# Het portret van Dorian Gray

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/het-portret-van-dorian-gray-10512/index.md

Hij zuchtte, nam het deel weêr op, en trachtte te vergeten. Hij las van de zwaluwen, die in en uit vliegen in het kleine café te Smyrna, waar de Hadjis hunne amberen kralen tellen en getulbande kooplieden hunne lange pijpen rooken en ernstig praten; hij las van de Obelisk op de Place de la Concorde, die tranen van graniet weent, in eenzame, zonlooze verbanning, en terug verlangt naar den warmen lotos-bloeienden Nijl, met zijn sfinxen en roze-roode ibissen, en witte roofvogels met gouden klauwen, zijne krokodillen met kleine oogjes van beril, die kruipen over de groene dampende modder; hij begon te peinzen over die verzen, welke, muziek ontlokkend aan het kus-bezoedeld marmer, ons verhalen van het beeld, dat Gautier vergelijkt bij een altstem, het "monstre charmant", dat neêrligt in de porfieren zaal van het Louvre.

Maar na een poos viel het boek uit zijn hand; hij werd zenuwachtig, een doodelijke angst kwam over hem. Als Alan Campbell eens niet in Engeland was? Dagen konden er verloopen eer hij terugkwam. Misschien zoû hij weigeren te komen. Wat dan te doen? Ieder oogenblik was van het grootste gewicht voor hem.

Zij waren eens intieme vrienden geweest, vijf jaar geleden, bijna onafscheidelijk. Toen was die intimiteit op eens gebroken. Wanneer zij nu elkaâr in gezelschap ontmoetten, was het alleen Dorian Gray, die glimlachte; Alan Campbell nooit.

Hij was een bizonder knappe jonge man, hoewel hij geen gevoel had voor plastieke kunst; het weinigje gevoel, dat hij nog had voor poëzie, was hem door Dorian Gray ingeprent. Zijne alles overheerschende intellectueele passie was voor de wetenschap. In Cambridge werkte hij lange uren in het Laboratorium en had een hoogen graad gehaald in natuurwetenschap. Ook nu nog deed hij veel aan chemie, had een eigen laboratorium, waarin hij zich dagen opsloot. Maar bovendien was hij een uitstekend musicus en bespeelde viool en piano beter dan de meeste amateurs. Het was ook de muziek, die hem en Dorian Gray samenbracht, en dan de onzegbare aantrekkingskracht, die Dorian altijd had als hij wilde, ja vaak zelfs zonder dat. Zij hadden elkaâr ontmoet bij Lady Berkshire, toen Rubinstein er speelde en na dien tijd werden zij altijd samen gezien in de opera of op ieder goed concert. Achttien maanden had hunne intimiteit geduurd. Campbell was of in Selby Royal of in Grosvenor Square. Voor hem was Dorian Gray de hoogste type van het leven. Of zij samen getwist hadden, wist niemand. Maar in eens merkte men op, dat ze bijna niet tegen elkaâr spraken als zij elkaâr ontmoetten, en dat Campbell vroeg wegging van een soiree, zoo Dorian Gray daar ook was. Hij was ook veranderd, was melancholiek, scheen een afkeer van muziek te hebben, en speelde zelfs nooit meer; hij gaf als excuus op, dat hij te veel opging in de chemie en geen tijd had tot studeeren. En dit was volkomen waar. Meer en meer scheen hij nu verdiept in biologie, en zijn naam verscheen een paar malen in wetenschappelijke bladen, in verband met curieuze proefnemingen.

Dit was de man, dien Dorian Gray wachtte.

Iedere seconde zag hij op de klok. Bij iedere minuut, die verstreek, werd hij hoe langer hoe zenuwachtiger. Eindelijk stond hij op, liep de kamer op en neêr, als een mooi dier, in een kooi gesloten. Hij nam lange, sluipende stappen. Zijn handen werden ijskoud. De onzekerheid werd ondragelijk. De tijd scheen hem als met looden voeten voort te kruipen, terwijl hij door monsterachtige orkanen werd opgezweept naar den steilen kant van een donkeren afgrond. Hij wist wat hem daar wachtte, zag het en, rillende, drukte hij met klamme handen zijne brandende oogleden toe, als wilde hij zijne hersens het gezicht ontnemen en zijne oogen terugduwen in hunne kassen. Het was vruchteloos. Het brein mestte zich met zijn eigen voedsel, en de verbeelding, grotesk van angst, draaide en wrong zich als een levend wezen in marteling, sprong als een hansworst, en grijnsde achter beweegbare maskers. Toen, op eens, stond de tijd stil voor hem. Ja, dat blinde, langzaam ademende ding kroop niet meer voort, en afschuwelijke gedachten snelden, nu de tijd dood was, vlug naar voren en trokken de afgrijselijkste toekomst uit een graf op. Hij staarde er naar. De gruwelen er van versteenden hem. Eindelijk ging de deur open, en de knecht kwam binnen.

Met glazige oogen zag Dorian hem aan.

--Mr. Campbell, meneer, diende de man aan. Een zucht van verlichting kwam over Dorians verdroogde lippen en de kleur kwam terug in zijne wangen.

--Vraag hem dadelijk binnen te komen, Francis.

Hij gevoelde, dat hij weêr zichzelven was. Zijne bui van halfheid was voorbij.

De man boog en trok zich terug. Na enkele minuten kwam Alan Campbell binnen; zijn gezicht was ernstig en bleek, nog bleeker door het koolzwarte haar en de donkere wenkbrauwen.

--Alan, het is vriendelijk van je, dat je gekomen bent. Ik ben er je dankbaar voor.

--Ik had mij voorgenomen nooit meer bij je in huis te komen, Gray. Maar je schreef, dat het een levenskwestie was.

Zijne stem klonk hard en koud. Hij sprak met langzaam overleg. Er lag diepe verachting in den vasten, onderzoekenden blik, dien hij op Dorian Gray vestigde. Hij hield de handen in de zakken van zijn astrakan pels, en scheen het gebaar, waarmeê hij ontvangen werd, niet opgemerkt te hebben.

--Ja, het is een zaak van leven of dood, Alan en voor meer dan één persoon. Ga zitten.

Campbell nam een stoel bij de tafel, Dorian zette zich over hem. Hunne oogen ontmoetten elkaâr. In die van Dorian lag oneindig medelijden. Hij wist, dat wat hij ging doen, ontzettend was.

Na een pijnlijke stilte, boog hij voorover en sprak rustig, den indruk van ieder woord nagaande op het gelaat van den ander:

--Alan, heel boven in een gesloten kamer, een kamer, waar niemand in komt dan ik, zit een doode man aan de tafel. Hij is nu tien uren dood. Verroer je niet, en zie me niet zoo aan. Wie die man is, waarom hij stierf, gaat je niet aan. Wat jij te doen hebt is dit ...

--Hoû op, Gray. Ik wil niets verder weten. Of hetgeen je verteld hebt, waar is of niet, kan mij niet schelen. Ik weiger _iets_ met je leven te doen te hebben. Hoû je afschuwelijke geheimen voor jezelven. Ze hebben voor mij geen belang meer.

--Alan, ze moeten belang voor je hebben. Ze moeten je kunnen schelen. Het spijt mij verschrikkelijk voor jou, Alan. Maar ik kan er niets aan doen. Je bent de eenige, die mij redden kan. Ik ben gedwongen je er in te betrekken. Ik heb geen keus, Alan. Je bent knap. Je weet veel van chemie, en dat alles. Je hebt proeven genomen. Wat je nu te doen hebt, is, dat wat daar boven zit, te vernietigen, zóó te vernietigen, dat er niet één spoor van overblijft. Niemand zag dien persoon hier in huis komen. En op dit oogenblik denkt iedereen, dat hij in Parijs is. Hij zal in maanden niet gemist worden. Wordt hij gemist, dan moet hier geen spoor van hem te vinden zijn. Jij, Alan, jij moet hem, en alles wat van hem is, veranderen, oplossen in een handvol asch, die ik in de lucht weg kan strooien.

--Je bent gek, Dorian.

--O! Ik wachtte al, dat je mij Dorian zoû noemen.

--Je bent gek, zeg ik je, gek om te verbeelden, dat ik een vinger zoû verroeren om je te helpen, gek om mij die monsterachtige biecht te doen. Ik wil er niets meê te doen hebben, wat het ook zij. Denk je, dat ik voor jou mijn naam in gevaar zal brengen. Wat kan het mij schelen wat voor duivelsch werk je doet.

--Het was zelfmoord, Alan.

--Dat doet mij pleizier, maar wie dreef hem er toe. Jij, natuurlijk.

--Weiger je nog dit voor mij te doen?

--Natuurlijk weiger ik. Ik wil er niets meê te doen hebben. Het gaat mij niet aan welke schande er over jou komt. Je hebt het dubbel en dwars verdiend, Het zoû me niets spijten, zoo ik je ontmaskerd, in het publiek onteerd zag. Hoe durf je mij, juist mij, te vragen je te helpen in dit gruwelijk werk. Ik had gedacht, dat je beter inzicht zoû hebben in het karakter van de menschen. Je vriend Lord Henry Wotton heeft je dan toch niet veel psychologie geleerd. Niets zal mij bewegen iets, wat ook, te doen om je te helpen. Je bent aan een verkeerd kantoor. Ga liever naar een van je vrienden. Vraag het mij niet.

--Alan, het was een moord. _Ik_ vermoordde hem. Je weet niet wat hij mij had doen lijden. Zooals mijn leven nu is, heeft hij er meer meê te maken dan die arme Harry. Misschien heeft hij het zoo niet bedoeld, maar de uitslag blijft dezelfde.

--Een moord! Groote God! Dorian, ben je daartoe gekomen? Ik zal je niet aangeven. Het is niet mijn zaak. Buitendien, zal je zonder mij ook wel opgepakt worden. Niemand begaat ooit een misdaad, zonder er iets stoms bij te doen. Maar ik wil er niets meê te maken hebben.

--Je _moet_ er iets meê te maken hebben. Wacht, wacht een oogenblik, luister naar mij. Luister even, Alan. Al wat ik je vraag is niets dan een wetenschappelijke proef. Je gaat wel naar hospitalen en sterfhuizen, en de gruwelen, die je daar doet, kunnen je niet schelen. Als je in zoo een akelige ontleedkamer of in een vunzig laboratorium dezen man vond liggen op een looden tafel met roode gootjes, waar het bloed in weg kan loopen, zoû je hem niet anders beschouwen dan als een prachtig sujet. Je zoû er je hand niet om verdraaien. Je zoû niet gelooven, dat je iets slechts deed. Integendeel, je zoû vinden, dat je de menschheid een weldaad deed, of de wetenschap verrijkte, of aan de intellectuele nieuwsgierigheid voldeed, of zoo iets moois. Wat ik je vraag, is iets wat je al honderden malen deed. Er is de totale vernietiging van een lichaam niet eigenlijk veel minder dan wat jij gewoon bent te doen. En denk er om, dat het het eenige bewijs tegen mij is. Als het ontdekt wordt, ben ik verloren en natuurlijk wordt het ontdekt, als je mij niet helpt.

--Maar ik wil je niet helpen: dat vergeet je. De heele zaak laat mij koud. Ik heb er niets meê te maken.

--Alan, Ik bid je! Denk toch in welken toestand ik ben. Even vóór je kwam, viel ik bijna flauw van angst. Je zoû later ook zoo een angst kunnen kennen. Of neen, denk daar niet aan. Bezie de zaak uit een zuiver wetenschappelijk oogpunt. Je vraagt immers ook niet, waarvan de doode lichamen komen, waar jij je proeven op neemt. Vraag er dan nu ook niet naar. Ik heb je er al te veel van verteld. Maar ik bezweer je, dit voor mij te doen. Eens waren wij vrienden, Alan.

--Spreek niet over die dagen, Dorian, zij zijn dood.

--De dooden verwijten soms. Die man daarboven gaat niet weg. Hij zit aan de tafel met gebogen hoofd en uitgestrekte armen. Alan! Alan! als je mij niet helpt, ben ik verloren. Mijn God, Alan, zij zullen mij ophangen voor wat ik gedaan heb.

--Het is onnoodig deze scène langer te rekken. Ik weiger _iets_ in de zaak te doen te hebben. Het is onzinnig van je mij dit te vragen.

--Je weigert dus?

--Ja.

--Ik smeek je, Alan.

--Voor niets.

Die zelfde blik van medelijden kwam er in Dorian Gray's oogen. Toen stak hij de hand uit, nam een stuk papier en schreef er iets op. Hij las het twee keer over, vouwde het zorgvuldig en schoof het over de tafel heen. Toen stond hij op en ging naar het venster. Campbell zag hem verbaasd aan, nam het papier en vouwde het open.

Terwijl hij las, werd zijn gezicht doodsbleek, en viel hij terug in zijn stoel. Een verschrikkelijk gevoel van walging kwam over hem. Het was hem of zijn hart ten doode toe bonsde in een ledige holte.

Na twee, drie minuten van een huiverende stilte, keerde Dorian zich om, stond achter hem stil en legde hem de hand op den schouder.

--Het spijt me zoo voor jou, Alan, fluisterde hij; maar je laat mij geen anderen uitweg. Ik had den brief al geschreven. Hier is hij. Je ziet het adres. Als je mij niet helpt, moet ik hem verzenden. Als je mij niet helpt, zàl ik hem verzenden. Je weet wat de uitslag zal zijn. Maar je zult me helpen. Je kunt niet meer weigeren. Ik woû je sparen. Dat zal je mij toch toegeven. Je was streng, hard, beleedigend. Je behandelde mij als geen wezen mij ooit durfde te behandelen, geen levend wezen tenminste. Ik verdroeg alles. Nu is het aan mij om voorwaarden te stellen.

Campbell verborg het gelaat in de handen en een huivering liep over hem.

--Ja, nu is het mijn beurt, orders te geven, Alan. Je weet wat ik wil. Het is doodeenvoudig. Kom, wind je nu niet zoo op. Het moet gedaan worden. Pak het aan en doe het.

Gekreun kwam over Campbells lippen, en hij rilde over het geheele lichaam. Het tikken van de klok op den schoorsteenmantel scheen den tijd te verdeelen in afzonderlijke atomen van foltering, ieder te zwaar om geleden te worden. Hij gevoelde als werd een ijzeren ring langzaam nauw gekneld om zijn voorhoofd, als was de schande, die hem bedreigde, reeds over hem gekomen. De hand op zijn schouder drukte als lood. Het was ondragelijk. Ze scheen hem te verpletteren.

--Kom, Allan, neem een besluit.

--Ik kan het niet doen, sprak hij, werktuigelijk als konden woorden de zaak verhinderen.

--Je moèt. Er staat je geen keuze. Stel nu niet langer uit.

Hij aarzelde een oogenblik.

--Brandt er boven vuur?

--Ja, er brandt gas.

--Ik moet naar huis om het een en ander uit het laboratorium te halen.

--Neen Alan, je mag hier niet vandaan. Schrijf op een briefje wat je noodig hebt, dan zal de knecht het in een cab gaan halen.

Campbell krabbelde een paar woorden, vloeide ze en schreef het adres van zijn assistent. Dorian nam het briefje op en las het nauwkeurig na. Toen belde hij, gaf het den knecht met het bevel zoo spoedig mogelijk terug te komen en de dingen meê te brengen. Toen de deur van de gang dicht viel, schrikte Campbell zenuwachtig op, en opstaande, ging hij naar den schoorsteenmantel. Hij rilde als in koorts. Twintig minuten lang sprak er niemand. Een vlieg gonsde door de kamer, en het tikken van de klok was als hamerslagen.

Toen het één sloeg, keerde Campbell zich om en Dorian Gray aanziende, zag hij tranen in zijn oogen. Er was iets in de volmaaktheid en de verfijning van dat treurige gezicht, dat hem razend maakte.

--Je bent laag, schandelijk laag, mompelde hij.

--Stil Alan, je hebt mijn leven gered, sprak Dorian.

--Je leven? Groote God wat een leven! Je bent van slechtheid tot slechtheid gevallen en nu tot misdaad toe. Bij wat je mij dwingt te doen, denk ik niet aan jouw leven.

--Alan, fluisterde Dorian, met een zucht. Ik woû, dat je voor mij een duizendste gedeelte van het medelijden voelde, dat ik nu voor jou voel.

Campbell antwoordde niet.

Tien minuten later werd er geklopt; de knecht kwam binnen, hij droeg een groote houten kist met scheikundige stoffen; een lange streng staal-en platinadraad en twee vreemd gevormde ijzeren schragen.

--Zal ik alles maar hier neêrzetten, meneer? vroeg hij aan Campbell.

--Ja, zei Dorian. En Francis, dan heb ik nog een boodschap voor je. Hoe heet die man in Richmond, die altijd orchideeën levert op Selby?

--Harden, meneer.

--Juist, Harden. Je moest nu dadelijk naar Richmond gaan, Harden zelf spreken en zeggen, dat ik tweemaal zooveel orchideeën moet hebben, als ik besteld had, en zoo weinig mogelijk witte. Het is een prachtige dag, Francis, en Richmond is een aardige plaats; ik zoû er je anders niet meê lastig vallen.

--O, het is niets geen moeite, meneer. Om hoe laat moet ik terug zijn?

Dorian zag naar Campbell.

--Hoe lang zal je proef duren, Alan? vroeg hij met rustige, onverschillige stem. De tegenwoordigheid van een derde in de kamer scheen hem moed in te boezemen. Campbell fronsde zijn wenkbrauwen en beet zich op de lippen.

--Vijf uur, denk ik, antwoordde hij.

--Dan is het tijd genoeg als je om half acht terug bent, Francis. Of weet je wat; leg alles voor mij klaar om mij te kleeden, dan kan je den avond voor jou hebben. Ik eet toch niet thuis, dus heb ik je verder niet noodig.

--Dank u, meneer, sprak de knecht, en verliet de kamer.

--Nu, Alan verlies nu geen minuut. Wat is die kist zwaar. Ik zal hem voor je dragen. Breng jij de andere dingen dan meê.

Hij sprak haastig en bevelend. Campbell gevoelde zich door hem overheerscht. Zij gingen samen de kamer uit.

Boven gekomen nam Dorian den sleutel uit zijn zak en draaide het slot open. Toen stond hij even stil, angst in zijn oogen. Hij rilde.

--Ik kan niet binnen gaan, Alan, fluisterde hij.

--Het kan mij niet schelen. Ik heb je niet noodig, sprak Campbell koud.

Dorian opende half de deur; toen zag hij het gezicht op het portret grijnzen in de zon. Op den grond er voor lag het afgetrokken gordijn. Hij herinnerde zich, dat hij van nacht voor het eerst vergeten had het noodlottige doek te bedekken, en hij wilde er op toesnellen, maar huiverend week hij terug.

Wat was die walgelijke roode dauw daar, nat, parelende op een van de handen, als had het doek bloed gezweet! Het was verschrikkelijk, verschrikkelijker nog dan dat stille ding daar aan de tafel, waarvan de grotesk misvormde schaduw op het bevlekte kleed hem aantoonde, dat het zich niet verroerd had, maar daar nog zat, zooals hij het gelaten had.

Hij zuchtte zwaar, opende de deur wat wijder en liep met half gesloten oogen en afgewend gelaat de kamer binnen, besloten geen blik te werpen op den dooden man. Toen, zich bukkend, raapte hij den purpergouden voorhang op, en wierp het over de schilderij.

Hij bleef stil, bang zich om te draaien en zijne oogen staarden op het ingewikkeld patroon vóór hem. Hij hoorde Campbell de zware kist binnenbrengen, en de ijzers, en al het andere wat hij noodig had voor zijn gruwzaam werk. Hij vroeg zich af, of hij en Basil Hallward elkaâr ontmoet hadden, en wat zij toen van elkaâr hadden gedacht.

--Laat mij alleen, sprak een strenge stem achter hem.

Hij keerde om en haastte zich weg; nog juist bemerkte hij, dat de doode man achterover was gelegd in den stoel, en dat Campbell staarde in een glanzig geel gezicht. Toen hij naar beneden ging, hoorde hij den sleutel in het slot omdraaien.

* * * * *

Lang over zeven kwam Campbell terug in de biblioteek. Hij was bleek, maar volkomen kalm.

--Ik heb gedaan, wat je mij vroeg, fluisterde hij. En nu vaarwel. Laat ons elkaár nooit meer zien.

--Je hebt me gered van den ondergang, Alan. Dat zal ik nooit vergeten, sprak Dorian eenvoudig.

Zoodra Campbell weg was, ging hij naar boven. Er was een sterke lucht van salpeterzuur in de kamer. Maar dat wat aan de tafel had gezeten, was er niet meer. Een paar gevaarlijke dingen moesten nog vernietigd worden. Hij huiverde. Hij had een afschuw er aan te raken.

Toch moest het gedaan worden. Dat begreep hij en de deur van de bibliotheek gesloten hebbende, opende hij de geheime kast, waarin hij Basil Hallwards valies en jas geworpen had. Een groot vuur vlamde. Hij wierp er nog een blok op.

De lucht van verbrande kleêren en leder was afschuwelijk. Het duurde drie kwartier eer alles vergaan was. Toen het gedaan was, voelde hij zich flauw en misselijk; hij stak een paar Algiersche pastilles aan in een koperen wierookvaatje, en waschte hoofd en handen met een koel, muskus-geurend toiletwater. Plotseling schrikte hij op. Zijne oogen werden vreemd schitterend en hij beet zenuwachtig op zijn onderlip. Tusschen de twee ramen stond een groote Florentijnsche kast van ebbenhout, ingelegd met ivoor en blauwe lapis. Hij staarde er naar als een ding, dat betooveren kon en bang kon maken en als hield het iets in, waarnaar hij verlangde en dat hij toch verafschuwde. Zijn adem ging vlug, hijgend. Een dol verlangen kwam over hem. Hij stak een cigarette op en wierp ze weder weg. Zijne oogleden vielen neêr, tot de lange wimpers rustteden op zijn wang. Maar nog steeds staarde hij naar de kast.

Eindelijk stond hij op van de bank, waar hij lag, ging er heen, opende ze en drukte op een geheime veer. Een driehoekig laadje draaide langzaam naar buiten. Zijne vingers grepen er instinctmatig iets uit. Het was een klein chineesch doosje van zwart-en-goudlak, rijk bewerkt; aan de zijden koorden hingen ronde kristallen en waren metalen draden doorweven. Hij opende het. Binnen was groene zalf, glanzig als was, zwaar doordringend van geur. Hij aarzelde nog even, met een vreemden, strakken glimlach op het gelaat. Hij huiverde, hoewel de atmosfeer van de kamer stikkend was, en zag op de klok. Het was twintig minuten voor twaalven. Hij legde de doos weêr weg, deed de deuren van de kast dicht, en ging naar zijne slaapkamer.

Terwijl het twaalf uur sloeg met heldere, bronzen slagen, sloop Dorian Gray, in een oud, ruw pak met een bouffante om den hals, stil zijn huis uit. In Bond-Street vond hij een hansom met een flink paard. Hij riep aan en gaf het adres aan den koetsier, met zachte stem. De man schudde het hoofd.

--Het is te ver, mompelde hij.

--Hier heb je een sovereign, zei Dorian, en als je hardt rijdt, krijg je er nog een.

--Goed meneer, antwoordde de man; u zal er binnen het uur zijn!

Toen Dorian ingestapt was, draaide hij om en reed in galop naar de richting van de Thames.

XV.

Een koude regen begon te vallen en de doffe straatlantarens flikkerden spookachtig in den druipenden mist. De herbergen werden juist gesloten en vage mannen en vrouwen verdrongen zich om de deuren. Uit enkele kroegen klonk een akelig gelach; dronken lui vloekten en schreeuwden. Achterover in den hansom, zijn hoed diep in de oogen, bezag Dorian Gray lusteloos die vuile schande van de groote stad, en nu en dan herhaalde hij de woorden, die Lord Henry eens tot hem gezegd had. De ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel, Ja, dat was het geheele geheim. Vaak had hij het beproefd, nu zoû hij het weêr beproeven. Er waren opiumkitten, waar men vergetelheid kon koopen; holen vol gruwel, waar de herinnering aan oude zonden uitgewischt wordt door den hartstocht van nieuwe.

De maan hing laag in de lucht als een geel doodshoofd. Van tijd tot tijd strekte een kolossale misvormde wolk een langen arm uit en verborg haar. De gaslantarens werden zeldzamer, de straten nauwer en somberder. Eens reed de koetsier verkeerd en moest hij den halven mijl terugrijden. Damp steeg van het paard op, terwijl het ploeterde door de plassen. De raampjes van den hansom waren beslagen als met een waas van grijs flanel.

De ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel! Hoe zongen die woorden in zijne ooren! Waarlijk zijne ziel was ziek, tot stervens toe. Was het waar, dat de zinnen haar konden genezen? Er was schuldeloos bloed vergoten. Wat kon dat goed maken? O! daar was geen herstel voor; maar waar vergeving onmogelijk was, was nog vergetelheid te vinden, en hij had besloten te vergeten, het uit zich weg te trappen, zooals men een adder, die gestoken heeft, trapt. Welk recht had Basil gehad tot hem te spreken als hij gedaan had? Wie had hem tot rechter over anderen gesteld? Hij had dingen gezegd, die afschuwelijk wreed en niet te verdragen waren geweest.

De hansom zwoegde voort en het was hem of hij steeds langzamer ging. Hij boog zich naar buiten en riep den koetsier toe harder te rijden. Een snerpende honger naar opium begon in hem te bijten. Zijne keel verschroeide en zijne fijne handen trokken zenuwachtig samen. Boos sloeg hij naar het paard met zijn stok. De koetsier lachte en zette het dier wat aan. Hij lachte ook en de man zweeg stil.

De weg scheen oneindig en de straten waren als een zwart spinneweb. De eentonigheid werd onverdragelijk, en terwijl de mist dikker en dikker werd, voelde hij zich bang worden. Zij gingen voorbij eenzame steenvelden. De mist was hier veel lichter en hij kon de vreemde, fleschachtige steenovens zien met hun oranje, waaiervormige vuurtongen. Een hond blafte, terwijl zij voorbij gingen, en ver weg in de donkerte, krijschte een verdwaalde zeemeeuw. Het paard strompelde in een goot, zwaaide weêr op zij en zette het toen op een galop.

