Het portret van Dorian Gray

Part 11

Chapter 11 4,002 words Public domain Markdown

Een ander maal wijdde hij zich der muziek, gaf vreemde concerten, in een lang vertrek met antieke ruitjes, purpergouden zoldering, muren van olijfgroen lakwerk; woeste zigeuners tokkelden er hartstochtelijke melodieën op kleine cithers; ernstige Tunisiërs, in gele châles, plukten er aan de gespannen snaren van reusachtige luiten; grinnikende negers sloegen er eentonig op koperen trommen; magere hindoes, met witte tulbanden, op purperen matjes, bliezen er op lange fluitjes van riet; zij betooverden er reusachtige slangen, gehorende pythons. Hij verzamelde uit alle deelen der wereld de vreemdste instrumenten, die men vinden kon. Hij bezat de geheimzinnige juruparis van de Rio-Negro Indianen, die de vrouwen niet zien mogen, de jonge lieden eerst na veel vasten en geeseling; de kruiken der Peruanen, die met het schelle geluid van vogels klinken; de fluiten van menschenbeenderen, zooals Alfonso de Ovalle in Chili ze hoorde; de klankvolle groene jaspis-steenen, die men vindt bij Cuzco, die een toon geven van wonderlijke zoetheid. De lange clarin der Mexicanen; de speler blaast er niet in, maar zuigt er door de lucht op; de schorre ture der Amazone-stammen; de schildwachten blazen ze; ze zitten in hooge boomen; men hoort ze drie mijlen ver; de teponaztli, met twee trillende tongen van hout; geslagen wordt ze met stokken, die gesmeerd zijn met gom uit melkig sap van planten; de yotlbellen der Azteken: in trossen hangen ze neêr als druiven; de groote cylindertrom, met slangenvel: Bernal Diaz zag dien met Cortes in den Mexcicaanschen tempel en hij beschreef zoo mooi er den klagenden klank van.

Het fantastische karakter dier instrumenten bekoorde hem en hij vond het zalig te zien dat Kunst, zoowel als Natuur, hare monsters bezit: dingen, beestelijk van vorm, afschuwelijk van toon.

Toen de studie van juweelen. Hij verscheen op een gekostumeerd bal als Anne de Joyeuse, admiraal van Frankrijk, vijfhonderdzestig parelen op zijn kostuum. Deze voorliefde behield hij jaren; ze verliet hem nooit geheel en al. Hij hield van het roode goud in den zonnesteen, de parelige blankheid van den maansteen, de gebroken regenboog in de melkwitte opaal. Fabelachtige legenden vond hij uit van juweelen. In Alphonso's Clericalis Disciplina komt eene slang voor met oogen van echt hyacinth; Alexander, overwinnaar van Emathia, vond in de valleien van den Jordaan slangen met snoeren van smaragd, die hun groeiden op den rug. De granaat verdreef de demonen, de spiegelsteen wies en kromp in met de maan. De bezoar, gevonden in het hart van een Arabisch hert, was een talisman tegen de pest.

Toen borduursels en gobelins, die fresco's der kille kamers van het Noorden. En terwijl hij zich hierin verdiepte, werd hij bijna treurig gestemd door het bederf, dat de tijd bracht in alle mooie dingen. Hij, tenminste was dat ontkomen! Geen winter verstijfde zijn gelaat, bevroor de frisschheid zijner jeugd. Hoe anders was dat met dingen van materie! Waar waren zij gebleven? Waar was het groote crocuskleurig kleed, waarop de goden vochten tegen de reuzen, gewerkt door bruine meisjes van Athena? Waar, het ontzettende velum, dat Nero gehangen had voor het Colosseum in Rome, dat Titanische zeil van purper, met de sterrenlucht en Apollo in een kar, getrokken door witte, goudgestrengde rossen? Hij wenschte te zien de tafelkleeden van den Priester van de Zon, waarop alle lekkernijen en spijzen voor een feest, het lijkkleed van Chilperic met drie honderd gouden bijen. Een geheel jaar lang verzamelde hij de mooiste weefselen, die hij krijgen kon: teedere Delhi mousselines met gouden palmen en regenbogende vleugels van kevers; Dacca-gazen; in het Oosten noemt men ze: geweven lucht en stroomende wateren en avonddauw; vreemd geteekende kleeden van Java; rijk gele Chineesche gordijnen; sluiers van laciswerk uit Hongarije; Siciliaansche brokaten; stijve Spaansche fluweelen; Georgische borduursels met gouden hoeken; Japansche Foukousas met groenig goud en kleurige vogels. En dan zijns speciale passie voor Kerkelijke gewaden, als voor alles wat tot de Kerk in betrekking stond.

Al deze schatten, alles wat hij in zijn mooi huis verzamelde, alles was voor hem: middel van vergetelheid; alles werd hem rage, waardoor hij voor een tijd trachtte te ontkomen aan den angst, die hem soms te zwaar scheen om te dragen. Aan den muur van de eenzame, geslotene kamer, waar hij zoovele zijner jongensjaren had doorgebracht, had hij met eigen hand dat ontzettende portret gehangen; de veranderende trekken ervan toonden hem de schande van zijn leven zoo duidelijk! Er voor hing het purpergouden lijkkleed, als een gordijn. Soms gingen er weken voorbij, zonder dat hij daar kwam; dan vergat hij dat geschilderd beeld van gruwel, hervond hij zijne luchthartigheid, zijne vroolijkheid, zijn hartstochtelijk opgaan in het leven. Dan, op eens, sloop hij 's nachts weg uit zijn huis naar een van die verschrikkelijke plaatsen bij Blue Gate Fields en bleef daar dagen achtereen, tot hij weggejaagd werd. Teruggekomen, zette hij zich voor zijn portret, het beeld, en zichzelven vervloekend; vaak ook vervuld met een trots van individualiteit, die de halve bekoring is der zonde; dan lachte hij met geheim genoegen over de misvormde schaduw, gedoemd den last te dragen die de zijne was. Enkele jaren later kon hij zelfs niet lang uit Engeland wegblijven, verkocht hij zoowel de villa, die hij in Trouville samen met Lord Henry bewoonde, als het kleine, wit ommuurde huis in Algiers, waar hij zoovele winters had doorgebracht. Hij kon niet gescheiden zijn van het portret, dat zooveel in zijn leven was; ook vreesde hij, dat iemand in zijne afwezigheid de kamer zoû binnendringen, in weêrwil van hare bewerkelijke sloten en grendels.

Hij begreep wel, dat men er toch niets van zoude begrijpen. Het was waar, dat het portret nog onder al die laagheid en leelijkheid sprekend op hem geleek, maar wat gaf dat? Hij had het immers niet geschilderd? Wat kon het hem schelen hoe afschuwelijk en vol schande dit er uit zag! Zelfs al vertelde hij zijn geheim, niemand zoû het gelooven. En toch was hij bang. Soms op zijn groot buiten in Nottinghamshire, feestvierend met zijne vrienden, jongelui van de wereld, ieder verbazende door de lichtzinnige luxe, de schitterende splendeur zijner levenswijze, verliet hij in eens zijne gasten, vloog hij naar de stad om te zien of iemand aan de deur geweest was, of het portret er nog hing. Als het eens gestolen was! De gedachte alleen maakte hem koud van angst. De wereld zoû zijn geheim dan weten. Misschien vermoedde de wereld al iets!

Want al bekoorde hij velen, er waren er toch die hem wantrouwden. Hij werd bijna gedeballoteerd uit de West-End Club, waarvan hij toch, om geboorte en pozitie, volkomen recht had lid te zijn; men vertelde, dat, geïntroduceerd in de rookkamer van den Churchill, de Hertog van Berwick en een andere heer zeer gemarqueerd op waren gestaan, waren heengegaan. Vreemde geschiedenissen liepen over hem om. Er werd verteld, dat hij gezien was, vloekende met vreemde matrozen in White-Chapel, dat hij omging met dieven en valsche munters, ingewijd was in al hunne geheimen. Zijne geheimzinnige verdwijningen werden ruchtbaar; wanneer hij zich dan weêr vertoonde, fluisterde men in hoekjes of ging hem voorbij vol minachting, zag hem aan met koude, doordringende blikken als wilde men zijn geheim weten. Van zulke veronachtzamingen of beleedigingen nam hij natuurlijk geen notitie; voor de meesten waren zijne openhartige, gulle manieren, zijn glimlach vol innemendheid, zijne jeugd vol bekoring, die hem nooit scheen te verlaten, het beste antwoord op alle lasterpraat. Maar opmerkelijk was het, dat zij, die het meest intiem met hem geweest waren, hem later vermeden. Vrouwen, die hem aangebeden, voor hem wereld en conventie getrotseerd hadden, ze werden bleek van schaamte en afschuw, als Dorian Gray binnenkwam! In de oogen van velen echter verhoogden deze gefluisterde schandaaltjes nog de vreemde en gevaarlijke bekoring, die van hem uitging. Zijn rijkdom gaf hem veiligheid. De wereld, de gecivilizeerde wereld ten minste, wil nooit gaarne gelooven ten nadeele van iemand, die rijk is en weet in te nemen. Zij voelt als bij instinct, dat goede manieren meer waard zijn dan moraliteit en in haar oordeel weegt de hoogste respectabiliteit niet op tegen het bezit van een goeden kok. En eigenlijk is het ook een schrale troost te hooren, dat iemand bij wien men een slecht diner of slechten wijn gehad heeft, een onberispelijk leven leidt. De stelregels voor het leven van de wereld, zijn of moeten dezelfde zijn als die van de kunst. Vorm is vereischte. Kunst moet zoowel de waardigheid als de onwerkelijkheid eener ceremonie hebben, en het onware karakter van een romantisch voordoen vereenigen met die geestigheid en schoonheid, waardoor zulk voordoen ons bekoort. Is onoprechtheid dan zoo iets vreeselijks? Ze is immers maar eene manier om onze persoonlijkheid te vermenigvuldigen. Dit was ten minste Dorian Gray's oordeel. Hij verwonderde zich over de kleinzieligheid van hen, die beweren dat de Ikheid in een mensch, iets primitiefs blijvends, standvastigs is, ééne essence. Voor hem was een mensch een wezen met myriaden levens en myriaden sensaties, complexe veelvuldigheid vreemder overervingen van gedachte en passie, het lichaam bezet door afzichtelijkste ziekten der dooden zelve.

Hij hield ervan te dwalen door de holle, koude schilderijengalerij van zijn kasteel, te zien naar de verschillende portretten van hen, wier bloed vloeide door zijne aderen. Hier Philip Herbert, door Francis Osborne, in zijne memories uit de Regeering van Koningin Elizabeth en Koning James beschreven: "Iemand door het hof vertroeteld om zijn knap uiterlijk, dat hij niet lang behield." Leidde hij soms het leven van den jongen Herbert? Was een vreemde, giftige kiem gekropen van lichaam tot lichaam, totdat ze nu in het zijne was? Was het door onbewuste herinnering aan de verloren schoonheid, dat hij zoo plotseling, zonder reden, dien wensch geuit had in Basil Hallwards atelier? Daar, in een rood met goud geborduurd wambuis, in overrok vol juweelen, goudgerande kraag en polsbanden, Sir Anthony Sherard, de zilver-en-zwarte wapenrusting aan zijne voeten opgehoopt. Had die minnaar van Giovanna van Napels hem een erfenis van zonde en schande nagelaten? Waren zijne eigen handelingen slechts droomen geweest voor den doode, die ze niet tot werkelijkheid had durven maken? Hier glimlachte Lady Elizabeth Devereux. Een gazen coiffe, parelen keurs, roze puntmouwen. Een bloem in haar linkerhand, in haar rechter een geëmailleerde keten van witte en roze rozen. Op een tafel naast haar een mandoline, een appel. Groote groene rozetten op haar kleine puntige schoentjes. Hij kende haar leven en de zonderlinge geschiedenissen over haar minnaars. Had hij iets van haar temperament in zich? Die matte ovale oogen blikten hem zoo vreemd toe. En wat had hij van George Willoughby, met zijn gepoeierde pruik en mouches. Hoe slecht zag hij er uit! Het gezicht was stuursch en tanig, de zinnelijke lippen minachtend samengetrokken. Fijne kanten vielen over de magere, gele handen, overladen met ringen. Hij was een dandy geweest in de achttiende eeuw en een vriend van Lord Ferrars. Dan de tweede Lord Beckenham, een vriend van den Prins Regent uit zijne wildste dagen, getuige bij diens geheim huwelijk met Mr. Fitzherbet. Hoe trotsch en knap was hij, met zijne bruine krullen en zijn overmoedige houding! Welke passies had hij hem nagelaten? De wereld had hem een schandvlek genoemd. Hij had de orgieën van Carlton House geleid. De orde van den Kouseband schitterde op zijn borst. Naast hem het portret zijner vrouw, een bleeke, dunlippige dame in het zwart. Ook haar bloed stroomde in het zijne. Hoe vreemd scheen dat alles! En dan zijne moeder, met haar Lady-Hamiltongezichtje en haar van wijn vochtige lippen; hij wist wat hij van haar had: zijne schoonheid, en zijne passie voor de schoonheid van anderen. Zij lachte hem toe in haar los Bacchante-kleed. Druivenbladeren had zij in het haar. Het purpervocht stortte uit den beker in haar hand. De kleuren van de schilderij waren verbleekt, maar de oogen waren nog prachtig in diepte en schittering. Zij schenen hem te volgen, overal waar hij ging. En dan had een mensch nog voorouders van literatuur, zoowel als van zijn eigen geslacht, en nader nog in type en temperament, van nòg meer invloed. Er waren oogenblikken, dat het Dorian Gray scheen, of de geheele historie slechts een kort begrip was van zijn eigen leven, niet als hij het leefde door daden en omstandigheid, maar als hij het zich schiep in verbeelding en passie. Hij voelde, dat hij ze allen kende, die vreemde, verschrikkelijke spelers van het wereldtooneel, die de zonde hadden zoo heerlijk, het kwaad zoo subtiel gemaakt. Het scheen hem, dat op mysterieuze wijze hunne levens waren zijn eigen leven geweest. Ook de held uit zijn roman had deze curieuze sensatie doorleefd. In het zevende hoofdstuk vertelde hij: als Tiberius, gekroond met laurieren, dat de bliksem hem niet trof, gezeten te hebben in den tuin van Capri; hij las er de schandelijke boeken van Elefantis, dwergen en pauwen rondom hem heen, vol statigheid; als Caligula had hij gedronken met knechten in den stal, had gegeten uit de ivoren ruif van een paard, met juweelen getuigd; als Heliogabalus had hij geverfd het gelaat, gezeten aan het spinnewiel met vrouwen, en de Maan gehaald van Carthago en haar in mystisch huwelijk gegeven aan de Zon.

Telkens en telkens herlas Dorian Gray dit fantastisch hoofdstuk; ook de twee volgende, waar, als in tapijtwerk en email, de verschrikkelijke schoone beelden stonden van hen, die door zonde of bloed of spleen, monsterachtig waren geworden en krankzinnig. Filippo, hertog van Milaan, die zijne vrouw vermoordde en haar lippen wreef met een purper vergif, dat haar minnaar den dood mocht kussen van het ding, dat hij liefkoosde. Pietro Riario, de jonge Kardinaal-Aartsbisschop van Florence, kind en geliefde van Sixtus IV, zijne schoonheid alleen gelijk aan zijn verderf en die Leonora van Arragon ontving in een paviljoen van witte en roze zijde, gevuld met nymfen en centauren, en die een knaap vergulde om hem te doen zijn op een feest Ganymedes of Hylas; Karel VI, die zijn broêrs vrouw zóó had bemind, dat een lepra hem waarschuwde voor de krankzinnigheid, die hem bedreigde, en die, zijne hersens ziek en vreemd, slechts kalm kon worden met Saraceensche kaarten, waarop beelden van liefde van dood en van dolheid ...

Er was afschuwelijke bekoring in alle dezen. Hij zag ze 's nachts vóór zich, en overdag spookten zij in zijne verbeelding. De Renaissance kende vele wijzen van vergiftiging door een helm, een aangestoken toorts, door geborduurde handschoenen, een waaier met juweelen, en een keten van amber. Dorian Gray was vergiftigd door een boek.

XII.

Het was de negende November, de avond van zijn acht-en-dertigste verjaardag, zooals hij zich later herinnerde. Hij wandelde om elf uur naar huis terug van Lord Henry, waar hij gedineerd had, warm in dik bont; het was koud en mistig. Op den hoek van Grosvenor-Square en South-Audly-street liep een man hem snel voorbij in den mist, den kraag van zijn ulster op. Hij had een valies in de hand. Dorian herkende hem. Het was Basil Hallward. Een vreemd gevoel van angst, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven, kwam over hem. Hij gaf geen teeken van herkenning, en liep vlug voort in de richting van zijn huis.

Maar Hallward had hem gezien. Dorian hoorde hem eerst stilstaan op het trottoir en hem toen vlug achter-oploopen. Na enkele oogenblikken lag eene hand op zijn arm.

--Dorian! Wat een gelukkig toeval! Ik heb van negen uur af in je bibliotheek op je zitten wachten. Eindelijk kreeg ik medelijden met den knecht en heb hem gezegd naar bed te gaan, toen hij mij uitliet. Ik ga vannacht naar Parijs, en ik woû je gaarne nog zien, vóór ik wegging. Ik dacht wel, dat jij het was, of liever gezegd: je pels, toen je me passeerde. Maar ik was toch niet heelemaal zeker. Herkende jij me niet?

--In dezen mist, maar mijn beste Basil! Ik kan niet eens Grosvenor-Square herkennen. Ik geloof, dat mijn huis hier ergens moet zijn, maar zeker weet ik het niet. Het spijt mij, dat je weggaat; ik heb je in geen eeuw gezien. Maar je komt toch zeker gauw terug?

--Neen. Ik ga voor zes maanden uit Engeland. Ik ben van plan een atelier in Parijs te nemen en mij op te sluiten tot ik het schilderij af heb, dat ik in mijn hoofd heb. Maar ik kwam niet bij je om over mijzelven te spreken. Hier zijn we bij de deur. Ik ga nog even met je naar binnen. Ik heb je iets te zeggen.

--Uitstekend. Maar zal je je trein niet misloopen? sprak Dorian Gray kwijnend, terwijl hij de stoep opging en den sleutel in de deur stak.

Het lamplicht drong naar buiten door den mist heen en Hallward zag op zijn horloge.

--Ik heb allen tijd, antwoordde hij. De trein gaat pas kwart over twaalf en het is pas elf uur. Ik was trouwens op weg naar de club om te zien of je daar was, toen ik je ontmoette. En ik heb niets te doen met bagage, want ik heb mijn koffers al vooruit gezonden. Ik heb niets dan dit valiesje en ik loop gemakkelijk in twintig minuten naar Victoria Station.

Dorian zag hem aan en glimlachte.

--Wat een curieuze manier van reizen voor een modern schilder van naam. Een Gladstone-bag en een ulster! Kom binnen, anders krijgen we al dien mist in huis. En denk er om, dat je over niets ernstigs spreekt. Niets is ernstig tegenwoordig. Tenminste zoo hoort het.

Hallward schudde het hoofd terwijl hij binnentrad en Dorian volgde in de bibliotheek. Een groot houtvuur vlamde in de open haard. De lampen waren opgestoken en een open zilveren likeurkastje stond met sifons soda-water en hooge kristallen bekers op een marquetterie-tafel.

--Je ziet, de knecht heeft het mij heel prettig gemaakt. Hij gaf me alles wat ik noodig had, zelfs je fijne cigaretten met gouden puntjes. Hij is een goede kerel. Ik mag hem liever dan den Franschman, die je vroeger hadt. Wat is er van hem geworden?

Dorian haalde de schouders op.

--Ik geloof, dat hij Lady Radley's kamenier getrouwd heeft, en haar in Parijs als Engelsche modiste heeft geïnstalleerd. Anglomanie is er de rage tegenwoordig, hoor ik. Bespottelijk, vindt je niet? Maar hij was niet slecht, zie je. Ik hield niet van hem, maar ik had niet over hem te klagen. Je verbeeldt je soms van die dingen, die kant noch wal raken. Hij was heusch aan mij gehecht, en scheen erg treurig, toen hij weg moest. Wil je nog een brandy-soda? Of heb je liever hock-seltzer? Ik neem zelf altijd hock-seltzer en seltzerwater. Daar zal hiernaast nog wel wat zijn.

--Dank je, ik zal niets meer gebruiken, sprak de schilder, terwijl hij hoed en overjas afdeed, en ze over zijn valies in een hoek wierp.

--En nu, kerel, moet ik eens ernstig met je praten. Trek nu niet zulke rimpels. Dan maak je het nog maar moeilijker voor me.

--Waarover is het? riep Dorian kregel, terwijl hij zich op een bank wierp. Ik hoop niet over mezelven? Ik heb vandaag genoeg van me eigen. Ik zoû dolgraag iemand anders willen zijn.

--Het is over jezelven, antwoordde Hallward, met zijne ernstige diepe stem; en ik moet het je zeggen. Ik zal je niet langer dan een half uur lastig vallen.

--Een half uur, zuchtte Dorian en stak een cigarette op.

--Dat is toch niet te veel van je gevergd, Dorian, en het is voor je bestwil. Ik geloof, dat het mijn plicht is, je te zeggen, dat de verschrikkelijkste praatjes van jou in Londen verteld worden.

--Daar wil ik niets over hooren. Ik hoû er wel van praatjes over anderen te hooren, maar die over mijzelven kunnen me niets schelen. Ze missen voor mij de bekoring van het nieuwe.

--Ze moeten je kunnen schelen, Dorian. Ieder gentleman is geïnteresseerd in zijn goeden naam. Je wil toch niet, dat de menschen over je spreken als over iets laags en gemeens. Je hebt natuurlijk je pozitie, je geld, en al zoo meer. Maar geld en pozitie is niet alles. Begrijp me goed, ik geloof niets van al die praatjes. Tenminste, ik kan ze niet gelooven als ik jou zie. De zonde drukt zijn stempel op ieders gezicht. Die kan je niet verbergen. Menschen spreken soms van geheime zonden, die bestaan niet. Heeft iemand een zonde, dan zie je het direct aan de lijnen van zijn mond, aan den vorm van zijn handen. Verleden jaar kwam er iemand bij me, ik zal zijn naam niet noemen, maar jij kent hem, om zijn portret te laten maken. Ik had hem nooit gezien, en toen nog nooit iets van hem gehoord, nu wel. Daar was iets in den vorm van zijn vingers, dat mij afstootte. Hij bood een kolossale som. Ik weigerde. Nu weet ik, dat ik gelijk had in mijn antipathie. Zijn leven is afschuwelijk. Maar jij, Dorian, jij met je mooi, frisch gezicht, met je mooie frissche jeugd, van jou kàn ik het niet gelooven. En toch zie ik je maar zelden, en kom je nooit meer bij me in mijn atelier: als ik dan niet bij je ben en ik hoor al de horreurs, die de menschen fluisteren, weet ik niets te zeggen. Dorian, hoe komt het, dat een man als de Hertog van Berwick opstaat en weggaat, als jij een kamer binnenkomt? Hoe komt het, dat zooveel lui in Londen je niet bij zich inviteeren en niet bij jou aan huis komen! Je was vroeger een vriend van Lord Savely. Ik dineerde verleden week met hem. Toevallig werd je naam genoemd, sprekende over de miniaturen, die je aan de Dudley-tentoonstelling leende. Savely trok de lippen op en zei, dat jij misschien heel artistiek was, maar dat geen jong meisje je kennen mocht en geen fatsoenlijke vrouw met je in dezelfde kamer kon zitten. Ik herinnerde hem er aan, dat ik een vriend van je was, en vroeg hem wat hij meende. Hij zei het me. Hij vertelde het hardop voor het geheele gezelschap. Het was afschuwelijk. Waarom is jouw omgang zoo fataal voor jongelui? Daar heb je die arme jongen in de Guards, die zich van kant maakte. Je was een intieme vriend van hem. Daar heb je Sir Henry Ashthon, die Engeland moest verlaten en een heel leelijken naam achterliet. Jullie waren onafscheidelijk. En Arian Singleton, die zoo ellendig aan zijn eind kwam. En de eenige zoon van Lord Kent? Ik ontmoette gisteren in St. Jamesstreet den vader. Hij was kapot van verdriet en schaamte. En de jonge hertog van Perth? Hoe leeft hij nu? Wie zoû met hem willen omgaan?

--Hoû op, Basil. Je praat over dingen, waar je niets van weet, zei Dorian Gray, op zijn lip bijtend, diepe minachting in zijne stem. Je vraagt mij waarom Berwick de kamer uitgaat, als ik binnenkom. Omdat _ik_ alles weet van zijn leven en hij niets van het mijne. Met zulk bloed als hij in zijn aderen heeft, kan je niets anders verwachten. Je vraagt me naar Henry Ashton en den jongen Perth? Heb ik den een zijn ondeugden, en den ander zijn uitspattingen geleerd? En als die flauwe jongen van Kent zijn vrouw van de straat opraapt, wat kan ik daaraan doen? En als Adrian Singleton een valsche handteekening maakt, moet ik soms op hem passen? Ik weet, hoe de menschen kletsen hier in Londen. En hoe leven zij, die zoo over anderen moralizeeren! Beste kerel, je vergeet, dat we leven in het geboorteland van de veinzerij.

--Dorian! riep Hallward; dat heeft er niets meê te maken. Engeland is slecht, dat weet ik en de Engelsche wereld beroerd. En dat is ook de reden waarom ik jou goed wil hebben. Dat ben je niet geweest. Men heeft het recht iemand te beoordeelen naar den invloed, dien hij op zijn vrienden heeft. Die schijnen door jou alle begrippen van eer en fatsoen te verliezen. Je hebt in ze opgezweept een dolle jacht naar genot. Ze zijn in de diepte gezonken. En daar heb jij ze gebracht. Ja, jij bracht ze daar en toch kan je glimlachen, zooals je nu glimlacht. En er is nog erger. Ik weet, dat jij en Harry onafscheidelijk zijn. Mij dunkt, daarom alleen hadt je moeten vermijden zijn zuster in opspraak te brengen.

--Pas op, Basil, je gaat te ver.