Het paddenstoelenboekje

Part 15

Chapter 153,422 wordsPublic domain

No. 193. Lepióta procéra. Parasolzwam. (Pl. 2, fig. II en fig. 85).

H. tot 30 cM. breed, roomkleurig, met dikke, bruine schubben bedekt. Plaatjes breed en crême, vrij. Steel tot 40 cM. hoog, in een knol uitloopend, met bruine schubjes en dikken, verschuifbaren ring. Voorzomer-herfst. a. e.

No. 194. Lepióta rhacódes. Knol-parasolzwam. (fig. 86).

Veel gelijkende op de vorige soort; daarvan onderscheiden door: schubben op den hoed donkerder, dikker en platter; hoed kleiner; steel korter en dikker, niet getijgerd; knol dikker; ring niet zoo gemakkelijk verschuifbaar; alle deelen bij verwonding roodwordend. Voorzomer-herfst. vr. a. e.

No. 195. Lepióta clypeolária. Kleine parasolzwam.

H. 4-7 cM. breed; wit zijdeachtig, met lichtbruine schubjes bedekt; plaatjes wit. Steel 5-8 cM. hoog, onderaan verdikt, met kleine, vlokkige, bruine schubjes, ring teer, vergankelijk. Reuk soms scherp. Zomer-herfst. vr. a.

No. 196. Lepióta granulósa (amianthina). Geel-okerzwammetje.

H. 3-5 cM. breed, okerkleurig, met zemelige schubjes, welke ook den hoedrand als met een franje omgeven. Plaatjes wit-lichtgeel, dicht, aangehecht. Steel dun tot 6 cM. hoog, vlokkig-schubbig; ring teer, vergankelijk. Zomer-herfst. a.

[Tricholóma. (Zie tabel blz. 180).]

Tr. sulfúreum, geel (sterken reuk). Tr. equéstre, geel. Tr. columbétta, wit. Tr. núdum, paars. Tr. sórdidum, bruinachtig paars. Tr. térreum, muisgrijs. Tr. melaléúcum, grijs-grauw-zwartachtig. Tr. gambósum (Georgii), wit of geelachtig (voorjaar).

[Clitócybe. (Zie tabel blz. 184).]

Cl. fláccida, roodbruin. Cl. infundibulifórmis, ledergeel. Cl. suavéolens, beige (anijsgeur). Cl. dealbáta, wit of grijsachtig. Cl. clávipes, h. bruin, st. knotsvormig. Cl. nebuláris, grijs of bruinachtig. Cl. odóra, groen of grijsgroen (anijsgeur).

[Laccária.]

No. 197. Laccária laccáta. Gewone fopzwam (fig. 87 en 28).

Deze zeer algemeene p. wisselt sterk, zoowel in vorm als in kleur. De soort is geheel bruinachtig, roodbruin of rose, de variëteit (No. 198. Laccária laccáta var. amethystina, Roodekoolzwam) geheel fraai paars violet.

Aan de grove, weinig talrijke plaatjes, aan het zemelige, fijnschubbige oppervlak van den h. en aan het waterige vleesch is ze te herkennen. Ook heeft ze meestal een eigenaardigen, onaangenamen reuk. H. 3-6 cM., dunvleezig, eerst gewelfd, dan vlak, vaak in 't midden verdiept en met gegolfden of onregelmatig verbogen rand. Pl. dik, wijd uiteen, slechts met een tandje afloopend, later wit bestoven. St. 3-8 cM. hoog, rolrond, vaak verbogen, vezelig. Zomer-winter a. a. e.

[Collýbia.]

No. 199. Collýbia butyrácea. Boter-collybia (Pl. 3, fig. 6).

H. zeer verschillend van kleur, meest grauw-loodkleurig met geel in 't midden, ook donker of roodbruin of okerkleurig, meest vettig aanvoelend en week-vleezig, 4-8 cM. breed, eerst bol en bultig, dan uitgespreid; pl. wit, talrijk, bijna vrij. Karakteristiek is vooral de st. die bovenaan afgeplat, van onderen verdikt en donzig en spoedig hol is, 5-10 cM. hoog, kleur als van h., gestreept. Op rottende bladeren, meestal in groepjes. Najaar-winter. a. e.

No. 200. Collýbia dryóphila. Eiken-collybia.

H. zeer verschillend van kleur, geel of roodachtig, in 't midden donkerder, ook witachtig, aardkleurig, zwart- of kastanjebruin, dunvleezig, vlak, in 't midden ingedrukt, 2-6 cM. breed; plaatjes witachtig, talrijk, smal, bijna vrij, soms iets afloopend. St. pijpachtig, glad, kleur als van hoed. Tusschen bladeren en mos eenzaam of in groepen. Zomer-winter. a.

No. 201. Collýbia platyphýlla. Breedplaat-collybia.

H. bruin, aschgrauw, later witachtig en scheurend, eerst bol dan vlak, vezelig gestreept, waterig, 8-11 cM. breed; kenmerkend zijn de breede, fraai witte, wijd uiteenstaande plaatjes. St. 8-13 cM., gestreept, wit of geelachtig, van boven smal, aan den voet met witte strengen wortelend. In de nabijheid van boomstronken. Zomer-herfst. vr. a.

Collýbia radicáta. H. bruin-grauw. No. 117.

[Mycéna.]

No. 202. Mycéna epipterýgia. Grasmycena.

H. verschillend van kleur, meest grijs-geelachtig, 1-3 cM. breed, aanv. klokvormig, dan uitgespreid, gestreept, met een gemakkelijk af te scheiden kleverig huidje. Kenmerkend is de 8-11 cM. hooge, kleverige, gele steel. Tusschen mos op dorre bladeren en in 't gras. Zomer-winter. a.

No. 203. Mycéna galópoda. Melksteel.

H. aschgrauw of zwart, in 't midden bruinachtig met gestreepten rand, 1-3 cM., altijd klokvormig, vliezig. Kenmerkend is, dat de 6-8 cM. hooge, bruine steel bij 't doorbreken een wit melksap laat uitvloeien. Tusschen mos. Zomer-herfst. a.

No. 204. Mycéna púra. Rose mycena.

H. meest zuiver rose (zelden lichtpaars, witachtig, grijs of geel), eerst klokvormig dan uitgespreid, met gestreepten rand, 2-5 cM., vleeziger dan de vorige soorten. Plaatjes wit of rose, breed. St. 4-11 cM. hoog, bleeker van kleur dan de h., naar boven versmald. Herfst. vr. a. v.

[Omphália.]

No. 205. Omphália fíbula. Teere omphalia. (Pl. 3, fig. 8).

H. kaneelkleurig, parasolachtig, met in 't midden een kuiltje, 1 cM. breed met gestreepten rand en dun huidje; waterig. Plaatjes geel of wit, lang afloopend. St. dun, kleur als h. 3-4 cM. hoog. Tusschen 't mos, 't geheele jaar door. a.

[Hygrophorus. (zie tab. blz. 180).]

H. limacínus, bruingeel, slijmerig. H. ebúrneus, wit, kleverig.

[Lactárius. (zie tabel blz. 191).]

L. deliciósus, oranjegeel met gordels, L. torminósus, licht of oranjerood, rand dicht behaard. L. theiógalus, geelachtig rose met gordels. L. viétus, grauwgroen met rozeroode tint. L. blénnius, grauwgroen. L. túrpis, donkerbruin, zwartachtig. L. piperátus, wit. L. velléreus, wit. L. rúfus, kaneelbruin. L. aurantíacus, oranje. L. glyciósmus, grijsachtig-rood. L. subdúlcis, roodbruin.

[Rússula. (zie tab. blz. 196).]

R. nígricans, eerst vuilwit bruinachtig, dan zwart. R. délica, wit of geelachtig. R. lépida, rood of paars. R. rúbra, vuurrood (smaak scherp). R. fóétens, geel-bruin (scherpen reuk). R. cyanoxántha, grijs met blauw of violet. R. heterophýlla, groen. R. emética, rood, paars of bruin, steel bont (smaak scherp). R. pectináta, bruinachtig; hoedrand sterk gestreept. R. ochroléúca, geel (smaak scherp). R. frágilis, roodachtig of wit, bros (smaak scherp). R. íntegra, rood of bruin. R. alutácea, donker purperrood. R. ochrácea, rood of violet. R. depállens, vuil-roodbruin of roodachtig. R. furcáta, groen of geel-groen (smaak scherp). R. citrína, citroengeel.

[Cantharellus]

No. 206. C. cibárius. Dooierzwam, hanekam (Pfefferling) (fig. 19).

H. leder-, dooier- of bleek-geel, vleezig, glad, eerst bol dan trechtervormig met gelobden rand, 3-8 cM. breed, plaatjes wijd uiteen, dik, meest lichter van kleur dan de h., ± netvormig. St. vleezig, onderaan dunner. Reuk naar abrikozen. Juni-herfst. a. e.

No. 207. C. aurantíacus. Valsche dooierzwam.

Deze paddenstoel, die meestal tusschen de vorige soort doch ook afzonderlijk in groepjes groeit, gelijkt oogenschijnlijk veel op de vorige, doch heeft inderdaad zeer kenmerkende verschillen. De h. is nooit vleezig, doch altijd zeemleerachtig, slap; de plaatjes staan dicht bijéén en zijn altijd donkerder gekleurd dan de hoed en vliezig. De h. is zelden gelobd, meer regelmatiger dan C. cib. Hij verschijnt later dan C. cib., van af Aug. en gold altijd voor giftig, wat niet 't geval is. Neemt men als regel aan om bij 't inzamelen van cantharellen, de slappe exemplaren te laten staan, dan kan men ze steeds met gerustheid toebereiden en eten.

No. 208. C. infundibulifórmis. Trechtertje (fig. 88).

H. bruinachtig, grauw-geel, verbleekend, 2 1/2-6 cM. breed, trechtervormig met middenin een ronde opening, waardoor men tot onderaan in den hollen steel kan zien. Plaatjes dik, wijd uiteen, geel of grauw, berijpt. St. kleur als van de plaatjes, tot 8 cM. hoog. Herfst. n. a.

[Nýctalis.]

N. asteróphora (zie Russ. nigr. No. 68).

[Marásmius.]

Groote soorten. (Plaat 4, fig. 13).

No. 209. M. cónfluens. (Collybia confl.). Ringsteel.

H. bij vocht rose of roodachtig beige met gestreepten rand, bij droogte geheel verbleekend, slap, meestal bolvormig, 1-4 cM. breed. Plaatjes zeer dicht bijeen (collybiaachtig), wit of licht rose. St. rosachtig, dicht witharig, pijpachtig, vaak afgeplat, 7-12 cM. hoog. Kenmerkend voor deze soort is dat zij in dichte bosjes van verscheidene exemplaren bijéén op rottende bladeren groeit, vaak in fraaie heksenkringen. Zomer-herfst. a.

No. 210. M. úrens. Scherpe marasmius.

H. bruin-rossig, bij droogte verbleekend, 3-6 cM. breed, eerst glad, dan gerimpeld of gevoord, eenigszins glanzend; eerst bol, dan uitgespreid. Plaatjes lang niet zoo dicht opéén als bij de vorige soort, toch vrij talrijk, eerst crême dan bruinachtig, smal aangegroeid. St. wit bestoven, 10-14 cM. hoog, van onderen wollig, wit of rossig. Kenmerkend voor deze soort is de branderige smaak van het vleesch. Zomer-herfst, ook in groepjes doch niet in dichte bosjes groeiend. a. v.

No. 211. M. oréades. Weide-kringzwam (fig. 89 en 25).

H. jong en bij vochtig weer bruin-rood, kegelvormig, vleezig, vochtig; later verdrogend, ledergeel, uitgespreid, eenigszins bultig met gestreepten rand. 1-6 cM. breed. Plaatjes wijd uiteen, vrij, witachtig. Geur aangenaam kruiig, vooral bij 't drogen. St. taai, geelachtig, 5-8 cM. hoog. Voorjaar-herfst. a. a. e.

N.B. Deze zoo algemeen voorkomende soort, de bekende Suppenpilz der Duitschers, levert een zeer smakelijk gerecht op. Daar zij geen op haar gelijkende giftige tegenhangster heeft, is het verzamelen en eten van deze soort een ieder zeer aan te raden; vooral van weilanden, parken en grasvelden waar zij veel groeit en waar de soort, waarmede ze nog verward kon worden, n.l. M. urens niet voorkomt. Deze heeft echter dicht bijeenstaande, rossige plaatjes. M. oreades heeft ze wijd uitéén en wit en haar steel is veel korter en niet vlokkig. Daar M. oréades en blauwzuur bevat, mag deze soort nooit ongekookt gegeten worden; bij koken verdwijnt 't blauwzuur.

Kleine soorten.

No. 212. M. rótula. Wieltjes-marasmius.

H. wit met donker putje, 2-10 mM. breed, vliezig, eerst parasolvormig dan plat, geplooid gevoord. Kenmerkend voor deze soort is de hoornachtige, zwarte steel, waarbij de witte wijd uiteenstaande plaatjes aan eenen den steel omgevenden ring verbonden zijn. Op plantenafval, stengels, takjes, enz. Voorjaar-herfst. a.

No. 213. M. scorodónius. Knoflook-marasmius.

Reuk sterk naar knoflook. H. rossig, later verbleekend, dunvleezig, 1-2 cM. breed, eerst glad, dan rimpelig, gestreept met ingeschrompelden rand. Pl. witachtig, gekroesd, wijd uiteen. St. hoornachtig bruin of zwartachtig. 2-4 cM. hoog. Groeiplaats als vorige; wordt gebruikt als kruiderij. Herfst. a. e.

No. 214. M. androsáceus. Dennennaald-marasmius.

Gelijkt op de vorige soort, echter zonder knoflookreuk. H. kleiner, 3-12 mM. en lichter. Pl. niet gekroesd. St. altijd zwart, glanzend. Groeiplaats als vorige, ook veel op dennennaalden. Voorjaar-herfst. a.

Rhodosporeën. Rosesporigen.

[Clytopílus.]

No. 215. Cl. orcélla. Echte mousseron. (Plaat 4, fig. 18).

H. zuiver-wit of grauw-wit, glanzend (als wit glacé-leer); eerst bol, in 't midden ingedrukt, dan uitgespreid trechtervormig met gegolfden rand, 6-8 cM. breed, vleezig, bij vochtig weer iets kleverig. Het vleesch riekt naar versch meel. Pl. eerst wit, dan bleek-vleeschrood, lang afloopend, dicht bijeen. St. wit, dik, vaak wollig aan den voet. 2-6 cM. hoog. In groepjes. Zomer-herfst in 't Z. en O. vr. a. e.

Nolánea páscua; grijs, glanzend. No. 260.

Ochrosporeën. Bruinsporigen.

[Inócybe.]

No. 216. I. rimósa. Spleet-vezelkop.

H. vuil-bruingeel, pluis- of vezelachtig, eerst kegelvormig, dan uitgespreid en in fijne radiale, geelwitte spleten opengebarsten, dunvleezig, 2-6 cM. breed. Pl. eerst kleikleurig dan roestbruin, dicht bijeen, bochtig, vrij. St. witachtig of ± zooals de hoed, bovenaan meelachtig bestoven, onderaan knolvormig, 2-6 cM. hoog. Scherpen reuk. Zomer-herfst. a. v.

No. 217. I. geophýlla. Lila vezelkop.

H. jong wit of violet (later geelbruin), satijnachtig glanzend (vezelig zijdeharig), eerst kegelvormig dan vlak, puntig gebuld. Pl. talrijk, breed, eerst wit dan vuil en aardkleurig. St. wit, meest gekromd, 6 cM. hoog, fijn schubbig en bestoven, met vezelige cortina. In groepjes. Najaar. vr. a.

[Hebelóma.]

No. 218. H. crustulinifórme. Radijszwam.

H. steenrood of isabelkleurig, in 't midden gestippeld met dikwijls witten, meest naar boven omgekrulden gelobden rand, vleezig, vochtig, soms kleverig, 3-8 cM. breed. Pl. aangehecht, talrijk, dun, bleek-kaneelkleurig, droog gevlekt, bij vocht met aanhangende druppeltjes. St. iets knollig schubbig, vuil-wit, 3-8 cM. hoog. De p. riekt eenigszins naar radijs. (Vindt men een paddenst., beantwoordend aan deze beschrijving, doch eenigszins kleverig en sterk naar radijs riekend, dan heeft men waarschijnlijk met H. sinapízans te doen.)

[Galéra.]

No. 219. G. hýpnorum. Mos-galera. (Pl. 4, fig. 21).

H. okerkleurig of roestbruin-oranjeachtig, klokvormig, gestreept, hygrophaan, 6-14 mM. breed. Pl. roestkleurig, wijd uiteen. St. kleur als h., dun, 2-3 cM. hoog. Tusschen mos, het geheele jaar door. a.

[Tubária.]

T. furfurácea; kaneelkleurig. No. 135.

[Paxíllus.]

No. 220. P. involútus. Krulzoom (fig. 91 en 92).

Kenmerkend voor dezen paddenstoel is ten eerste: de sterk ingerolde rand, maar ook de afloopende pl., die gemakkelijk met den nagel van het hoedvleesch af te scheiden zijn, terwijl het geelachtig witte vleesch daarbij niet beschadigd wordt. H. vuil bruin, soms geelachtig, roestkleurig, viltig, eerst bolvlak met ingerolden rand, dan uitgespreid, ingedrukt of trechtervormig, tot 12 cM. breed. Pl. eerst geelachtig bij druk bruin wordend, later kaneelkl., dicht bijéén. St. kleur als hoed, viltig, tot 8 cM. hoog, soms excentrisch. Eenzaam of in kleine groepjes bijéén. Zomer-najaar. a. a. e.

[Cortinárius. (Zie tabel blz. 204).]

C. collinítus; geelbruin, slijmerig, st. geschubd. C. mucósus; geel roodbruin, slijmerig. C. elátior; bruin-violet. stengel met paarsen kring. C. albo-violáceus; lila, zijdeachtig. C. armillátus; rood-bruin, st. met roode kringen. C. hinnúleus; bruin met witten rand. C. cinnabarínus; rood-bruin, pl. bloedrood. C. cinnamómeus; kaneelbruin, pl. kaneelkleurig.

Melanosporeën. Zwartsporigen.

[Psallióta.]

No. 221. Ps. sylvática. Bosch-kampernoelje.

H. grijs of vuilwit, bruin wordend, met bruinachtige vlokkige schubben, dunvleezig, bros, eerst klokv., dan plat, dikwijls gescheurd, 6-8 cM. breed. Pl. smal, eerst roodachtig dan dofbruin. St. hol, aan den voet gezwollen, witachtig, vezelig onder den dikken afstaanden ring, 7-12 cM. hoog. Kenmerkend zijn de schubben op den h. en het dunne, zwak-rood wordende vleesch. Voorzomer-winter. vr. a. e.

[Strophária.]

No. 222. Str. aeruginósa. Kopergroenzwam.

H. blauw-groen, met dikke, verdwijnende slijmlaag bedekt, daaronder geelachtig; aan den rand met vlokkige overblijfselen van den ring; eerst kegelv. dan bol-vlak, bultig, 5-12 cM. breed. Pl. eerst bleek dan bruin-purper. St. blauwachtig, onder den ring vezelig-schubbig, meest gekromd, 3-7 cM. hoog. Eenzaam of in groepjes, meest op bladeren soms op hout groeiend. Zomer-winter. a.

[Hypholóma.]

No. 223. H. Candolleánum. Witte hypholoma.

H. bij droogte vuilwit, in 't midden geelachtig, bij vocht okerkleurig; eerst bol dan klokvormig uitgespreid, dikwijls bultig, 5-10 cM. breed. Pl. eerst violetachtig, dan kaneelbruin. St. wit, 5-8 cM. hoog, pijpachtig, vezelig. Meest in troepjes bijeen. Voorjaar-zomer. vr. a.

[Psatýra.]

No. 224. Ps. corrúgis. Gerimpelde psatyra.

H. witachtig, met rose vermengd of rood-bruinachtig, bij droogte verbleekend, teêr, bijna vliezig, gestreept, rimpelig, klokvormig bultig, tot 4 cM. breed. Pl. aangehecht, violet-zwartachtig. Eenzaam of in groepjes. Najaar. a.

[Coprínus.]

C. comátus; h. wit, schubbig. No. 266. C. atramentárius, h. grijs-wit, kaal. No. 267. C. micáceus, geel-bruin. No. 142.

[Panáéolus.]

P. campanulátus; grijs-bruin, kleverig. No. 270.

[Gomphídius.]

G. glutinósus; bruin-roodkl. of grijs-roodachtig. No. 245. G. róseus; rozerood, slijmerig. No. 246. G. víscidus; bruinrood, slijmerig. No. 244.

Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen.

[Bolétus. (zie tabel blz. 207).]

B. bádius. B. subtomentósus. B. cálopus. B. edúlis. B. lúridus. B. rúfus. B. scáber. B. félleus. B. cyanéscens.

Hýdnaceën. Stekelzwammen.

[Hýdnum.]

H. repándum. Geel of witachtig. No. 248. H. melaléúcum. Zwart met witten rand, fluweelig. No. 250.

Teléphoraceën. Korstzwammen.

[Teléphora.]

No. 225. T. terréstris. Franjezwam. (Pl. 2, fig. XIII a).

H. fluweelachtig, donkerbruin of roestkleurig met vezeligen, franjeachtigen, eerst witten later zwarten rand, zittend en dakpansgewijs groeiend; onderkant aschgrauw, rimpelig-wrattig. Op den grond en op boomstammen; het geheele jaar. vr. a.

Claváriaceën. Koraalzwammen.

[Clavária.]

No. 226. Cl. cristáta. Witte koraalzwam.

Takken eerst zuiver wit, later vuilwit, 3-7 cM. hoog; taai, glad, rijk vertakt; takken bovenaan verbreed en in dunne kammen met puntige tanden verdeeld. Zodevormend. Najaar. vr. a.

No. 227. Cl. botrýtis. Bloemkoolzwam (fig. 93).

Paddenstoel tot 10 cM. hoog en tot 14 cM. breed, met korten, dikken stam, wit, geelachtig of licht rose, zeer vleezig, naar boven verdeeld in korte, stompe, rose takjes. Najaar. vr. a. e.

No. 228. Cl. cinérea. Grijze koraalzwam.

Paddenstoel licht of donkergrijs, tot 7 cM. hoog, dicht en onregelmatig vertakt; stronk kort, weinig vleezig, takjes rimpelig. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 229. Cl. amethýstina. Paarse koraalzwam.

Paddenstoel violet, later bruin en zwartachtig, 5 cM. hoog, zeer bros, glad, kaal, sterkt vertakt. Zomer-herfst, niet a.

No. 230. Cl. formósa. Goud-gele koraalzwam (fig. 94).

Paddenstoel goud- of oranjegeel (bij ouder worden grijs), meestal zeer groot, tot 1/4 M. in omtrek wordend en tot 400 gram wegend; struik lichter van kleur dan de takken. Najaar. vr. a. e.

Cl. strícta, vuil-geel, No. 188.

Calócera viscósa; oranje, kleverig. No. 189.

Phalloideën. Stinkzwammen.

[Phállus.]

No. 231. Ph. (Ithyphallus) impudícus. Groote stinkzwam (fig. 95-98).

Deze paddenst. begint onder of even boven den grond als een wit ei ter grootte van een kippen- of eendenei ("duivels-, heksenei"); snijdt men dit door dan vindt men daar den p. al kant en klaar in, wat den later zeer snellen groei verklaart. Het ei barst open en soms reeds in enkele uren groeit dan bij vochtig weer de poreuze, witte of geelachtige 10-25 cM. hooge steel met h. uit. Het ei blijft den voet als met een zak omgeven en aan den top hangt een met stinkend, groen sporenslijm bedekt, vingerhoedvormig hoedje, dat, als het slijm er is afgedropen, als een mazig, vuilwit kapje zitten blijft. Aasvliegen schijnen tot het sporenslijm aangelokt te worden en verspreiden zóó de sporen. Juni-winter. a. jong e.

No. 232. Ph. (Mutínus) canínus. Kleine stinkzwam. (fig. 98).

Ontwikkeling en vorm als bij de vorige soort, doch veel kleiner; ei ter groote van een duivenei of kleiner. St. 8-15 cM. hoog, h. over zijn geheele oppervlakte met den top van den st. vergroeid, eerst rood, dan olijfgroen, veel minder stinkend. Zomer-herfst. vr. a.

Nídulariaceën. Nestzwammen.

[Cyáthus.]

No. 233 en 234. C. striátus en ólla. Bekertjeszwam (Plaat 2, fig. 15).

P. in den vorm van een bekertje, dat eerst gesloten is door een dun wit vliesje; daarna geopend, vertoont zij vele ronde, platte schijfjes, zgn. peridiolen, die aan elkaar door draadjes verbonden zijn en waarin zich de bruine sporen bevinden. C. striatus is 1-2 cM. hoog, van buiten bruin, stijfharig, van binnen loodgrijs, gestreept; de schijfjes zijn wit. C. olla is van dezelfde grootte, van buiten bruinachtig grijs, viltig met gegolfden rand, van binnen loodgrijs of bruinachtig, niet gestreept; de schijfjes zijn bruin. Beide soorten groeien op aarde, op rottende plantendeelen, hout enz. Najaar. vr. a.

Lycopérdaceën. Stuifzwammen.

[Lycopérdon.]

No. 235. L. excípulifórme. Hooge stuifzwam (fig. 99).

P. met duidelijken in den h. overgaanden steel. H. en st. bleek, bruinachtig of loodkleurig, eerst met wratten of bestoven, spoedig kaal, 10-20 cM. hoog. Opening eerst klein rond, dan onregelmatig, groot. Najaar. vr. a.

No. 236. L. gemmátum. Paarlstuifzwam (fig. 100).

P. gesteeld, 3-10 cM. hoog; jong wit of geelachtig, dicht met spitse wratjes bezet, later okerkleurig of vuilbruin. St. gedeelte dunner dan hoed, sporen olijfkleurig, bruin. In troepjes. Zomer-winter a. a.; e., doch niet smakelijk.

No. 237. L. echinátum. Stekelige stuifzwam.

Als vorige, doch met grooter, spitse stekels en donkerbruine sporen; bruin en kleiner van stuk.

No. 238. L. pyrifórme. Peervormige stuifzwam.

P. gesteeld, duidelijk peervormig, grijs of geelbruin, later kastanjebruin, bijna kaal, met weinige vergankelijke schubbetjes, 2-7 cM. hoog; de st. zit met lange, wortelvormige draden in den grond vast. In troepjes meestal bij de wortels van boomen. Najaar. vr. a.

No. 239. L. furfuráceum. Melige stuifzwam.

P. ongesteeld, rond of een weinig ingedrukt, 2-5 cM. hoog, met kleine, ronde opening; papierachtig, grijswit of grijsbruin, later groenbruin, nooit met wratten, slechts met meelachtige schubbetjes. In groepjes. Najaar. a.

[Bovísta.]

B. nigréscens, klein, wit. No. 273.

[Geáster.]

G. tríplex. No. 255. G. fimbriátus. No. 256.

[Sclerodérma.]

No. 240. S. vulgáre. Aardappelbovist (fig. 101 en 102).

Paddenstoel ongesteeld, zittend, wortelend, rond, meest onregelmatig gevormd, tot 11 cM. breed; eerst hard vleezig-kurkachtig, later lederachtig, bleekgeel of witachtig, soms bruin- of roodachtig-geel, in vakjes gespleten, schubbig, met donkere wratjes; onregelmatig openscheurend, sporenmassa blauw-zwart. In troepjes. Zomer-najaar. a. a. g.

N.B. Uit deze zwam ziet men soms een klein boleetje groeien: Bol. parasiticus (fig. 101).

Hýmenogastraceën. Schijntruffels.

[Rhizopógon.]

No. 241. Rh. lutéolus. Valsche truffel. (fig. 102).

Eerst onder den grond, witachtig; bij rijpheid boven den grond komend, geelachtig-bruin, lederachtig met wortelachtige draden omsponnen, tot 4 cM. groot, onregelmatig gevormd; later olijfgroen vervloeiend, stinkend; de sporenmassa (gleba) in kamertjes verdeeld. Najaar. vr. a.

Ascomyceten. Zakjeszwammen.

Pezízaceën. Bekerzwammen.

[Pezíza.]

P. bádia, bruin. No. 5. P. fusíspora, rood, klein. No. 2.

Helvéllaceën. Helvellaächtigen.

[Helvélla.]

H. críspa, wit. No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs. No. 11.

[Morchélla.]

M. esculénta, bruin, st. witachtig. No. 12.

[Geoglóssum.]

G. glábrum, zwart. No. 14.

[Leótia.]

L. lúbrica, geel-groen, kleverig. No. 15.

Pyrenomyceten. Kernzwammen.

[Córdiceps. ]

C. militáris, op doode rups of cocon; oranje. No. 18.

SOORTEN VOORKOMENDE IN NAALDBOSSCHEN.

Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.

Agáricaceën. Plaatzwammen.

Leúcosporeën. Witsporigen.

[Amaníta. (zie tabel blz. 175).]

A. phallóídes, groen. A. citrína, lichtgeel of wit. A. muscária, rood. A. rubéscens, vleeschkleurig of roodbruin. A. junquíllea, helder geel.

[Lepióta.]

L. rhacódes, roomkleurig met donkerbruine schubben. No. 194. L. clypeolária, wit, glanzend met bruine schubjes. No. 195. L. granulósa, geel-bruin met gele vlokjes. No. 196.

[Armillária.]

A. méllea, in bossen op dennenstronken, h. honingbruin, schubbig, meelig, bestoven. No. 113.

[Tricholóma. (zie tabel blz. 180).]

T. núdum, paars, steel met ring. T. equéstre, geel. T. sulphúreum, geel (sterken reuk). T. térreum, grijs of aardkleurig met zwarte schubjes. T. rútilans, op en bij dennenstronken, paars-rood (zie No. 114). T. lúridum, groengeel. T. saponáceum, geschubde steel. T. portentósum, gelige steel.

[Clitócybe. (zie tabel blz. 184).]