Part 6
Hiermede zit ik ook opeens midden in mijn onderwerp, want ik bedoel hier onder "verzameling" alles samen te vatten, wat maar op een of andere wijze iets van den paddenstoel vastlegt, ieder "document" dus dat tot steun van onze herinnering kan dienen, een photo dus, zoowel als een sporenfiguur, een aquarel, zoo goed als een zwam "op sterk water."
Bij de paddenstoelen toch is dat aanleggen van eene goede studieverzameling lang geen eenvoudige zaak, en men moet eigenlijk ieder hulpmiddel aangrijpen om iets van het vergankelijke goedje vast te houden. Die moeilijkheid van het conserveeren heeft ongetwijfeld remmend gewerkt op de studie van de paddenstoelensystematiek en is mede ook wel de oorzaak van veel verwarring op dit gebied. Vergelijk hierbij b.v. eens de kevers.
Wanneer iemand onze kevers bestudeert, kan hij met betrekkelijk geringe moeite zich een uitgebreide collectie aanleggen; hij kan zich van iedere soort langzamerhand geheele reeksen verzamelen, waaraan hij steeds zelfs uiterst minitieuse verschillen kan bestudeeren. Ten allen tijde kan hij er nauwkeurige teekeningen van maken; ruil met anderen, daardoor uitwisseling van inzichten over den juisten naam en de plaats in het systeem zijn hoogst gemakkelijk. Ieder zal onmiddellijk begrijpen, dat, wil men ditzelfde doorvoeren bij de paddenstoelen, men op zéér groote bezwaren stuit, grooter haast dan bij eenige andere groep van organismen. Hoe hier het vergankelijke wezen te conserveeren, hoe iets vast te houden van de vaak zoo wisselende gevoelige kleuren, hoe de dikwijls kenmerkende eigenschappen van de substantie, den geur en den smaak vast te leggen?
Het lijkt een onbegonnen werk; de grondleggers van de mycologie hebben dan ook weinig verzameld en zich meer bepaald tot het maken van groote plaatwerken. Hieronder zijn ware prachtwerken. Wie b.v. gelegenheid heeft in Teyler's bibliotheek de werken van Bulliard, Bolton, Sowerby, Schaeffer, allen gegraveerde en uit de hand gekleurde platen, te gaan bezichtigen, kan ik dit sterk aanraden.
Teekenen en fotografeeren.
Het verdient aanbeveling het spoor dezer oude mycologen te volgen. Wie eenig talent voor teekenen heeft legge er zich op toe vlugge, rake, kleurenschetsen te maken, en heeft hij veel vrijen tijd, ook meer afgewerkte, nauwkeuriger teekeningen. Het groote nut hiervan om de dingen goed te zien en in zich op te nemen, behoeft geen betoog. Als "document" heeft echter misschien een goede scherpe photo nog grooter waarde. Weliswaar mist men hier de kleur, maar den vorm en de fijne details kunnen dan ook volkomen zuiver worden weergegeven. Zoo kan men b.v. op de oorspronkelijke foto van de bruine anijszwam (fig. 63) met de loupe zeer goed de fijne tandjes aan de plaatjes zien, die zoo kenmerkend voor 't geslacht Lentinus is. De reproductie hier is natuurlijk ongeschikt om met de loupe bestudeerd te worden, doch er zijn andere procédé's, waarbij al de fijne details goed zichtbaar blijven; dan zou echter ons boekje veel te duur worden. Dergelijke foto's kan men alleen thuis, onder gunstige omstandigheden, die men zelf, tot op zekere hoogte, in de hand heeft, maken. Zij zijn van groote waarde en vormen m.i. een belangrijk onderdeel van de verzameling. Vooral ook stereoscoopfoto's vind ik in dit opzicht nummer één. Afgezien van de kleur, kan men in den stereoscoop bijna den indruk krijgen den paddenstoel in werkelijkheid voor zich te zien. Een rake kleurenschets is dan een mooie aanvulling.
Ook kan men goede, contrastrijke foto's met bepaalde (terpentijn-) kleurstoffen kleuren, en zoo wel aardige resultaten krijgen... Ge verwondert u, dat ik zwijg van de kleurenfotographie; ik heb er zelf nog niet aan gedaan en vind het, zoolang men er nog alleen glaspositieven van maken kan en ze niet in onbepaald aantal kan afdrukken, nog niet dát; ik kan ook niet zeggen, dat mijne verwachtingen voor de toekomst er van hoog gespannen zijn... doch ik denk daar aan den man, die, toen de eerste trein reed, beweerde, dat dit vervoermiddel nooit van groot belang zou worden voor 't verkeer, en dat was toch niet de eerste, de beste!
Ten onrechte m.i. zijn sommigen van meening, dat het thuis fotografeeren van paddenstoelen weinig waarde zou hebben of een vervelend werkje zou zijn. Het tegendeel is waar. Het voorkomen van paddenstoelen in de natuur, meestal laag en bij den grond en niet zelden nog min of meer verborgen tusschen andere planten, dorre bladeren, enz. is oorzaak, dat men buiten zelden een goede gedetailleerde foto kan maken, wil men niet veel wijzigen en wegnemen, waardoor het beeld onnatuurlijk wordt. Thuis kan men er eenige, liefst van verschillenden leeftijd, in verschillenden stand opstellen en zoo fotografeeren. Natuurlijkheid is dan geen eisch, het is er alleen om te doen om zooveel mogelijk de kenmerken van de soort op één plaat te vereenigen.
Niettemin hebben ook goede natuuropnamen hunne waarde; geven zij gewoonlijk een minder volledig en gedetailleerd beeld van de paddenstoelen, zij hebben weer het groote voordeel, dat zij deze in hunne natuurlijke omgeving weergeven; maar dan is het ook zaak zoo weinig mogelijk te wijzigen of weg te nemen, opdat het beeld een zuivere natuuroorkonde zij. Zulke oorkonden zijn b.v. de fraaie foto's van Dr. van der Sleen, (zie fig. 49) en van mejuffrouw Bijl (zie fig. 87).
Het beste is natuurlijk wel, als men 't eene doet zonder 't andere te laten. Zoo ziet men b.v. op fig. 71 de Reuzenzwam (Polýporus gigánteus) in de natuur. Hier ziet ge, hoe de zwam uit den voet van den ouden beuk komt groeien; de opengebarsten schors toont u, dat de boom niet zoo erg best meer is en de dorre bladeren wijzen op 't jaargetijde. Deze foto is ook een van twee stereoscoopbeelden. Stereoscopisch komt alles nog veel mooier uit. Fig. 70 toont dezelfde zwamsoort (niet 't zelfde exemplaar) nu afzonderlijk en onder de gunstigste omstandigheden gefotografeerd.
Herbarium.
Ik heb de afbeelding door teekening of foto vooropgesteld, omdat het mij voorkomt, dat dit nog eerder onder veler bereik zal vallen, dan het conserveeren van paddenstoelen. Dit toch is een werkje, dat, wil men het goed doen, heel veel tijd--en vooral veel geduld vereischt. Voor hen die daarover beschikken en het zouden willen beproeven, laat ik hier eenige korte aanwijzingen volgen: Men kan paddenstoelen droog bewaren of op vloeistoffen. De eerste methode lijkt mij om vele redenen de belangrijkste; doch ook hier geldt het weer: ze moeten elkaar zooveel mogelijk aanvullen. Vele buisjeszwammen, ook aardsterren en dergelijke kunnen zonder veel zorg in hun geheel gedroogd en zóó bewaard worden. Men komt er gauw genoeg achter, dat al die hout-, leder-, papier- en kurkachtige vormen zich goed daartoe leenen. Men bewaart ze in goed gesloten doosjes, buizen, stopflesschen of zoo iets en voegt er wat kamfer of naphtaline bij. Zit er ongedierte in, dan doet men ze in een groote stopflesch, giet er een weinig zwavelkoolstof in en laat dit eenige dagen staan.
De meeste plaatzwammen kan men zóó niet bewaren; die moet men prepareeren. Kleinere, niet al te weeke vormen, kan men, wil men er niet al te veel tijd aan besteden in haar geheel of overlangs doorgesneden, tusschen watten drogen. Zorgt men de watten dikwijls te ververschen, dan geeft dit betere resultaten dan filtreerpapier. Hinderlijk zijn weliswaar altijd de aanklevende wattenvezels, die men met pincetjes moet verwijderen. Een zacht stukje vlakgom kan hierbij ook soms goede diensten bewijzen.
Grootere paddenstoelen eischen veel meer werk. Hier begint men met ze overlangs door te snijden en van beide helften een dunne coupe af te nemen. Deze, met zorg gedroogd, geeft een goed beeld van den vorm van den paddenstoel; daartoe heeft men haar slechts in zijn gedachten om de as te laten wentelen; dikte van het vleesch, vorm en breedte der plaatjes, al die dingen zijn er aan te zien. Van de beide helften maakt men habitusbeelden; hiertoe holt men zoowel de hoed- als de steelhelft geheel uit, tot er slechts een dun laagje vleesch met het buitenste huidje overblijft; meestal snijdt men daartoe eerst de hoed- van de steelhelft. Eenige verschillend-gevormde, vlijmscherpe mesjes zijn bij dit werkje onmisbaar.
Deze verschillende stukken droogt men nu tusschen fijn filtreerpapier, hetgeen men zeer vaak, aanvankelijk wel telkens na eenige uren moet ververschen, want het wordt natuurlijk doornat. Zorgt men daarvoor, dan kan men goede resultaten verkrijgen; dikwijls blijft er dan van de kleuren nog veel meer over dan bij de conserveering of vloeistof.
De uitgeholde stukken zijn, doordat zij eene kromming hebben wel eens moeilijk te drogen; dan moet men aanvankelijk de holten met een propje watten of iets dergelijks opvullen; langzamerhand worden ze dan wel vlak. Wanneer nu deze stukken goed droog zijn (zij zijn dan bros en moeten voorzichtig gehanteerd worden) moet men ze "opzetten", bij voorkeur op stevig wit carton. Hierop plakt men ze met de geheele onderzijde vast; als plakmiddelen zijn geprepareerde stijfsel (Titanol of iets dergelijks) en voor dikkere, moeilijker-hechtende deelen tubenkit (bv. Syndeticon) te gebruiken. De doorsneden heeft men zonder meer er op te plakken; den hoed en steel moet men een zoodanigen vorm geven, dat ze zoo goed mogelijk den paddenstoel weergeven. Heeft men een teekening of een foto, dan kan die daar goede diensten bij bewijzen.
Deze wijze van conserveeren is wel zeer bewerkelijk en tijdroovend, doch indien men wat aanleg heeft voor fijn peuterwerk, wat smaak en vooral veel geduld, kan men er zeer goede resultaten mede bereiken. Een dergelijke verzameling, aangevuld met teekeningen, foto's en notities, kan langzamerhand een hoogst waardevol hulpmiddel worden bij de studie der paddenstoelen. Ook sporenfiguren mogen hierbij niet ontbreken.
Op blz. 73 heb ik al in hoofdzaak aangegeven, hoe deze gemaakt moeten worden. Is het er om te doen om een zuivere afbeelding van de onderzijde van den hoed te krijgen, dan moet men dezen horizontaal opstellen en zorg dragen, dat het papier er zooveel mogelijk overal tegen aansluit. Ook moet men dan vermijden, dat luchtstroomingen het rustig vallen der sporen verstoort, waardoor het beeld onzuiver wordt. Men plaatst dus den paddenstoel op een rustig plekje, in een gesloten ruimte, doos, of klok.
De gekleurde sporenfiguren fixeert men door er van onderen met een penseeltje fixatief (dezelfde vloeistof, die gebruikt wordt om teekeningen te fixeeren) tegen te strijken. Deze dringt dan door het papier heen en fixeert de sporen aan de bovenzijde. Witte sporen kan men zoo niet fixeeren, deze worden bij deze bewerking onzichtbaar. Eene goede fixeervloeistof hiervoor is mij nog niet bekend.
Over het conserveeren op vloeistof
kan ik kort zijn; voor de meesten toch zal een dergelijke verzameling te omslachtig en te duur zijn. Men kan de paddenstoelen bewaren op alcohol, waarbij het dikwijls gewenscht is met vrij slappen ± 50 % te beginnen en dezen langzamerhand te versterken tot ± 80 %. Of ook kan men eene formalineoplossing gebruiken (1 deel van de handelsoplossing, verdund met 20 deelen water).
In formol blijven de kleuren meestal wel wat langer bewaard dan in alcohol; op den duur verdwijnen zij echter toch ook en bovendien worden de voorwerpen slap en week. Het is echter veel goedkooper dan alcohol en kan vooral voor kleinere voorwerpen wel gebruikt worden. Wil men er notities bijvoegen, dan kan men deze, met O.-Ind. inkt op perkamentpapier geschreven, bij 't voorwerp in de flesch doen.
VERGIFTIGE PADDENSTOELEN.
Gelijk een schok van een aardbeving, verbreidt zich de mare: de kranten berichten wederom een paddenstoelenvergiftiging van een geheel gezin, reeds enkele personen zijn gestorven!
Den liefhebbers der Mycologie, vooral den paddenstoeleneters of mycophagen, die heusch al een beetje thuis begonnen te raken in de onderscheidingskunst der zwammen, slaat de schrik om 't hart en ze zweren, nooit meer een paddenstoel te zullen aanraken.
De "kenners" ontvangen van anonieme personen, tientallen van het uitgeknipte courantenberichtje, de bewuste passage met blauw potlood dik onderstreept.
De Ned. Mycol. Vereen., beleeft kritieke tijden; vele leden bedanken voor hun lidmaatschap en ... de paddenstoelen in bosch en veld, krijgen het éénzamer dan ooit. Kortom, de Mycologie heeft voor een poosje geheel afgedaan, en is men er na verloop van een paar jaar weer wat van bekomen, dan brengt een nieuw courantenbericht den boel opnieuw in discrediet.
Ze komen haast allen uit het buitenland die berichten, (met het treurige geval in den Haag in 1910, helaas een enkele keer ook uit ons land) en dan vergete men niet, dat,--behalve dat die verhalen meestal zeer zijn aangedikt--de paddenstoelen daar in ontzaggelijke hoeveelheden gegeten worden en dat er dan allicht eens iemand onvoorzichtig geweest kan zijn, hetzij met eenige verkeerde exemplaren er bij te hebben verzameld, of dat ze reeds oud en bedorven waren (zie blz. 110). Hoeveel menschen sterven wel niet, maar worden toch gevaarlijk ziek, dikwijls met sleepende ziekten voor hun geheele leven, door het eten van bedorven vleesch of andere voedingsmiddelen. Die berichten staan ook wel in de couranten, doch de berichtgevers die zulks inzenden, hebben niet half zooveel succes, als die de vergiftigingen, door de paddenstoelen veroorzaakt, melden. De statistieken hebben uitgemaakt, dat in verhouding er veel meer ziekteverschijnselen optraden door het eten van bedorven vleesch, dan door het eten van paddenstoelen, terwijl de gevallen van paddenstoelenvergiftigingen met doodelijken afloop, gelukkig betrekkelijk zeldzaam zijn.
Doch, nadat wij dit geconstateerd hebben, willen we toch dadelijk met nadruk erkennen, dat die paddenstoelen een gevaarlijk volkje zijn om mee om te gaan en dat we een ieder die er geen kennis van heeft en er geen bepaalde studie van maakt, niet genoeg kunnen waarschuwen er voorzichtig mee te zijn en ze niet op zijn tafel te brengen!
De giftige soorten van ons land.
Laten wij verder eens vertellen hoe het met de vergiftige paddenstoelen in ons land gesteld is. Van de ruim 800 verschillende soorten welke in ons land voorkomen, zijn er ± een 300-tal verschillende soorten eetbaar, de meesten oneetbaar, doch niet schadelijk, een 50-tal verdacht en een 10-tal soorten bepaald gevaarlijk. Deze zijn: Amaníta phalloídes (fig. 16, 48 en 112) No. 24, Amaníta citrína (fig. 16 en 49) No. 25, Amaníta pantherína No. 23, Amaníta muscária (fig. 13 en 17) No. 22, Volvária speciósa en gloiocéphala (plaat 4 fig. 15) No. 259, Bolétus Sátanas (fig. 58) No. 108, Sclerodérma vulgáre (fig. 101 en 102) No. 240, Hypholóma fasciculáre No. 139, Lactárius torminósus (fig. 52) No. 65, Rússula rúbra en emética (fig. 54) No. 85 en 86.
Ga ik er met menschen op uit, die de paddenstoelen willen leeren kennen uit een "eet-oogpunt", dan begin ik altijd met ze de bovengenoemde giftige soorten te laten zien en als ze zich die wat ingeprent hebben, toon ik ze díé eetbare soorten, die niet, met welke giftige soort ook, verwisseld kunnen worden. Wij zouden in dit boekje zoo graag evenzoo hebben gedaan en naast de gekleurde afbeeldingen van de eetbare soorten, die der giftige gegeven hebben doch dit was nièt mogelijk.
Het is een illusie van de Ned. Mycol. Vereen. nog eens, evenals dit in Duitschland overal reeds gebeurt wandplaten met gekleurde afbeeldingen van de giftige zwammen uit te geven voor de scholen, want hoe jonger men ze leert kennen, des te beter komen ze er in, en naar onze meening is dit de beste manier, om het aantal vergiftigingen door het eten Van paddenstoelen veroorzaakt, te doen verminderen.
Maar zoo'n uitgave kost veel geld! Wie helpt de Ned. Mycol. Vereeniging mee dit plan te verwezenlijken? Deze tien gevaarlijke paddenstoelen worden, al naar den graad hunner giftigheid, weer in 2 groepen verdeeld. De eerste groep omvat die der doodelijk giftige, waartoe behooren: Amaníta phalloídes, Amaníta citrína, als de var. máppa het meest bij ons voorkomende, en de Volvária soorten: speciósa en gloiocéphala.
Van deze is de Groene Knolzwam of Amaníta phalloídes No. 24 de gevaarlijkste van allemaal, en dat wel omdat hij een, in ons land, in bosschen, velden en weilanden, overal veel voorkomende paddenstoel is.
Het grootste gevaar schuilt hierin, dat hij, vooral in jeugdigen toestand precies gelijkt op een jongen champignon, Psallióta campéstris of arvénsis (fig. 17 en 113). In fig. 16 en fig. 17 geven we een gekleurde afbeelding van de beide soorten, hier door de kleur en vooral door den zak om den steel van Am. phal en de rose plaatjes van Ps. camp. goed te onderscheiden doch uit eigen ervaring moet ik hier zeggen, dat verwisseling van beide soorten, vooral daar, waar ze in weilanden en bosschen (met Psal. arv.) dooréén groeien, zelfs voor kenners zeer goed mogelijk is. Laat dus een ieder bij het plukken van champignons, den paddenstoel goed uitgraven, om den zak te kunnen zien, en vermijde men (ook wanneer men ze aan de deur van champignonvrouwtjes) koopt, paddenstoelen klaar te maken, die een hoedoppervlakte hebben kleiner dan een gulden, daar bij de Groene Knolzwam de zak dan wellicht nog niet genoeg ontwikkeld is om als herkenningsmiddel te dienen en bovendien de plaatjes van Ps. camp., dan nog niet rose zijn (n.b. de plaatjes van Ps. arv. zijn nooit rose, eerst grijs-wit, dan zwart).
Het treurige geval in Den Haag en ook 95 % van de paddenstoelenvergiftigingen met doodelijken afloop zijn door die Groene Knolzwam veroorzaakt. Het gif van deze zwam is in 1890 door den Duitschen toxicoloog Kobert ontdekt en phalline [2] genoemd. Dit gif schijnt een microbe-achtige, toxineerende werking te hebben; de roode bloedlichaampjes worden er geheel door verwoest en 7 à 8 milligr. van deze stof is reeds voldoende om in 1 L. bloed alle bloedlichaampjes te vernietigen en daar één exemplaar van deze zwam wel eenige centigr. ervan bevat, kan men eens zien hoe groot het gevaar is, als er ook maar één enkel hoedje van dezen paddenstoel met de champignons wordt meegekookt.
Het verraderlijkste van dit gif is nog, dat het pas na 10-12 uur zijne toxineerende werking uitoefent en dat het gif dan reeds zóó geheel in 't bloed is opgenomen, dat voor den patiënt geen redding meer mogelijk is. De vergiftigingsverschijnselen openbaren zich in hevige flauwten, angsten, benauwdheden, hevigen dorst en brakingen, afgebroken door tijden van wel 2 uur lange kalmte, doch steeds gevolgd door meerdere en heviger aanvallen. De patiënt heeft het voorkomen van een lijder aan leverziekte. Eenige dagen kan dit voortduren, altijd gevolgd door een afschuwelijk benauwd sterven.
Bij de Gele Knolzwam, Am. citrína en máppa (fig. 16 en 49 No. 25), ook zeer algemeen in onze bosschen, schijnt het gif niet zóó schadelijk en ofschoon de patiënt hevig lijdt, is hierbij redding meestal mogelijk.
Evenzoo is het bij de Volvária-soorten, die in zooverre zeer gevaarlijk zijn, omdat zij door de rose plaatjes nog meer op den echten champignon: Ps. camp. (fig. 17) gelijken dan de Groene Knolzwam.
Het geheel ontbreken van een ring en den zak, dien deze paddenstoel om den steel heeft, ook de kleverige oppervlakte van den hoed, zijn echter weer goede onderscheidingsteekens.
De Volvária-soorten zijn echter lang niet zoo algemeen als de Groene Knolzwam, zelfs betrekkelijk zeldzaam, doch zij groeien ook op dezelfde plaatsen als de champignons (zie blz. 311).
De 2e groep omvat de niet doodelijk, maar gevaarlijk giftige zwammen. Hiertoe behooren de panterzwam: Amaníta pantherína No. 23, een in onze bosschen veelvuldig voorkomende paddenstoel, en de bekende vliegenzwam: Am. muscária (fig. 47, No. 22). Over de giftigheid van deze laatste is al heel wat geschreven en de geleerden zijn het nog niet eens of zij nu werkelijk bij de giftigen thuis hoort of niet. De wonderlijkste verhalen zijn omtrent haar toxineerende werking in omloop, waarvan het wel de moeite waard is, iets te vertellen. Algemeen schijnt het gif, dat zich in de roode opperhuid bevindt, en dat, behalve uit andere toxineerende stoffen, v.n.l. uit het muscarine bestaat, een bedwelmende uitwerking te hebben van aangenamen aard, gelijkende op die van opium.
De Korjaken en Tschuktschen gebruiken haar als z.g.n. "Muchador", als bedwelmingsmiddel. Na de waanzinsgevoelens eerst, geraken zij in vasten slaap met heerlijke droomen, waar het hun v.n.l. om te doen is. Zij geven gaarne pelswerken in ruil voor één zwam.
In een andere streek weer, kauwt eerst de vrouw de zwam voor haar man en deze eet haar daarna als pil op, waarna het visioenen-spel optreedt. Ook in Frankrijk schijnt zij, daar Faux-oronge genoemd, wel als bedwelmingsmiddel gebruikt te worden en nog wel door de upper-ten!
En onze Geldersche en Overijselsche boeren gebruiken dat roode huidje, met wat suiker bestrooid op een schoteltje gelegd, voor "vliegendood" en er komen heel wat lijkjes op, dat kan ik u vertellen. In de geneeskunde schijnt dit muscarine met gunstig gevolg te worden aangewend bij "vallende ziekte."
Michaël, de schrijver van die aardige boekjes met prachtplaatjes: "Führer für Pilzfreunde" heeft de zwam zonder opperhuidje gegeten en het is hem goed bekomen, doch hij smaakte volgens hem niet naar meer. Het is dus maar het beste, dat we de Vliegenzwam, vanwege haar min of meer verdachte reputatie, in de groep der gevaarlijke zwammen laten en dat wij haar op eenigen afstand, als een gevaarlijke schoone, alle hulde brengen, die zij om haar schitterende verschijning afdwingt. Want daarover zal een ieder het eens zijn: mooi is zij!
Dezelfde gifstof, die muscarine, schijnt te huizen in de aardappelen-bovist of Sclerodérma vulgáre (fig. 101 en 102 No. 240) een paddenstoel, die uiterst algemeen is in ons land, doch die niet met een ook in ons land groeiende eetbare soort te verwisselen is. Zij wordt echter in 't buitenland wel eens tusschen de truffels, waar het inwendige harde, zwarte gedeelte van deze zwam op gelijkt, verkocht en daardoor schijnen ernstige ongesteldheden te zijn voorgekomen. Ook het gif van Bolétus Sátanas, de Satanszwam (fig. 58 No. 108) schijnt een muscarineachtige stof te zijn. Deze zwam is niet algemeen en overvloedig in ons land verspreid. Zij heeft de eigenschap bij het doorbreken sterk blauw en rood te kleuren, en als men nu maar alle boleten vermijdt te eten die dit doen, behoeft men geen angst te hebben, ooit door een dergelijke zwam vergiftigd te worden.
Gevaarlijk giftig schijnt ook Lactárius torminósus (fig. 52) No. 65 te zijn, en de Rússulasoorten rúbra (fig. 54) No. 85, en emética No. 86, eveneens het zoo veelvuldig voorkomende "Zwavelkopje", Hypholóma fasciculáre No. 139, ofschoon deze laatste den laatsten tijd gerehabiliteerd schijnt te zijn en alleen verweten wordt buikpijn te geven. De vergiftigingsverschijnselen van de soorten dezer gevaarlijk, doch niet doodelijk giftige paddenstoelen, treden meestal reeds na 1-2 uren op en zijn, als er geen complicaties optreden, allen te genezen. Dan zijn er ten slotte nog eenige paddenstoelen, die een giftig zuur bevatten zooals het helvella zuur bij de morieljes (fig. 20) No. 12 en de helvellasoorten (fig. 40 en 41) No. 10 en 11 en het blauwzuur o.a. bij Marásmius oréades (fig. 25) No. 211.
Rauw gegeten, zouden deze paddenstoelen hoogst schadelijk voor de gezondheid kunnen worden, doch, daar deze beide zuren zeer vluchtig zijn en bij het koken van de paddenstoelen geheel er uit verdwijnen, kan men ze zonder eenig bezwaar aldus nuttigen.
Wat te doen bij paddenstoelenvergiftigingen.