Part 15
Maar misschien was het slechts verbeelding, die de wraak had opgeroepen en folterstraffen voor zijne oogen deed verrijzen! Het leven was een chaos, maar er was zoo iets verschrikkelijk logisch in de verbeelding. Het was de verbeelding, die het berouw aanhitste op de zonde! Het was de verbeelding, die iedere misdaad bevruchtte met misvormd gebroedsel. In het gewone leven der feiten werd de zonde niet gestraft, noch de deugd beloond. De sterke overwon, de zwakke moest het onderspit delven. Dat was al. Buitendien, als een vreemde zoo geslopen had om het huis, zoû hij toch gezien zijn door de tuinlui of de opzichters. Hadden er voetstappen gestaan op de bloemperken, dan zouden de tuinlui het aangegeven hebben. Ja, het was zuivere verbeelding; Sibyl Vane's broêr was niet teruggekomen om hem te vermoorden. Hij was weggezeild op zijn schip en ergens op zee. Voor hem was hij in ieder geval veilig. De man wist immers niet wie hij was, kon het ook nooit weten. Het masker der jeugd had hem gered. Maar al was het ook slechts een spel der verbeelding geweest, hoe verschrikkelijk was het toch te denken, dat het geweten zoo afschuwelijke spoken kon oproepen, ze een vorm kon geven, ze kon doen bewegen, voor ons heen! Wat zoû zijn leven zijn, zoo die spooksels zijner zonden hem bij dag en nacht uit stille hoekjes aangluurden, hem uit schuilplaatsen uitlachten, hem in het oor fluisterden als hij aan een diner zat, en hem wekten met ijzige vingers, als hij sliep. Terwijl deze gedachte in zijn brein kroop, werd hij bleek van ontzetting; de atmosfeer om hem heen scheen te verkillen. O! in een uur van krankzinnigheid had hij zijn vriend vermoord! Spookachtig was de herinnering aan die scène. Hij zag het alles weêr. Iedere kleinigheid kwam met wreede juistheid bij hem op. Uit de zwarte spelonk van den tijd rees het beeld zijner zonde, als een purper fantoom van ontzetting. Toen Lord Henry om zes u bij hem kwam vond hij hem snikken, als zoû zijn hart breken.
Den derden dag eerst durfde hij naar buiten gaan. Er was iets in de heldere, dennengeurende lucht van dien wintermorgen, dat hem vroolijkheid en levenskracht scheen terug te geven.
Na het ontbijt wandelde hij een uur langer met de hertogin in den tuin, en reed toen door het park om zich bij de jagers te voegen. Heele fijne ijzel lag als zout op het gras. De lucht was een klok van blauw metaal. Een dun vliesje ijs voor aan de rieten boorden van het meer. Aan den hoek van een dennenbosch zag hij Sir Geoffry Clouston, den broêr der hertogin, die een paar geketste kogels uit zijn geweer haalde. Hij sprong van zijn wagentje af, beval den groom naar huis te gaan, en baande zich een weg naar zijne gasten, door het verdorde hakhout.
--Goede jacht, Geoffry? vroeg hij.
--Niet al te best, Dorian. Ik denk, dat de vogels allemaal naar het open veld zijn getrokken. Het zal na het lunch wel beter gaan, als we op het nieuwe terrein jagen.
Dorian wandelde naast hem voort. De scherp gekruidde lucht, de bruine en roode lichtjes, die in het bosch schitterden van tijd tot tijd, de kreten der drijvers en daarop het knallen der geweren, deed hem aangenaam aan, vervulde hem met zalig gevoel van vrijheid. Hij werd overheerscht door eene zorgeloosheid van geluk, door de onverschilligheid van het genot.
Op eens sprong er uit een hoopje verdord gras, enkelen afstand voor hem uit, een haas, de zwartgestipte ooren steil overeind, de lange achterpooten rechtuit gestrekt. Hij vluchtte naar een elzenboschje. Sir Geoffrey legde aan, maar er was iets in de gracieuze bewegingen van het dier, dat Dorian bekoorde, en hij riep:
--Niet schieten, Geoffrey, laat hem!
--Wat een nonsens, Dorian! lachte de ander, en toen de haas in het boschje sprong, vuurde hij. Twee kreten werden gehoord, de kreet van een haas in pijn, die verschrikkelijk is, de kreet van een mensch in doodsnood, die vreeslijker klinkt.
--Groote God! Ik heb een van de drijvers getroffen, riep Sir Geoffrey uit. Wat een ezel ook om voor de geweren te komen. Hoû op met schieten! riep hij zoo hard mogelijk; er is iemand geraakt!
De opperjager kwam aanloopen, een stok in de hand.
--Waar meneer? Waar is hij? riep hij uit. Tegelijkertijd hield het vuren overal op.
--Hier, antwoordde Sir Geoffry ontstemd, ijlend naar het boschje. Waarom hoû je je menschen toch niet uit den weg? Mijn geheele dag is er door bedorven.
Dorian volgde hen met den blik toen zij in het elzenboschje drongen en de buigzame, dunne takken op zij schoven. Spoedig verschenen zij weêr, zij trokken een lichaam achter zich voort, in het zonlicht. Hij keerde zich om in afschuw. Het was hem of het ongeluk hem volgde waar hij ging. Hij hoorde Sir Geoffry vragen of de man waarlijk dood was; toen het ja van de jager. Het was hem of het bosch begon te leven, als met vele gezichten. Hij hoorde het getrappel van duizenden voeten, het doffe gemurmel van stemmen. Een groote fazant, met koperkleurige borst, fladderde door de takken boven hen.
Na eenige oogenblikken, eindelooze uren van marteling, voelde hij een hand op zijn schouder. Hij schrikte, en zag om.
--Dorian, zei Lord Henry; zoû ik maar niet zeggen, dat de jacht van daag moet ophouden. Het staat niet om er meê door te gaan.
--Ik woû, dat ze nooit meer jaagden, Harry! antwoordde hij bitter. Het is verschrikkelijk wreed. Zoû de man waarlijk ...
Hij kon zijn zin niet voleindigen.
--Ik vrees van ja, hernam Lord Henry. Hij kreeg het volle schot in de borst. Hij moet bijna onmiddelijk dood geweest zijn. Kom, ga meê naar huis.
Zij liepen samen in de richting van de laan, en spraken geen woord. Eindelijk zag Dorian Lord Henry aan, en, met een zucht:
--Het is een slecht teeken Harry, een slecht voorteeken.
--Wat? vroeg Lord Henry. O, dit ongeluk zeker. Maar kerel, daar kon niemand iets aan doen. Het was zijn eigen schuld. Waarom kwam hij ook voor de geweren? Buitendien, hebben wij er heelemaal niets meê te maken. Het is natuurlijk heel vervelend voor Geoffrey. Je mag zoo maar geen drijvers schieten. En de menschen zullen zeggen, dat hij een slecht jager is. Nu dat is niet zoo. Geoffrey mikt uitstekend. Maar het geeft niets of we daar nu al over spreken.
Dorian schudde het hoofd.
--Het is een slecht voorteeken, Harry. Ik heb een gevoel of er iets vreeselijks gebeuren zal met iemand van ons. Misschien met mij, voegde hij er bij, en streek zich met de hand langs de oogen als had hij pijn.
Lord Henry lachte.
--Het eenige vreeselijke in de wereld is je te vervelen, Dorian. Dat is de eenige zonde, waarvoor geen vergeving is. Maar daar zullen wij geen last van hebben, als ze er tenminste niet over kakelen aan het diner. Ik zal ze zeggen, dat ze er niet over moeten spreken. En dan, er bestaan geen voorteekens. Het noodlot zendt heusch geen herauten uit. Trouwens, wat zoû jou nu kunnen gebeuren? Je hebt alles wat een mensch maar verlangen kan. Iedereen zoû met je willen ruilen.
--En ik zelf zoû met den eerste den beste willen ruilen, Harry, lach niet. Ik zeg de waarheid. De stakkerd die pas doodgeschoten is, is er beter aan toe dan ik. Ik ben niet bang voor den dood zelf. Het is het aankomen van den dood, dat me zoo akelig maakt. Het is of ik zijn vale vleugels hoor wapperen in de zware lucht om mij heen ...! Groote God! Zie je daar niemand achter de boomen, die mij beloert?
Lord Henry zag in de richting die de trillende hand wees.
--Ja, zeide hij, met een glimlach; ik zie den tuinman. Hij zal je moeten vragen, welke bloemen je van avond voor je tafel hebben wilt. Wat ben je toch nerveus. Je moet maar eens met me meêgaan naar mijn dokter als we weêr in de stad zijn.
Dorian slaakte een zucht van verlichting toen hij den tuinman naderbij zag komen. De man kwam even aan zijn hoed en zag aarzelend naar Lord Henry. Toen haalde hij een brief te voorschijn, dien hij zijn meester overhandigde.
--De hertogin zei mij, op antwoord te wachten, fluisterde hij.
Dorian stak den brief in zijn zak.
--Zeg aan de hertogin, dat ik zoo thuis kom, zei hij koel. De man keerde terug naar het huis.
--Wat kunnen vrouwen toch gewaagde dingen doen! lachte Lord Henry. Het is een van haar kwaliteiten, die ik het meest bewonder ... Een vrouw zal met den eersten den besten man flirten, zoolang er maar iemand is, die er op let.
--En wat kan jij gewaagde dingen zeggen, Harry. Op het oogenblik ben je glad mis. Ik vind het hertoginnetje heel aardig, maar ik hoû niet van haar.
--En het hertoginnetje houdt heel veel van jou, maar vindt je niet bizonder aardig, dus jullie staan gelijk.
--Je spreekt kwaad, Harry, en kwaadsprekerij is altijd ongegrond.
--De bazis van ieder schandaaltje is een onzedelijke zekerheid, zei Lord Henry, een cigarette opstekend.
--Je ontziet niemand of niets, als het je te doen is om een epigram, was het antwoord.
--Ik woû, dat ik kon liefhebben! Maar ik schijn de passie verloren en den lust er toe vergeten te hebben. Ik ga te veel op in mijzelven. Mijn eigen persoon is mij een last geworden. Ik wil weg, ver weg, en vergeten. Het was dom van me hier te komen. Ik zal Harvey telegrafeeren om mijn yacht uit te rusten. Op een schip ben je pas veilig.
--Veilig waarvoor? Dorian? Je zit in moeilijkheid. Waarom zeg je mij het niet? Je weet, ik zoû je helpen.
--Ik kan het je niet zeggen, Harry, antwoordde hij treurig. En misschien is het ook maar verbeelding van me. Dit ongeluk heeft mij overstuur gemaakt. Ik heb een afschuwelijk voorgevoel, dat zoo iets ook met mij zal gebeuren.
--Wat een nonsens!
--Ik hoop het niet, maar ik voel het toch. O! daar is de hertogin; ze ziet er uit als Artemis in een tailor made toilet. U ziet, we zijn terug, mevrouw.
--Ik weet er alles van, Mr. Gray, antwoordde zij. Die arme Geoffrey is er heel naar onder. En het schijnt, dat u hem net nog vraagde, niet te schieten, niet waar? Hoe vreemd!
--Ja, het was heel vreemd. Ik weet niet, hoe ik daartoe kwam. Een gril, denk ik. Het beestje zag er zoo aardig uit. Maar het spijt me, dat ze u verteld hebben van dien man. Het is een verschrikkelijke geschiedenis.
--Een verschrikkelijke geschiedenis! viel Lord Henry in. Het heeft niet de minste psychologische waarde. Als Geoffrey het expres gedaan had, zoû het veel interessanter zijn. Ik woû, dat ik iemand kende, die een moord begaan had.
--Harry, je bent verschrikkelijk! riep de hertogin. Vindt u ook niet, Mr. Gray? Harry, Mr. Gray wordt weêr niet wel! Hij zal flauw vallen.
Dorian overheerschte zich en glimlachte.
--Het is niets, murmelde hij; mijn zenuwen zijn wat in de war. Dat is alles. Ik heb zeker te ver geloopen van morgen. Ik heb niet gehoord wat Harry zei. Was het erg slecht? U moet het mij bij gelegenheid vertellen. Ik denk, dat ik nu wat zal gaan liggen. U excuseert me, niet waar?
Ze hadden de breede trap bereikt, die van de serre leidde naar het terras. Toen de deur zich achter Dorian sloot, zag Lord Henry de hertogin aan met zijne half geloken oogen.
--Hoû je erg veel van hem? vroeg hij.
Zij antwoordde eerst niet, en staarde naar het parkgezicht buiten.
--Ik woû, dat ik het wist, zei ze ten laatste.
Hij schudde het hoofd.
--Kennis is noodlottig. Onzekerheid bekoort. In een schemerlicht zijn de dingen veel mooier.
--Maar je kan dan verdwalen.
--Alle wegen komen op het zelfde punt uit, Gladys-lief.
Welk punt?
--Desilluzie.
--Dat was mijn debuut in het leven, zuchtte zij.
--Het kwam gekroond tot je.
--Ik heb genoeg van fleurons.
--Ze staan je toch goed.
--Alleen in het publiek.
--Je zoû ze missen.
--Ik zal ook geen blaadje weg doen ...
--Pas op, Monmouth zal hooren ...
--De ouderdom is hardhoorig.
--Is hij nooit jaloersch geweest?
--Ik woû het.
Hij zag rond als zocht hij iets.
--Wat zoek je? vroeg zij.
--Het dopje van je floret, antwoordde hij. Je hebt het laten vallen.
Zij lachte.
--Ik heb mijn masker nog.
--Dat maakt je oogen nòg mooier.
Zij lachte weêr. Hare tanden waren als de blanke pitten in een purperen vrucht.
In zijne kamer lag Dorian Gray op een bank, terwijl een angst tintelde in iedere zenuw van zijn lichaam. Het leven was hem plotseling te zwaar geworden. De dood van den ongelukkigen drijver scheen hem een noodlottig teeken toe. Hij was bijna flauw gevallen bij wat Lord Henry zei in cynische scherts.
Om vijf uur belde hij den knecht, gaf zijne orders om in te pakken voor den nachttrein naar Londen, en bestelde den brougham voor half negen. Hij wilde geen nacht langer in Selby Royal slapen. Het was een noodlottige plaats. De dood wandelde hier rond in den zonneschijn. Het gras in het bosch was gedrenkt met bloed.
Toen schreef hij aan Lord Henry, dat hij naar de stad ging om zijn dokter te consulteeren en vroeg hem tevens de honeurs waar te nemen bij zijne gasten. Terwijl hij het briefje in een enveloppe schoof, werd er geklopt en kwam de knecht zeggen, dat de opperjager hem spreken wilde. Zijn voorhoofd rimpelde zich en hij beet zich op de lip.
--Laat hem binnenkomen, sprak hij na korte aarzeling.
Zoodra de man binnenkwam, nam Dorian zijn cheque-boek uit een lade, en legde het open vóór zich.
--Je komt zeker voor dat ongeluk van van morgen, Thomson? zei hij, eene pen opnemend.
--Ja meneer.
--Was de arme kerel getrouwd? Laat hij familie achter? Dan zal ik ze geld zenden, zooveel als je denkt, dat ze noodig hebben.
--Wij weten niet, wie hij is, meneer. Dat kwam ik u juist zeggen.
--Weet je niet wie hij is? vroeg Dorian mat.
--Wat meen je? Was hij dan niet een van de drijvers?
--Neen, meneer. Niemand heeft hem vroeger ooit gezien, hij lijkt wel een matroos of zoo iets.
De pen viel Dorian uit de hand; het was of zijn hart plotseling stil stond.
--Een matroos? riep hij uit. Een matroos, zeg je?
--Ja meneer. Ik geloof het wel, hij is tenminste getatoueerd op beide armen.
--Is er iets bij hem gevonden? zei Dorian voorover leunend en den man gejaagd aanziend.
--Iets waaruit je zijn naam kan opmaken?
--Wat geld, meneer, niet veel en een revolver. Daar was geen naam op of iets. Hij ziet er vrij fatsoenlijk uit, wat ruw. Ik geloof zeker een matroos.
Dorian sprong op. Een machtige hoop fladderde door hem heen.
Hij klampte er zich aan vast.
--Waar is het lijk? riep hij. Gauw, ik moet het zien.
--Het ligt in een leêge stal in de Home Farm. De menschen willen zoo iets liever niet in huis hebben. Ze zeggen, dat een lijk ongeluk aanbrengt.
--De Home Farm! ga gauw vooruit, ik kom dadelijk. Zeg aan den groom om mijn paard te zadelen. Neen het hoeft niet. Ik zal zelf naar de stallen gaan. Dat gaat gauwer.
In minder dan een kwartier galoppeerde Dorian Gray zoo hard hij kon de lange laan door. De boomen zweefden als een spectrale processie langs hem heen, en wilde schaduwen wierpen zich voor hem neer op het pad. Het paard schrikte voor een wit hek en wierp hem bijna af. Hij ranselde het met zijn karwats. Het doorkliefde de lucht als een pijl. De steenen vlogen onder zijn hoeven weg.
Hij bereikte Home Farm. Twee mannen stonden in den hof. Hij sprong uit het zadel en wierp ze zijn teugels toe. In den versten stal glinsterde een lichtje. Er was iets, dat hem zeide, dat daar het lijk lag, en hij ging naar de deur en legde de hand op den knop.
Toen aarzelde hij even, voelende, dat hij iets ontdekken zoû, waaraan zijn leven hing. Daarna wierp hij de deur open, en trad binnen.
Op een hoop zakken, in een hoek, lag het lijk van een man, gekleed in een grof hemd en een blauwe broek. Een gevlekte zakdoek was over het gezicht gespreid. Een kaars in een flesch spatterde er naast.
Dorian Gray rilde. Hij voelde, dat zijne hand dien zakdoek niet weg kon nemen en riep een van de boerenknechts om bij hem te komen.
--Neem dat ding van het gezicht weg. Ik wil hem zien, sprak hij, en pakte de deurpost als steun.
Toen de knecht het gedaan had, trad hij wat vooruit. Een jubelkreet kwam over zijne lippen. De man, die in het boschje was doodgeschoten, was James Vane.
Hij bleef nog eenige oogenblikken staren op het lijk. Toen hij naar huis reed, stonden zijn oogen vol tranen; hij wist, dat hij nu veilig was.
XVIII.
--Het geeft je toch niet of je mij al vertelt, dat je braaf gaat worden, riep Lord Henry, terwijl hij zijne witte vingers doopte in een rood koperen kom met rozewater. Je bent uitstekend zooals je bent. Verander dus niets aan jezelf.
Dorian Gray schudde het hoofd.
--Neen Harry, ik heb te veel slechts gedaan in mijn leven. Ik ga mijn leven beteren. Gisteren ben ik er mee begonnen.
--Waar was je gisteren?
--Buiten. Ik logeerde heel alleen in een klein logementje.
--Maar jongenlief, iedereen kan braaf zijn buiten. Daar is niet de minste verleiding. Dat is ook de reden, waarom buitenmenschen zoo ongecivilizeerd zijn. Civilizatie is niet zoo gemakkelijk te bereiken. Je kunt er op twee manieren aan komen. Door ontwikkeling en door zedenbederf. Buitenmenschen kennen geen van beiden, dus blijven zij staan.
--Ontwikkeling en zedenbederf, herhaalde Dorian. Ik heb van beide iets gekend. Ik vind het verschrikkelijk, dat ze altijd samen moeten gaan. Want ik heb een nieuw ideaal, Harry. Ik ga me beteren. Ik geloof, dat ik al goed op weg ben.
--Je hebt me nog niet verteld, wat je brave daad van gisteren was. Of heb je er meer dan één gedaan? vroeg Lord Henry, en hij stapelde op zijn bord eene kleine pyramide van aardbeien, besneeuwde ze met suiker.
--Ik zal het je vertellen, Harry. Het is niet iets wat ik aan een ander zeggen zoû. Ik heb iemand gespaard. Het klinkt erg ijdel, maar je weet wat ik er meê bedoel. Ze was heel mooi, heel lief. Ze leek op Sibyl Vane. Ik geloof, dat mij dat het eerst tot haar aantrok. Je herinnert je Sibyl nog, niet waar? Wat schijnt dat lang geleden! Nu, Hetty was niet van onzen stand natuurlijk. Ze was een boerenmeisje. Maar ik hield waarlijk van haar. Ik weet zeker, dat ik van haar hield. De heele mooie maand Mei, ging ik twee-, driemaal in de week naar haar toe. Gisteren wachtte zij mij op in den kleinen boomgaard. De appelbloesems regenden over haar heen en zij lachte. Wij zouden van morgen vroeg zijn weggeloopen. Op eens besloot ik haar te verlaten, zooals ik haar gevonden had, rein als een bloem.
--Ik geloof gaarne, dat de nieuwigheid van die emotie je een prettig gevoel gegeven moet hebben, Dorian, viel Lord Henry in. Maar ik kan de idylle voor je afmaken. Je gaf haar een goeden raad en brak meteen haar hart. Dat is nu het begin van je hervorming.
--Harry, je bent onverdragelijk! Je moet zulke akelige dingen niet zeggen, Hetty's hart is volstrekt niet gebroken. Natuurlijk huilde zij, en zoo wat meer. Maar er ligt geen schande op haar. Zij kan als Perdita voortleven in haar hof van kruizemunt en goudsbloemen.
--En treuren over een trouweloozen Florizel, lachte Lord Henry. Dorian je kan verschrikkelijke naïeve idees hebben. Denk je nu werkelijk, dat het kind ooit tevreden zal zijn met iemand uit haar stand. Ze zal wel eens trouwen met een ruwen karrevoerder of een grinnekenden boer. Maar het feit alleen, dat ze je ontmoet heeft en dat ze van je gehouden heeft, zal haar leeren haar man te minachten en zal ze diep ongelukkig worden. Uit een zedelijk oogpunt kan ik nu niet zeggen, dat ik je opoffering heel bizonder vind. Zelfs voor een begin heeft het weinig te beteekenen. Buitendien, hoe weet je, dat Hetty nu op dit moment niet drijft in een plas met sterren boven haar en mooie waterlelies om haar heen, als Ofelia.
--O, Harry! Je bespot eerst alles en dan haal je de grootste tragedies op. Het spijt me nu, dat ik het je vertelde. Het kan mij niet schelen, wat je ook beweert. Ik voel, dat ik goed deed. Arme Hetty! Toen ik van morgen de boerderij voorbijreed, zag ik haar wit gezichtje aan een raam, als een bleek jasmijnentakje. Laat ons er niet meer over praten en tracht nu maar niet te bewijzen dat mijn eerste goede daad, de eerste opoffering, die ik mij sedert jaren getroostte, eigenlijk weêr een soort van zonde is. Ik wil beter worden. Ik zal beter worden. Vertel me maar iets over jezelven. Wat gebeurt er hier in de stad? Ik ben in dagen niet meer naar de club geweest.
--Ze hebben het nog erg druk over de verdwijning van Basil.
--Ik begrijp niet, dat ze daar nog niet genoeg van hebben, zei Dorian, terwijl hij zich een glas wijn inschonk, en zijn voorhoofd rimpelde.
--Jongenlief, ze praten er pas zes weken over, en het Britsche publiek is heusch niet in staat om meer dan één onderwerp in de drie maanden te bepraten. In den laatsten tijd hebben ze het erg druk gehad. Eerst mijn divorce, toen de zelfmoord van Alan Campbell en nu de geheimzinnige verdwijning van een voornaam artist. Scotland Yard houdt vol, dat de man in den grijzen ulster, die den 9den Nov. met den nachttrein naar Parijs vertrok, Basil was, en de Fransche politie verklaart, dat Basil nooit in Parijs is aangekomen. Over een dag of veertien zullen ze vertellen, dat hij in San Francisco gezien is. Het is zeker een heerlijke stad, met al de attracties van de wereld hiernamaals.
--Wat denk jij, dat er met Basil gebeurd is? vroeg Dorian, zijn Bourgonje tegen het licht houdend, zelve verwonderd, dat hij zoo kalm over de zaak kon spreken.
--Ik heb er niet het minste idee van. Als Basil plezier heeft zich schuil te houden, gaat het mij niet aan, en als hij dood is, dan denk ik er liefst zoo min mogelijk aan. Dood-gaan is het eenige waar ik bang voor ben. Ik vind het iets verschrikkelijks.
--Waarom? vroeg Dorian moê.
--Omdat, sprak Lord Henry, je tegenwoordig alles kunt overleven, behalve juist dat eene. Dood en vulgariteit zijn de twee eenige dingen, die je in onze eeuw niet kan wegcijferen. Laat ons in de muziekkamer onze koffie drinken. Je moest eens wat Chopin voor me spelen. De man, met wien mijn vrouw wegliep, speelde Chopin verrukkelijk. Arme Victoria! Ik mocht haar wel. Het huis is uitgestorven zonder haar. Het huwelijksleven is niets dan een gewoonte. Maar de mensch is zoo, dat hij zelfs het verlies van zijn slechtste gewoonten regretteert. Misschien die wel het meest. Ze zijn zoo een deel van je persoonlijkheid.
Dorian antwoordde niet, maar stond van tafel op en zette zich in de kamer voor de piano, de vingers dwalende over het zwart en wit ivoor der noten; toen de koffie was binnengebracht, stond hij op en, omziende naar Lord Henry, zeide hij:
--Harry, is het ooit bij je opgekomen, dat Basil vermoord kon zijn?
Lord Henry gaapte.
--Basil was heel populair en hij droeg altijd een Waterburyhorloge. Waarom zoû hij vermoord zijn? Hij was niet knap genoeg om vijanden te hebben, O, hij had een prachtig talent voor schilderen. Maar je kan wel zoo mooi schilderen als Velasquez en toch aartsvervelend zijn. En Basil was heel vervelend. Hij heeft mij maar eens geïnteresseerd, en dat was toen hij me, jaren geleden, vertelde van zijn passie voor jou.
--Ik hield heel veel van Basil, sprak Dorian, een klank van treurigheid in zijne stem. Maar wordt er niet verteld, dat hij vermoord is?
--O ja, sommige couranten beweren het. Maar ik vind het niet waarschijnlijk. Ik geef toe, dat er in Parijs gevaarlijke buurten zijn, maar Basil was niet iemand om daar heen te gaan. Hij was niets nieuwsgierig, dat was trouwens zijn grootste fout.
--Harry, wat zoû je er van zeggen, als ik je vertelde, dat ik Basil vermoord had? vroeg Dorian.
Hij zag Lord Henry strak aan.
--Beste kerel, ik zoû zeggen, dat je pozeert voor iets, waar je niet geschikt voor bent. Iedere misdaad is banaal, evenals iedere banaliteit een misdaad is. Het zit niet in je, Dorian, om een moord te begaan. Het spijt me als ik je ijdelheid hiermeê een knak geef, maar ik verzeker je, dat het zoo is. De misdaad komt uitsluitend van het volk. Ik veroordeel ze er ook niet om. Ik geloof, dat het voor hun hetzelfde is, als voor ons kunst; niets anders dan een manier om buitengewone emoties te ondervinden.
--Een manier om emoties te ondervinden? Denk je dan, dat een man, die eens een moord beging, diezelfde daad nog eens over kan doen? Dat zal je toch niet beweren?