Part 14
Na een poosje verlieten zij den kleiweg en ratelden weêr over ruw bekeide straten. De meeste vensters waren donker, maar nu en dan silhouetteden zich een paar schaduwen af op gordijnen. Hij staarde er naar. Ze bewogen zich als reusachtige marionetten en zij maakten gebaren als levende wezens. Hij haatte ze. Een stille woede raasde in zijn hart. Toen zij den hoek omreden, gilde een vrouw ze uit een open deur iets toe en twee mannen liepen den hansom lang na. De koetsier sloeg naar ze met zijn zweep.
Eensklaps hield hij op, met een ruk, aan het eind van een donkere laan. Boven de lage daken, de uitgekartelde schoorsteenen, de zwarte masten der schepen. Flarden witte mist hingen als spookzeilen aan de masten.
--Hier ergens, meneer? vroeg de koetsier schor door het luikje.
Dorian schrikte op, zag naar buiten.
--Hoû hier maar op, antwoordde hij; hij stapte haastig uit, gaf den koetsier wat hij beloofd had en liep vlug in de richting van de kade. Hier en daar glom een lantaren in den masttop van eea grooten koopvaarder. Het licht wiebelde en glinsterde in de plassen. Een roode gloed kwam van een buitenlandschen steamer, die kolen laadde. De modderige weg glom als nat gutta-percha.
Hij spoedde zich voort, keek nu en dan om als werd hij achtervolgd. Binnen acht minuten bereikte hij een klein, smerig huisje, tusschen twee kolossale fabrieken. Voor een van de ramen boven was een lamp. Hij stond stil en gaf een bizonderen klop. Na een poosje hoorde hij stappen in de gang en werd de ketting opgelicht. De deur ging zachtjes open en hij trad binnen, zonder een woord voor den gebochelden vorm, die in de schaduw van de deur neêrhurkte. Aan het einde van de gang hing een vuil groen gordijn, dat in den wind heen en weêr zwaaide. Hij trok het op zij in een lange, lage kamer, die er uitzag als een gemeene danszaal.
Schel flikkerende gasvlammen brandden aan de muren en werden dof en verdraaid weêrkaatst in vuile spiegels. Vettige reflectors van geribd tin hingen er achter en vormden trillende schijven van licht. De grond was bedekt met geelachtig zaagsel, hier en daar tot modder getrapt. Een paar Maleiers hurkten bij een klein kolenvuurtje en speelden met beenen penningen; ze toonden hunne witte tanden, terwijl zij spraken. In een hoek lag een matroos over de tafel heen, het hoofd in de armen verborgen; bij de gemeen bont geschilderde toonbank, stonden twee verloopen vrouwen een ouden man uit te lachen, die zich met walging de mouwen veegde.
--Hij denkt dat er roode mieren op zitten, lachte een van haar, toen Dorian voorbijging. De man zag haar als in vrees aan en begon te huilen. Aan het eind van de kamer was een trap, die naar een donkere kamer leidde. Terwijl Dorian de drie wankelende trapjes opsnelde, kwam zware geur van opium hem tegen. Hij haalde diep adem en zijne neusvleugels trilden van genot. Toen hij binnenkwam, zag een jonge man met glad geel haar op van de lamp, waaraan hij een lange dunne pijp stak en knikte hem aarzelend toe.
--Jij hier, Adrian? mompelde Dorian.
--Waar zoû ik anders zijn? antwoorde hij lusteloos. Niemand wil meer met me spreken.
--Ik dacht, dat je Engeland verlaten hadt.
--Darlington is niet van plan iets te doen. Mijn broêr heeft den wissel betaald. George spreekt ook niet tegen mij ... het kan me ook niet schelen, voegde hij er bij met een zucht. Zoolang als je dit goed hebt, heb je geen vrienden noodig. Ik geloof, dat ik er te veel gehad heb.
Dorian huiverde. Groteske vormen lagen op gescheurde matrassen. De verdraaide ledematen, de open monden, de starende oogen bekoorden hem. Hij wist in welke vreemde hemelen zij nu leden, welke hellekrochten hun het geheim van een nieuw genot leerden. Zij waren er beter aan toe dan hij. Hij was gevangen in gedachte. Zijne ziel werd als door eene afschuwelijke ziekte weggevreten: door herinnering. Van tijd tot tijd was het hem of de oogen van Basil Hallward hem aanstaarden. Hij voelde, dat hij hier niet blijven kon. De tegenwoordigheid van Adrian Singleton hinderde hem. Hij wilde ergens zijn, waar niemand hem kende. Hij wilde zichzelven ontvluchten.
--Ik ga ergens anders, zei hij, na stilte.
--Op de werf?
--Ja.
--Die dolle kat zal daar zeker weêr zijn. Ze willen haar hier niet meer hebben.
Dorian haalde de schouders op.
--Ik ben beu van die verliefde vrouwen. Een vrouw, die je haat, is veel interessanter. Bovendien is de opium daar beter.
--Vrij wel hetzelfde.
--Ik vind die andere beter. Ga meê wat drinken. Ik moet iets hebben.
--Ik wil niets hebben, mompelde de jonge man.
--Kom!
Singleton stond lusteloos op en volgde Dorian naar de toonbank. Een kleurling, met een gescheurden tulband, in een vuilen ulster, grijnsde hem een groet toe, terwijl hij een flesch brandy en twee glazen toeschoof. De vrouwen kropen bij elkaâr en begonnen te kakelen. Dorian keerde ze den rug toe en fluisterde Adrian Singleton iets toe.
Een verwrongen glimlach striemde over het gelaat van een der vrouwen.
--Wat zijn we trotsch vandaag! krijschte zij.
--Spreek in Gods naam niet tegen me! riep Dorian, op den grond stampend. Wat wil je hebben? Geld? Hier heb je het. En spreek nu nooit meer tegen me!
Twee roode vonkjes flikkerden even in hare verglaasde oogen, en doofden weêr uit. Zij schudde het hoofd en pakte met begeerige vingers het geld van de toonbank. Haar kameraad zag haar jaloersch aan.
--Het geeft niets, zuchtte Adrian Singleton. Het kan me niet schelen om terug te gaan. Wat doet het er toe? Ik ben hier heel tevreden.
--Zal je mij schrijven, als je wat noodig hebt, sprak Dorian na een stilte.
--Misschien.
--Goeden nacht dan.
--Goeden nacht, antwoordde de jonge man, terwijl hij de trap weêr opging en zijn verdroogden mond veegde met een zakdoek. Dorian ging naar de deur, een trek van pijn op het gelaat. Toen hij de gordijn wegtrok, brak een afschuwelijke lach over de geverfde lippen van de vrouw, die zijn geld had aangenomen.
--Daar gaat het zoontje van den duivel, lachte zij schor.
--Vervloekt! riep hij uit. Noem mij zoo niet!
Zij knipte met de vingers.
--Tooverprins, dat heet je liever, hé! jouwde zij hem achterna. De slapende matroos sprong op, toen zij dat zeide en zag woest rond. Hij hoorde de gangdeur dichtvallen. Hij vloog hem achterna.
Dorian Gray spoedde zich in den druipenden regen langs de kade. Zijne ontmoeting met Adrian Singleton had hem geroerd, en hij vroeg zich af of het verlies van dat jonge leven waarlijk zijn schuld was, zooals Basil Hallward hem zoo beleedigend had verweten. Hij beet zich op de lippen en een paar seconden was er treurigheid in zijne oogen. Maar wat kon het hem eigenlijk schelen. Het leven was te kort om nog de schuld van anderen op zich te nemen. Ieder mensen leefde zijn eigen leven, en betaalde er den prijs voor. Het was alleen jammer, dat men zoo dikwijls voor dezelfde fout moest betalen. In zijn zaken met den mensch, sluit het noodlot nooit zijn boeken.
En ongevoelig, de zinnen gezet op zonde, met een besmetten geest, eene ziel in opstand, haastte Dorian Gray zich voort, versnelde zijn stap, maar terwijl hij afsloeg in een donkere poort,--een kortere weg naar het beruchte hol,--voelde hij zich op eens beetgepakt van achteren, en vóór hij zich had kunnen verweren, was hij gekwakt tegen den muur door een forsche hand om zijn nek.
Hij vocht als een dolle om zijn leven, en met geweldige inspanning rukte hij de knellende vingers weg. Dadelijk hoorde hij het overhalen van een haan en zag hij een loop blinken vlak tegen zijn voorhoofd, zag hij een korten, breeden man voor zich.
--Wat moet je? steunde hij.
--Hoû je stil, sprak de man. Als je je verroert, schiet ik.
--Je bent gek. Wat heb ik je gedaan?
--Je verwoestte het leven van Sibyl Vane, was het antwoord. Sibyl Vane was mijn zuster. Ze heeft zich van kant gemaakt. Ik weet het. En dat is jouw schuld. Ik heb gezworen, dat ik jou op je beurt vermoorden zoû. Ik zoek je al jaren. Ik wist heelemaal niet hoe je er uitzag. De twee menschen, die je hadden kunnen beschrijven, zijn dood. Ik wist niets van je dan den naam, dien zij je gaf. Ik hoorde dien van nacht bij toeval. Bid God, want van nacht zul je sterven.
Dorian Gray werd ziek van angst.
--Ik heb haar nooit gekend, stamelde hij; ik heb nooit van haar gehoord. Je bent gek.
--Je deed beter alles te bekennen, want zoo waar ik James Vane heet, ik schiet hoor!
Het was een verschrikkelijk oogenblik. Dorian wist niet wat hij doen of zeggen zoû.
--Op je knieën, donderde de man. Ik geef je een minuut om je zonden te bedenken, geen seconde meer. Ik ga van nacht onder zeil naar Indië, ik moet hiermeê klaar zijn. Eén minuut en dan uit.
Dorians armen vielen slap langs zijn lijf. Verlamd van schrik wist hij niet meer wat te doen. Op eens schoot een radelooze hoop door zijn brein.
Hoû op, riep hij. Hoe lang is het geleden, dat je zuster stief? Gauw, zeg op.
--Achtien jaar, sprak de man. Waarom vroeg je dat? Wat doen de jaren er toe!
--Achtien jaren! lachte Dorian Gray, triomf in zijne stem! Achtien jaar! Zet me onder die lantaren en kijk me eens goed aan!
James Vane aarzelde, niet begrijpend wat hij wilde. Toen pakte hij Dorian Gray beet, en sleurde hem weg uit de poort. Flauw en flikkerend als het verwaaide lichtje was, toch toonde het hem genoeg zijne vergissing, zooals het scheen, want het gelaat van den man, dien hij had willen dooden, was nog frisch en jong. Hij scheen een jongen van twintig jaar, niet veel ouder dan zijne zuster, toen zij jaren geleden afscheid hadden genomen. Het was duidelijk, dat deze man het niet kon geweest zijn. Hij liet zijn greep los en deinsde terug.
--Mijn God! Mijn God! riep hij; en ik zoû je vermoord hebben!
Dorian haalde diep adem.
--Je bebt bijna een verschrikkelijken misdaad begaan, sprak hij streng. Laat het je een waarschuwing zijn om de wraak niet in eigen handen te nemen.
--Vergeef me, meneer, mompelde James Vane. Ik heb me vergist. Een enkel woord, dat ik hoorde in dat vervloekte hol, bracht me op een verkeerd spoor.
--Je deed beter naar huis te gaan, en dat pistool weg te bergen; anders kom je nog in moeilijkheden, sprak Dorian, die zich omdraaide en wegging.
James Vane stond vol ontzetting op de straat. Hij beefde van het hoofd tot de voeten. Na een korte pooze kwam een zwarte schaduw, die langs de druipende muren was geslopen, in het licht, bij hem. Hij voelde een hand op zijn arm en zag met schrik om. Het was een van de vrouwen, die aan de bar hadden staan drinken.
--Waarom schoot je niet, siste zij, het uitgeteerde gelaat vlak bij. Ik wist wel, dat je hem achterna zat, toen je wegvloog van Daly. Ezel! Je hadt hem moeten vermoorden. Hij heeft schatten van geld en hij is zoo slecht als je het maar hebben kunt.
--Hij is niet de man dien ik zoek, antwoordde hij, en ik heb zijn geld niet noodig. De man, dien ik hebben moet, zal nu een veertig jaar zijn. Deze is nog een jongen. Goddank! zijn bloed kleeft niet aan mijn handen.
De vrouw lachte bitter.
--Nog een jongen! grijnsde zij. Kerel, het is bijna achttien jaar geleden, dat de Tooverprins van mij maakte, wat ik nu ben.
--Je liegt! riep James Vane.
Zij hief de hand op naar den hemel.
--Bij God! ik zeg de waarheid, riep zij uit.
--Bij God?
--Ik mag dood gaan als het niet zoo is. Hij is de gemeenste kerel, die hier ooit komt. Ze zeggen, dat hij zich aan den duivel verkocht heeft, voor een mooi gezicht. Het is bijna achttien jaar geleden, dat ik hem ontmoette. En hij is niet veel veranderd. Ik wel, voegde zij er bij met een ellendig gegrinnik.
--Zweer je het?
--Ik zweer het, kwam er als met een heesche echo over haar lippen. Maar verraad me niet aan hem, smeekte ze. Ik ben bang voor hem. Geef me wat geld voor mijn nachtlogies.
Hij rukte zich van haar los met een vloek, en rende naar den hoek van de straat, maar Dorian Gray was verdwenen. Toen hij terug kwam, was de vrouw ook weg.
XVI.
Een week later zat Dorian Gray in de serre van Selby Royal te praten met het aardige hertoginnetje van Monmouth, die met haar echtgenoot, een vermoeiden man van zestig jaar, onder zijne gasten was. Het was theetijd, en het zachte schijnsel van de groote, met kant gesluierde lamp op de tafel verlichtte het porcelein en het zilver van het theeservies, waarover de hertogin prezideerde. Hare witte handen bewogen zich met gratie tusschen de kopjes en haar volle roode lippen glimlachten over iets, dat Dorian fluisterde.
Lord Henry, achterover in een, met zijde gedrapeerden, stoel lag hen gade te slaan. Lady Narborough deed of zij luisterde naar de beschrijving, die de hertog haar gaf van den Braziliaanschen kever, dien hij aan zijne verzameling had toegevoegd. Drie jongelui in elegante smokings prezenteerden gebakjes aan de dames. Het gezelschap bestond uit twaalf personen en den volgenden dag werden er meer verwacht.
--Waar hebben jullie het over? vroeg Lord Henry, bij de tafel komend om zijn kopje neêr te zetten. Ik hoop, dat Dorian je verteld heeft van mijn plan om alles te herdoopen, Gladys. Zoû je het geen aardig idee vinden?
--Maar ik heb geen lust herdoopt te worden, Harry, antwoordde de hertogin, hem aanziende met haar oogen vol charme. Ik ben heel tevreden met mijn naam, en Mr. Gray zeker ook met den zijne.
--Gladyslief, ik zoû geen van die twee namen willen veranderen. Ze zijn beide uitstekend. Ik dacht voornamelijk aan bloemen. Gisteren plukte ik een orchidee voor mijn knoopsgat. Het was een prachtige gevlekte, bijna zoo mooi als een van de zeven doodzonden. Op een ondoordacht oogenblik vroeg ik den tuinman, hoe ze heette. Hij zei zoo iets van Robinsoniama of iets dergelijks barbaarsch. Het is treurig, maar we schijnen verleerd te hebben de dingen mooie namen te geven. En een naam is alles. Ik vecht nooit tegen feiten. Ik vecht alleen tegen namen. Dat is ook de reden, waarom ik niet van realisme hoû in literatuur. De persoon, die een spâ, een spâ noemt, moest veroordeeld worden er zelf een te gebruiken. Dat is het eenige, waarvoor hij geschikt is.
--Hoe zouden wij jou dan wel moeten noemen, Harry? vroeg zij.
--Prins Paradox, zei Dorian.
--Ja uitstekend, riep de hertogin uit.
--Ik wil er niets van weten, hoor, lachte Lord Henry, neêrzinkend in zijn stoel. Een bijnaam raak je nooit kwijt. Ik weiger den titel.
--Vorsten mogen geen afstand doen, waarschuwden een paar aardige lipjes.
--Moet ik dus mijn troon verdedigen?
--Ja.
--Ik heb meer hoop op de waarheden van de toekomst.
--Ik prefereer de mindere perfectie van het heden, antwoordde zij.
--Je ontwapent me, Gladys, riep hij, in haar dartelheid komend.
--Alleen van je schild, Harry: je hebt nog je speer.
--Die hef ik nooit op tegen schoonheid.
--Dat is juist een fout van je, Harry, geloof me. Je hecht veel te veel aan uiterlijk schoon.
--Hoe kan je dat zeggen? Ik geef toe, dat ik liever mooi ben dan braaf. Maar daarentegen zal ik de eerste zijn om toe te stemmen, dat braafheid nòg beter is dan leelijkheid.
--Leelijkheid is dus een van de zeven doodzonden? riep de hertogin. Wat wordt er dan van je symbool van de orchidee?
--Leelijkheid is een van de zeven hoofddeugden, Gladys. Jij, als een goede Tory, móet ze waarlijk niet minachten. Bier, de Bijbel en de zeven hoofddeugden hebben Engeland gemaakt wat het is.
--Je houdt dus niet van je land? vroeg zij.
--Ach, ik leef er in.
--Om er zelf over te kunnen oordeelen?
--Woû je dan, dat ik de opinie van heel Europa er over raadpleegde?
--Wat zeggen ze dan van ons?
--Dat Tartuffe is overgestoken naar Engeland en er een winkel heeft opgezet.
--Is die van jou, Harry?
--Je mag hem hebben.
--Ik zoû hem toch niet kunnen gebruiken. Hij is te waar.
--O, daar behoef je niet bang voor te zijn; de Engelschen herkennen zichzelve nooit in een beschrijving.
--Ze zijn er te practisch voor.
--Ze zijn meer geslepen dan wel practisch. Als ze hun grootboek opmaken, laten ze stomheid opwegen tegen beleid, en slechtheid tegen veinzerij.
--En toch hebben we groote dingen gedaan.
--Groote dingen zijn ons toegeworpen, Gladys.
--Wij hebben dan toch den last ervan gedragen.
--Nu ja, maar ook niet verder dan de effectenbeurs.
Zij schudde het hoofd.
--Ik heb nog al vertrouwen in het ras, riep zij.
--Het reprezenteert de opkomst van parvenu's.
--Het bezit vooruitgang.
--Ik hoû meer van verval.
--Wat denk je dan van kunst? vroeg ze.
--Een ziekte.
--Illuzie.
--Godsdienst?
--Een moderne plaatsvervanger van geloof.
--Je bent een sceptikus.
--Nooit! Scepticisme is het begin van geloof.
--Wat ben je eigenlijk?
--Beschrijven is begrenzen.
--Geef mij een draad, een kluwen.
--Draden breken. Je zoû verdwalen in een labyrinth.
--Je bent vermoeiend! Laat ons over iets anders spreken.
--Onze gastheer is een verrukkelijk onderwerp van gesprek.
--Jaren geleden is hij gedoopt als: Tooverprins.
--O, herinner mij daar niet aan! riep Dorian Gray.
--Onze gastheer is niets aardig van avond, antwoordde de hertogin met een kleur. Ik geloof, dat hij denkt, dat Monmouth mij alleen getrouwd heeft om het beste exemplaar te bezitten van een moderne kapel.
--Nu, ik hoop, dat hij u niet met spelden zal prikken, lachte Dorian.
--O, dat doet mijn kamenier al, als ze boos op mij is.
--En waarom is zij dan boos op u?
--Om de kleinste kleinigheid, dat verzeker ik u. Meestal omdat ik tien minuten voor negenen thuis kom, en haar dan zeg, dat ik om half negen klaar moet zijn.
--Hoe onredelijk van haar. Ik zoû haar den dienst opzeggen.
--Ik durf niet, Mr. Gray. Verbeeldt u, ze verzint hoeden voor mij. Herinnert u zich den hoed, dien ik droeg op de garden-party van Lady Hilstone? U is hem glad vergeten, maar het is toch aardig van u, dat u doet alsof u het weet. Nu, die heeft ze uit niets gemaakt. Alle goede hoeden worden gemaakt uit niets.
--Evenals goede reputaties, Gladys, viel Lord Henry in. Ieder effekt kost je een vijand. Om populair te zijn moet je een middelmatigheid wezen.
--Niet bij de vrouwen, zeide de hertogin het hoofd schuddend; en vrouwen regeeren de wereld. Ik verzeker je, dat wij middelmatigheden niet kunnen uitstaan. Wij vrouwen hebben lief met onze ooren, zooals jullie mannen liefhebt met je oogen, als jullie tenminste ooit lief hebben.
--Ik geloof, dat wij nooit iets anders doen, murmelde Dorian.
--O! maar dan zal u nooit werkelijk liefhebben, Mr. Gray, antwoordde de hertogin met grappige treurigheid.
--Mijn lieve Gladys! riep Lord Henry. Hoe kan je dat zeggen? lederen keer, dat je van iemand houdt, is die weêr de eenige, dien je liefhebt. Wij kunnen in het leven hoogstens ééne groote ondervinding doen, en het geheim is juist, die ondervinding te herhalen, zoo dikwijls het mogelijk is.
--Zelfs wanneer je er door verwond bent geweest, vroeg de hertogin na eene pauze.
--Dan juist, antwoordde Lord Henry.
De hertogin wendde zich om en zag naar Dorian Gray, met vreemde uitdrukking in haar oogen.
--Wat zegt u daarvan, Mr. Gray? vroeg zij.
Dorian Gray aarzelde even. Toen wierp hij het hoofd terug en lachte.
--Ik ben het altijd eens met Harry.
--Zelfs als hij ongelijk heeft?
--Harry heeft nooit ongelijk.
--En maakt deze filozofie u gelukkig?
--Daar heb ik nooit naar gestreefd. Wie wil nu gelukkig zijn? Ik heb genot gezocht.
--En gevonden?
--Dikwijls. Te dikwijls.
De hertogin zuchtte.
--Ik streef naar vrede, zeide zij; en als ik mij nu niet ga kleeden, zal ik dien van avond niet vinden.
--Mag ik u een paar orchideeën halen, hertogin? vroeg Dorian Gray, terwijl hij vlug opstond en naar de oranjerie liep.
Je flirt schandelijk met hem, zei Lord Henry tot zijn nichtje. Je mag wel oppassen. Hij kan je direkt inpalmen. Hij heeft veel charme.
--Als hij dat niet had, zoû er geen aardigheid aan zijn.
--Het zijn dus Grieken tegen Grieken?
--Ik ben aan de zijde van de Trojanen. Die vochten om een vrouw.
--Ze werden verslagen.
--Er bestaan erger dingen dan verslagen te worden, antwoordde zij.
--Je galoppeert met een lossen teugel.
--Zoo een galop brengt je bloed in beweging.
--Ik zal het van avond in mijn journaal opschrijven.
--Wat!
--Dat een kind, dat zich ééns gebrand heeft, liefst met vuur speelt.
--Ik ben niet eens geschroeid. Mijn vleugels zijn nog heel.
--Je gebruikt ze voor alles behalve om te vliegen.
--De moed is van de mannen overgegaan op de vrouwen. Het is niets nieuws voor ons.
--Je hebt een rivale.
--Wie?
Hij lachte.
--Lady Narborough! fluisterde hij. Ze is dol op hem.
--Je maakt me bang. Een beroep op de oudheid is altijd noodlottig voor ons romantisten.
--Romantisten? Je bent van alles wat.
--De mannen hebben ons opgevoed.
--Maar nooit doorgrond.
--Beschrijf ons eens als sekse, daagde zij uit.
--Sfinxen zonder geheimen.
Zij zag hem aan en glimlachte.
--Wat blijft Mr. Gray lang weg. Willen wij hem gaan helpen? Ik heb hem nog niet de kleur van mijn toilet gezegd.
--O, die moet je regelen naar zijn bloemen, Gladys. Dat zoû een voorbarige overgave zijn.
--Romantische kunst begint bij het toppunt.
--Ik moet een uitweg open houden.
--Zooals de Parthen?
--Die waren veilig in de woestijn. Dat kan ik niet zijn.
--Vrouwen wordt niet altijd een keus gelaten, antwoordde hij ... maar pas had hij dit gezegd of van het andere einde van de serre kwam het geluid van een onderdrukt gekreun, gevolgd door den doffen slag van een zwaren val. Ieder schrikte op. De hertogin stond bewegingloos van vrees. Met angst in de oogen vloog Lord Henry langs de wuivende palmen en vond Dorian Gray doodsflauw liggen, het gelaat op den grond.
Hij werd dadelijk in den blauwen salon gedragen en op een der sofa's gelegd. Spoedig kwam hij bij en zag verbaasd rond.
--Wat is er gebeurd? vroeg hij. O, ik weet het al weêr. Ben ik hier veilig, Harry?
En hij begon te sidderen.
--Je bent even flauw geweest, Dorian, anders niet. Je hebt je zeker oververmoeid. Je moest maar niet aan het diner komen. Ik zal je plaats wel innemen.
--Neen, ik kom beneden, sprak hij, moeilijk oprijzend. Ik kom liever beneden. Ik moet niet alleen blijven.
Hij ging naar zijn kamer en kleedde zich.
Hij was luidruchtig vroolijk aan tafel, maar nu en dan liep er een straal van angst over hem, als hij zich herinnerde hoe hij tegen een ruit van de serre, als een witten doek, het gelaat van James Vane had gezien, die hem bespiedde.
XVII.
Den volgenden dag ging hij het huis niet uit, en was hij meest alleen in zijne kamer, zielsbang om te sterven en toch onverschillig voor het leven zelve. De gedachte, dat hij nagespoord, achtervolgd werd, hing als een donkere wolk steeds over hem. Als de gordijnen in de wind heen en weêr bewogen, begon hij te beven. De doode blaren, die tegen de ruiten opgezwiept werden, waren hem als zijn eigen verwaaide voornemens en berouwvolle buien. Sloot hij zijne oogen, dan zag hij weêr voor zich het gelaat van den matroos, dat gluurde door het beslagen glas en angst scheen weêr zijne hand te leggen op zijn hart.