Het paddenstoelenboekje

Part 9

Chapter 93,945 wordsPublic domain

Het land van de truffels is Frankrijk, terwijl ze ook in België en in Duitschland voorkomen. Voor hen die het nog niet weten, worde nog even verteld, dat deze zwam uitsluitend groeit op en in de nabijheid van de wortels van eiken en dat men ze opspoort en verzamelt met behulp van zwijnen of daarop afgerichte honden, die er dol op zijn en den reuk er van reeds op vrij verre (40 M.) afstand kunnen bemerken. Wie weet, als men die Fransche zwijnen eens in ons land lieten werken, of zij dan op sommige plaatsen ook niet door een hevig wroeten de aanwezigheid van de echte truffels zouden aangeven. Of iemand al eens dergelijke proeven genomen heeft in ons land om zoo'n truffel-goudmijn te ontdekken, is mij niet bekend.

Als de fijnste truffel geldt de "Truffe de Perigord", (zwarte truffel: Tuber melanosporum). Zij wordt geoogst van September tot half April. Reeds een tiental jaren geleden werden van uit die streek (Dordogne) 420.000 K.G. truffels verhandeld.

Hoe de kweekerij precies plaats heeft, heb ik nergens vermeld kunnen vinden, doch wel, dat zij pas gelukt is, nadat men de eik bij uitnemendheid geschikt voor 't kweeken van truffels, de "Quercus pubescens", bij groote hoeveelheden heeft aangeplant en dan op kalkhoudenden grond. Voor wie nog wat meer van de truffelkultuur wil weten, zij gewezen op het volgende werk: "Guide practique du trufficulteur", par Charles Laval.

Verder heeft men ook nog enkele andere zwammen in het groot gekweekt, zoo o.a. in Engeland de Paarlzwam: Amaníta rubéscens No. 21, die met de Panterzwam No. 23 verwisseld kan worden. Uit deze zwam bereiden zij een paddenstoelen-extract, dat ze Ketchup noemen en dat daar zeer gezocht schijnt te zijn. Ook de bij ons in eikenbosschen zeer veelvuldig voorkomende, naar mijn smaak niet zeer lekkere, paarse ridderzwam, Tricholóma núdum No. 29, is ergens in kelders gekweekt geworden en ook de naar mijn meening nog minder smakelijke Fopzwam: Laccária laccáta en amethýstina (fig. 28).

Er zijn nog heel veel andere zwammen, wier kultuur, als ze gelukte, zoude blijken niet minder een "goudmijn" op te leveren dan die van de morielje, zooals o.a. het geval zou zijn met de soorten: Bolétus edúlis, het eekhoorntjesbrood (fig. 21) en van de inktzwam: Coprínus comátus (fig. 114).

De Amerikaan Prof. B. M. Duggar, heeft met veel zorg reeds getracht deze soorten te kweeken, maar zonder succes. De groote moeilijkheid in de kultuur van de meeste en ook deze zwammen, die tot de z.g. aard- of humuszwammen behooren, zit hierin, dat men hare sporen niet tot kieming kan brengen en dat men daarom voor de vermenigvuldiging dier soorten niet kan uitgaan van dit zeker allerbeste materiaal, de sporen, om ze verder te kweeken.

Reinkulturen van paddenstoelen.

Drie jaar lang werkende op het Phytopath. Lab. "Willie Commelin Scholten", te Amsterdam, heb ik een nauwkeurig onderzoek naar de kiembaarheid van de sporen der meest voorkomende paddenstoelen ingesteld, doch het is mij slechts gelukt van de 105 op de aarde groeiende, onderzochte soorten, van 15 soorten de sporen kiemende te krijgen (fig. 33 en 35), terwijl van de 62 op hout, boomen, stronken, enz. groeiende soorten er 45 kiembare sporen hadden (fig. 34, 36 en 38). Van de kiemende soorten maakte ik dan z.g. "reinkulturen" in kolven, petrischalen enz. en de meesten dier kulturen gaven op het mycelium min of meer normale vruchtlichamen (fig. 29 en 32).

Van de niet-kiemende soorten trachtte ik reinkulturen te maken uit het weefsel van den steel of hoed van de paddenstoelen en ook de op deze wijze verkregen reinkulturen gaven vruchtlichamen (fig. 30 en 31). Doch het kweeken van paddenstoelen in het groot is nog geheel iets anders dan dat men werkt met zooveel mogelijk steriel materiaal; in een laboratorium bovendien zit er juist in het mycelium van die soorten, die men graag in 't groot zou willen voortkweeken, zooals o.a. in dat van Bolétus edúlis (fig. 21) de morielje en Lycopérdon Bovísta No. 271, zeer weinig groeikracht. (Voor diegenen, die er verder belang in mochten stellen, verwijs ik naar mijn brochure: "Over de sporenkieming en het kweeken van paddenstoelen", in den boekhandel à 25 cts. verkrijgbaar) De Heer J. M. Hulsken, champignon-kweeker te Arnhem (fig. 37) wil het echter met mij beproeven, ook deze smakelijke soorten, in het groot te kweeken.

Het is aan dezen, dat ik het gaarne overgeef, den lezers van zijn ervaringen omtrent het kweeken van "Champignons" te vertellen.

Een ieder kan champignons kweeken.

Oppervlakkig dit opschrift beoordeelend, zullen velen zeggen, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan--en toch, na de volgende regels gelezen te hebben, zal een ieder moeten beamen, dat het opschrift zeer juist is.

Iets anders is, dat men niet overal champignons kan kweeken, men kan champignons alleen in die ruimten kweeken, welke tamelijk vochtig, vorstvrij en donker zijn, zooals kelders, schuren, bergplaatsen, daarbij moet er gezorgd kunnen worden voor luchtverversching, want frissche lucht in de kweekruimte is het zekerste voorbehoedmiddel tegen de verschillende ziekten, welke bij de champignons voorkomen.

Meent men nu een dergelijke ruimte gevonden te hebben, dan wordt deze aan een grondigen schoonmaak onderworpen, muren enz., worden met een slappe kalkmelk gewit, vloer goed geschrobd en in hoeken en gaten op pissebedden, oorwormen en hoe dat ontuig ook meer mag heeten, flink jacht gemaakt; is men zoo ver, dan hangt men in de kweekruimte eenige stukjes zwavel te branden en houdt de ruimte 24 uur gesloten, daarna wordt de kelder flink gelucht.

Dit voor zooverre het de kweekruimte betreft.

Het beste kweekt men champignons op paardenmest, alhoewel ezel-, schapen- en rundermest ook gebruikt kunnen worden, doch waar paardenmest doorgaans het gemakkelijkst te krijgen is, zullen wij de behandeling welke die mest moet ondergaan, eens nader beschouwen.

Meest geschikt is de mest van jonge krachtige paarden, de mest wordt op een hoop gezet van ongeveer een meter breed en moet men er op bedacht zijn den hoop niet hooger te maken dan ± een meter, de lengte is dus afhankelijk van de hoeveelheid mest, welke in bewerking genomen wordt. Eerst legt men een laag van ongeveer 30 cM. hoogte bij 1 meter breed op den grond, deze wordt dan een weinig begoten en daarna stevig vastgetrapt, zoo weer de volgende laag en zoo weer vervolgens totdat de stevig vastgetrapte lagen te samen een hoogte van ±1 meter bereikt hebben, men heeft iedere laag begoten en bij het opstapelen op mest de vreemde bestanddeelen, zooals lompen, papier, steenen, haar, enz. er uit verwijderd, ook vooral verwijdert men noten-, kastanje- of eilofblad. De hoop gereed zijnde, plaatst men in 't midden van de bovenlaag, ongeveer 15 cM. in den mest een thermometer, dra zal de temperatuur stijgen, den eersten dag tot ±36° C., den tweeden dag tot 50 à 60° C., den derden dag tot 70° C.; op 70° C. laat men den hoop een of twee dagen staan en begint dan denzelven uiteen te gooien, alles wordt terdege uiteen geschud, daarna begint men den hoop weer op te zetten op dezelfde wijze als de eerste maal, zorgdragende dat de mest, die eerst aan den buitenkant zat nu in 't midden komt en wat eerst boven was, moet nu onder komen en vooral het meest strooachtige moet steeds in 't midden van den hoop komen, wijl 't daar 't warmste is.

Dit uiteengooien en weder opstapelen (omzetten) van de mest wordt eenige malen (4 à 5 maal) herhaald, totdat de mest een donkerbruine kleur heeft aangenomen en hare veerkracht verloren heeft; dit wordt geconstateerd door uit het midden van den hoop een handvol mest te nemen en dien in de handen krachtig samen te persen, laat de mest zich gemakkelijk tot een bal vormen zonder dat het stroo direct terugspringt, dan is de mest goed, tenzij er met het samenpersen in de hand vocht uit den mest druppelt, in dat geval moet de mest nog eens omgezet worden; bij het samenpersen in de hand moeten de handen kleverig vochtig worden. De mest is nu gereed en kan in de schoongemaakte ruimte gebracht worden. Hier worden de bedden (meules) aangelegd, de gewone bedden zijn ±65 cM. breed op het ondervlak, ongeveer 20 cM. op 't bovenvlak en ongeveer 65 cM. hoog; zij loopen van boven naar onder eenigszins gerond af, de doorsnede toont dus een boogvorm, ook kan men half boogvormige bedden aanleggen, dit gebeurt tegen een muur aan. Bovendien legt men ook platte bedden; deze zijn ongeveer 1.20 M. breed, 40 cM. hoog en van onbepaalde lengte. Het leggen der bedden heeft als volgt plaats: men legt een mestlaag van ±15 cM. en deze wordt met handen, voeten en knieën, in één woord met alle mogelijke middelen vastgestampt, zoodat er geen holte in blijft en de mest dus vast opeengeperst ligt, zoo doet men laag na laag, natuurlijk, de 2e laag maakt men wat smaller om het boogvormig verloop te krijgen. Men legt zoo laag na laag, totdat de vereischte hoogte bereikt is. Hierna plaatst men een thermometer in het bovenvlak. Zoodra de temperatuur 30 à 33° C. bedraagt, is het bed gereed, om met het mycelium, zwamvlok of broed, beplant te worden. Dit broed (in 't Duitsch: Brüt, Fransch: blanc vierge, blanc naturel), kan men zelf kweeken, doch men doet aanvankelijk 't beste dat van een vertrouwden kweeker te koopen. [3] Het broed wordt in stukjes gebroken ter grootte van een half ei en deze stukjes worden op onderlingen afstand of onderling 15 cM. van elkander verwijderd, ongeveer 4 cM. diep in het bed gelegd, zorgdragende, dat men, 10 cM. van den vloer, begint de eerste laag te leggen. Dit leggen doet men het gemakkelijkst door met de eene hand de mest even op te lichten en met de andere hand het broed in de gevormde opening te schuiven.

Hierna drukt men de mest weer goed vast en steekt hier en daar een stokje bij het gelegde broed om zich te kunnen overtuigen of het mycelium zich ontwikkelt.

Na het beplanten met mycelium of "broed leggen", daalt de temperatuur van het bed dikwijls van 25 en 23° C., dit hindert echter in geenen deele.

Nu laat men het bed 14 dagen tot 3 weken met rust, van tijd tot tijd heeft men het bed sinds het aanleggen begoten om het voor uitdrogen te behoeden, men dient echter te waken dat hetzelve niet te vochtig wordt. Regenwater is het meest aan te bevelen, doch waar dit niet aanwezig is, dan ander zuiver water, dat men 24 uur te voren in de kweekruimte heeft geplaatst om ongeveer de temperatuur der ruimte te hebben.

Na 14 dagen à 3 weken gaat men de ontwikkeling van het mycelium na, door, waar men een stokje geplaatst heeft, den mest uiterst voorzichtig op te lichten. Ziet men dat het broed fijne, witte draadjes in den omgevenden mest werkt, dan is de oogst verzekerd. Alsnu worden de bedden met een 3 cM. dik laagje grond bedekt, het beste is daarvoor geschikt leemachtige tuingrond; dien grond brengt men 't beste met een klein schopje op de bedden, waarna dat met een plankenbordje wordt vastgeklopt.

Het doel van het met grond bekleeden, is slechts tegen uitdroging te behoeden en den champignon stevig te doen staan; op den groei van den champignon heeft de grond niet den minsten invloed.

Zes weken na het leggen van het broed, soms vroeger soms later, al naar gelang de temperatuur der ruimte warmer of koeler is, zal men de eerste champignons zien verschijnen als kleine, witte erwtjes, doch binnen enkele dagen zijn ze groot genoeg om te plukken; het beste is dezelven te plukken, als zij de grootte van een half-guldenstuk bereikt hebben.

Het plukken geschiedt door den steel van den champignon tusschen duim en vinger te nemen en dan een slagje rond te draaien. Direct strooit men wat grond op de plaats waar de champignon geplukt werd om insecten te beletten het mycelium te beschadigen.

Niet genoeg af te keuren is, dat men de champignons oogst door dezelven af te snijden; want onmiddellijk zal zich de champignon-mug zetten op het afgesneden steeltje, daar haar eitjes leggen en dan loopt men groot gevaar in eenige dagen heel zijne kultuur verwoest te zien.

Nagaande het betrekkelijk lage bedrijfskapitaal, noodig om een cultuur aan te leggen (ik plukte van [f] 14 voor [f] 180 champignons) en het weinige werk aan een cultuur verbonden, wanneer de bedden gereed zijn, ben ik overtuigd dat deze cultuur eene zeer loonende zal zijn en als nevencultuur, vooral bij groententeelt niet genoeg aan te bevelen is.

Het is proefondervindelijk bewezen, dat ons klimaat voor champignoncultuur uitstekend geschikt is en dat de hier gekweekte champignons de Fransche champignons in geur en smaak zoo niet overtreffen, dan toch in ieder geval evenaren. Wanneer hierbij overwogen wordt het voordeel, dat de hier gekweekte champignons veel verscher kunnen afgeleverd en dus geconsumeerd kunnen worden dan de uit het buitenland geïmporteerde, dan zal het duidelijk zijn dat de Hollandsche champignonkultuur een goede toekomst tegemoet gaat. Dat hier geopend wordt een nieuwe bestaansbron, waarin wij ook hierin van het buitenland volkomen onafhankelijk kunnen worden.

Hiertoe een kleinigheid te hebben mogen bijdragen, zal mijn grootste voldoening zijn.

Tot iedere inlichting ben en blijf ik gaarne bereid.

JAN M. HULSKEN.

Arnhem, Juli 1913.

INLEIDING TOT DE LIJST VOOR HET BEPALEN DER MEEST VOORKOMENDE PADDENSTOELEN.

Het determineeren van paddenstoelen is en blijft een lastig werkje, heel wat anders dan het determineeren van bloemen en nog maar betrekkelijk weinig natuurliefhebbers besteden er hun kostbaren tijd aan.

Een van de redenen hiervoor is wel, dat er veel minder goede determineerboeken voor paddenstoelen dan voor bloemen bestaan, of liever, ze zijn er wel, doch voor een leek, wien het alleen maar te doen is om op zijn wandeling, tenminste de meest opvallende wat te leeren kennen, zijn die boeken veel te moeilijk.

Zij beginnen vol moed, maar al heel spoedig zitten zij, want, er wordt gevraagd of de plaatjes in tweeën verdeelbaar zijn, of de paddenstoel vleezig of vliezig is enz., en al heel spoedig wordt het boek dichtgeslagen en opgeborgen en de leek besluit voortaan maar alleen te genieten van het aanzien en niet van het leeren kennen van de mooie zwammen. Sommigen zijn zoo gelukkig op hun wandelingen een "kenner" mee te krijgen en dat is en blijft nog de beste manier om er wat in thuis te geraken en tot verder determineeren te worden aangespoord. Doch.... een ieder is niet zoo fortuinlijk om zulk een kenner mee te kunnen nemen en voor dergelijke natuurliefhebbers hebben wij nu getracht, in onze lijst een gids mede te geven, die hen op hun wandelingen door bosch en duin, in weide en langs wegen, in de "zwammenwereld" wat terecht kan helpen.

Zooveel mogelijk hebben wij in dezen gids alle geleerdheden en moeilijkheden achterwege gelaten en ons bij alles vnl. het doel voor oogen gesteld, den wandelaar, die nog niets van de mycologie afweet, en op de plaats zelve nader kennis wil maken, met deze schoone natuurkinderen, de namen te leeren kennen. Zoo hebben we dan ook, met uitzondering van een paar tabellen, voor menschen, die thuis nog eens nader willen onderzoeken, gebroken met de in alle determineerboeken voor paddenstoelen voorkomende methode, om de zwammen te bepalen op de kleur harer sporen.

Daarvoor toch is het noodig, dat de paddenstoel gedurende eenige uren minstens, op een papier wordt gelegd en dan pas kan men, en nog lang niet altijd, eenigszins die kleur bepalen. In onze lijst hebben wij opgenomen 278 verschillende soorten en wel de in ons land meest algemeen voorkomende soorten.

Het valt niet te ontkennen, dat het opnemen van slechts 1/3 gedeelte der zwammenflora van Nederland, een groot bezwaar meebrengt. Bij een ieder toch, die met onze lijst determineert, zal de twijfel rijzen, of de door hem gezochte paddenstoel wel in het boekje is opgenomen, doch hij late dien twijfel varen, want wij verzekeren, dat vooral voor den leek, voor wien dit boekje vnl. geschreven is, de door hem gezochte zwam, 9 van de 10 maal er in te vinden zal zijn. Een veeljarig botaniseeren in ons geheele land heeft ons de meest voorkomende soorten doen leeren kennen, en de meeste dier soorten zijn in onze lijst opgenomen.

Bovendien, wenschen wij hierbij te zeggen, dat wij, met de uitgave van deze lijst, in 't minst niet beoogen een werk als dat van Car. Destrée's: "in Nederland groeiende Hoogere zwammen", of Ruys, "Paddenstoelen van Nederland" te vervangen, doch dat wij sterk gevoeld hebben, dat er onder de natuurliefhebbers een behoefte bestaat, voor een inleiding tot deze en andere meer wetenschappelijke werken over paddenstoelen.

Hoe stellen wij ons nu voor, dat men van onze lijst gebruik zal maken.

Aan de eigenlijke determineerlijsten gaat vooraf Lijst 1 blz. 146, welke wij vervaardigden voor den zeer oppervlakkigen natuurliefhebber, die toch wel, maar zonder veel moeite, de namen wil leeren kennen.

Deze kan op de grootte, kleur, geur enz. van de zwam, de nummers opzoeken en zijn gevonden exemplaar met de beschrijvingen en aanwezige afbeeldingen vergelijken.

Voor dengene, die met meer ernst en ijver bezield is, volgen op deze eerste lijst, de determinatietabellen, te beginnen met de lijst der Ascomyceten of Zakjeszwammen.

Zooals op blz. 50 gezegd is, komen de echte of hoogere paddenstoelen voor in de groep der Ascomyceten of Zakjeszwammen en in die der Basidiomyceten of Steeltjeszwammen.

Niet anders dan met den microscoop (dien we bij de wandeling niet in den zak kunnen steken als we er al een hebben), kunnen we bepaalde kenmerken ter onderscheiding van deze groepen waarnemen, en omdat de groep der Ascomyceten de minste der voorkomende soorten bevat, plaatsen we deze eerst, op blz. 152 en zijn zoo gelukkig van bijna alle beschreven soorten, afbeeldingen te kunnen geven. Men zie dus, vóór alles, deze lijst door, of de te zoeken paddenstoel in deze rubriek thuishoort. Dan volgt de lijst om de verschillende families der Basi-diomyceten te leeren kennen. Hierna wordt den lezer de vraag gesteld of de te zoeken paddenstoel op hout (boomen, stronken, palen enz.) of op de aarde groeit. Is het eerste 't geval, dan neme hij de houtpaddenstoelen-tabellen op blz. 217. Is het een op de aarde groeiende soort, (wat 't meeste voorkomt,) dan neme hij, als het een plaatzwam is, daarvoor eerst de geslachtentabel op blz. 165 ter hand en is het geen plaatzwam dan op blz. 215. Wij ontveinzen niet, dat die geslachten-tabel der aard-plaatzwammen minder zeker tot het doel zal leiden dan die der houtzwammen. Ten eerste is het aantal soorten, daarin voorkomende, veel grooter en verder blijven er, als de zeer karakteristieke (als die met een ring, een zak enz.) er afvallen, betrekkelijk zoo weinig duidelijk onderling verschillende kenmerken tusschen de geslachten over. Voor de moeilijkste geslachten geven wij dan ook op blz. 171 nog een aparte tabel, gegrond op de kleur der sporen en plaatjes.

Voor de geslachten waarvan wij verscheidene soorten opnamen, gaven wij zoowel voor de hout- als de aardzwammen, aparte tabellen, die volgen op de geslachten-tabellen.

Deze tabellen zijn van de aard-zwammen: Amaníta, Tricholóma, Clitócybe, Hygróphorus, Lactárius, Rússula, Cortinárius, Bolétus.

Van de hout-zwammen: Polýporus en Fómes. De overige, niet in tabellen vervatte soorten der houtzwammen, zijn allen beschreven in de rubriek dier zwammen; die der aardzwammen echter in de op de determineerlijsten volgende rubrieken van bosschen enz.

Zijn we nu bijv. met het opzoeken van een aardplaatzwam in de geslachtentabel gekomen op Lepióta procéra dan vinden we daarachter vermeld: No. 193 en opzoekende vinden wij deze beschreven in de "Gemengde bosschen". Met de tabel op blz. 162 zijn wij gekomen op Hydnaceën No. 247-254; opzoekende, vinden wij deze in de rubriek Naaldbosschen; de Psallióta (champignon) in weilanden enz. Wij laten deze rubrieken ten deele volgen op onze determineerlijsten, om den zoeker meer zekerheid te geven bij zijn determinatie.

Verder ook kan de meer oppervlakkige zoeker eerst de rubrieken, de verschillende plaatsen waar hij wandelt en den paddenstoel vindt, ter hand nemen en met behulp der opgegeven afbeeldingen, kleurenopgaven en kenmerken, de determinatielijsten opzoeken, de zaak dus omkeeren.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, dat de eerste manier van werken meer aan te raden is.

Wat de verschillende rubrieken betreft, wenschen wij nog te zeggen, dat wij met de "Gemengde bosschen" die bosschen bedoelen, waar van allerlei boomsoorten dooréén groeien. Daar dit soort bosch wel het allermeeste voorkomt, plaatsen wij deze rubriek vooraan en hierin zijn ook de meeste soorten beschreven.

Men beginne dus als regel, hierin eerst te zoeken als men in een bosch wandelt en wil zien welke soorten men daar al zoo tegen kan komen. In elk bosch vindt men echter bepaalde gedeelten van naald-, beuken-, eiken-, berkenboomen en voor die gedeelten sla men de verdere rubrieken na. De onder deze rubrieken beschreven paddenstoelen zijn, evenals die van de in de weilanden, duinen, langs wegen en in de parken en tuinen opgenoemden, typisch daar voorkomende soorten.

De volgende afkortingen zijn door ons gebruikt:

P. of p. = Paddenstoel. H. of h. = Hoed (bovenste gedeelte paddenstoel). St. of st. = Steel (onderste of dragend gedeelte van den paddenstoel). Pl. of pl. = Plaatjes (sporendragend gedeelte onderkant hoed). R. of r. = Ring (zittende om den steel).

a. = algemeen voorkomend. a. a. = zeer algemeen voorkomend. vr. a. = vrij algemeen voorkomend. n. a. = niet algemeen voorkomend. z. = zeldzaam voorkomend. vr. z. = vrij zeldzaam voorkomend. e. = eetbaar. v. = verdacht. g. = giftig. d. g. = doodelijk giftig.

LIJST TOT HET BEPALEN VAN DE PADDENSTOELEN DIE HET MEEST OPVALLEN DOOR:

I. Bijzondere grootte (b.v. 12-50 cM.).

A. op den grond groeiend:

a. Plaatzwammen, zie No. 21, 22, 29, 43, 66, 67, 69, 193, 194, 263, 266. b. Gaatjes- en andere zwammen, zie No. 97, 107, 148, 271, 230, 247, 154, 151, 127, 254.

B. op hout groeiend:

a. Plaatzwammen, zie No. 122, 123, 124, 113, 143. b. Gaatjes- en andere zwammen, zie No. 170, 147, 149, 150, 152, 153, 162, 165-168, 250.

II. Door een wrattigen hoed (zie fig. 46 en 47): zie No. 21, 22, 23, 240.

III. Door een hoed met plakjes (zie fig. 49): zie No. 19, 20, 24, 25.

IV. Door een sparrig- of harig-schubbigen hoed (zie fig. 86):

A. op den grond groeiend: zie No. 266, 193, 194, 276, 113, 247, 151. B. op hout groeiend: zie No. 126, 133, 147, 151.

V. Door een aangedrukt-schubbigen hoed (zie fig. 67):

A. op den grond groeiend: zie No. 100. B. op hout groeiend: zie No. 125, 147, 114.

VI. Door vezelig-gespleten hoed: zie No. 217

VII. Door groote slijmerigheid v/d hoed: zie No. 112, 89, 91, 222, 232, 46, 55, 245, 103, 104, 15, 47, 102.

VIII. Door kleverigheid v/d hoed: zie No. 216, 115, 117, 244, 132, 262, 265, 45-56, 189. (Zie verder de Nrs. van de vorige rubriek).

IX. Door kleverigen steel: zie No. 202, 15, 90, 91.

X. Door schubbigen steel: zie No. 132, 133, 193, 276, 110, 111, 89, 222.

XI. Door bruin-zwart-fluweeligen steel: zie No. 117, 136, 107.

XII. Door een steel met witte vezels wortelend: zie No. 200, 119, 121.

XIII. Door een steel met penwortel: zie No. 115, 34, 129.

XIV. Door een fraaien ring of manchet a/d steel (zie fig. 13): No. 20-26, 193-196, 112, 113, 221, 222, 263, 264, 132-135, 261, 103, 104.

XV. Door een gordijn (cortina) (zie fig. 14). zie No. 89-107, 216, 217, 244-247, 133, 195, 138-141, 223.

XVI. Door een beurs (volva) a/d voet v/d steel (zie fig. 48): zie No. 19, 24, 259.

XVII. Paddenstoelen opvallend door kleur.

A. Rood: zie No. 21, 22, 51, 52, 53, 78, 85, 170, 232, 1, 2, 3, 114, 83. B. Oranje of oranjegeel.

1. op den grond groeiend:

a. plaatzwammen: zie No. 205, 206, 207, 50-55, 56, 57, 60, 232. b. beker- en andere zwammen: zie No. 1, 2, 3, 7, 8, 189, 18, 230.