Het paddenstoelenboekje

Part 5

Chapter 53,965 wordsPublic domain

De laagste van deze Thelephoraceeën bestaan altijd alleen uit een korst, die met de eene zijde geheel tegen de andere laag (schors, hout) is vastgegroeid. (fig. b 2) De vrije zijde, (o.z.) meestal naar onderen gekeerd, draagt hier het kiemvlies. Deze zwammetjes zijn dus als 't ware met haar bovenzijde vastgegroeid; de onderzijde vertoont niets wat op plaatjes, gaatjes of iets dergelijks gelijkt; het kiemvlies ligt vlak uitgespreid. Het is duidelijk dat het hierdoor meer aan beleedigingen is blootgesteld; doch er komt nog iets bij. In 't algemeen is het natuurlijk waar, dat het voor de voortplanting van de zwam van belang is, zooveel mogelijk sporen voort te brengen, vooral wanneer zij bijzondere eischen stellen voor hunne ontwikkeling en dus een groot deel verloren gaat. Het aantal sporen hangt af van het aantal basidiën en nu is het wel duidelijk dat, naarmate het kiemvlies meer oppervlakte beslaat, ook in diezelfde mate sporen voortgebracht kunnen worden. Door nu het kiemvlies sterk te plooien wordt het oppervlak zéér vergroot; we zullen aanstonds zien, dat die oppervlaktevergrooting, en dus ook de sporenproductie zéér aanzienlijk is. Dat er bij de korstzwammen nog niets te bespeuren valt van een dergelijke plooivorming wijst er wel op, dat zij laaggeorganiseerd zijn. Evenzoo het feit, dat zoovele het niet verder brengen dan tot aangegroeide korsten, zonder iets wat op "hoeden" gelijkt.

Die "heele lage" hebben we in dit boekje maar niet behandeld. Zij vallen den wandelaar weinig op en men kan ze zonder een goed microscoop eigenlijk niet bestudeeren. Wij hebben van deze familie alleen eenige Stereum-soorten opgenomen (zie No. 183-188 en fig. 9) en fig. 111 "de Hoorn van overvloed" (Crateréllus cornucopioídes). De Agaricaceeën of plaatzwammen vormen wel de grootste en belangrijkste groep van de Basidiomyceten. Zij zijn gekenmerkt door het bezit van lamellen of plaatjes aan de onderzijde van den hoed. Hierover is het hymenium uitgespreid, en het beslaat daardoor een veel grooter oppervlak, dan wanneer de hoed van onderen glad was. Bij de dooierzwam (Cantharéllus cibárius (No. 206) fig. 19) zijn het nog slechts dikke, aderige plooien, doch bij "hoogere" vormen worden het dunne, breede platen, met een aanzienlijk oppervlak. Wanneer we nauwkeurig het gezamenlijk oppervlak van deze plaatjes bepalen, bijv. bij de honingzwam (Armillária méllea) (No. 113 fig. 60) dan blijkt het dat dit ruim 12 maal zoo groot is, als het oppervlak van de onderzijde van den hoed zou zijn, wanneer er geen plaatjes waren. De hoeveelheid sporen, die de paddenstoel voort kan brengen is dus ook 12 maal zoo groot. Niet bij alle plaatzwammen is deze oppervlakte-vergrooting dezelfde. Wanneer men wat meer op paddenstoelen let, zal men spoedig zien dat er sommige zijn met grove, dikke plaatjes, die wijd uiteen staan; zoo bijv. bij de Hygrophorussoorten (zie fig. 10); andere, waarbij zij heel fijn zijn, en dicht bijeen staan, zooals dit bij den champignon het geval is. Bij dezen laatsten is de vergrooting van het oppervlak nog aanzienlijker en bedraagt hier 20. Hier is dan ook al, evenals trouwens bij vele andere plaatzwammen heel mooi van de beschikbare ruimte gebruik gemaakt.

Een blik op fig. 11 en 12 leert ons op welke wijze. De witte strepen stellen hier de lamellen voor; wij zien hier vijf lamellen die van het midden naar den omtrek doorloopen, de afstand tusschen die lamellen wordt natuurlijk naar den omtrek toe grooter, en zoo zien we dan ook, dat op eenigen afstand van het midden weer kleine platen beginnen, die tusschen de lange ingeschoven zijn. Op de figuren zijn er drie geteekend. Niet bij alle paddenstoelen is dit het geval. Zoo zijn er onder de Russula's, die alleen groote lamellen hebben, van 't midden tot den omtrek doorloopend. Het gezamenlijk oppervlak van de lamellen is hierdoor ook slechts 7 maal zoo groot als van de hoedonderzijde. Bij den champignon daarentegen vindt men tusschen de kleinere plaatjes nog weer kleinere, en zoo wel 4 of 5 van verschillende grootte; daardoor wordt die aanzienlijke oppervlaktevergrooting bereikt. De tusschengeschoven kleinere plaatjes hangen bij sommige soorten met de grootere samen, waardoor vorksgewijs vertakte plaatjes ontstaan (zie fig. 11). Het spreekt van zelf, dat er een grens gesteld is aan deze dichte ophooping van steeds kleinere plaatjes.

Immers, komen de plaatjes ál te dicht bij elkaar, dan wordt de kans groot, dat de sporen niet kunnen ontsnappen. Deze moeten toch tusschen de plaatjes door naar beneden vallen; staan deze nu te dicht bij elkaar, dan zouden de sporen licht hier of daar blijven hangen, te meer daar zij niet een volkomen droog poeder zijn, maar min of meer aanhangend. Dit blijkt b.v. als men een sporenfiguur omkeert en in de lucht heen en weer slaat: de sporen blijven aan het papier hangen. Wij begrijpen hieruit ook, waarom het voor de paddenstoelen van zooveel belang is hunne stelen rechtop te doen uitgroeien en de hoeden in een horizontaal vlak te plaatsen; de lamellen komen dan zuiver verticaal te hangen en de sporen kunnen er uit vallen.

Tal van aardige bijzonderheden hangen hier nog mede samen; doch het zou te ver voeren er hierop in te gaan. Deze enkele korte aanduidingen zullen, naar ik hoop, voldoende zijn om den lezer veel duidelijk te maken in het leven der paddenstoelen, waarvoor hij anders misschien niet zoo licht eene verklaring zou vinden.

Wij moeten nu echter nog enkele dingen even noemen, die bij het determineeren van belang zijn. Buitengewoon leerrijk is het, de ontwikkeling van de vliegenzwam (Amaníta muscária) eens goed na te gaan (Pl. 2, fig. I). Wie daartoe in de gelegenheid is, verzuime het vooral niet. Zoek dan eens heel jonge exemplaren! Ge kunt dan zien, hoe daarbij de geheele paddenstoel rondom in een wit omhulsel is opgesloten; het algemeen omhulsel (velum universale). Dit bekleedt het onderste van den voet en overtrekt ook aanvankelijk geheel het mooie oranjerood van den hoed.

Wanneer nu de paddenstoel zich gaat ontwikkelen, vooral doordat de steel gaat groeien, verbrokkelt dit omhulsel; op den hoed blijven er witte wratten als resten er van zichtbaar, aan den voet blijft een beurs zitten. Bij de vliegenzwam is het niet veel meer dan een cirkelvormige verdikking boven op den knolvormigen voet, bij andere, b.v. Amaníta phalloïdes vinden we een fraaie en ruime beurs. Plaat 2, fig. I toont bij b een jonge vliegenzwam, die juist opengaat, c is een doorsnede daarvan.

Dergelijke schubben of wratten, die resten zijn van het algemeen omhulsel, zitten slechts losjes op de opperhuid en verdwijnen dan ook dikwijls b.v. door hevige regenbuien.

Zoo vindt men dan ook de vliegenzwam niet zelden met een geheel gladden hoed. De parasolzwam (Pl. 2, fig. II en 85) zal men echter nooit glad aantreffen. Hier ontstaan de schubben door scheuren en openbarsten van de opperhuid en laten dus niet los. Beide vormen van schubbigheid leert men spoedig onderscheiden. Fig. 13 toont ons eveneens de ontwikkeling van de vliegenzwam; hierbij moeten we echter opmerken, dat een exemplaar, zooals in 't midden is afgebeeld, gewoonlijk nog bijna geheel in den grond verborgen is.

De ring of manchet is een vlies, dat bij den jongen paddenstoel de lamellen bedekt; het is dan rondom aan den hoedrand bevestigd en loopt vandaar naar den steel (Pl. 2, fig. Ic); bij den groei laat het van den rand los (fig. II) en hangt dan als een manchet neder; vaak vertoont het fijne strepen, die er op wijzen, dat het vroeger tegen de kanten der lamellen aangedrukt gelegen heeft. Laat de ring zoowel van den hoedrand als van den steel los, dan wordt ze geheel vrij en kan dan langs den steel op en neer geschoven worden. Zoo b.v. bij de parasolzwam.

Bij een aantal paddenstoelen vindt men geen gesloten vlies, uitgespannen tusschen hoedrand en steel, doch een z.g. "gordijn" of "cortina", een geheel van fijne draden. Vooral jonge Cortinarius-soorten (zie fig. 14), en ook jonge Zwavelkopjes vertoonen dit vaak heel fraai. Ik zeg "jong" want de cortina is zeer vergankelijk en bij volwassen exemplaren is ze dikwijls geheel verdwenen. Ik kan den lezer aanraden bij de zwavelkopjes eens het lot van de cortina te bestudeeren; dan zal hij later gemakkelijker de resten er van ook bij andere soorten kunnen herkennen. Dikwijls toch zijn het slechts wat spinwebachtige draden aan den steel, bruin, paars of zwart gekleurd door aanhangende sporen, die er op wijzen, dat we met een gordijn te doen hebben.

De vorm der plaatjes en de wijze waarop deze aan den steel zijn vastgehecht, zijn dikwijls kenmerkend voor de geslachten der paddenstoelen. Wij hebben daarom op pl. 3-6 een reeks van doorsneden gegeven. In het bijzonder vestig ik de aandacht op pl. 3 fig. 4 het type der Tricholoma's. Hier vindt men een uitbochting, daar waar het plaatje aan den steel is gehecht; geheel vrij zijn de plaatjes bij de meeste Lepiota's (Pl. 3 fig. 2) afloopend bij Clitocybe's (Pl. 3 fig. 5) en Lentinus (Pl. 4 fig. 14).

Vóór wij van de plaatzwammen afstappen, nog even een woord over de inktzwammen, die allermerkwaardigste gewassen, die zooals de geschubde inktzwam (Coprínus comátus) fig. 15, in enkele dagen hun blankwitten hoed in een zwarte druipende massa veranderen.

Oogenschijnlijk een van de vreemdste en onbegrijpelijkste verschijnselen in de plantenwereld, is het inderdaad een buitengewoon vernuftige en fraaie wijze van sporenverspreiding. Daar zou je gemakkelijk alleen een heel hoofdstuk over kunnen schrijven, doch het zou te ver voeren er diep op in te gaan. Wij willen hier alleen zeggen, dat door die vervloeiing van hoed en plaatjes, die aan den rand begint en steeds verder naar 't midden voortgaat, voortdurend nieuwe deelen van de plaatjes in staat gesteld worden hun sporen te laten ontsnappen. Het vervloeien dient alleen om afgewerkte, onnut geworden deelen op te ruimen. De sporen rijpen n.l. 't eerst aan den rand en het rijpen schrijdt ook van den rand naar 't midden voort. Net als bij andere plaatzwammen, vallen de sporen uit den hoed naar beneden en worden, tijdens die langzame nederdaling door de luchtstroomingen weggevoerd; de vliegen hebben er niets mee te maken en de zwarte inkt bevat weinig of geen sporen. Wie er nog aan mocht twijfelen of het inderdaad zoo in zijn werk gaat, moet op een inktzwam maar eens de lichtstraalmethode toepassen (zie blz. 45); als hij dan voor zijn oogen, uit een druiperige inktzwam, een voortdurende nederdaling van droge sporen waarneemt, zal het hem wel duidelijk worden, dat de sporenverspreiding der inktzwammen inderdaad heel wat mooier en vernuftiger is, dan men wel dacht, toen men aannam, dat zoowat alle sporen met den inkt naar beneden dropen en zich daar onder de zwam ophoopten.

Polyporaceën of Buisjeszwammen.

Bij deze ziet men aan de onderzijde van den hoed gaatjes: de uitmondingen van buisjes. Deze buisjes zijn van binnen bekleed met het kiemvlies, waardoor ook hier een aanmerkelijke oppervlaktevergrooting tot stand komt. Deze kan, wat wel duidelijk is, nog veel grooter worden dan bij de plaatzwammen; zij bedraagt b.v. bij de gewone vuurzwam volgens de berekening van Buller 40, d. w. z. het oppervlak van het kiemvlies, dat de buisjes van binnen bekleedt, is 40 × zoo groot, als het geval zou zijn, wanneer het eenvoudig vlak over de onderzijde van de zwam lag uitgespreid.

De hoeveelheid sporen, die d.g. zwammen voort kunnen brengen, is dan ook geweldig groot, en dat is ook wel noodig ook, want van alle sporen, die uitgestrooid worden, kunnen alleen die tot ontwikkeling komen, die op een wondplek van een boom belanden; dat is dus maar een uiterst gering percentage. Vooral geldt dit wanneer de zwam uitsluitend op één boomsoort kan groeien, zooals b.v. de berkenzwam (Polýporus betúlinus, No. 149 fig. 69).

Wordt nu door het buisjessysteem een buitengewone oppervlaktevergrooting mogelijk gemaakt, er zijn toch ook nadeelen aan verbonden.

Bij de plaatzwammen toch zien we, dat, wanneer de paddenstoel uit den gunstigen stand gebracht is om zijn sporen te laten ontsnappen, hij dit voor een deel weer kan corrigeeren; de plaatjes immers zijn min of meer bewegelijk en kunnen zich weer "in 't lood" stellen als de hoek niet al te groot is. Maar bij buisjes die aan alle zijden vastzitten, is dit niet mogelijk.

In verband hiermede zien we dan ook, dat de standplaats der buisjeszwammen gewoonlijk van dien aard is, dat wanneer ze zich eenmaal ontwikkeld hebben en haar buisjes loodrecht ingesteld, er weinig kans meer op is van "uit 't lood" gebracht te worden. We vinden ze n.l. veel op boomen, hout, palen, enz. Men kan met de lichtstraalmethode zien, hoe weinig men b.v. een zadelzwam (Pol. squamosus) uit den normalen stand behoeft te brengen om den fraaien sporenregen onmiddellijk te doen ophouden. Een afgesneden zwam toch, vertoont dezen nog uren lang even goed als wanneer ze aan den boom zit, mits men slechts zorgt dat de buisjes vertikaal staan. Eene kleine afwijking daarvan doet onmiddellijk echter het verschijnsel ophouden.

Behalve deze "echte" Polyporeën brengt men tot deze groep ook de Boleten (zie blz. 207); dit zijn vleezige grondpaddenstoelen, die eveneens aan de onderzijde van den hoed buisjes hebben. De Boleten zijn meestal door hun gedrongen vorm en dikken vasten steel gevrijwaard tegen het gevaar van uit den gunstigen stand gebracht te worden.

Hiermede meenen wij voldoende den bouw der hoogere zwammen behandeld te hebben.

Voor wie nog meer in de "finesses" daarvan wil doordringen, raden wij de volgende werken o.a. aan:

A. de Bary: "Vergleichende Morphologie und Physiologie der Pilze", Jena 1884.

Dr. F. v. Tavel, "Vergleichende Morphologie der Pilze", 1892,

A. H. Reginald Buller: "Researches on Fungi. An Account of the Production, liberation, and dispersion of the spores of hymenomycetes etc." (Longmans, Green & Co., 1909).

HET INZAMELEN VAN PADDENSTOELEN VOOR DE STUDIE.

Moge ook de waarneming in de natuur nummer één zijn, voor een meer nauwkeurige bestudeering en determinatie is het noodzakelijk de voorwerpen in te zamelen en mede naar huis te nemen. Wil men zich eene verzameling aanleggen of, (wat hoogst nuttig is en daarbij een héél prettige bezigheid), aquarellen of teekeningen er van maken, dan is het in de eerste plaats noodig te weten hoe het aan te leggen om de zwammen zoo goed mogelijk thuis te krijgen. Dit nu is niet zoo héél eenvoudig; paddestoelen zoeken, althans voor studie is vrij wat omslachtiger dan het gewone botaniseeren, waarbij men met een gewone trommel en plantenschopje al een heel eind komt. Eerst moge dus hier een en ander volgen over de uitrusting van den mycoloog.

Een flinke groote trommel kan zeer zeker goede diensten bewijzen, vooral voor kleinere soorten. Voor grootere is ze ongeschikt; een ruim korfje of mandje, bij voorkeur een klapmandje, is dan vrijwel onmisbaar. Ook een plantenschopje is er noodig om de paddenstoelen uit te steken; men breke ze nooit af: belangrijke kenmerken kunnen hierdoor verloren gaan, bovendien scheuren en splijten de stelen dan licht. Sommige soorten hebben onder aan den steel een beurs, andere zitten met een langen wortel in den grond, weer andere zijn gehecht op voorwerpen, die in den grond verborgen zijn, bijv. dennenkegels, vlinderpoppen en dergelijken. Op al die dingen dient men goed te letten.

Heeft men nu nog een goeden voorraad papier, niet te hard, b.v. kranten- of kastpapier, of wat nog beter is vloeipapier, dan is men al een goed eind op streek; de meeste paddenstoelen kunnen we nu, zoo uitgerust, inzamelen. Men neme ook nog een aantal kleine doosjes, glazen buisjes of dergelijke mede om teerdere dingetjes in te bergen. Met watteproppen of vloeipapier legt men deze vast.

Men gewenne er zich echter aan, steeds de voorwerpen, vóór men ze inpakt, goed te bekijken en zoo noodig, eenige korte notities te maken: niet zelden is het uiterlijk der paddenstoelen, na een excursie van eenige uren, al merkbaar veranderd; vooral is het noodig zich er goed rekenschap van te geven wat van onze vondsten tot éénzelfde soort behoort: buiten is dit vaak gemakkelijk te beoordeelen, terwijl men, thuis komend, zich wel eens afvraagt: wat hoort nu eigenlijk bij elkaar, wat vond ik in elkaars onmiddellijke nabijheid, bij of op welken boom vond ik ze ook weer? enz.

Wanneer het er nu om te doen is de voorwerpen zoo zuiver en ongeschonden als dit mogelijk is, thuis te brengen--en hem, die er zich aquarellen of foto's van wil maken, moet het daar wel om te doen zijn--dient men ze met zorg te behandelen: voorzichtig uitsteken, zooveel mogelijk van aarde reinigen en dan inwikkelen in papier, liefst ieder exemplaar afzonderlijk. Zeer stevige, vaste soorten, zooals b.v. sommige Boleten kan men wel zóó in het mandje bergen, kleinere wel eens meerdere bijeen in een papier wikkelen of in een zakje doen--doch in 't algemeen is het het beste ieder afzonderlijk in te wikkelen. Goed ingepakt kan men ze dan vrij stevig tegen elkaar aandrukken in het mandje. Zooveel mogelijk zorge men er voor, dat zware exemplaren onderin komen te leggen, de lichte daar bovenop. Men slepe vooral in het begin niet te veel soorten tegelijk mee naar huis, en neme zooveel doenlijk van iedere soort eenige exemplaren mede, liefst in verschillend stadium. Dán heeft men goede kans op succes met determineeren en men kan zich een mooie foto of teekening maken, die inderdaad een goed beeld geeft van de soort.

Dit alles geldt in de eerste plaats voor de op den grond groeiende paddenstoelen. Gaat men er op uit om ook boomzwammen, Polyporeeën en dergelijke te verzamelen dan wordt de zaak moeilijker; dit is dikwijls een ware sport, waarbij mes, zaag en zelfs bijl er aan te pas moeten komen: een stevig mes, liefst zoo een, waarvan men 't lemmet kan vastzetten, b.v. een zoogenaamd Zweedsch mes, een korte zaag met dubbele snede, voor levend of sappig rottend hout, zijn gemakkelijk mee te dragen; als 't ruwe geweld van de bijl er aan te pas moet komen, zooals bijv. bij de vuurzwam (F. igniárius No. 162) is er misschien een padvinder bij de hand, die zijn bijl wil afstaan. Een ladder, vaak beslist onmisbaar, geeft soms de grootste moeilijkheden en moet van de naastbijzijnde woning aangesleept worden; niet zonder levensgevaar heb ik wel eens een Zwavelzwam (No. 150) uit den boom gehaald, die met een 28-sports ladder nog juist te bereiken was. Een binocle kan dan soms zijn diensten bewijzen, om eerst eens te zien of het ding inderdaad waard is er zijn leven voor te wagen... Heeft men de boomzwammen bemachtigd, dan behoeft men er gewoonlijk heel wat minder égards voor te hebben; ze zijn meest veel vaster en steviger dan de paddenstoelen, die op den grond groeien... Men verzuime niet er goed acht op te geven, waarop men ze vond, en trachte ook bij doode stompen of palen uit te maken wat het voor hout is; ook dit kan van belang zijn voor de determinatie.

Het bestudeeren thuis.

Wie aandachtig het voorafgaande hoofdstuk gelezen heeft en zelf eens goed rondkijkt in de paddenstoelen, zal er gauw genoeg oog voor krijgen, waarop hij zooal acht moet geven, om ze goed te leeren kennen en te determineeren. Ook vindt de lezer in de inleiding tot het gebruik der tabellen een en ander wat hem op weg zal helpen--wij kunnen hier dus volstaan met enkele korte aanwijzingen. In de eerste plaats late men zijn paddenstoelen niet lang ingepakt staan; thuis gekomen, is het zaak, mand en bus spoedig te ontpakken en den inhoud op een tafel uit te leggen. Het spreekt vanzelf, dat het wenschelijk is het vergankelijke materiaal zoo gauw mogelijk onderhanden te nemen; moet men dit echter eenigen tijd uitstellen, dan is het beter, dat de paddenstoelen uitgepakt zijn, daar ze anders zeer snel schimmelen en tot rotting overgaan. (Daarom is het ook noodig bij verzending de paddenstoelen niet in te pakken in vochtig mos of iets dergelijks maar eenvoudig goed ingewikkeld in dun papier). Men lette er op, of soms op de pakpapiertjes sporen gevallen zijn; het is gemakkelijk als men de kleur daarvan reeds aanstonds kan beoordeelen. (Zie ook blz. 141, inl. tot de tabellen). Is dit niet het geval, dan plaatst men de exemplaren, waar men sporen van wil hebben, met den hoed horizontaal op papier; het is niet noodig hiertoe den steel af te snijden: Men knipt eene opening in het papier en steekt den steel daardoor en plaatst dan dezen in een flesch of iets dergelijks. Is dit bijv. door een dikken knol bemoeilijkt dan maakt men er een insnijding in op deze wijze (fig. 15a) en plaatst nu den paddenstoel met het papier er onder in een stopflesch of tusschen een paar doozen, stapels boeken of iets dergelijks. Verwacht men gekleurde sporen, dan is wit papier het aangewezene, voor witte sporen blauw of zwart; heeft men in 't geheel geen vermoeden, dan maar half om half. Wil men "de sporen-figuren" fixeeren en bewaren om ze in de verzameling te brengen, dan dienen ze nog met meer zorg opgesteld te worden (zie blz. 81). Komt het er niet op aan om een exemplaar te verliezen, dan is het 't eenvoudigste den steel er af te snijden en den hoed zoo op 't papier te leggen. Behalve de kleur, is ook de vorm en grootte der sporen een zeer belangrijk kenmerk. Om dit te kunnen beoordeelen is echter--evenals voor alle microscopische kenmerken der paddenstoelen--een zeer goed microscoop noodig. Terwijl men bij de studie der mossen al heel veel pleizier kan hebben van een heel eenvoudig instrumentje, is dit bij de paddenstoelen geheel waardeloos. Daar nu een goed, sterk vergrootend microscoop slechts in het bezit van weinigen is, hebben wij uit dit boekje alle "microscopie" geweerd; wij willen hier alleen nog even zeggen, dat deze in de laatste jaren ook voor de studie der paddenstoelen van groot belang geworden is. Doch ook zonder dit kan men het een heel eind sturen--mits men vier van de vijf zintuigen flink aan 't werk zet; alleen de ooren kan je er wel bij missen. En dan geldt verder in hoofdzaak wat we al vroeger gezegd hebben: als 't kan niet op één exemplaar blijven hangen, jonge en oude vergelijken, geur en smaak met aandacht beoordeelen, geaardheid van het vleesch en verder al die, min of meer vage kenmerken, die juist bij de paddenstoelen-studie van zooveel belang zijn.

Tast-, smaak- en reukwerk is 't in hooge mate en daarom vreemd voor hem, die gewend is meeldraden te tellen, verspreide van overstaande bladeren te onderscheiden enz., maar juist in dit ietwat vage en ongrijpbare ligt voor menigeen een eigenaardige bekoring. En het is wel of de voldoening nog veel grooter is, wanneer je dan ten slotte de zekerheid hebt er nu werkelijk goed achter te zijn.

Een heel belangrijk ding is voorts bij de studie het maken van gekleurde teekeningen. Hierover echter in het volgende hoofdstuk.

DE VERZAMELING.

Het kwam ons voor, dat een stukje over het aanleggen van eene paddenstoelverzameling hier niet mocht ontbreken. Wij weten heel goed, dat lang niet alle natuurvrienden gunstig gestemd zijn voor het "verzamelen", dat er wel onder zijn, die het geheel verouderd--ja uit den booze!--achten.

Het is hier de plaats niet, om deze vraag uitvoerig te bespreken. Wij zijn de laatste om te ontkennen, dat het dikwijls ernstige schaduwzijden heeft en dat vooral verschillende "ontaardingsvormen" ons antipathiek zijn. Doch aan den anderen kant blijft het voor ons een feit, dat het aanleggen eener verzameling mits met verstand en overleg gedaan, een prettig en onderhoudend werk is en bovendien een van de belangrijkste hulpmiddelen bij de natuurstudie. Híérvan moet ieder doordrongen zijn: de verzameling moet hulpmiddel blijven, niet doel worden. Eerbied en liefde voor de natuur moet ons leiden; dan zullen we steeds sparen waar dit noodig is en zonder al te veel hartzeer een groote zeldzaamheid laten staan. Liever dan maar een leemte in onze collectie--of beter nog: een goede teekening of photo--dan het besef het onze er toe bijgedragen te hebben om een interessante plantensoort te helpen uitroeien.