Part 17
H. glanzend, verschillend van kleur: grijs, zwartachtig-grijs of bruinachtig, dunvleezig, eerst kegelvormig dan uitgespreid met gestreepten rand, 3-5 cM. breed. Pl. dicht bijeen, breed, eerst grijs, later roodachtig-grijs. St. 5-8 cM. hoog, zijdeachtig, vezelig, gestreept, bruinzwart of grijs, zeer broos. Mei-winter. vr. a.
Óchrosporeën. Bruinsporigen.
[Pholióta.]
No. 261. P. práecox. Voorjaars pholiota.
H., stroogeel, 4-8 cM. breed, in 't midden donkerder, bij vocht iets kleverig, eerst bol dan uitgespreid, bultig. Ring wit, meestal spoedig verdwijnend. St. 5-8 cM. hoog met gezwollen voet, meelachtig donzig. Mei-Oct. vr. a. e.
[Hebelóma.]
H. crustulinifórme, bruin met witten rand. No. 216.
[Naucória.]
N. semiorbiculáris, geel-bruinachtig. No. 275.
[Bolbítius.]
No. 262. B. vitellínus. Dooiergele mestzwam (Pl. 5, fig. 29).
H. jong, ei-vingerhoedvorm., dooiergeel, kleverig, later bruin, klokvormig of uitgespreid met gespleten rand, 2-5 c.m. breed. Pl. kleikleurig, okergeel. St. wit- of geelachtig, schubbig bepoederd, tot 8 c.m. hoog. Mei-Nov., op mest en op aarde. vr. a.
Melánosporeën. Zwartsporigen.
[Psallióta.]
No. 263. Ps. campéstris. Weide-kampernoelje, Weide-Champignon (fig. 113 en fig. 17 en 18).
H. wit- of geelachtig, fijn schubbig of glad, eerst bol, jong met ingerolden rand, later plat, dik-vleezig tot 20 c.m. breed. Pl. bij jong exemplaar reeds rose, later koffiebruin, dan zwart en vochtig. St. met manchet, wit, dik gevuld, kort, 6-8 c.m., dikwijls aan den voet eenigszins knollig. Juni-Nov. Vooral op eenigszins vochtige weilanden waar paarden grazen. vr. a. e. (Zie vooral Amaníta phalloídes (fig. 16 en blz. 85)).
Van dezen paddenstoel komen nog de volgende variëteiten voor:
Ps. camp. var. vaporárius, H. bleek-bruin, schubbig, dunvleezig, steel dun; vr. a. e.
Ps. camp. var. pratícola. H. bruin of rood, schubbig, vleesch roodwordend, pl. smal. vr. a. e.
Ps. camp. var. bitórquus. H. wit, glanzend, vleesch iets roodwordend. St. kort, tolvormig, riekt naar jodoform. vr. a. e.
No. 264. Ps. arvénsis. Akker-kampernoelje, Akker-champignon (Plaat 2, fig. VII).
Gelijkt op en komt voor, tusschen Ps. camp. en op dezelfde weilanden, echter meestal op hooger gelegene, drogere plekken. Hij onderscheidt zich van Ps. camp., vnl. door dat de plaatjes zelden rose zijn, reeds bij jonge exemplaren grauw-wit (zie blz. 95 en Am. phall. No. 24), dat de ring uit 2 lagen bestaat, dikwijls bedekt met geel-bruine schubbetjes. De h. wordt zelden zoo groot en is dik-vleeziger en smakelijker dan van Ps. camp. De st. wordt altijd langer, meestal gekromd en minder dik. Hij verschijnt later dan Ps. camp. en komt ook in bosschen voor. vr. a. e.
[Strophária.]
Str. aeruginósa, blauw-groen, kleverig. No. 222.
No. 265. Str. semiglobáta. Mest-stropharia.
H. bij vocht stroogeel, kleverig, bij droogte bruin en glimmend, alsof hij vernist is; half kogelvormig, dunvleezig, 2-3 c.m. breed; pl. breed aangegroeid, wijd uitéén, eerst aschgrauw, dan zwartachtig, st. geel kleverig, 6-10 cM. hoog, bovenaan zwart-gestippeld en soms met overblijfsel van ring; onderaan gezwollen. Op mest in groepjes. Najaar-winter. a.
[Coprínus.]
No. 266. C. comátus. Geschubde inktzwam (pl. 2 fig. VIIIb en c en fig. 114).
H. wit, (vuil of rose-wit) met groote, vlokkige, afstaande schubben bedekt, aan den top vaak met bruine kale plek, eerst rolrond en met den ring vast om den steel verbonden, later ei- of klokvormig, uitgespreid rafelend, 7-20 c.m. hoog. Pl. breed, eerst wit of licht rose, spoedig zwartwordend en in inkt vervloeiend (fig. 15). St. wit, slank, 7-20 c.m. hoog, onderaan wortelend. Zodevormend. Voorzomer-herfst. a. jong (zonder steel) e.
No. 267. C. atramentárius. Kale inktzwam. (Plaat 2, fig. VIIIa).
Komt op dezelfde plaatsen en ook zodevormend voor, evenals C. comátus, is daarvan te onderscheiden doordat de h. kaal, wit-grijsachtig of loodkleurig, glanzend en gestreept of gevoord is (soms aan den top met kleine roodachtige of bruine schubjes). De h. rand is niet met den steel vergroeid. Voorjaar-winter. a. a. e. (zonder steel)
No. 268. C. níveus. Witte mestzwam.
H. teer, sneeuwwit, donzig, eerst ei- dan klokvormig en uitgespreid, 2-3 c.m. breed, pl. eerst wit dan zwart, st. slank, wit, donzig, tot 7 c.m. hoog. Op paardenmest. Zomer-herfst. vr. a.
No. 269. C. plicátilis. Gevoorde inktzwam.
H. zeer teer, waterig, eerst ovaal, spoedig plat en gespleten, in 't midden geelachtig-rood, aan den rand grijs-blauwachtig, diep gevoord. Pl. tot een ring vereenigd. St. glad, bleek, tot 10 c.m. hoog. In groepjes. Zomer-herfst. a.
C. micáceus, eivormig, geel-roestkleurig met glinsterende korreltjes. No. 142.
Panáéolus.
No. 270. P. campanulátus. Klokvormige Panaeolus. (Plaat 5, fig. 35).
H. grauw, rookkleurig, naar 't midden bruin of roodachtig, dunvleezig, droog en eenigszins glanzend, klokvormig, soms bultig, 2-3 c.m. breed. Pl. talrijk, aangehecht, zwart met grijs gevlekt, st. tot 10 c.m. hoog, gestreept, rossig, bovenaan zwart, bepoederd. In groepjes op mest en op de aarde. Voorjaar-herfst. vr. a.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen.
[Lycopérdon.]
No. 271. L. Bovísta. (Bovísta gigántea). Reuzenbovist. (fig. 116).
H. wit of geelachtig, kaal, eenigszins glanzend, zittend, ballonvormig, tot 1/2 m. in omvang wordend. Jong, massief met wit vleesch, bij ouderdom sponzig, van binnen en buiten bruin of groenachtig, onregelmatig openscheurend. Mei-winter. vr. a. jong e.
No. 272. L. caelátum. Ruitjes-bovist (fig. 115).
Deze paddenstoel gelijkt op jong exemplaar van de vorige soort, doch is daar dadelijk van te onderscheiden door dat het bovengedeelte van de tot 12 c.m. breede bol, in geschubde (geciseleerde) vakjes verdeeld is en spoedig een grauwe kleur krijgt. Het bovenste gedeelte brokkelt bij rijpheid geheel af, het onderste blijft tijden lang als een beker in den grond zitten. Zomer-herfst. vr. a.
L. gemmátum kort gest., wit met wratjes, No. 236.
[Bovísta.]
No. 273. B. nigréscens. Zwartwordende bovist. (Plaat 2, fig. XVIc).
Zittende, bolvormige paddenstoel, eerst wit en eenigszins vleezig, spoedig papierachtig en zwart-bruin wordend, tot 6 c.m. breed. Op dezelfde plaatsen als L. Bovista. Zomer-najaar. a.
No. 274. B. plúmbea. Loodgrijze bovist.
Als vorige doch loodgrijs glanzend, kleiner, tot 3 c.m. breed en bijna dadelijk papierachtig wordend. Zomer-najaar. vr. a.
[Sclerodérma.]
S. vulgáre. No. 240.
Áscomyceten. Zakjeszwammen.
Pezizaceën. Bekerzwammen.
[Pezíza.]
P. aurántia, rood, groot. No. 1.
SOORTEN VOORKOMENDE AAN WEGRANDEN (VAN BOSSCHEN EN WEGEN).
Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Leúcosporeën. Witsporigen.
[Amaníta. (zie tabel blz. 175).]
A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, lichtgeel of wit. A. muscária, vuur-rood of oranje-rood. A. rubéscens, vleeschkleurig of bruinachtig. A. vagináta, bruin-rood of grijs.
[Lepióta.]
L. procéra, crême, met bruine, opstaande schubben, No. 193. L. rhacódes, crême, met bruine, platte schubben, No. 194.
[Tricholóma. (zie tabel blz. 180).]
T. núdum, paars. T. sórdidum, bruin-paars. T. melaléúcum, roetgrauw tot zwart of bruinachtig.
[Clitócybe. (zie tabel blz. 184).]
C. dealbáta, wit of beige. C. odóra, groen (sterke anijsgeur). C. nebuláris, grijs of aschkl., meelachtig bestoven, groot.
[Laccária.]
L. laccáta en amethýstina, rose of roodbruin en paars, No. 197 en 198.
[Collýbia.]
C. butyrácea, grijs of geelachtig bruin, vettig, No. 199. C. dryóphila, bleek-bruin, ledergeel, No. 200.
[Mycéna.]
M. epipterýgia, h. grijs of groen-geel, st. geel, kleverig, No. 202.
[Omphália.]
O. fíbula, bruin of geel-oranje, No. 205.
[Hygróphorus. (zie tabel blz. 188).]
H. cónicus, geel-oranje-rood, zwart wordend. H. níveus, wit, doorzichtig. H. virgíneus, wit, vochtig-vettig.
[Rússula. (zie tabel blz. 196).]
R. heterophýlla, groen met blauw of roodgetint. R. emética, bont of bruin-rood (scherp). R. frágilis, wit met rood of bont (scherp). R. depállens, roodachtig of purper-violet.
[Cantharéllus.]
C. cibárius, dooiergeel, vleezig, No. 206.
[Marásmius.]
M. oréades, geelbruin of beige, No. 207.
Rhódosporeën. Rosesporigen.
[Volvária.]
V. speciósa, wit, kleverig, pl. rose, No. 259a. V. gloiocéphala, grijs, glanzend, pl. rose, No. 259b.
[Clitopílus.]
C. orcélla, wit, glanzend, No. 215.
[Nolánea.]
N. páscua, grijs of bruin, glanzend, No. 260.
Óchrosporeën. Bruinsporigen.
[Pholióta.]
Ph. práécox, stroogeel, voorjaar, No. 261.
[Inócybe.]
I. rimósa, zandkl., gespleten, No. 217. I. geophýlla, wit of lila, glanzend, No. 216.
[Hebelóma.]
H. crustulinifórme, bruin met witten rand, No. 216.
[Naucória.]
No. 275. N. semiorbiculáris. Halfcirkelronde Naucoria.
H. geelachtig-bruin, bij vocht een weinig kleverig, eerst bolrond, dan uitgespreid, 2 1/2-6 cM. breed. Pl. breed, eerst bleek, dan roestkleurig. St. bleek roestkl., iets glimmend, pijpachtig 8-11 cM. hoog. In groepjes, voorjaar-winter. vr. a.
[Galéra.]
G. hypnórum, bruinrood, No. 219.
[Paxíllus.]
P. involútus, donkerbruin met ingerolden rand, No. 220.
[Cortinárius.]
C. albo-violáceus, lila, zijdeachtig, (zie tabel blz. 204).
[Bolbítius.]
B. vitellínus, geel of bruin, kleverig, No. 262.
Melánosporeën. Zwartsporigen.
[Psallióta.]
Ps. arvénsis, wit of geelachtig, ring dubbel, No. 264.
Ps. campéstris, wit; ring enkel, No. 263. Ps. camp. var. bitórquus, wit, glanzend, st. tolvormig, vleesch roodachtig, No. 263. Ps. camp. var. pratícola, bruin of roodgeschubd, vleesch roodachtig, No. 263. Ps. sylvática, vuilwit, bruingeschubd, No. 221.
[Strophária.]
Str. aeruginósa, blauw-groen, kleverig, No. 222. Str. semiglobáta, bolv., geel of bruin, kleverig, op mest, No. 265.
[Psathýra.]
Ps. corrúgis, teer, vuil-wit met rood of bruin, No. 224.
[Coprínus.]
C. comátus, wit met vlokkige schubben, No. 266. C. atromentárius, grijsachtig-wit, kaal, No. 267. C. níveus, wit, donzig, op mest, No. 268. C. micáceus, geel-bruin, No. 142. C. plicátilis, teer, grijs met blauw en rose, No. 269.
[Panáéolus.]
P. campanulátus, grijs-bruin, No. 270.
[Psathyrélla.]
Ps. dissemináta, grijs, of geelachtig, teer, No. 141.
Polýporaceën. Gaatjes of buisjeszwammen.
[Bolétus. (zie tabel blz. 207).]
B. edúlis. B. félleus. B. rúfus (versipéllis). B. lúridus. B. cyanéscens.
Claváriaceën. Koraalzwammen.
[Clavária.]
Cl. cristáta, wit, No. 226. Cl. formósa, goud-geel, No. 230. Cl. cinérea, grijs, No. 228.
Phállaceën. Stinkzwammen.
[Phállus.]
Ph. impudícus, groot, st. wit, h. groen of wit, No. 231. Ph. canínus, klein, st. wit, h. rood of groen, No. 232.
Niduláriaceën. Nestzwammen.
[Cyáthus.]
C. striátus en ólla, No. 233 en 234.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen.
[Lycopérdon.]
L. excipulifórme, lang gest., loodgrijs, No. 235. L. gemmátum, kort gest., wit met wratjes, No. 236. L. bovísta, zittend, wit, glad, No. 271. L. caelátum, zittend, wit met vakjes, No. 272.
[Bovísta.]
B. nigréscens, eerst wit, later zwart-bruin, No. 273. B. plúmbea, loodgrijs, glanzend, No. 274.
[Sclerodérma.]
Scl. vulgáre, No. 240.
Áscomyceten. Zakjeszwammen.
Pezízazeën. Bekerzwammen.
[Pezíza.]
P. aurántia, rood, groot, No. 1. P. vesiculósa, licht-bruin, groot, No. 4.
[Helvélla.]
Helvéllaceën. Helvella-achtigen.
H. críspa, wit of geelachtig, No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs, No. 11.
[Morchélla.]
M. esculénta, h. bruin, st. wit, No. 12.
[Vérpa.]
V. digitalifórmis, st. wit, h. vingerh. vorm., geel of rood-bruin, No. 13.
SOORTEN VOORKOMENDE IN PARKEN EN TUINEN, KWEEKERIJEN, ENZ.
Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Leúcosporeën. Witsporigen.
[Amaníta. (zie tabel blz. 175).]
A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, licht geel of wit. A. pantherína, chocolade bruin.
[Lepióta.]
L. procéra, crême, met bruine opstaande schubben, No. 193. L. rhacódes, crême, met donkerbruine platte schubben, No. 194. L. clypeolária, wit, zijdeachtig met bruine wratjes, No. 195. L. granulósa, ledergeel met gele vlokjes, No. 196.
No. 276. L. acutesquamósa (Áspera). Spitsschubbige Parasolzwam.
H. dicht bezet met eerst vlokkige dan opstaande en spitspuntige bruine schubben, onder de schubben witachtig; eerst kegelvormig dan uitgespreid bultig, tot 10 c.m. breed, ring vliezig, zijdeachtig, afhangend. St. roestkleurig met in spiralen loopende schubben, bovenaan berijpt, onderaan knollig, tot 10 cm. hoog. Scherpen onaangenamen reuk en bitteren smaak. In groepjes. Herfst. vr. a. v.
[Tricholóma. (zie tabel blz. 180).]
T. núdum, paars. T. sórdidum, h. bruin-paars, st. dun. T. melaléúcum, roetgrauw of zwart-bruinachtig.
[Hygróphorus. (zie tabel blz. 188).]
H. cónicus, scharlakenrood, zwartwordend. H. psittacínus, bont, groen, geel of steenrood, slijmerig. H. níveus, wit, klein, doorzichtig.
[Marásmius.]
M. oréades, geel bruin of beige, in kringen of groepjes, No. 207.
Rhódosporeën. Rozesporigen.
[Volvária.]
V. speciósa, wit, kleverig, pl. rose, No. 259a. V. gloiocéphala, grijs, glanzend, pl. rose, No. 259b.
[Clitopílus.]
C. orcélla, wit, glanzend, No. 215.
[Nolánea.]
N. páscua, grijs of bruin, glanzend, No. 260.
Óchrosporeën. Bruinsporigen.
[Pholióta.]
Ph. práécox, stroogeel, No. 261.
[Inócybe.]
I. rimósa, zandkleurig, gespleten, No. 217.
[Hebelóma.]
H. crustulinifórme, bruin met witten rand, No. 216.
[Naucória.]
N. semiorbiculáris, geel-achtig-bruin, No. 275.
[Galéra.]
G. hypnórum, bruin-rood, No. 219.
[Bolbítius.]
B. vitellínus, geel of bruin, kleverig, No. 262.
Melánosporeën. Zwartsporigen.
[Psallióta.]
Ps. arvénsis, wit of geelachtig, ringdubbel, No. 264. Ps. campéstris var. bitórquus, h. witglanzend, vleesch roodachtig, st. tolvormig. Ps. camp. var. pratícola, bruin of rood geschubd, vleesch roodachtig. Ps. sylvática, vuilwit, bruin geschubt, No. 221.
[Strophária.]
Str. semiglobáta, bolvormig, geel of bruin, kleverig, op mest, No. 265.
[Psathýra.]
Ps. corrúgis, teer, vuilwit met rood of bruin, No. 224.
[Coprínus.]
C. comátus, wit met vlokkige schubben, No. 266. C. atromentárius, grijsachtig-wit, kaal, No. 267. C. níveus, wit, donzig, op mest, No. 268. C. micáceus, geelbruin, No. 142. C. plicátilis, teer, grijs met blauw en rose, No. 269.
[Panáéolus.]
P. campanulátus, grijs-bruin, No. 270.
[Psathyrélla.]
Ps. dissemináta, grijs of geelachtig, teer, No. 141.
Phállaceën. Stinkzwammen.
[Phállus.]
Ph. impudícus, No. 231.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen.
[Lycopérdon.]
L. Bovísta, zittend, wit, glad, No. 271. L. caelátum, zittend, wit of grauw met vakjes, No. 272.
[Bovísta.]
B. nigréscens, eerst wit, later zwartbruin, No. 273.
[Sclerodérma.]
Scl. vulgáre, No. 240.
Áscomyceten. Zakjeszwammen.
Pezízazeën. Bekerzwammen.
[Pezíza.]
P. aurántia, rood, groot, No. 1. P. fusispóra, rood, klein, No. 2. P. vesiculósa, groot, bruin, No. 4.
Helvéllaceën. Helvella-achtigen.
[Morchélla.]
M. esculénta, h. bruin, st. wit, No. 12.
SOORTEN VOORKOMENDE IN VOCHTIGE HUIZEN ONDER EN UIT VLOEREN, PLAFONDS, KELDERS ENZ.
Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáriacaceën. Plaatzwammen.
Leúcosporeën. Witsporigen.
[Armillária.]
A. méllea, No. 113.
[Lentínus.]
L. lépideus (squamósus), No. 125. L. tigrínus, No. 126.
Melánosporeën. Zwartsporigen.
[Hypholóma.]
H. fasciculáre, No. 139.
[Coprínus.]
C. micáceus, No. 142.
[Psathyrélla.]
Ps. dissemináta, No. 141.
Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen.
[Daedálea.]
D. quercína, No. 176.
[Merúlius.]
M. lácrymans, No. 173.
SOORTEN VOORKOMENDE IN DE DUINEN,
Niet in duinbosschen of pannen, zie hiervoor de verschillende bosch-rubrieken.
Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Leúcosporeën. Witsporigen.
[Amaníta. (zie tabel blz. 175).]
A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, licht-geel of wit.
[Lepióta.]
L. clypeolária, wit, zijdeachtig met bruine vlokjes, No. 195. L. granulósa, ledergeel met gele vlokjes, No. 196.
[Tricholóma.]
T. núdum, paars, (zie tabel blz. 180).
[Clitócybe.]
Cl. obbáta, grijs of bruinachtig, (zie tabel blz. 184).
[Laccária.]
L. laccáta, roodbruin, No. 197.
[Marásmius.]
M. oréades, geel-bruin of beige, No. 207.
Óchrosporeën. Bruinsporigen.
[Pholióta.]
Ph. práécox, stroogeel, voorjaar, No. 261.
[Inócybe.]
I. rimósa, zandkleurig, gespleten, No. 217.
[Hebelóma.]
H. cristulinifórme, bruin met witten rand, No. 216.
[Galéra.]
G. hypnórum, bruinrood, in mos, No. 219.
[Tubária.]
T. furfurácea, op takjes, licht of donkerbruin, No. 135.
[Crepidótus.]
C. móllis, op populier, grijs-wit, week, No. 131.
Teléphoraceën. Korstzwammen.
[Teléphora/]
T. terréstris, roestbruin, No. 225.
Phállaceën. Stinkzwammen.
[Phállus.]
Ph. impudícus, No. 231. Ph. canínus, No. 232.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen.
[Lycopérdon.]
L. coelátum, zittend, wit, met vakjes, No. 272. L. furfuráceum, zittend, grauw of bruinachtig, No. 239. L. gemmátum, kortgest., wit met wratjes, No. 236.
[Bovista.]
B. nigréscens, eerst wit, dan zwart-bruin, No. 273. B. plúmbea, loodgrijs, glanzend, No. 274.
[Geáster.]
G. tríplex, No. 255.
No. 277. G. Schmidelii. Kleine aardster. (fig. 118.)
Kleine Aardster, ± 3 cM. groot, met een meest in 4, grijswitte, eerst vleezige, spoedig papierachtige, opstaande slippen scheurend buitenste omhulsel en een kogelvormig gesteeld, eerst grijs- dan bruingekleurd binnenste omhulsel. Najaar, Winter, plaatselijk vr. a.
[Tulóstoma.]
No. 278. T. mammósum. Gesteelde stuifzwam.
(fig. 117) Bolletje papierachtig, wit of grijswit, 6-12 mM. breed, met ronde opening en eerst oranje-roode later donkerbruine sporen. St. kleur als h., 3-6 cM. hoog, dikwijls geschubt, onderaan verdikt en met worteltjes. Najaar-Winter, vr. a.
[Sclerodérma]
Scl. vulgáre, No. 240.
Áscomyceten. Zakjeszwammen.
Helvéllaceën. Helvella-achtigen.
[Helvélla.]
H. críspa, wit, of geelachtig. No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs. No. 11. Stuifzwam.
[Morchélla.]
M. esculénta, St. wit, h. bruin, No. 12.
[Vérpa.]
V. digitalifórmis, st. wit, h. vingerh.vorm., geel of roodbruin, No. 13.
LITERATUUR.
Ofschoon in ons land, vooral in Brabant ook al sinds de middeleeuwen de in 't wild gezochte paddenstoelen vrij algemeen gegeten werden, zoo is het nog geen 50 jaar lang, dat men zich met de studie der zwammen bezig houdt. De groote baanbreker hiervan is Prof. C. A. J. A. Oudemans geweest, van wiens hand in 1892 in de Verhandelingen der Kon. Akademie van Wetenschappen, verscheen zijn: "Révision des champignons tant supérieurs qu'inférieurs trouvés jusqu'à ce jour dans les Pays-Bas", gevolgd door zijn: "Catalogue Raisonnée des Champignons des Pays-Bas" (1905).
Ook de Heeren Kok, Ankersmit en Fred. v. Eeden Sr., hebben de Nederlandsche fungi bestudeerd, echter zonder speciale werken daarover te hebben nagelaten. In 1902 gaf de Ned. Botanische Vereeniging het eerste Nederlandsche determineerboekje voor Paddenstoelen uit, vervaardigd door Mej. Caroline Destrée en getiteld: "In Nederland groeiende Hoogere Zwammen".
De Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging organiseerde eenige paddenstoelententoonstellingen en in de Levende Natuur verschenen van de hand van Mej. Car. Destrée en de Heeren Heimans, Thijsse en Jaspers, aardige artikelen over de zwammen, die het hunne er toe bijdroegen om langzamerhand ook de liefde tot de studie voor deze natuurgewrochten op te wekken.
Zoo werd dan in 1908 op initiatief van Dr. M. Greshoff, in navolging van de in Frankrijk zoo bloeiende Société de Mycologique, te Haarlem opgericht de Ned. Mycologische Vereeniging, die zich ten doel stelt, het bevorderen der kennis, de waardeering en het gebruik van hoogere en lagere zwammen in Nederland en zijn Koloniën.
Deze vereeniging (secretariaat Haarlem, Jordensstr. 68) heeft sinds hare oprichting ieder jaar eenige mededeelingen het licht doen zien, en in verschillende deelen van het land, uitnemend geslaagde paddenstoelententoonstellingen georganiseerd. Ook heeft zij reeds een begin gemaakt met het aanleggen van een standaardcollectie van in Nederland groeiende hoogere zwammen.
Van de hand van haren voorzitter den Heer Joh. Ruys, verscheen in 1909 een meer uitgebreid boek, naar een bewerking van Prof. Oudemans' "Révision des champignons", getiteld: "De Paddenstoelen van Nederland".
Behalve de reeds door ons genoemde paddenstoelen-litteratuur over de morphologie en physiologie der paddenstoelen (zie blz. 67) over de planten-ziekten (zie blz. 22) over vergiftige en eetbare paddenstoelen (zie blz. 101) en over het kweeken (zie blz. 129) geven wij onze lezers nog de volgende titels van determineer- en plaatwerken:
Een van de beste [buitenlandsche determineerboeken over paddenstoelen, en zeker wel het allerbeste bestaand] determineerwerk is dat van Constantin et Dufour: "Nouvelle Flore des Champignons," met 4265 figuren. Ook de volgende determineerboeken zijn zeer aan te bevelen: Bigéard: "Flore des Champignons supérieurs de France"; Rieckel: "Die Blätterpilze Deutschlands"; Lindau: "Die Höheren Pilze"; Wünsche: "Die Pilze"; Gotthold Hahn: "Der Pilzsammler".
Hun, die het minder om determineer- maar meer om boeken met gekleurde afbeeldingen te doen is, raden wij aan in de eerste plaats: de 3 mooie boekjes van Michaël: "Führer für Pilzfreunde" (3 dln.); "Die Pilze unserer Heimat", von E. Gramberg (Agaricaceae) 1913 f 3.55. Voor een meer bescheiden portemonnaie zijn ook de goedkoope (35 cts. per deeltje) en aardige boekjes met gekleurde plaatjes van Blüchner: "Practische Pilzkunde", 2 dln. (Miniatur Bibliothek) en de Engelsche photo-boekjes: "Toadstools at Home," 2 dln. (Goswan's Nature Books) (35 cts.), zeer aan te bevelen.
REGISTER OP HET ALGEMEENE GEDEELTE.
A
Aardappel-bovist, 89
Aardappelziekte, 10, 11
Aardsterren-heksenkring, 41
Aardtong, 52
Aecidium, 20, 22
Afvalsplanten, 4
Agaricaceeën, 57
Akkerchampignon, (zie Psalliota arvensis), 95
Albugo candida, 11
Amanita caesarea, 92
Amaníta citrína, 84, 85, 87
Amanita mappa, 87
Amanita muscaria, 60, 61, 84, 87
Amanita pantherina, 84, 87
Amanita phalloïdes, 62, 84, 85, 110, 114
Amanita rubescens, 129
Anemonen, zwammen op, 39
Apotheciën, 15
Armillária méllea, 25, 57
Armillária múcida, 128
Asch-analysen, 104
Aschgehalte, 104
Ascomycetes, 50
Ascus, 13, 14, 50, 51
Ascusvruchtlichaam, 14
Atkinson, G. F. Mushrooms, 101
Azijn, afkoken in, 114
B
Bacteriën, 5, 9, 47
Bakken, 113
Basidiën, 51
Bekerzwammen, 52
Berberis, 21
Berkenzwam, 24, 66
Beurs, 62
Biefstukzwam, zie Fistulina, 105, 113
Biergist, 49
Bladgroen, 2
Bladgroen, planten met en zonder, 2
Blanc naturel, 136
Blanc vierge, 136
Blauw-aanloopen (van boleten), 97
Blauwzuur, 90
Boleten, 30, 67, 111, 118, 120
Boletus edulis, 97, 129
Boletus edulis, lecithine-gehalte, 105
Boletus felleus, 97
Boletus granulatus, 97
Boletus luteus, 33, 97
Boletus Satanas, 84, 89
Boomgaardzwam, 24 Boommoordenaars, 25
Boomparasieten, 23
Boomzwammen, 23
Boomzwammen, watergehalte, 104
Boschgeur, 44
Boter, conserveeren in, 121
Bourquelot, 106
Brandzwammen, 18, 50
Broed--leggen, 137
Brood, vergelijking met paddenstoelen, 107
Buikzwammen, 54
Buisjeszwammen, 66
Buller, 46, 66
Bulier, A. H. Reginald, Researches on Fungi, 68
C
Cantharellus aurantiacus, 96
Cantharellus cibárius, 54, 57, 94, 96, 113, 118, 119
Celdraden, 12
Champignons, 94, 117, 118
Champignonbroed, 39
Champignoncultuur in Frankrijk, 124
Champignons kweeken, 134
Champignon-mug, in kulturen, 138
Cèpe, 97
Chloor, 105
Chlorophyll, 2
Cholerabacillen, 9
Citroensap (in het afwaschwater), 112
Clavaria, 118
Claviceps purpurea, 17, 52
Clitocybe flaccida, 100
Clitocybe nebularis, 99
Collybia dryophila, 53
Collybia tuberosa, 39
Collybia velutipes, 100, 109, 111, 122, 123, 131
Conidiën, 52
Conserveeren op vloeistof, 82
Conserveeren voor consumptie, 120
Contrôle, 101
Contrôle op paddenstoelen-markten, 93
Coprinus atramentarius, 100
Coprinus comatus, 64, 65, 100, 111, 118, 130
Coprinus comatus, watergehalte, 104
Cordiceps militaris, 7
Cortina, 34, 63
Cortinarius, 63, 106
Cortinarius elatior, 34
Costantin, M. J. Atlas, 101
Cystiden, 54
D
De Bary, 21