd zoû dragen. Dat was de schuld van alles. Het ware hem beter geweest zoo iedere zonde in zijn leven de straf onverbiddelijk met zich had meêgesleept. Daar was reiniging in straf. De mensch moest niet bidden: Vergeef ons onze zonden, maar kastijd ons voor onze ongerechtigheden!
De fijn gebeeldhouwde ivoren spiegel, dien Lord Henry hem gegeven had, jaren geleden, stond op de tafel, en de blanke amortjes dartelden er om rond als altijd. Hij nam dien op, zooals hij deed den avond van afschuw, toen hij voor het eerst de verandering bemerkt had op het noodlottig portret, en nu blikte hij met vochtige oogen in de gepolijste diepte.
Hem was eens een wanhopige brief geschreven door iemand die hem afgodisch liefhad, en die brief eindigde met de opgewonde woorden: de wereld is verouderd, omdat jij van goud en ivoor bent; door jouw lippen wordt de historie weêr opnieuw geschreven.
Die zin drong zich bij hem op en hij herhaalde ze telkens en telkens weêr. Toen vervloekte hij zijn eigen schoonheid en den spiegel op den grond smijtend, vertrapte hij hem met den voet tot zilveren gruizels. Zijne schoonheid had hem ten onder gebracht, zijne schoonheid en jeugd, voor welks behoud hij gebeden had. Zonder deze twee factoren zoû zijn leven vrij zijn gebleven van iederen smet. Zijne schoonheid was hem slechts een masker, zijn jeugd een narrenpak geweest.
Wat was jeugd? Een tijd van groene wrangheid, een tijd van kleine verlangens, van ziekelijke gedachten. Waarom had hij dan die liverei gedragen? Zijn jeugd had hem bedorven.
Het was beter niet te denken aan het verleden. Niets kon dat veranderen. Hij moest aan zichzelven en aan zijn toekomst denken.
James Vane lag in een onbekend graf in het kerkhof van Selby Royal. Alan Campbell had zich dood geschoten in zijn laboratorium, maar het geheim, dat hij gedwongen was geweest te kennen, niet geopenbaard. De drukte over Basil Hallwards verdwijning zoû weldra voorbij zijn. Ze was nu reeds verflauwd. Hij was volmaakt veilig. Bovendien was het ook niet Basils dood, die hem het meest drukte. Het was de levende mummie zijner ziel, die hem het zeerst verontrustte. Basil had het portret geschilderd, waardoor zijn leven bedorven was. Hij kon hem dat niet vergeven. Het portret was de schuld van alles. Basil had harde dingen tegen hem gezegd, en toch had hij ze lijdzaam aangehoord. De moord was de opgewondenheid geweest van één oogenblik.
En Alan Campbells zelfmoord was diens eigen zaak. Hij had het zoo gewild. Daar kon hij, Dorian, niets aan doen.
Een nieuw leven! Dat was wat hij wenschte.
Daar wachtte hij op. Hij was immers al begonnen. Een onschuldig schepsel had hij gespaard. Hij zoû de onschuld niet meer verleiden. Hij zoû braaf worden. Denkend aan Hetty, vroeg hij zich af, of het portret boven in de gesloten kamer ook veranderd zoû zijn. Het kon toch zoo afschuwelijk niet meer wezen. Misschien, zoo zijn leven rein werd, zoû hij iederen trek van wreede passie op het gelaat kunnen uitwisschen. Wellicht was er al iets verzacht. Hij zoû gaan zien.
Hij nam de lamp van de tafel en sloop naar boven. Terwijl hij de deur opensloot, verlichtte een glimlach van genot zijn vreemd jong gezicht en verwijlde even om zijn lippen. Ja, hij zoû goed worden, en het ding, dat hij steeds verborgen hield, zoû geen schrik meer voor hem zijn. Het was hem of al een gewicht van hem werd afgenomen.
Hij trad snel binnen, sloot de deur achter zich, volgens gewoonte, en rukte het purperen gordijn voor het portret weg. Hij stiet een kreet van verontwaardiging uit. Hij zag geene verandering, dan dat er in de oogen iets geslepens blonk en een rimpel van veinzerij zich om den mond krulde. Het was nog altijd een ding van afschuw--zoo mogelijk nog terugstootender dan vroeger--en het roode zweet, dat parelde op de hand scheen heller en was als pas gestort bloed. Hij beefde. Was het dan ijdelheid geweest, die hem die goede daad had doen begaan? Of was het zucht geweest naar nieuwe sensatie, zooals Lord Henry beweerd had niet zijn lach vol spot. Of was het die passie tot comedie spelen, welke ons vaak een rol doet spelen, edeler dan ons-zelven? Of was het misschien dat alles te zamen? En waarom was de roode vlak grooter dan te voren? Ze scheen als een melaatschheid te vreten over de gerimpelde vingers. Zelfs op de voeten lag bloed als was het daarop neêrgedrupt, zelfs bloed op de hand, die het mes niet had vastgehouden. Bekennen? Zoû het meenen, dat hij zijn misdaad moest bekennen? Zichzelven aangeven en ter dood doen veroordeelen? Hij lachte. Hij gevoelde, dat de gedachte alleen reeds onmogelijk was. Buitendien, zelfs al bekende hij, wie zoû hem gelooven? Van den vermoorde man was geen spoor meer te vinden. Alles wat hem behoorde was vernietigd geworden. Wat er beneden van hem gebleven was, had hij verbrand. De wereld zoû hem gek verklaren. Men zoû hem opsluiten, zoo hij volhield ... toch was het zijn plicht te bekennen, openlijk zijne schande te lijden, openlijk zijn straf te ondergaan. Er was een God, die de menschen opriep om hunne zonden te belijden voor de aarde en voor den hemel. Niets kon hem meer zuiveren vóór hij zijne zonden beleden had. Zijne Zonde! Hij haalde de schouders op.
Basils dood scheen hem van weinig beteekenis toe. Het was een onrechtvaardige spiegel, de spiegel van zijn ziel, waarin hij blikte. IJdelheid? Veinzerij? Was er dan niets anders geweest in zijne zelfonthouding? Ja, er was meer geweest. Ten minste, hij meende het. Maar wie kon het zeggen?... Neen. Er was niets meer in geweest. Uit ijdelheid had hij haar gespaard. Uit huichelarij had hij het masker van braafheid gedragen. Uit nieuwsgierigheid had hij die zelfonthouding beproefd. Dat zag hij nu alles in.
Maar die moord, zoû die hem zijn geheele leven achtervolgen? zoû zijn verleden steeds als een last op hem blijven drukken?
Moest hij waarlijk bekennen? Nooit! Slechts één bewijs bestond er tegen hem. Het portret, dat was het bewijs. Hij zoû ook dit vernietigen. Waarom het zoo lang bewaard? Eens had hij er genoegen in gevonden het te zien veranderen en verouderen. Sinds lang was dit genoegen voorbij. Het hield hem 's nachts wakker. Als hij weg was geweest, had hij angsten gevoeld, dat andere oogen het zouden zien. Het had melancholie gebracht over zijne passies. De herinnering er aan had hem menig oogenblik van genot vergald. Het was hem geweest als een geweten. Ja, het was zijn geweten zelve. Hij zoû het vernietigen.
Hij zag rond en bemerkte het mes waarmeê Basil Hallward vermoord was. Hij had het vele malen schoongemaakt, tot er geen smetje meer op bleef. Het was schoon en het glinsterde. Zooals het den schilder gedood had, zoo zoû het nu ook zijn werk vernietigen en alles wat daarmeê samenhing. Het zoû het verleden dooden, en was dat eenmaal dood, dan was hij vrij. Het zoû dat gruwelijk leven van zijn ziel vermoorden en zonder die afgrijselijke waarschuwing, zoû hij tot rust komen. Hij greep het mes en stootte naar het portret.
Er klonk een kreet en een val. De schreeuw klonk zoo verschrikkelijk, als in doodsangst, dat de bedienden wakker schrikten en uit hunne kamers slopen. Twee heeren, die op straat voorbij gingen, stonden stil en zagen op naar het groote huis. Zij liepen door tot zij een agent ontmoetten en brachten hem meê terug. De agent belde eenige malen, maar er kwam geen antwoord. Behalve het licht boven voor een der zoldervensters, was het geheele huis donker. Na een pooze ging hij terug en zette zich onder een portiek dicht bij, en zag toe.
--Wie woont daar? vroeg de oudste der twee heeren.
--Meneer Gray, meneer, antwoordde de agent.
Zij zagen elkaâr aan en liepen verder, een trek van minachting op het gelaat. Binnen stonden de half gekleede bedienden bij elkaâr en fluisterden zacht. De oude Mrs. Leaf schreide en wrong de handen. Francis zag zoo bleek als een doek.
Na een kwartier sloop hij met den koetsier en een van de knechts naar boven. Zij klopten ... geen antwoord. Ze riepen ... alles bleef stil. Eindelijk, daar de deur niet ontsloten kon worden, klommen zij over het dak en kwamen zoo op het balcon. De ramen gingen gemakkelijk open, de grendels waren oud.
Toen zij binnenkwamen vonden zij tegen den muur een portret van hun meester, in al zijne schoonheid en jeugd, zooals zij hem het laatst gezien hadden. Op den grond lag een doode man in rok, met een mes door het hart. Zijn gelaat was verwrongen, gerimpeld en leelijk. Zij herkende hem alleen aan zijn ringen.
DEN HAAG, Febr. '93.
End of Project Gutenberg's Het portret van Dorian Gray, by Oscar Wilde