Het paddenstoelenboekje

Part 3

Chapter 33,765 wordsPublic domain

En nu zult ge misschien schrikken als ik u vertel, dat er wellicht geen enkele boom bestaat die geheel vrij is van dit mycelium der echte paddenstoelen. Op een gewonde plek van stam en tak, door mensch of dier veroorzaakt, is een spoor van een boomzwam neergevallen, en daar ontkiemd, trachten die draden nu overal tusschen bast en hout door te dringen. Is nu de boom kerngezond, vooral fungeert zijn wortelstelsel goed, zoodat de vocht en voedselstrooming in de vaatbundels goed werken, dan kan hij den strijd tegen de zwam gerust aanbinden en steeds overwinnaar blijven. Mankeert het hem echter hieraan, en werken deze functiën door de een of andere reden, minder goed, zoodat door de vaten minder water en meer lucht kan toetreden, dan begint het "zwamvlok" veld te winnen, want meer lucht dan vocht heeft dit voor zijn groei in die duisternis noodig en langzaam maar zeker gaat het zijn vernielingswerk voortzetten en hoe slechter 't er nu met den boom gaat uitzien, hoe beter krijgt de zwam het. Haar inwendige uitzuigerij is haar nu niet langer voldoende; meer slachtoffers wil zij maken en uit tak of stam gaat zij nu fraai gevormde en gekleurde vruchtlichamen uitzenden, wier sporen weer honderd andere boomen kunnen aanvallen en vernietigen.

Dat gebrek aan watertoevoer in de boomen den groei van de zwam bevordert, daarvoor leveren ons de berkenboschjes van onze, tegenwoordig zoo droog liggende duinpannetjes, wel het bewijs. Deze, vroeger een lust der oogen, vertoonen nu slechts een ruïne van omgevallen doode stammen en dor loof, waar, als frisch jong leven, alleen nog maar de mooie "berkenzwam" Polýporus betúlinus (fig. 69 No. 14) fungeert. Hoogst zelden vindt men deze zwam op een nog levenden berk.

De tijd, waarin de diverse boomzwammen haar vernielingswerk verrichten, is zeer verschillend. Zien wij aan een eik of populier de zoo fraaie, goud-gele Polýporus sulfúreus No. 150, of de, op verschillende loofboomen, vooral op iep en wilg voorkomende, Polýporus squamósus (fig. 67 en 68 No. 147) zitten, dan kunnen wij er vast van overtuigd zijn, dat die boomen hun langsten tijd geleefd hebben. Evenzoo kan de kweeker, als zijn boomgaard door de boomgaardzwam: Fómes pomáceus (fúlvus) No. 164, of door: Stéreum purpúreum No. 186, bezocht zijn, gerust zijn pruimen- en kersenboomen uit den grond halen en vernietigen.

Prijkt echter de groote, donkere "vuurzwam" Fómes igniárius (Pl. 2, fig. Xb No. 162) aan beukenstammen, dan behoeft men zich over deze volstrekt niet ongerust te maken, want haar vernielingswerk gaat zeer langzaam en terwijl zij telkens weer een nieuwen band om haar hoed zet, leeft de boom nog jaren lang ongestoord verder.

Bij deze hierboven besproken boomparasieten en nog zoo vele, vele anderen (zie blz. 217 en volgende) die uit stam en takken van de verschillende boomsoorten naar buiten komen, hebben we gezien, dat ze zich dan eerst pas goed gaan ontwikkelen, als haar gastheer in minder goede condities gaat verkeeren. Haar parasitisme heeft dus een eenigszins z.g.n. secondair karakter. Zij zijn als uitzuigers, vernielers, minder als moordenaars te beschouwen. Gelukkig dragen waarschijnlijk wel 90 % van de boomzwammen een dergelijk secondair parasitisch karakter, maar heel ongelukkig zijn er nu bij die tien andere procenten een paar soorten, die we geen vernielers maar echte moordenaars moeten noemen en deze komen helaas zeer menigvuldig in ons land voor. Men vindt ze in de natuurlijke kleur en grootte afgebeeld op de plaat der "schadelijke zwammen", uitgegeven door het "Staatsboschbeheer". Het zijn: Fómes annósus (fig. 74-77 No. 167) en Armillária méllea (fig. 60 No. 113). Het mycelium van deze zwammen valt in 't bijzonder de wortels der boomen aan, vooral van naaldhout, en dan geen zieke wortels, die slecht fungeeren, maar kerngezonde. Van het zwamvlok van de honingzwam: Armillária méllea is bekend, dat het niet tevreden is, als het zijn moordend werk aan 't wortelgestel van één boom heeft gedaan, het kruipt in den grond voort en valt den een na den anderen boom aan, zoodat uitgestrekte deelen bosch door haar vernietigd worden. Zijn er tegen vele plantenziekten door schimmels, bestrijdingsmiddelen, tegen deze slechts dit ééne, dat men de vruchtlichamen, die weer voor de voortplanting door de sporen zorgen, zooveel mogelijk vernietigt, terwijl de onderaardsche organen niet uit te roeien zijn. Het mycelium van deze zwam (zie ook blz. 40) kruipt maar zoo stilletjes in 't duister voort, totdat zij binnen korten tijd heeft gezorgd, dat haar slachtoffer is komen te vallen. Uit de overgebleven stronken zendt zij dan, als "vlaggetjes der overwinning", in de herfstmaanden overal troepen van haar vruchtlichamen omhoog.

Wordt het hout van, door 't mycelium van echte paddenstoelen aangetaste, boomen gebruikt voor 't bouwen van huizen, schuttingen, hekwerk enz., dan heeft het zijn vernielingswerk nog niet geëindigd. Integendeel, daar het hout dood is en er steeds meer luchttoevoer in is gekomen, gaat de groei van het mycelium enorm toenemen. Vandaar dat uw trapje in uw tuin, uw hekwerk om huis of weiland zoo kort geleden nog gezet, zoo spoedig geheel vermolmd is en allerlei fraai gevormde en gekleurde paddenstoeltjes (meest van Polýporus versícolor fig. 73 No. 160) uit het hout te voorschijn komen. Worden echter die trapjes en hekjes bij het zetten eens goed met carbolineum bestreken, dan moet de zwam het geheel afleggen en geen afgebroken paaltjes of fraai gekleurde "Elfenbankjes" (fig. 73) zullen meer het eigendom worden van den zorgvuldigen bezitter.

HOE DE PADDENSTOELEN TE LEEREN KENNEN EN ONDERSCHEIDEN.

"Is dat niet ontzettend moeilijk?" Dat is een vraag, die ons telkens en telkens weer gesteld wordt.... een vraag, waarin dikwijls een huldebetuiging en een wanhoopskreet innig versmolten schijnt te zijn. Doch de hulde dient afgeweerd te worden en de wanhoop tot bedaren gebracht door dit eenvoudige nuchtere antwoord: "het is niet ontzettend moeilijk, maar... het gaat niet in eens." Ik zal u eens wat vertellen:

Er is een tijd geweest--dat is al héél lang geleden--dat men om uit te maken hoeveel tanden een paard had, in allerlei geleerde en dikke boeken, Plinius altijd voorop, ging zitten snuffelen, met het gevolg, dat men 't er niet eens over kon worden en een hevige strijd ontbrandde. Een paard in den bek te kijken kwam toen heelemaal niet te pas, zoo'n realistisch-onaesthetische handeling was volkomen in strijd met de waardigheid der wetenschap. Indien er ook nog maar een spoortje van dien middeleeuwschen geest in u is achtergebleven, dan dient ge u daar eerst van te ontdoen, als ge aan de paddenstoelen wilt gaan, en u de toovenaarskunst van het onderscheiden van giftige en eetbare wilt eigen maken.

Buiten goed uitkijken.

Dat men om planten en dieren góéd te leeren kennen niet thuis moet blijven zitten, omringd met dikke boeken en andere geleerde zaken is nu wel haast overal doorgedrongen, maar nog te veel stellen de menschen zich voor, dat dit eigenlijk alleen geldt als men de levenswijze wil nagaan, de "biologie" bestudeeren. Wil men plantensoorten, vormen, leeren kennen dan ga je botaniseeren; in een groote bus pak je alles mee, wat je nog niet kent. Thuis neem je een "Flora" en langs de geleidelijke lijnen van de dichotome tabellen kom je er dan wel.--Zeker, 't gaat, en 't is dikwijls heel nuttig en leerzaam--maar 't heeft ook zijn nadeelen. Hoe vaak b.v. hoor je de menschen niet urmen over die lastige schermbloemigen, die allemaal precies op elkaar gelijken. Ja, misschien wel, als je ze verfrommeld en fragmentarisch uit een bus haalt; maar bekijk ze nu eens goed buiten, 't is heusch niet allemaal "fluitekruid".

Want dat kan ik wel dadelijk zeggen: paddenstoelen zijn veel lastiger dan de schermbloemigen en de grassen. Gaan die dus boven je pet, dan behoef je aan de paddenstoelen niet te beginnen. Ik hoor u zuchten en ik zie uw bedrukt gelaat, als ge zegt: "Hadden we voor de paddenstoelen maar zoo'n Heimans, Heinsius en Thijsse met tienduizend precies-gelijkende maar dan gekleurde afbeeldingen, dan zou het wel gaan; doch nu zullen we er maar van afzien." Maar doe dat nu in 's hemels naam niet. Vindt ge het dan juist geen fijn iets, nu Suringar, Garjeanne, Heukels, Heimans, Heinsius, Thijsse en al die andere, ook Cool en Van der Lek, eens thuis te laten (ik ken de heeren, en ik weet, dat ze me zullen begrijpen!) en eens net te doen alsof ge in 't jaar 1700 leefde en met uw gekuitbroekten grootvader gingt wandelen, die u dan zoo spelenderwijs langzamerhand de paddenstoelen leerde kennen en u leerde goede en kwade onderscheiden?

"Maar ik heb geen grootvader en als ik er een had zou hij er nog niets van weten" zegt ge misschien. Ja, ziet ge, dat is een kwaad ding, maar dan maar zonder grootvader! Doch wandelen moet ge, heel veel wandelen; de herfstbosschen doorkruisen, weilanden en wegkanten afzoeken, vooral niet bang zijn voor een betrokken lucht of een regenbui. Het zijn nu eenmaal voor een groot deel herfst- en regenkinderen--en dan de paddenstoelen, die ge vindt goed bekijken aan alle kanten en met elkaar vergelijken. Hier staan er b.v. veel bij elkaar van één soort. Ga er eens bijzitten en zoek heel jonge exemplaren, zie hoe ze zich ontplooien, hoe ze veranderen bij 't ouder worden. Nu breekt ge er een door, let op den aard van de substantie: die is heel verschillend bij de verschillende soorten en niet zelden karakteristiek. Zoo hebben de Russula's een bros, "kort" hoedvleesch; boompaddenstoelen zijn weer heel anders, meestal erg taai en daardoor oneetbaar. Hebt ge een goeden neus, dat is een prachtig ding voor een zwammenvriend: ge moet u aanwennen de paddenstoelen aandachtiglijk te beruiken en zoo goed mogelijk den geur te beschrijven. (In de tabel op blz. 149 vindt ge een stalenkaartje). Sommige héél vergiftige soorten verraden zich vaak door den geur (zie blz. 95). Ook is het gewenscht ze te proeven; als ge dat op de goede manier doet, n.l. door er een klein stukje van te nemen, dat voor in den mond te proeven en dan weer uit te spuwen, kunt ge dat altijd veilig doen.

Als ge zoo te werk gaat, zult ge er heusch langzamerhand wel in komen en al spoedig een aantal vormen leeren onderscheiden, en er b.v. achter komen, dat dit kleine dikke ding niets anders is, dan een jonkie van die groote daar ginds en al d.g. dingen meer.

Wanneer ge b.v. gelegenheid hebt in een regenachtigen nazomer een poos in Brabant of Gelderland uw intrek te nemen in de nabijheid van dennenbosschen zult ge zeker spoedig getroffen worden, door den grooten rijkdom aan boleten, die dikke vleezige paddenstoelen, die van onderen in plaats van plaatjes, fijne gaatjes vertoonen. In den beginne zal het u niet zoo gemakkelijk vallen uit de verschillende vormen wijs te worden. Ze gelijken allen zoo veel op elkaar en toch is er ook weer een groote verscheidenheid, ja er zijn er geen twee eender. Wanneer ge u nu voorstelt op één dag eens al die boleten te gaan determineeren en ze dan te kennen, zooals ge b.v. op ééne wandeling verscheidene boterbloemsoorten nauwkeurig kunt bepalen, dan vrees ik dat ge bedrogen uitkomt. Maar ga nu eens dagelijks de bosschen in--vooral niet zitten wachten op mooi zonnig weer!--en ga de verschillende vormen met aandacht bekijken niet alleen, maar besnuffelen, betasten, proeven, dan zult ge spoedig, ook zonder één boek, een 10- of 12 tal boleten kunnen onderscheiden en kènnen. Ge weet dan nog geen enkelen naam, zegt ge--maar dat komt er heusch in den beginne minder op aan--vooral omdat vele van die dingen toch alleen maar geleerde, min of meer barbaarsche namen hebben, waarmede wij toch eigenlijk nooit goed vertrouwd raken en die ook maar slecht passen bij omgeving en bij zulke door-en-door natuurlijke dingen als paddenstoelen.

Ik zou zoo graag zien, dat er zich zóó wat meer menschen met de paddenstoelen bezig hielden, eenvoudig weg, vrij van alle geleerdheid of modezucht.

Dan zouden we misschien nog wel eens wat aardige Nederlandsche namen ook krijgen voor de paddenstoelen.

Wij hebben in dit boekje zooveel mogelijk aan iederen paddenstoel een Hollandschen naam gegeven, omdat we maar al te goed weten hoe afschrikwekkend op velen de wetenschappelijke namen werken; en volkomen terecht. Het berust o.i. op een zuiver en goed natuurgevoel, wanneer men voor zulke prachtdingen, als die roode vliegenzwammen die daar soms bij honderden in de bosschen staan te pralen, iets anders wil hebben dan Amanita muscaria, waarvan je niet eens een meervoud kunt maken! Maar 't valt lang niet mede voor ieder een geschikten naam te vinden!

En het is eigenlijk ook niet de manier, want zoo'n naam wordt licht òf gekunsteld, gezocht, of zoo'n beetje poëterig, wat ook niet leuk is. Niet dat een naam niet poëtisch mag zijn. Er zijn er bij de bloemen, als sneeuwklokje, madeliefje, gouden regen, die eigenlijk niets anders zijn dan een klein gedichtje, en dat zijn wel de mooiste. Maar zoo'n naam kan je evenmin uit je mouw schudden als een mooi vers: dat moet, "vanzelf" komen. Daarom hebben we maar ons best gedaan eenvoudige, vrij nuchtere namen te vinden; er zijn er zoo ook onder de andere plantennamen, die toch ook heel goed zijn, als duindoorn, heggerank, kruldistel en dergelijke. Namen dus, die zooveel mogelijk aan een karakteristieke eigenschap ontleend zijn, als: Fluweelpootje (Collýbia velútipes), goudvlieszwam (Pholióta aurivélla), donsvoetje (Tubária furfurácea), de zadelzwam (Polýporus squamósus).

Niet altijd slaagden wij hierin naar wensch: bruine plaatjeshoutzwam (Lenzítes saepiária), wortelcollybia (Collýbia radicáta), purperroode houtzwam (Tricholóma rútilans), hebben we wel eens met een "vooruit-dan-maar" neergeschreven.

En nu hopen we, dat er vele zwammenvrienden zullen opstaan; langzamerhand zullen er dan veel meer aardige typeerende namen los komen. Mocht dus deze of gene er eens een vinden of uit kindermond opvangen, dan verzoeken wij hem of haar, die te noteeren en er ons bij gelegenheid melding van te maken.

Een feit is het, dat in landen als Frankrijk en Duitschland, waar de bevolking zich veel meer met de paddenstoelen heeft bezig gehouden, ook veel meer aardige volksnamen er voor te vinden zijn. En dat is het ook wat o. i. in de eerste plaats noodig is: dat men zich eenvoudigweg wat meer vertrouwd make met de paddenstoelen, die in onze omgeving groeien.

Ge zult zien, dat dan ook het determineeren veel gemakkelijker gaat, dat het u betrekkelijk weinig moeite zal kosten, die boleten, als ge ze eenmaal kent ook juist te determineeren. Want ten slotte zal men daar toch toe over moeten gaan, als men er meer van wil weten; dan dient men den wetenschappelijken naam te kennen, dan kan men er de boeken op na slaan en er achter komen of men met goede, eetbare of giftige soorten te doen heeft. Die kennis deed het landvolk in den vreemde eerst heel langzamerhand, langs den moeilijken weg der ervaring, met veel schade en schande op. En dan nog vaak héél gebrekkig. Zéér uiteenloopend en tegenstrijdig zijn de meeningen, die de bevolking in verschillende landstreken zich omtrent giftigheid en eetbaarheid van verschillende soorten gevormd heeft. Voor een deel mag dit misschien hierop berusten, dat de eigenschappen der paddenstoelen eenigszins door de bereidingswijze beïnvloed worden, voor een groot deel is het toch ook het gevolg van geheel ongegronde vooroordeelen. Nog in 1831 schreef Krombholz, een bekend Duitsch mycoloog: "Zeer jammer is het, dat nog steeds vele soorten van paddenstoelen door het volk voor oneetbaar, ja zelfs vele voor vergiftig gehouden worden, die bijna overal groeien, en vooral juist in zeer natte jaren, waarin vaak door misgewas schaarschte heerscht. Als een sterk voorbeeld wil ik hier slechts de "Kieferpilz of Butterpilz" (Bolétus lúteus) aanhalen, die in zomer en herfst in ontzaggelijke hoeveelheden groeit, in Boheme gegeten wordt en in de hoofdstad bij millioenen ter markt gebracht wordt; die de soep der armen voedzaam maakt en het vleesch vervangt, terwijl hij in Frankrijk voor giftig gehouden wordt en bij vele schrijvers ook als schadelijk geboekt staat". Langzamerhand is daar nu wel meer eenstemmigheid in gekomen; talrijke onderzoekingen en proefnemingen hebben reeds veel twijfel en tegenspraak opgeheven en vooral de vergiftige soorten tot een betrekkelijk klein aantal teruggebracht. Daarom, voor wie er verder in door wil dringen, zijn eenige goede boeken en plaatwerken onmisbaar (zie blz. 329). Doch ook voor een diepergaande studie blijft de waarneming in de natuur nummer één. Er zouden zeker heel wat minder vergissingen en verwarringen in de nomenclatuur der paddenstoelen zijn, als zij steeds berustten op een degelijke, echte natuurkennis. Meer dan eens zijn verschillende ontwikkelingsvormen van één soort onder verschillende namen beschreven, zelfs bij geheel verschillende families ondergebracht. Ja er zijn tropische zwammen, die onder acht en meer verschillende namen achtereenvolgens beschreven zijn, als even zoovele verschillende soorten, niet zelden door éénzelfde geleerde. De man had ze natuurlijk nooit waargenomen, maar hij "bewerkte materiaal".

En ook verschillende inlandsche zwammen hebben veel aanleiding tot verwarring gegeven, zoo b.v. het mooie zwammetje, dat zoo vaak op naaldhout, stompen en dergelijke te vinden is en in verschen staat aan de fraai-paarse poriën goed te kennen is. Fries, de beroemde Zweedsche mycoloog, noemde dit een "bron van oneindige verwarring", doch voegt er onmiddellijk bij, dat wie het zwammetje maar eens goed in de natuur bestudeert, de verschillende vormen altijd kan herkennen. Dit paarse dennenzwammetje (zie No. 159) vormt soms groote uitgebreide korsten; vooral op omgevallen dennenstammen kan men die aantreffen. Die korsten vertoonen vaak weinig of geen hoedvorming en als dan 't mooie paars tot een grijs-bruin verkleurd is, dan wordt 't al moeilijker te herkennen. Andere, met goed uitgegroeide hoedjes, hebben soms poriën, die bijna geheel in tandjes uiteengescheurd zijn; dergelijke vormen heeft men vroeger veel, onder een anderen naam natuurlijk, bij de stekelzwammen gebracht! Daarmee moet men dus wel oppassen; ik heb wel eens een reuzenzwam (Polýporus gigánteus No. 151) gevonden, die van onderen, in plaats van poriën, de zuiverste stekeltjes vertoonde. Als ik hem al niet gekend had, zou ik er met determineeren nooit uitgekomen zijn!

Zoo zijn er vele kenmerken, die jonge exemplaren vertoonen en oude niet. De cortina (gordijn, fig. 14) in de jeugd vaak mooi en duidelijk zichtbaar, verdwijnt later dikwijls geheel en al. Neem je nu ongelukkig een paar volwassen exemplaren mee naar huis, dan zit je gauw verlegen, maar buiten zoek je naar jonge, je gaat de ontwikkeling na en je komt er wel uit. Dan zie je soms tot je verbazing, dat het geheele ding in uiterlijk, in vorm en in kleur verandert bij 't ouder worden. Je vindt b.v. een Cortinárius (C. elátior No. 90), waarvan de jonge exemplaren een prachtig blauw-violetten steel hebben; de hoed is dan nog sterk koepelvormig en de rand is met den steel door een gordijn verbonden. Maar bij 't ouder worden verbleekt die fraaie kleur sterk; volwassen exemplaren vertoonen nog slechts een bleek-blauw of in 't geheel niets meer er van en met 't determineeren loop je mis. Ook de hoed krijgt een geheel ander aspect; hij wordt vlakker en ten slotte zelfs buigen de randen opwaarts; in den beginne kunt ge haast niet gelooven dat het werkelijk dezelfde paddenstoel is.

Doch niet alleen zijn het de veranderingen door het ouder-worden, ook de vormverscheidenheid van een soort kunt ge buiten het best waarnemen. Toen ik voor 't eerst de gele ridderzwam (Tricholóma equéstre No. 33) vond, kreeg ik eerst een paar slanke, dun-stelige vormen in handen en daarna een heel dikke met bijna knolligen voet. Dat kan haast niet dezelfde soort zijn, dacht ik; maar er stonden er veel daar in de buurt en spoedig had ik de geheele vormen-reeks bij elkaar.

De zeepzwam (Tricholóma saponáceum No. 34) heeft me heel wat hoofdbrekens gekost, maar door zorgvuldige bestudeering van een dennenboschje, waar er een heeleboel bij elkaar groeiden, ken ik hem nu door en door. Deze heeft n.l. aanvankelijk een gladden, grauwen of ook wel groen-grijsachtigen hoed. Later gaat de opperhuid meestal in fijne schubjes openbarsten, de hoed wordt dus fijn geschubd en ook meer bruinachtig van kleur. Het lijkt een ander ding, maar als je dan 't geluk hebt er een te vinden, waarvan de eene helft nog geheel glad en grauw, en de andere geschubd en bruinachtig is, dan ben je er achter en je vergeet het nooit meer.

Ook de invloeden van het wisselend weer en de bodemgesteldheid spelen natuurlijk bij al die dingen een groote rol en kunnen het uiterlijk der paddenstoelen sterk wijzigen. Regenbuien wasschen de schubben van de hoeden der Amaníta's weg, doen de kleuren der Rússula's geheel verbleeken; "slijmkopjes" zoo even nog week en glibberig worden droog en glanzend, Geásters, die tot vormlooze kluitjes ineengekrompen waren, zuigen het vocht op en spreiden zich uit--nu eerst echte "aardsterren"; droogte belemmert de paddenstoelen in hunne ontwikkeling, doet ze klein blijven en schrompelen; vorst doet soms de hoeden zoo typisch barsten, dat je alweer eens denkt iets heel bijzonders te vinden... Doch genoeg hierover, dit zijn alle dingen, die men zelf door langdurigen "omgang" moet leeren, wandelend, zoekend, speurend... dat is het wat de studie der paddenstoelen moeilijk maakt, zeker, doch niet "ontzettend", maar heel pleizierig en aantrekkelijk moeilijk.

BOUW DER HOOGERE PADDENSTOELEN.

Het Mycelium.

Uit het voorafgaande moet het wel reeds duidelijk zijn geworden, dat, waar de levenswijze der paddenstoelen zoo verschilt van die der groene planten, ook hun bouw een geheel andere moet zijn.

Bij de parasietische schimmels hebben we gezien, dat het schimmelweefsel overal in nauwe aanraking met het voedende substraat (onderlaag) voortwoekert, hoofdzakelijk binnen in het weefsel van den waard, en eigenlijk alleen om de sporen te kunnen verspreiden, naar buiten komt. In het moederkoorn (blz. 17) zagen we hoe zich ten slotte kleine paddenstoeltjes ontwikkelden, waarin de sporen gevormd worden. Bij de eigenlijke paddenstoelen is dit niet anders. Wie er wel eens voorzichtig een uit de rottende bladeren heeft opgenomen, b.v. een grijze nevelzwam (Clitócybe nebuláris fig. 27), heeft allicht gezien, hoe onder aan den voet fijne witte draden ontspringen, die zich tusschen de bladeren uitbreiden, soms over groote uitgestrektheid. Hetzelfde kan men waarnemen als men b.v. een berk, waarop de berkenzwam groeit, doorzaagt. Men vindt dan de stam doorwoekerd met die fijne witte draden, de z.g. zwamvlok of het mycelium. Het zijn dus ook echte "schimmels"; deze zwamvlok wijkt niet noemenswaard af van gewone lagere schimmels. (zie fig. 4) Dit is ook hier feitelijk de plant; de vruchtlichamen zijn hier echter veel grooter en vaak ook samengestelder dan bij die schimmels. Voor de plant dan ook zoo ver is, dat ze zoo'n paddenstoel kan voortbrengen, moet ze geruimen tijd--soms zeer lang--in het verborgen geleefd en gewerkt hebben. Dit blijkt duidelijk bij de cultuur van verschillende houtzwammetjes; vaak duurt het maanden lang vóór de eerste vruchtlichamen verschijnen. Overigens bestaat hierin tusschen de verschillende soorten ook veel onderscheid.