# Het portret van Dorian Gray

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/het-portret-van-dorian-gray-10512/index.md

--Ik moet spreken, en je moet luisteren. Je zult luisteren. Toen jij Lady Gwendolen ontmoette, was er nooit in het minst over haar gesproken. En is er nu in heel Londen één fatsoenlijke vrouw, die met haar in het Park zoû rijden? Zelfs haar kinderen mogen niet bij haar blijven. En dan zijn er andere verhalen, verhalen, waarin je gezien bent geworden, terwijl je 's morgens vroeg sloop uit slechte huizen en terwijl je verkleed verdween in de smerigste krotten van Londen. Is dat waar? Kan het waar zijn? Toen ik dat voor het eerst hoorde, lachte ik. Als ik het nu hoor, krijg ik een rilling over mij heen. Wat is er van het leven, dat je geleid hebt buiten op je kasteel? Dorian, je weet wat er van je gezegd wordt, en ik wil, dat je je naam zuivert en niet meer omgaat met al die gemeene menschen. Trek nu niet je schouders op. Wees niet zoo onverschillig. Je hebt een ontzettenden invloed. Laat dien zijn ten goede en niet ten kwade. Men zegt, dat je iedereen, die met je in aanraking komt, verderft en dat, als jij een huis binnenkomt, de een of andere schande altijd volgt. Ik weet niet wat er van aan is. Hoe zoû ik dat weten. Maar het wordt van je verteld. Er zijn mij dingen verteld, waar ik niet aan twijfelen kan. Lord Gloucester was een van mijn beste vrienden in Oxford. Hij toonde mij een brief, die zijn vrouw hem schreef, toen zij alleen stervende lag in haar villa te Mentone. En in die biecht, de verschrikkelijkste, die ik ooit las, werd jouw naam genoemd. Ik zei hem, dat het onmogelijk was, dat ik je door en door kende, en dat je tot zoo iets niet in staat was. Dat ik je kende? Ken ik je? Voordat ik dat zeggen kan, moest ik tot in je ziel kunnen zien.

--Mijn ziel kunnen zien! mompelde Dorian Gray van de bank opschrikkend en bijna wit van angst.

--Ja, antwoordde Hallward ernstig, diepe smart in zijne stem; dan zoû ik je ziel moeten zien. Maar dat kan alleen God.

Een bittere lach van spot kwam over Dorians lippen.

--Je zult die zien, van avond nog! riep hij en greep eene lamp van de tafel. Kom, het is je eigen werk. Waarom zoû jij het niet zien? Je kan dan later alles er van vertellen aan de wereld! Niemand zoû je gelooven. Als ze je geloofden, zouden ze nog meer van mij houden. Ik ken onze eeuw beter dan jij, al praat je er nog zooveel over. Ga meê, zeg ik je! Je hebt genoeg gekletst over bederf. Nu zal je het ook zien met je eigen oogen!

Krankzinnigheid van trots klonk in ieder woord, dat hij uitte. Hij stampte met den voet op den grond, als een kinderachtige, ongeduldige jongen. Hij voelde helsche vreugde, dat een ander zijn geheim met hem zoû deelen, dat de man, die dat portret, de oorsprong zijner schande, geteekend had, zijn heele verder leven zoû gebukt gaan onder de martelende herinnering van hetgeen hij gedaan had.

--Ja, ging hij voort, voor hem staande, hem vlak in de oogen ziende. Ik zal je mijn ziel toonen. Je zal met je eigen oogen zien wat je denkt, dat alleen God kan zien.

Hallward schrikte terug.

--Dat is godslastering, Dorian! riep hij. Je moet zoo niet spreken. Die woorden klinken afschuwelijk en ze beteekenen niets.

--Zoo, denk je dat?

Hij lachte weêr.

--Ik weet het! En alles wat ik tot je gesproken heb, was tot je bestwil. Je weet, ik ben altijd een goed vriend voor je geweest.

--Raak me niet aan. Zeg wat je te zeggen hebt.

Een scherpe trek van pijn schoot over het gelaat van den schilder. Hij bleef stil, een wild gevoel van medelijden in hem. Maar dan, wat had hij, Basil zich eigenlijk te mengen met het leven van Dorian Gray? Huiverend richtte hij zich op en bleef stil staan kijken voor den haard naar de brandende houtblokken, met een sneeuw van asch en gloeiende kern van vlam.

--Ik wacht Basil, riep de jongen, met hard heldere stem.

Basil keerde zich om.

--Wat ik te zeggen heb is dit. Je moet mij een antwoord geven op al die verschrikkelijke beschuldigingen. Als je mij zegt, dat ze van het begin tot het eind leugen zijn, zal ik je gelooven. Ontken ze dan, Dorian, ontken ze! Zie je niet wat ik nu doorsta. Mijn God! Zeg me, dat je niet slecht bent en verdorven en vol schande.

Dorian Gray glimlachte. Minachting krulde om zijne lippen.

--Ga meê naar boven, Basil! sprak hij rustig. Ik hoû een dagboek en dat komt nooit de kamer uit, waar het geschreven wordt. Ik zal het je toonen, als je met mij meêkomt.

--Ik zal met je meêgaan, Dorian, als je het dan wilt. Ik zie, dat ik mijn trein gemist heb. Maar dat doet er niet toe. Ik kan ook morgen gaan. Maar vraag mij niet iets te lezen. Geef mij een eenvoudig antwoord.

--Dat zal je boven gegeven worden! Hier kan het niet. Je hoeft niet lang te lezen.

XIII.

Hij ging de kamer uit, de trap op. Basil Hallward volgde hem. Zij liepen zacht, zooals men doet in den nacht.

De lamp sloeg fantastische schaduwen neêr over den muur en de trap. Een wind stak op, rammelde aan de vensters. Toen zij heel boven waren, zette Dorian de lamp op den grond neer, nam den sleutel uit zijn zak en draaide het slot om.

--Je staat er immers op het te weten, Basil, vroeg hij gedempt.

--Ja.

--Dat doet me plezier, antwoordde hij, glimlachend. Hij voegde er bij, ietwat ruw:

--Je bent de eenige man in de wereld, die alles van mij weten moet. Je bent in mijn leven meer dan je wel denkt.

De lamp opnemend, stootte hij de deur open en trad binnen. Een koude tocht woei over hem en het licht schoot even op in een vlam van somber oranje.

--Sluit de deur achter je, fluisterde hij, terwijl hij de lamp op de tafel zette.

Hallward zag om zich heen met een blik van niet begrijpen. De kamer zag er uit of er in jaren lang niet gewoond was. Een verschoten Vlaamsch behang; een schilderij met een gordijn er voor; een oude Italiaansche cassone en een bijna leêge boekenkast; dan nog een stoel en een tafel. Terwijl Dorian Gray een half afgebrande kaars op den schoorsteenmantel aanstak, zag Basil, dat alles vol stof lag, dat er gaten in het tapijt waren. Een muis liep schuifelend achter het behangsel. Er was een vochtige lucht van schimmel.

--Je denkt, dat God alleen de ziel van een mensch zien kan, Basil? Trek dat gordijn weg, en je zal de mijne zien.

Zijn stem klonk koud en wreed.

--Je bent gek, Dorian of je speelt komedie, mompelde Hallward met een frons.

--Wil je niet? Dan zal ik het zelf doen, sprak hij, rukte het gordijn van de roe af en wierp het op den grond.

Een kreet van afschuw ontsnapte den schilder, toen, in het flauwe licht, het verschrikkelijke masker hem tegengrijnsde. Groote God! het was het gelaat van Dorian Gray. De gruwel, of wat ook, had die wondere schoonheid niet geheel kunnen vernietigen. Er was nog een tikje goud in het dunne haar, nog een waasje van purper op den zinnelijken mond. De doffe oogen hadden nog iets van hun blauw; de edele, klassieke lijnen waren niet geheel verdwenen van de fijne neusvleugels, van den plastischen hals. Ja, het was Dorian! Maar wie had dat gedaan? Hij scheen zijn eigen penseelstreek te herkennen, en de lijst had hijzelve ontworpen. De gedachte was monsterachtig en hij was bang. Hij greep de kaars en hield het licht vlak bij de schilderij. Links in den hoek stond zijn eigen naam in lange letters van helder vermiljoen.

Het was een lage parodie, een schandelijke, ignoble satire. Dat had hij nooit gedaan. En toch, het was zijn werk, dat voelde hij, en het was of zijn bloed in hem opeens van brandend vuur veranderde in traag kruipend ijs. Zijn eigen werk! Wat beteekende het? Waarom was het veranderd? Hij keerde zich om en zag naar Dorian Gray met de oogen van een ziek mensch. Zijn mond trok en zijn verdroogde tong scheen onmachtig tot spreken. Hij streek met de hand langs het voorhoofd. Het was vochtig van een klam zweet.

De jonge man leunde tegen den schoorsteenmantel en sloeg hem gade met de vreemde uitdrukking op zijn gelaat van iemand, die verdiept is in het spel van een groot artist. Verdriet nog genoegen was er op te lezen. Slechts de passie van den toeschouwer, met misschien een tintje van triomf in de oogen. Hij had zijne bloem uit het knoopsgat genomen en rook eraan, of deed alsof.

--Wat beteekent dat? riep Hallward eindelijk. Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd in de ooren.

--Jaren geleden, toen ik nog een jongen was, begon Dorian Gray, de bloem in zijn hand verkreukelend, leerde je mij kennen, vleide je mij en leerde je mij trotsch te zijn op mijn mooi gezicht. Op een dag stelde je mij voor aan een vriend van je, die mij de tooverkracht van de jeugd uitlegde, en je maakte een portret van me, dat mij de tooverkracht van de jeugd openbaarde. In een opgewonden oogenblik, ik weet nog niet of ik er spijt van heb of niet, deed ik een wensch, misschien zoû jij het een gebed noemen ...

--Ik herinner het mij, o! ik herinner het mij maar al te goed. Maar dat is onmogelijk. De kamer is vochtig. Daar zit schimmel op het doek. Daar moet een of ander mineraal vergif gezeten hebben in mijn verf. Ik zeg je dat het onmogelijk is.

--Ach, wat is onmogelijk? murmelde Dorian naar het venster gaande en zijn voorhoofd drukkende tegen het koude, mistbeslagen glas.

--Je vertelde mij, dat je het vernietigd had.

--Dat was niet zoo. Het heeft mij vernietigd.

--Ik kan niet gelooven, dat het mijn schilderij is.

--Herken je je ideaal er niet meer uit? vroeg Dorian bitter.

--Mijn ideaal, zooals jij het noemt ...

--Zooals jijzelf het noemde.

--Daar was niets slechts, niets schandelijks in. Je was voor me een ideaal, als ik er nooit meer een zien zal. Maar dit, dit is het masker van een sater.

--Het is het masker van mijn ziel.

--Groote God? Wat een monster heb ik verafgood. Het heeft de oogen van den duivel!

--Ieder van ons heeft in zich iets van den hemel en iets van de hel, Basil, riep Dorian, met een wild gebaar van wanhoop.

Hallward staarde weêr op het portret.

--Mijn God! als het waar is en als dit het beeld is van je leven, dan moet je nog slechter zijn dan de menschen zeggen!!

Wederom hield hij het licht bij het doek en onderzocht het nauwkeurig. De oppervlakte scheen onberoerd. Klaarblijkelijk kwam de laagheid en afschuwelijkheid van binnen uit. Door eene onbegrijpelijke werking van innerlijk leven, werd dat beeld op linnen langzaam weggevreten door de lepra der zonde. Het wegrotten van een lichaam in een vochtig graf was niet zoo afschuwelijk.

Zijne hand beefde, de kaars viel uit den blaker op den grond en spatterde daar. Hij zette zijn voet er op en trapte ze uit. Toen wierp hij zich in den rieten stoel bij de tafel en verborg het gelaat in de handen.

--Groote God! Dorian, wat een les! Wat een verschrikkelijke les!

Er kwam geen antwoord maar hij hoorde hem snikken bij het venster.

--Bid Dorian, bid! fluisterde hij. Hoe was hetook weêr, wat wij als kinderen leerden? Leid ons niet in verzoeking. Vergeef ons onze zonden. Zuiver ons van onze ongerechtigheden. Laat ons dat samen bidden. Je gebed van trots is verhoord. Het gebed van je berouw zal misschien ook verhoord worden. Ik stelde je te hoog. Daar ben ik voor gestraft. Je stelde jezelven te hoog. Wij zijn nu beiden gestraft.

Dorian Gray keerde zich langzaam om en zag hem aan met betraande oogen.

--Het is te laat, Basil, snikte hij.

--Het is nooit te laat, Dorian. Laat ons neêrknielen en ons een gebed trachten te herinneren. Is er niet ergens een tekst: Al zijn uw zonden rood als bloed, ik zal ze maken wit als sneeuw?

--Die woorden zeggen mij niets.

--Chut! Zeg dat niet. Je hebt genoeg kwaad gedaan in je leven. Mijn God! Zie je dan niet hoe dat vervloekte beeld ons aangrijnst!!!

Dorian Gray zag naar het portret; eensklaps kwam een onbedwingbaar gevoel van haat tegen Basil Hallward over hem, al werd het hem ingegeven door dat beeld, ingefluisterd door die grijnzende lippen.

De wanhopige passies van een gejaagd dier woedden in hem en hij verafschuwde dien man daar aan tafel meer dan hij ooit iets verafschuwd had. Hij blikte woest rond. Er glinsterde iets op die kist voor hem. Zijn oog viel er op. Hij wist wat het was. Het was een mes, dat hij een paar dagen geleden boven had gebracht om een touw meê door te snijden, en hij had vergeten het weg te brengen. Voorzichtig sloop hij er heen, langs Basil om. Achter hem gekomen, greep hij het beet. Hallward bewoog zich in zijn stoel, als wilde hij opstaan. Dorian vloog op hem toe, stootte het mes diep in den slagader achter het oor, het hoofd op de tafel neêrdrukkend, en stiet toen nog eens, en nog eens.

Er was even een onderdrukt gesteun en het verschrikkelijke geluid van iemand, die in zijn bloed stikt. Tot drie keer toe verhieven de uitgestrekte armen zich krampachtig en bewogen de stijve handen zich wanhopig in de lucht. Hij stiet nog tweemaal, maar het lichaam bewoog niet meer. Er begon iets te tikkelen op den grond. Hij wachtte nog even, het hoofd steeds naar beneden duwend. Toen wierp hij het mes op de tafel en luisterde.

Hij hoorde niets dan: tik, tik, op het afgesleten tapijt. Hij deed de deur open en stond op het portaal. Het huis was doodstil. Er was niemand op. Even stond hij geleund over de balustrade en tuuroogde in den zwarten put van donkerte. Toen nam hij den sleutel van buiten uit de deur, ging weêr de kamer binnen en sloot er zich op.

Het ding zat daar nog in den stoel, geleund over de tafel met gebogen hoofd, ronden rug en lange spookachtige armen. Alleen om de roode keep in den hals en de zwarte, klonterige poel, die langzaam grooter werd op de tafel, zoû men niet kunnen gezegd hebben, dat de man sliep. Hoe vlug was alles gebeurd. Hij voelde zich vreemd kalm, en naar het venster gaande, opende hij het en trad op het balkon. De wind had den mist weggevaagd en de lucht was als een reusachtige pauwenstaart, met oogen van myriaden sterren. Hij keek naar beneden; zag den agent zijne ronde doen, een lange straal uit zijn lantaren richtende op de deuren, der slapende huizen. Het roode lichtje van een cab flikkerde even om den hoek en verdween weêr. Eene vrouw, met een fladderende shawl, kroop waggelend langs het hekwerk. Zij begon te zingen met een schorre stem.

De agent kwam op haar toe en zeide iets tot haar. Zij waggelde weg, lachend. Een koude wind blies over het Square. De gaslantarens flikkerden en werden blauw en de bladerlooze boomen schudden hunne ijzer-zwarte takken heen en weêr. Hij huiverde en ging naar binnen, het raam sluitend. Bij de deur gekomen, opende hij die. Hij zag niet naar den vermoorden man. Hij gevoelde, dat het nu van geen belang was: zich geene rekenschap te geven van het gebeurde. De vriend, die dat noodlottig portret geschilderd had, was verdwenen uit het leven. Dat was hem genoeg. Toen dacht hij aan de lamp. Het was een Moorsch ding van dof zilver, ingelegd met arabesken van gebrand staal, met hier en daar ruwe turkooizen. Misschien zoû de knecht het missen en er naar vragen. Hij aarzelde even. Hij moest nu wel dat doode ding zien. Wat lag het stil. Akelig wit waren die lange handen. Het was als een afschuwelijk wassen beeld.

De deur achter zich gesloten hebbend, kroop hij voorzichtig naar beneden. Het hout kraakte en scheen te steunen als was het in pijn. Hij hield verscheiden malen stil en wachtte. Neen, alles was stil. Het was slechts het geluid van zijne eigen voetstappen.

In de bibliotheek zag hij het valies en de overjas, in een hoek. Die moesten verborgen worden. Hij opende een geheime kast in den muur, een kast, waar hij zijne vermommingen borg, en stopte alles er in. Hij kon ze later gemakkelijk eens verbranden. Toen haalde hij zijn horloge uit. Het was tien minuten voor half een.

Hij ging zitten en dacht na. Ieder jaar, iedere maand bijna, werden er in Engeland menschen opgehangen om hetgeen hij nu gedaan had. Een drang naar moorden hing er in de lucht. Er was zeker een roode ster te dicht bij de aarde gekomen ... Maar welke bewijzen waren er tegen hem? Basil Hallward had het huis om elf uur verlaten. Niemand had hem weêr binnen zien komen. De meesten der bedienden waren op Selby Royal. Zijn knecht was naar bed ... Parijs! Ja, Basil was naar Parijs gegaan, met den nachttrein, zooals zijn plan was. Er zouden maanden voorbij gaan, eer hij gemist werd. Maanden! Alles kon immers lang vóór dien tijd vernietigd worden.

Eene plotselinge gedachte weêrlichtte in hem op. Hij deed zijn pels aan, zette zijn hoed op en ging in de gang. Daar bleef hij stil staan en luisterde naar de langzame, zware stappen van den agent buiten, en hij zag het licht zijner lantaren weêrkaatst in het venster. Hij wachtte en hield zijn adem in. Na enkele oogenblikken trok hij de knip weg en sloop naar buiten, de deur zachtjes dichttrekkend. Toen begon hij aan de bel te luiden; binnen vijf minuten verscheen de knecht, half gekleed, slaperig.

--Het spijt me, dat ik je moest opbellen, Francis, sprak hij binnenkomend, maar ik had mijn sleutel vergeten. Hoe laat is het?

--Tien minuten over tweeën, meneer, antwoordde de man, op de klok ziende, knipoogend.

--Tien minuten over tweeën. Hoe verschrikkelijk laat! Je moet me morgen om negen uur wekken. Ik heb wat te doen.

--Goed, meneer.

--Is er iemand geweest?

--Mr. Hallward, meneer; hij bleef tot elf uur en ging toen weg om den trein te halen.

--Zoo! Dat spijt me. Heeft hij een boodschap achtergelaten?

--Neen, meneer; alleen, dat hij u uit Parijs zoû schrijven, als hij u niet in de club vond.

--Goed Francis. Vergeet niet me morgen op te roepen, om negen uur.

--Neen, meneer.

De man slofte op zijn pantoffels de hall door. Dorian Gray wierp jas en hoed op de tafel en ging in de bibliotheek. Een kwartier lang liep hij in de kamer op en neêr na te denken, op zijne lip bijtend. Toen nam hij een adresboek van een van de planken en zocht er in:

Alan Campbell, 152 Hertford Street, Mayfair. Ja, dat was de man, dien hij noodig had.

XIV.

Den volgenden morgen om negen uur, kwam de knecht bij hem met een kop chocolade op een blad, en deed de blinden open. Dorian lag rustig te slapen, eene hand onder zijn wang. Hij lag daar als een jongen, die moê was geweest van spelen of van leeren.

De knecht moest hem tweemaal bij den schouder aanstooten, voor hij wakker werd, en toen hij zijn oogen opende, speelde een lichte glimlach om zijne lippen, als ontwaakte hij uit een zaligen droom. En toch had hij in het geheel niet gedroomd. Zijne nacht was blank geweest, zonder beelden van verdriet of vreugde. Maar de jeugd glimlacht zonder reden. Het is een van hare liefste bekoringen.

Hij keerde zich om en, op zijn elleboog leunend, begon hij zijn chocola te drinken. De bleeke Novemberzon kwam zijne kamer binnen. De lucht stond helder en het was aangenaam warm. Het was bijna als een dag in Mei.

Langzamerhand kropen de gebeurtenissen van den nacht, op zachte bloedbevlekle voeten, terug in zijne hersens, en stapelden zich daar met hatelijke duidelijkheid op. Hij kromp ineen bij de herinnering aan alles wat hij had doorstaan en voor een oogenblik kwam dat gevoel van haat tegen Basil Hallward weêr in hem boven, zooals toen hij hem vermoord had in zijn stoel; hij werd koud van haat. De doode man was daar nog steeds, en nu, nu zat hij daar in de zon. Dat was verschrikkelijk! Zulke gruwelen waren voor den nacht en niet voor den dag.

Hij gevoelde, dat zoo hij bleef peinzen over wat er gebeurd was, hij van zichzelven walgen of gek zoû worden. Er waren zonden, wier bekoring meer school in de herinnering dan in de daad zelven; vreemdsoortige triomfen, die meer de ijdelheid dan de hartstochten streelden, en het intellect grootere vreugde gaven, dan zij ooit den zinnen bereiden konden. Maar deze was niet zoo eene. Deze moest verdreven worden, uit den geest weg, bedwelmd met papavers, omgebracht, uit vreeze, dat ze zichzelven ombrengen zoû.

Toen het halve uur sloeg, streek hij de hand langs het voorhoofd, stond haastig op en kleedde zich met nog meer zorg dan gewoonlijk, zocht nauwkeurig zijn das en dasspeld uit, en veranderde een paar keer zijne ringen. Hij deed lang over zijn ontbijt, proefde van de verschillende schotels, sprak met den knecht over de nieuwe liverei, die hij voor zijne bedienden in Selby wilde bestellen en las zijne correspondentie. Bij een paar brieven glimlachte hij. Drie ervan verveelden hem. Een las hij dikwijls over en verscheurde dien toen met een ontevreden uitdrukking op zijn gezicht.

--Een lastig ding, zoo een vrouwengeheugen! zooals Lord Henry eens gezegd had.

Toen hij zijn café-noir op had, veegde hij zich voorzichtig de lippen met zijn servet, wenkte den knecht even te wachten en schreef twee briefjes. Het eene stak hij in den zak en het andere gaf hij den knecht.

--Breng dit naar Hertford Street 152, Francis, en als Mr. Campbell uit de stad is, moet je zijn adres vragen.

Zoodra hij alleen was, stak hij een cigarette op en begon wat te krabbelen op een stukje papier; eerst schetste hij bloemen, toen stukjes architectuur en toen gezichten. Op eens merkte hij, dat ieder gezicht eene fantastische gelijkenis had met Basil Hallward. Hij fronste de wenkbrauwen en stond op, ging naar de boekenkast en nam het eerste het beste boek er uit. Hij nam zich voor niet te denken over het gebeurde, vóór het hoog noodzakelijk was. Op de bank zich neervlijend las hij het titelblad. Het was Gautier's Emaux et Camées, uitgave van Charpentier op Japansch papier, met de etsen van Jacquemart. Het was gebonden in citroen-geel leder, met figuren van verguld traliewerk en gespikkelde granaatappels. Hij had het gekregen van Adrian Singleton. Er in bladerende viel zijn oog op het gedicht over de hand van Lacenaire: die kille, gele hand, "du supplice encore mal lavée", met enkele rossige haren en zijn "doigts de faune". Hij zag naar zijne eigen dunne, witte vingers, rilde in weêrwil van zichzelven, en bladerde verder tot hij kwam bij de mooie coupletten over Venetië:

Sur une gamme chromatique Le sein de perles ruisselant La Venus de l'Adriatique Sort de l'au son corps rose et blanc.

Les dômes sur l'azur des ondes, Suivant la phrase au pur contour, S'enflent comme des gorges rondes, Que soulève un soupir d'Amour.

L'esquif aborde et me dépose; Jetant son amarre au pilier, Devant une façade rose, Sur le marbre d'un escalier.

Hoe exquis waren zij. Als men ze las, was het of men dreef over de groene waterwegen van die stad van purper en parelmoêr, in een zwarten gondel met zilveren voorsteven en lange, neêrhangende gordijnen. De regels alleen schenen hem toe als de lange lijnen van turkooizen-blauw, die ons volgen, wanneer wij naar de Lido roeien. De plotselinge opschietingen van kleur herinnerden hem aan de flikkeringen der duiven, die met hunne kleuren van opaal en regenboog fladderden om de honigraten van den Campanile, of, met statige gratie, wandelden door de grijze, donkere arcades. Met gesloten oogen achterover liggend, herhaalde hij in zichzelven:

Devant une façade rose, Sur le marbre d'un escalier.

Heel Venetië lag in die twee lijnen. Hij herinnerde zich het najaar, dat hij daar geweest was, toen een wonderschoone liefde hem verleid had tot heerlijke dolle daden. Er was poëzie in ieder plekje. Maar Venetië had, als Oxford, dien juisten achtergrond voor poëzie en voor de waarlijk romantischen is het décor alles, of bijna alles. Basil was toen ook lang bij hem geweest, en had gedweept met Tintoretto. Arme Basil! Wat een verschrikkelijk einde!

