Het portret van Dorian Gray

Part 10

Chapter 10 3,959 words Public domain Markdown

--Wat kan ik voor u doen, Mr. Gray? zei hij, zich wrijvende in zijne vette, gerimpelde handen. Ik dacht maar de vrijheid te nemen zelf bij u te komen. Ik heb juist een pracht van een lijst op een verkooping gekocht. Oud-Florentijnsch, van Fonthill afkomstig, denk ik. Juist geschikt voor een godsdienstig onderwerp, Mr. Gray.

--Het spijt mij, dat u de moeite heeft genomen zelf te komen, Mr. Hubbard. Ik zal zeker eens komen om de lijst te zien, hoewel ik op het oogenblik niet veel doe aan kerkelijke kunst. Maar vandaag woû ik alleen maar een schilderij naar boven gedragen hebben. Het is heel zwaar en daarom woû ik gaarne een paar werklui van u hebben.

--In het geheel geen moeite, Mr. Gray. Ik ben zeer blij u van dienst te kunnen zijn. Waar is het stuk, meneer?

--Hier, antwoordde Dorian en schoof het scherm weg. Kunt u het met kleed en al, zooals het nu is plaatsen? Ik ben bang, dat het anders op de gang gekrast zal worden.

--Dat zal heel goed gaan, meneer, sprak de gulle lijstenmaker en begon met zijn helper de schilderij van de lange koperen kettingen, waaraan het hing, los te haken. En waar zullen wij het nu brengen, Mr. Gray?

--Ik zal u den weg wijzen, Mr. Hubbard, als u zoo goed wilt zijn mij te volgen. Of misschien is het beter, dat u vooruit gaat. Het is heelemaal op de bovenste verdieping. Wij zullen de groote trap maar opgaan, die is ruimer.

Hij hield de deur voor ze open, ze gingen de gang door en begonnen den tocht. De rijk versierde lijst had het portret kolossaal gemaakt en nu en dan moest Dorian zelve een handje meêhelpen om het gevaarte te besturen, trots het hevig protest van Mr. Hubbard, die, evenals iedere werkman er een hekel aan had, een heer iets nuttigs te zien doen.

--Het is een vrachtje, meneer, steunde het mannetje, toen zij boven aan de trap kwamen. En hij veegde zich zijn glimmend voorhoofd af.

--Ja, het is nogal zwaar, murmelde Dorian, terwijl hij de deur opende van de kamer, waar hij dit vreemd mysterie van zijn leven zoû bewaren, waar hij zijne ziel zoû verbergen voor de oogen der menschen. Hij was in geen vier jaar in die kamer geweest, niet meer sedert ze eerst als kinderkamer en later als leerkamer was gebruikt geworden. Het was een groot, ruim vertrek, door Lord Kelso gebouwd voor het speciaal gebruik van zijn kleinzoon, dien hij om de gelijkenis met zijne moeder en om nog andere redenen altijd gehaat en zoover mogelijk van zich had gehouden. Dorian vond de kamer weinig veranderd. Daar stond de groote Italiaansche cassone, met fantastisch uitgesneden paneelen en dof vergulde kantlijnen, waarin hij zich als jongen zoo vaak verborgen had. Hier de boekenkast vol schoolboeken met ezelsooren. Aan den muur hing hetzelfde versleten Vlaamsche gobelin, waar een verkleurde koning en koningin schaak speelden in een tuin, terwijl een stoet valkeniers, overkapte vogels op de geharnasde polsen, voorbij reed. Hoe goed herinnerde hij zich alles nog. Oogenblik na oogenblik zijner eenzame kinderjaren kwam weêr bij hem op, terwijl hij rondzag. Hij zag de reinheid van zijn jongensleven weêr voor zich en het was hem verschrikkelijk, dat juist hier dat noodlottig portret verborgen moest worden. Hoe weinig had hij in die afgestorven dagen kunnen vermoeden, wat hem nog te wachten stond. Maar er was in het geheele huis geen andere plaats zoo veilig als deze, voor onbescheiden blikken. Hij had den sleutel en niemand kon er binnen. Onder het purperen lijkkleed kon dat gelaat vrij verdierlijken, bezoedeld en onteerd worden. Wat deed het er toe? Niemand zoû het zien. Hijzelve ook niet. Waarom zoû hij die afschuwelijke ontbinding zijner ziel gadeslaan? Hij behield zijn jeugd, dat was hem genoeg. En buitendien, zoû het niet kunnen, dat zijn karakter zich veredelde? Er was geen reden, waarom de toekomst zoo vol schande zoû zijn. Wellicht zoû een mooie liefde zich in zijn leven weven, hem louteren, hem beschermen voor de zonden, die reeds in geest en lichaam woelden: vreemde, onzegbare zonden, die bekoring en subtiliteit ontleenden aan dat onzegbare. Misschien zoû de wreede trek om dien fijnen mond eens verdwijnen, zoû hij de wereld Basil Halwards meesterstuk te zien geven. Neen, dat was toch onmogelijk. Van uur tot uur, van dag tot dag werd dat beeld ouder. Het kon de afzichtelijkheid van zonden ontloopen, maar de afzichtelijkheid van ouderdom niet. De wangen zouden hol en slap worden. Gele hanepooten zouden kruipen om de fletse oogen. Het haar zoû zijn glans verliezen, de mond invallen, openhangen, idioot of grof worden, zooals de monden van oude menschen. Het zoû de gerimpelde hals, de kille, blauw geaderde handen, het gebogen lichaam krijgen van zijn grootvader, die zoo streng voor hem was geweest in zijn jongensjaren. Het portret moest verborgen worden. Daar was niets aan te doen.

--Breng het maar binnen, Mr. Hubbard, sprak hij moê, zich omkeerend. Het spijt mij, dat ik u zoo lang liet wachten. Ik dacht aan iets anders.

--Het doet altijd goed wat uit te rusten, Mr. Gray, antwoordde de lijsten maker, die nog naar adem snakte. Waar moet het staan meneer?

--O, dat doet er niet toe. Hier, hier is het goed. Ik wil het niet ophangen. Zet het maar tegen den muur aan. Dank u.

--Mag ik het kunstwerk eens zien, meneer?

Dorian ontstelde.

--Het zoû u niet interesseeren, Mr. Hubbard, sprak hij, hem vast aanziende. Hij voelde zich klaar op hem te springen, hem op den grond te gooien, als hij maar een vinger uitstak naar het schitterende voorhang, dat het geheim van zijn leven bedekte.

--Anders heb ik niet meer voor u te doen. Ik dank u voor de moeite, dat u zelf gekomen is.

--In het geheel niet, Mr. Gray. Altijd bereid iets voor u te doen, meneer. En Mr. Hubbard strompelde de trap af, gevolgd door zijn knecht, die terug opzag naar Dorian, met een blik van verlegen bewondering in zijn grof, leelijk gezicht. Hij had nog nooit iemand gezien, die zóó mooi was.

Toen het geluid hunner voetstappen weggeklonken was, sloot Dorian de deur en stak den sleutel in zijn zak. Nu gevoelde hij zich veilig. Niemand zoû ooit het gruwelijke ding zien, geen oog zijne schande aanschouwen. Terug in de bibliotheek, zag hij, dat het juist vijf uur was, dat de thee al klaar stond. Er lag een briefje van Lord Henry, daarnaast een boek in gelen band, de omslag half gescheurd, hier en daar gevlekt. Een blad van de derde editie van de St. James Gazette lag op het theeblad. Victor was klaarblijkelijk terug. Zoû hij die mannen in de gang ontmoet, hen uitgehoord hebben wat ze gedaan hadden? Hij zoû natuurlijk de schilderij missen, had ze zeker al gemist, terwijl hij het theeblad binnenbracht. Het scherm was nog niet geplaatst en er was eene leêgte aan den muur. Als Victor 's nachts eens naar boven sloop en de deur van de kamer trachtte open te breken? Het was ellendig een spion in huis te hebben. Hij had gehoord van rijke lui, die hun geheele leven waren lastig gevallen, omdat de knecht een brief gelezen, een gesprek gehoord, een kaartje met een adres opengemaakt, of op een kussen een verwelkte bloem, een stukje kant gevonden had. Hij zuchtte, schonk zich een kop thee, opende Lord Henry's briefje. Het was eenvoudig om te zeggen, dat hij hem een courant zond en een boek, dat hem misschien interesseeren zoû en dat hij kwart over achten in de club zoû zijn. Langzaam vouwde hij de St. James Gazette open en zag ze door. Een roode potloodstreep op het vijfde blad trok zijn aandacht. Het wees op de volgende paragraaf:

"Lijkschouwing van een actrice".

"Dezen morgen heeft in de Bell Tavern, Hoxton Road, Mr. Danby, district-rechter, het lijk van Sybil Vane onderzocht, een jonge actrice van het Royal Theatre, Holborn. De uitspraak was dat de dood door een ongeluk was teweeggebracht. Groot medelijden werd aan den dag gelegd voor de moeder der overledene, die zeer aangedaan was onder het afleggen van haar getuigenis en dat van Dr. Birell, die de lijkschouwing gedaan had."

Hij fronste de wenkbrauwen en het blad in tweeën scheurend, liep hij door de kamer en wierp de stukken weg. Hoe leelijk was dat alles. En wat maakt leelijkheid de dingen toch hinderlijk waar. Hij was ontstemd, dat Lord Henry hem dat bericht gezonden had. En het was heel dom van hem het zoo met rood potlood aan te streepen. Victor kon het gelezen hebben. De man kende er meer dan genoeg Engelsch voor.

Misschien had hij het gelezen en begon hij al iets ervan te denken. Maar wat kon het schelen. Wat had Dorian Gray te maken met den dood van Sybil Vane? Daar was immers niets te vreezen. Dorian Gray had haar immers niet vermoord.

Zijn blik viel op het gele boek, dat Lord Henry hem gezonden had. Wat zoû het zijn? Hij ging naar het parelkleurige, achtkantige tafeltje, dat hem altijd toescheen de arbeid te zijn van vreemde Egyptische bijen, die in zilver werken; het deeltje opnemend, wierp hij zich in een fauteuil en begon de bladen om te slaan. Spoedig was hij er in verdiept. Het was het vreemdste boek, dat hij ooit gelezen had. Het was of alle zonden der wereld in fijne sluiers als een zwijgende processie voor hem heen trokken op de zilveren tonen van fluiten. Dingen, waarvan hij nooit gedroomd had, trokken hem langzaam als openbaringen voorbij.

Het was eene novelle zonder intrigue en met slechts één karakter, eene psychologische studie naar een jong Parijzenaar, die zijn leven doorbrengt met het doel in de negentiende eeuw alle passies en denkwijzen der vorige eeuwen te verwezenlijken en als het ware in zichzelven op te sommen alle verschillende fazes, door den geest der wereld doorleefd. De stijl ervan was die stijl, vol juweelen, levendig en duister tegelijkertijd, vol argot en archaïsme, technische uitdrukkingen en overladen beelden, die enkelen van de beste der Fransche symbolisten kenmerkt. Er waren metaforen, fantastisch als orchideeën en even subtiel van kleur. Het leven der zinnen werd beschreven in termen van mystieke wijsbegeerte. Men wist soms niet of men las van de spiritueele extazes van een middeneeuwschen heilige of van de sombere biecht van een modern zondaar. Het was een boek vol gift. Zware geur van wierook scheen aan de bladen te hangen en de hersens te bedwelmen. Het rhytme der zinnen, de geraffineerde eentonigheid der muziek, met complexe refreinen en vaak terugkeerende maten, bracht den geest van den jongen, terwijl hij van hoofdstuk tot hoofdstuk las, in een stemming van gepeins, iets als een ziekte van gedroom, die hem onbewust maakte voor den wegstervenden dag en de binnensluipende schaduwen.

Strak, zonder wolken, slechts doorpriemd met één enkele ster, glom een kopergroene lucht door de ramen. Hij las bij dat fletste schijnsel, tot hij niet meer lezen kon. Toen, nadat zijn knecht hem eenige malen had gewaarschuwd, dat het al laat was, stond hij op, ging naar de andere kamer, legde het boek op het Florentijnsche tafeltje naast zijn bed en begon zich te kleeden.

Het was bijna negen uur, vóór hij in de club was, waar hij Lord Henry vond zitten, met een allervervelendst gezicht.

--Het spijt mij zoo, Harry, maar het was waarlijk jouw schuld. Je boek hield mij zoo in betoovering, dat ik den tijd vergat.

--Ja, ik dacht wel, dat je het mooi zoû vinden, antwoordde Lord Henry opstaande.

--Dat heb ik niet gezegd, Harry; ik zei, dat het mij zoo betooverde. Daar is een groot verschil in.

--Zoo, heb je dat nu ontdekt? fluisterde Lord Henry. En zij gingen in de eetzaal.

XI.

Gedurende verscheiden jaren kon Dorian Gray den invloed van dit boek niet van zich afschudden. Misschien is het juister te zeggen, dat hij het nooit met kracht poogde. Hij bestelde uit Parijs niet minder dan negen prachtexemplaren en liet ze in verschillende kleuren binden, opdat zo met de veranderlijke buien en wisselende stemmingen zijner natuur, die hij in het geheel niet meer scheen te kunnen beheerschen, in harmonie zouden zijn. De held, een jong Parijzenaar, in wien het romantische en het wetenschappelijke temperament zoo vreemd dooreengemengeld was, werd hem als een type van zichzelven. En inderdaad scheen het hem toe of het boek zijne eigen levensgeschiedenis bevatte, geschreven vóór hij nog geboren was.

In één opzicht was hij gelukkiger dan de fantastische held uit zijn roman. Hij kende nooit, behoefde ook trouwens nooit te kennen, dien grotesken angst, voor spiegels, gepolijste metalen en stille waters, dien de jonge Parijzenaar reeds vroeg in zijn leven leerde kennen, door het plotselinge verval van zijne, eens buitengewone, schoonheid.

Het was met bijna een wreed genot,--en misschien schuilt er in ieder genot, zoowel als in ieder genoegen een zweempje wreedheid--dat hij het laatste gedeelte van het boek las, dat gedeelte met de tragische wel wat overdreven beschrijving van het verdriet en de wanhoop van iemand, die zelve verloren had, hetgeen hij bij anderen in de wereld het meest op prijs stelde.

Want die bizondere schoonheid, welke Basil Hallward zoo bekoord had en vele anderen met hem, scheen hem nooit te verlaten. Zelfs zij, die zeer veel slechts van hem gehoord hadden,--want nu en dan kropen vreemde geruchten over zijne manier van leven in Londen rond en werden de praatjes der clubs,--ze konden niet aan zijne schande gelooven, wanneer zij hem zagen. Hij zag er altoos uit of hij zich smetteloos hield van de wereld. Ruwe woorden verstomden, als Dorian Gray de kamer binnentrad. Er was iets in de reinheid van zijn gelaat, dat het zwijgen oplegde. Zijne tegenwoordigheid alleen scheen te herinneren aan de onschuld, die anderen bezoedeld hadden. Men verwonderde zich, dat iemand zoo bekoorlijk en bevallig als hij, ontsnapte aan de besmetting eener eeuw, even gemeen als zinnelijk. Terugkeerende van eene dier geheimzinnige en langdurige afwezigheden die tot zulke vreemde gevolgtrekkingen aanleiding gaven, sloop hij vaak stil naar boven, naar de dichte kamer, opende de deur met den sleutel, die hem nu nooit meer verliet, en stond dan met een spiegel voor het portret, zag van het slechte afgeleefde gezicht op het doek naar dat mooie, jonge gelaat, dat hem uit het glas toelachte. Juist dat scherpe contrast prikkelde zijn genoegen. Hij werd meer en meer verliefd op zijn eigene schoonheid, meer en meer geïnteresseerd in het bederf zijner eigen ziel. Hij kon met de meeste zorg en somtijds met een monsterachtig afschuwelijk genoegen de slechte lijnen nagaan, die het gerimpelde voorhoofd doorgroeven, of kropen om den dikken, zinnelijken mond, en hij vroeg zich af welke eigenlijk de gruwelijkste waren, de teekenen der zonde, of die van den ouderdom. Hij hield zijn blanke handen naast de grove, gezwollen handen van het portret, en glimlachte. Hij bespotte het misvormde lichaam, die verwelkende leden.

Het is waar, er waren oogenblikken,--'s nachts, wanneer hij slapeloos lag in zijn eigen zacht geurige kamer, of in een smerig hok van de beruchte herberg bij de Dokken, waar hij vaak, onder een anderen naam, verkleed, kwam--oogenblikken, dat hij met medelijden dacht, aan de ellende, die hij over zijne ziel gebracht had, een medelijden, des te pijnlijker omdat het zuiver egoïst was. Maar oogenblikken als deze waren zeldzaam. De nieuwsgierigheid naar het leven, welke Lord Henry het eerst in hem had gewekt, toen zij samen waren in den tuin van hun vriend, scheen zich reusachtig te ontwikkelen. Hoe meer hij wist, hoe meer hij weten wilde. Hij had een dollen honger, en hoe meer hij dezen voelde, des te gulziger werd hij.

Toch was hij niet onverschillig in het vervullen van zijne plichten tegenover de wereld. Eens of twee keer in de maand gedurende den winter en iederen Woensdagavond gedurende den season stond zijn prachtig huis open voor de menschen en ontving hij de grootste musici om zijn gasten met de wonderen van hunne kunst te bekoren. Zijne kleine dinertjes, waarin Lord Henry hem trouw bijstond, waren bekend zoowel om de zorgvuldige keuze en plaatsing der invités, als om den exquizen smaak in de décoraties der tafel met fijn symfonische arrangementen van exotische bloemen, geborduurd damast en antieke gouden en zilveren servies. Velen, vooral onder de jongeren, zagen dan ook in Dorian Gray de verwezenlijking van het type, dat zij zich in Eton of Oxford gedroomd hadden; type, waarin de ontwikkeling van een geleerde samenvloeide met de distinctie en manieren van een man van de wereld.

Zijne wijze van kleeden, zijn doen en laten oefenden zeer grooten invloed uit op de jonge fatjes van de May-fair bals en de Pall-mallclub, die hem in alles wat hij deed en droeg, volgden en nadeden. En hoewel hij maar al te klaar stond om de pozitie aan te nemen, die hem dadelijk na zijne meerderjarigheid werd toegekend en werkelijk een fijn genot vond in de gedachte voor Londen te kunnen zijn, wat de auteur van den Satyricon ééns voor het keizerlijke Rome van Nero geweest was, wenschte hij toch, diep in zijn hart, iets meer te zijn dan een arbiter elegantiarum, dien men kon raadplegen over hoe te dragen een juweel, hoe te binden een das of te houden een stok. Hij zocht een nieuw schema van het leven uit te spinnen, dat beredeneerd zoû zijn van filozofie en geordend van principe, en waarin de vergeestelijking der zinnen het hoogste doel zoû zijn. De eeredienst der zinnen was dikwijls, en met zeer veel recht, veroordeeld geworden, omdat de mensch een natuurlijk instinct van vrees had voor gevoelens en passies, sterker dan hemzelven, en gevoeld met de lager geörganiseerde uiterlijkheid van het bestaan. Maar het scheen Dorian Gray, dat de ware natuur der zinnen nooit was begrepen en dat zij woest en dierlijk bleven omdat de wereld ze trachtte te onderdrukken door uithongering of ze te dooden door marteling; in plaats van te streven ze tot elementen van nieuwe spiritualiteit te herscheppen, waarin instinct voor het schoone de overheerschende karaktertrek zoû zijn. Ziende op den mensch, zich als een schim voortbewegend in de Historie, doorspookte hem een gevoel van oneindig verlies. Zooveel was er opgeofferd en met welken uitslag? Extatische, willekeurige ontzeggingen, monsterachtige zelfmartelingen en onthoudingen, voortkomend uit angst, uitloopende in eene schande, oneindig verschrikkelijker dan die, welke zij in hun onschuld hadden gezocht te ontvluchten, nu de natuur, in haar vreemde ironie, den anachoreet dreef zich te voeden samen met de dieren der wildernis en den hermiet de beesten van het veld tot makkers gaf.

Ja, er zoû, zooals Lord Henry geprofeteerd had, een nieuw Hedonisme komen, dat het leven zoû herscheppen, en redden van het ruwe harde puritanisme, zoo vreemd herlevend in onzen tijd. Het zoû natuurlijk ten dienste staan van het intellect; maar zoû het eene theorie of een systeem aannemen, waarin de opoffering eener ondervinding van passie gevraagd werd. Het doel zoû zijn: ondervinding zelve, en niet de vruchten van ondervinding, zoet of bitter, wat ze ook waren. Het zoû niet weten van ascetisme, dat de zinnen doodt of van vulgaire losbandigheid, die ze verdooft. Maar het zoû den mensch leeren zich te concentreeren op de momenten van een leven, dat zelve slechts een oogenblik is.

Men wordt wel eens wakker vóór de dag begint, na een van die droomelooze nachten, die ons doen verlangen naar den dood of naar een nacht van verschrikking en verwrongen genot; dan zweven er door de zalen van onzen geest fantomen, verschrikkelijker dan realiteit; ze trillen van leven in groteske onmogelijkheid. Dan sluipen witte vingers tusschen de gordijnen door en ze schijnen te beven. In zwarten fantastischen vorm kruipen geluidelooze schaduwen in de hoeken en blijven gedoken. Buiten het geritsel der vogels tusschen de blâren, het geluid van mannen, gaande naar hun werk, het zuchtend snikken van wind, ver komende over de bergen, dwalende om het stille huis, als vreesde hij den slaap te wekken uit zijn zwartpurperen grot. Dunne grijzige, gazige sluiers trekken op, na elkaâr; vorm en kleur klaren op; de dag schept de wereld opnieuw. De fletse, bleeke spiegels krijgen hun geleend leven terug. De uitgebrande kaarsen staan, waar wij ze lieten; er naast ligt het half opengesneden boek, dat ons boeide, de verwelkte bloem, die wij droegen, den brief, dien wij te dikwijls al lazen. Niets schijnt ouder geworden. Uit de onware schaduwen van den Nacht komt het werkelijke leven terug, dat wij kennen. Wij moeten het opnemen, waar wij het lieten liggen en over ons komt een benauwend gevoel van de noodzakelijkheid van energie in dien tredmolen van stereotype gewoontetjes; we krijgen een dol verlangen, dat onze oogen zich op een morgen openen op een wereld in het donker hernieuwd, wereld, waarin de dingen frissche kleur en nieuw geheim hebben, wereld, waarin het verleden geen plaats heeft, waarin de herinnering in ieder geval geen leed meer kan doen.

Het scheppen van werelden als deze scheen Dorian Gray het ware doel, minstens één der ware doeleinden, van het leven te zijn, en in zijn jacht naar sensaties, die zouden zijn zoowel nieuw als zalig, schiep hij zich dikwijls stemmingen, vreemd aan zijne natuur; zoo hij dan hare kleur in zich had opgenomen en zijner geestelijke nieuwsgierigheid voldaan had, schudde hij ze af met die vreemde onverschilligheid, die niet onvereenigbaar is met een temperament vol heftigheden, dikwijls zelfs--meenen moderne psychologen--een bewijs daarvan.

Het praatje liep eens, dat hij tot den Roomsch-Katholieken godsdienst zoû overgaan en de Roomsch-Katholieke ritualiën hadden zeker altijd een groote aantrekkelijkheid voor hem gehad. Het dagelijksche Offer, meer verschrikkelijk waar dan al de offers der antieke wereld, roerde hem door de grootsche verwerping van wat de zinnen bewijsbaar wilden, door den primitiven eenvoud zijner essence, door de eeuwige pathos der menschelijke tragedie, die het bracht in symbool. Hij vond het zalig neêr te knielen op het koude marmer, te zien naar den priester; in zijnen stijven, gebloemden dalmatiek; met witte handen schoof hij den voorhang van den tabernakel weg, hief de juweelen lantaren van den monstrans op, den bleeken ouwel er in, die het panis coelestis, het brood der Engelen is; in het misgewaad van de passie van Christus, brak hij de Hostie in den kelk, sloeg zich de borst om zijne zonden. De walmende wierookvaten, die ernstige jongens in hun kant en scharlaken, als groote gouden bloemen de lucht inzwaaiden, hadden fijne bekoring voor hem. En als hij dan wegging, zag hij met wonder naar de zwarte biechtstoelen, voelde den wensch in zich: in de grijze schaduw van een pilaar te zitten, te hooren naar de mannen en vrouwen, die voor het gesloten rasterwerk fluisterden hun ware leven.

Maar hij had nooit de dwaasheid zijne intellectueele ontwikkeling te doen ophouden door het aannemen van eenig geloof of systeem. Mysticisme, met zijn wondere kracht van gewone dingen een schijn van vreemdheid en onzegbaarheid te geven, bekoorde hem voor een tijd; voor een tijd gaf hij zich over aan de materialistische leerstellingen van de Darwinistische beweging in Duitschland, en vond er een genoegen in gedachten en passies der menschen terug te brengen tot een parelachtig celletje der hersenen, tot eene witte zenuw in het lichaam. Maar geen theorie van het leven scheen hem zoo belangrijk toe als het Leven zelve. Hij voelde intens, hoe dor iedere geestelijke berekening is, zonder actie en ondervinding. Hij voelde, dat de zinnen, zoo goed als de ziel, spiritueele mysteries konden openbaren.

En zoo maakte hij nu een studie van geuren, van de geheimen hunner samenstelling; hij distilleerde zwaar geurende oliën en brandde welriekende harsen van het Oosten.

Hij zag, dat iedere stemming der ziel zijn evenwicht vond in het leven der zinnen, trachtte nu dier ware verhoudingen te kennen, onderzocht wat er toch is in wierook, dat mystiek doet werken, in amber, dat passies wekt, in nardus, dat doet walgen, in de aloë, dat de melancholie der ziel verdrijft.