Part 14
1. Vleezige gesteelde aardpaddenstoelen, waarbij de buisjeslaag zich gemakkelijk van het vruchtvleesch laat afscheiden: Bolétus. Zie tabel blz. 207 (Plaat 2 fig. IX). Hout- of boomzwammen of anders gevormde aardpaddenstoelen 2
2. Weeke, sappige, roode of roodbruine boomzwammen: Fistulína. No. 170 (fig. 79). Niet tegelijk week-sappig en rood 3
3. Aan de onderzijde doolhofachtige gangen of plaatjes (zie fig. 80) 4 Geen plaatjes of doolhofachtige gangen (of indien er iets van dien aard te zien is, dan zéér veel fijner dan de figuur vertoont); gaatjes of netvorm. plooien 5
4. Doolhofachtige gangen (fig. 80), zwam dik-kurkachtig: Daedálea quercína. No. 176 (fig. 80). Plaatjes, (soms hier en daar overgaande in gaatjes). Zie Lenzítes. (blz. 234).
5. Geen echte gaatjes, maar plooien en netvormige aderen: Merúlius. No. 171-173 Echte gaatjes, grof of fijn, soms alleen met een loupe of op doorsnede zichtbaar (bv. bij Fomes) 6
6. Taai-kurkachtige tot hard-houtige zwammen, waarbij de buisjes gewoonlijk in meerdere lagen boven elkaar geplaatst zijn: Fómes. Zie tabel blz. 248. (Plaat 2 fig. X b en fig. 74-79). (N.B. Dit kenmerk is alleen op breuk of doorsnede te zien.) Harde, niet te snijden zwammen, die zich slechts met groote moeite zouden laten breken of doorzagen, zoeke men onder Fomes. Buisjes slechts in één laag, vliezige, vleezige, leder- of kurkachtige zwammen; (sommige wel later verhardend, maar niet hard-houtig) 7
7. Op doorsnede is de buisjes-laag niet door een scherp lijntje van het vleesch gescheiden (fig. 81); het vleesch is wit, kurkachtig tot zacht houtig: Tramétes. No. 174 en 175. Wel een scherp lijntje tusschen buizen-laag en vleesch: Polýporus. Zie tabel blz. 237. (Pl. 2 fig. Xa en fig. 69-73).
TABEL TOT HET BEPALEN DER POLÝPORUS-SOORTEN.
1. Een vrijwel rond hoedje op een middenst. of wat excentrisch steeltje: 2 Andere vorm, geen of zijdelingsche steel: 3
2. Op den grond (zandgrond) groeiend: Pol. perénnis. No. 145. Op takken of stammen groeiend: Pol. brumális. No. 146.
3. Poriën fraai paars (bij oude exemplaren bruin-paars). Pol. abietínus. No. 159. Poriën hier en daar mooi oranje: Pol. auréolus. (amórphus). No. 158. Poriën zwavelgeel, hoed geel, oranje of bruinachtig. Pol. sulphúreus. No. 150. Poriën fraai zilver-grijs: Pol. adústus. No. 156. Poriën anders gekleurd, wit, bleek-geel, groenig of bruinachtig: 4
4. Vleesch ìn-bruin, rood-of geelbruin: 5 Vleesch wit of bleek geel-grijs of bruinachtig. 7
5. H. meest kleiner dan 6 cM., meerdere bijeen, gewoonlijk boven elkaar geplaatst, bruin, met stralig geplaatste rimpels: Pol. radiátus. No. 157. H. grooter dan 6 cM., 10 tot 30 cM. en meer: 6
6. Dik consôle- tot kussenvormige hoeden aan boomstammen, aanv. geelbruin en week, later verhardend en roest-bruin, zwart wordend: Pol. híspidus. No. 153. Meestal ongeveer tol- of trechtervormig, op of bij coniferenstompen: Pol. Schweinítzii. No. 154. (Zie ook Fomes conchatus en Fomes pomaceus (vruchtboomen!))
7. H. zadelv. geelbruin, met donkere schubben: Pol. squamósus. No. 147. H. fraai met banden geteekend, meest vele bijeen op stronken, Pol. versícolor. No. 160 en 161. (Plaat 2 fig. X a en fig. 73). Niet met schubben, noch met banden: 8
8. Talrijke hoeden, gelobd en ingesneden, vormen één geheel. (Zie fig. 72). 9 Enkelv. hoeden, afzonderlijk of vele bijeen. 10
9. H. fraai lichtbruin, met korreltjes, later schubbig: Pol. gigánteus. No. 151 (fig. 70 en 71). H. grauw, of grijs-bruin, niet schubbig: Pol. frondósus. No. 152 (fig. 72). (Zie ook Pol. sulphúreus, die soms met witte poriën voorkomt.)
10. Met duidelijken steel, van onderen zwart: Pol. pícipes. No. 148. Zittend of met zeer korten steel, kussenvormig (op berk!) zie fig. 69 Pol. betulínus. No. 149. Vuil-witte of grauw bruine, ± taai vleezige zwammen, meestal vele bijeen en ± samenvloeiend. Pol. fumósus. No. 155.
No. 145. Polýporus (Polystíctus) perénnis. Tolzwammetje.
H. 2-8 cM., dun, leerachtig, rond, bruin, rand dun, scherp. Poriën eerst wit berijpt, later bruin. St. middenstandig, lichtbruin en fluweelig. Dikwijls vertoonen de hoeden fraai geteekende banden; men vindt ook veelal eenige exemplaren min of meer met elkaar vergroeid. Zandgrond. Nazomer-herfst. vr. a.
No. 146. Polýporus brumális. Winterhoutzwam.
H. 3-8 cM. ± vleezig, dan taai-leerachtig, grijs-bruin, zonder bandv. teekening, eerst behaard, later meestal eenigszins schubbig. Poriën wit, geelachtig. Steel ± O.5 cM. dik, fijn schubbig of harig. Op doode takken en stammen, vooral van eiken. Najaar-voorjaar. vr. a.
No. 147. Polýporus squamósus. Zadelzwam. (fig. 67 en fig. 68).
H. tot 40 cM., taai vleezig, geelbruin met donkere schubben. Poriën aanv. klein, later vrij groot en hoekig, wit tot lichtbruin. Steel kort, zijdelingsch of excentrisch, van onderen zwart. Loofboomen, en stronken. Voor- en najaar. a.
No. 148. Polýporus pícipes. Peksteel.
H. tot 8 cM., taai-vleezig, later hard, bruin, glad. St. sterk excentrisch, geheel zwart tot aan de afloopende poriën, deze zijn wit tot bleekbruin, klein, op stronken meest van wilgen. Najaar. vr. a.
No. 149. Polýporus betulínus. Berkenzwam. (fig. 69).
H. 6 à 20 cM., vleezig tot kurkachtig, ± rond of niervormig, zittend of met zeer korten steel aangehecht, kaal, glad, bruingrijs; vleesch zuiver wit, buisjes kort, poriën wit. Uitsluitend op berken. Het geheele jaar. vr. a.
No. 150. Polýporus sulphúreus. Zwavelzwam.
H. meestal vele tot groote complexen vergroeid, zwavelgeel met oranje. Poriën geel. Vleesch wit of geelachtig, aanv. week kaasachtig, later hard, als brosse kaakjes. Op loofboomen, soms zeer hoog; schadelijke parasiet! vr. a.
No. 151. Polýporus gigánteus. Reuzenzwam. (fig. 70 en fig. 71).
Deze vormt aan den voet van oude boomstammen groote zoden, die meer dan 1 M. breed kunnen worden, mooi lichtbruin met korreltjes en schubjes geteekend (vooral later); de bleeke poriën kleuren zich bij druk zwartig. Vooral aan den voet van beuken. Augustus-October. vr. a.
No. 152. Polýporus frondósus, "De eikhaas" (fig. 72), onderscheidt zich van de vorige door zijn meer grauwe of grijsbruine kleur; ook is hij meer ingesneden tot kleinere, meer rondachtige lappen. Aan den voet van oude boomen, vooral eiken. n. a. e.
No. 153. Polýporus híspidus. Ruige boomzwam.
H. 10-30 cM. dik, consôle- tot kussenvormig, aanv. geel-bruin en vrij week, later hard, bruin en zwart. Van boven ruig-harig. Poriën aanv. bleek groenig geel, fijn gewimperd, later bruinachtig. Aan stammen van levende boomen. Juli-winter. vr. a.
N.B. Deze zwam is éénjarig; gedurende den geheelen winter kan men de harde bruinzwarte (doode) zwammen vinden.
No. 154. Polýporus Schweinítzii. Sparrehoutzwam.
Deze zwam, uitsluitend in naaldbosschen, op of bij stompen te vinden, is aan de fraai-bruine, ruw-viltige bovenkant, en de groen-gelige (later bruine) poriën te kennen. De h., 6-25 cM., zijn ± tol- of trechtervormig, alleenstaand of eenige ± vergroeid. Herfst. In 't Z. en O. vr. a.
Polýporus fumósus en adústus.
Bijna alle vuil-witte, grijze of grauw-bruine zwammen, niet met banden geteekend, die men in groote getale bijeen, zodevormend of dakpansgewijze op stammen of stronken aantreft, behooren tot een van deze soorten.
No. 155. P. fumósus, de rookzwam, is gew. dikker, vleeziger, vertoont op doorsnede zônen in 't vleesch, heeft vuil-witte of bruinachtige poriën, die door wrijving zich donkerder kleuren. a.
No. 156. P. adústus, de grijze gaatjeszwam, is dunvleezig, zonder zônen, en heeft mooi zilvergrauwe poriën; ook zijn hier de hoedjes meest meer half-cirkelvormig en fijnviltig. Herfst-winter. a. a.
No. 157. Polýporus radiátus. Elzenzwam.
H. 4-6 cM., meest vele bijeen ± dakpansgewijs; bruin met stralige rimpels, aanv. fluweelig-glanzend. Poriën aanv. met zilverachtigen weerschijn. Vooral goed te kennen aan het geel-bruine, stralig-vezelige vleesch. Bij voorkeur op elzen, doch ook op beuken, berken, e. a. Het geheele jaar. vr. a.
No. 158. Polýporus auréolus (= amórphus). Oranje dennezwammetje.
Witte, ± vleezige, zijdeachtige zwammetjes, vele bijeen, dakpansgewijs of onregelmatig uitgespreid, met oranje of oranje-rose poriën. Op dennenstronken. Najaar. a.
No. 159. Polýporus (Polystíctus) abietínus. Paarse dennenzwam.
Vindt men op naaldhout zwammetjes met fraai paarse poriën, dan is het deze. Overigens is de vorm zeer veranderlijk en wisselt tusschen breed-uitgespreide korsten en wit-grijze, harige hoedjes, onduidelijk met banden geteekend. De poriën zijn ook onregelmatig in tandjes uiteengescheurd en kunnen door verbleeking bruin-paars tot bruin worden. Niet te verwarren met Stéreum purpúreum (geen poriën!). Zie blz. 56. Zomer-herfst. a.
No. 160. Polýporus (Polystíctus) versícolor. Veelkleurige zwam. Elfenbankjes. (fig. 73).
De meest algemeene zwam op allerlei stammen en stronken is wel deze: kenbaar aan zijn fraai met banden geteekende hoed, die zijïg-glanzend en glad is, en waarvan men er meestal vele bijeen vindt. Men vindt ze in allerlei kleuren, witachtig, bruin, blauwachtig tot zwart. De poriën zijn aanv. wit, later worden ze bruinachtig.
N.B. De eenige zwam die hiermede soms wel verward wordt is Lenzítes betulína (blz. 234), doch deze is aan de onderzijde direct te kennen.
No. 161. [Als Polýporus (Polystíctus) zonátus worden onderscheiden de vormen, die zachtfluweelig, dikker, meestal grauw bruin en onduidelijk gezôneerd zijn met dikkere, vaak witte rand; hierbij zijn de hoeden gewoon met een breede, ineenvloeiende basis vastgehecht.] Beide vormen op stronken enz. 't geheele jaar. a. a.
TABEL TOT HET BEPALEN DER FÓMES-SOORTEN.
1. Vleesch wit of licht geelachtig 2 Vleesch bruin of bruingeel 3
2. Zwam geheel wit of lichtgrijs, ook de bovenzijde van den hoed; meest op popel: Fómes connátus. No. 168. Bovenzijde bruin, op den wortel of den boomvoet, meest van coniferen: Fómes annósus. No. 167 (fig. 74-77).
3. Zwam korst- of schelpvormig met dunnen rand, poriën helder geelbruin: Fómes conchátus. No. 169 (fig. 77 en 78). Zwam knobbel-, hoef-, of consôlevormig 4
4. Zwam dik, hoef- of kussenvormig, van boven grijs, grauw tot zwart; poriën grijs berijpt of licht kaneelkleurig 5 Zwam meer afgeplat, consôlevormig, van boven bruin bruinzwart; poriën wit, bij druk bruin: Fómes applanátus. No. 165.
5. Zwamweefsel hard, houtig, donker roestbruin, naar boven geleidelijk in de zeer harde buitenlaag overgaande; deze is (vooral bij oudere exemplaren) voorzien van groeven en barsten: Fómes igniárius. No. 162-154. (Plaat 2 fig. X b). (In hoofdzaak hiermede overeenstemmend, doch met lichter goudbruin weefsel is Fomes robustus, op eik.) Zwamweefsel zachter, kurkig-zwammig, van boven begrensd door een harde buitenlaag, van onderen door de zeer lange buisjes. Hoed bruinachtig, grauw of grijs: Fómes fomentárius. No. 166.
No. 162. Fómes igniárius. Vuurzwam. (Pl. 2 fig. X b.)
Aanv. bol-knobbelvormig, licht bruin-grijs berijpt. Later beginnen zich boven- en onderzijde te onderscheiden; de zwam wordt hoefvormig, de bovenzijde bruin-grijs-zwart, zeer hard (vaak wat groenig), met concentrische groeven en barsten; de poriën zeer fijn (als speldeprikken), licht grijs tot kaneelkleurig. Het "vleesch," dat hard en roestbruin is, bestaat bijna geheel uit de lagen van buisjes. De vuurzwam, die men meest op abelen en wilgen vindt, kan soms zeer oud worden en wel ± 30 cM. breed; de groei, door dat er telkens een nieuwe laag tegen de onderzijde wordt aangezet, is er fraai aan waar te nemen. Het geheele jaar. a.
[Deze zwam is ongeschikt om tonder van te maken, maar wordt, waar ze veel voorkomt, veel als brandstof gebruikt vndr. de naam.]
Nauw verwant aan deze zijn:
No. 163. Fómes robústus, veel op eiken, met meer goudbruin vleesch en meestal geelbruinen rand en
No. 164. Fómes pomáceus, de Boomgaardzwam, veel op vruchtboomen te vinden; meestal kleiner, meer scherp gerand en vaak aangegroeide plakken vormend, met meestal wijdere poriën.
No. 165. Fómes applanátus. Platte tonderzwam.
Deze is meer afgeplat, consôlevormig; van boven bruin, meestal onregelmatig-bobbelig en rimpelig. De poriën zijn wit of geel-wit, bij druk bruin verkleurend. Op doorsnede of breuk kan men gewoonlijk het fluweelige bruine zwamweefsel en de lange buisjes goed onderscheiden. Op verschillende boomsoorten. Het geheele jaar. a.
No. 166. Fómes fomentárius, de echte Tonderzwam, die hoef- tot kussenvormig is, meestal bruinachtig grauw, van binnen zwammig-kurkachtig, met stompen rand, en poriën, die eerst grijs berijpt, later bruinachtig zijn, schijnt bij ons te lande zeldzaam te zijn.
No. 167. Fómes annósus, (Trametes radiciperda.)
Dennenmoorder (fig. 74 tot 76). Zeer veranderlijk van vorm, korstvormig of gedeeltelijk afstaand, soms vrij groote hoeden vormend, en dan meestal vele vergroeid, van boven helder bruin en rimpelig; poriën wit of licht okerkleurig. De zwam is nog 't best te kennen aan het taai-kurkachtige vleesch, op doorsnede wit of licht geelachtig en met meerdere lagen van buisjes. Op de wortels en aan den voet van boomen, vooral coniferen. Zeer schadelijk. 't Geheele jaar. (zie blz. 23). a.
No. 168. Fómes connátus. Witte populierzwam.
Geheel wit of wit-grijs, ook het vleesch wit en op doorsnede duidelijk meerdere lagen van buisjes toonend. Meestal meerdere hoedjes boven elkaar met breede basis vergroeid. (De bovenzijde is dikwijls met mos en algen begroeid.) Meest op populieren. a.
No. 169. Fómes conchátus. Bruine houtzwam (fig. 77 en fig. 78).
Zeer verschillend van vorm, van kleine aangegroeide korsten tot schelpvormige, meest dakpansgewijs geplaatste hoeden. Het best te kennen aan de poriën, die mooi-bruin zijn, ongeveer als Brusselsche aarde. Goed uitgegroeide hoeden zijn van boven zwart; voorzien van concentrische groeven. Op wilgen, populieren, enz. vr. a.
No. 170. Fistulína hepática. Biefstukzwam. (fig. 79).
Groote, vleezige, bruine- of bloedroode, sappige zwam (10 à 20 cM.); zittend of met korten steel. Vleesch week, rood met lichtere stralen; buisjes ± los van elkander; poriën roomkleurig, later rose of bruinachtig. Op eiken, in holten, aan den voet, of een weinig hooger. Zomer-herfst. vr. a.
No. 171. Merúlius córium (papyrínus). Papierzwammetje. Zeer dunvleezig, door droogte spoedig ± papierachtig, wit, bijna geheel vlak uitgespreid of, door terugbuiging van den rand, met kleine hoedjes. Deze zijn van boven wit en fijn vlokkig-viltig. De onderzijde der h. en de naar buiten gekeerde kant der aangegroeide korst is met vlakke, netvormige plooien voorzien en wit of licht oker- of vleeschkleurig. Op stronken enz. Herfst en winter. vr. a.
No. 172. Merúlius tremellósus. Weeke aderzwam. Zeer week-vleezig, meest met boven elkaar geplaatste "hoeden"; deze zijn van boven grof-viltig wit of grijs en met stralig getanden rand; de onderzijde met gekroesde aderige plooien, ± poriën vormend, wit, oranje- of roodachtig. Soms op den grond groeiend. Herfst. vr. a.
No. 173. Merúlius lácrymans. Huiszwam. Volwassen vormt de huiszwam groote, zwammig-vleezige gele of bruine lappen, meestal met witten verdikten rand en met dikke, gewonden, aderige plooien, vaak ook met uitstekende tanden. In dit stadium zweet de zwam vochtdruppels uit, vndr. "lacrymans", d. i. de weenende. Hieraan vooraf gaat echter een stadium, waarin de zwam alleen bestaat uit witte, weeke zwamvlokmassa's; opgedroogd vindt men deze wel als glanzende, grauwe vliezen op 't hout. Op oud, vochtig hout, hoofdzakelijk in slecht geventileerde ruimten, b.v. onder vloeren.
No. 174. Tramétes suavéolens. Witte anijszwam. Zittend, 5-10 cM., kurkachtig, van buiten en van binnen wit, van boven vlokkig-viltig, gaatjes vrij groot met stompen rand, wit, sterken anijsgeur. Op oude wilgen. Herfst-winter. n. a.
No. 175. Tramétes gibbósa. Witte bultzwam (fig. 81). Onderscheidt zich van de vorige vooral door 't gemis van geur en door de smallere, kort-lijnvormige poriën. Aan oude stammen en stompen. Herfst-winter. vr. a.
No. 176. Daedálea quercína. Doolhofzwam (fig. 80). Volgroeide exemplaren zijn door de doolhofachtige gangen (zie fig. 80), en door de kurkachtige, bleek-bruine substantie gekenmerkt. Zij zijn dik-kussenvormig of knollig en van boven ongelijk-bobbelig. Behalve deze vindt men vaak andere vormen: onregelmatige stroken of plakken als lichtbruine kurkaangroeisels, eerst dicht, later met gaatjes, die zich tot de typische gangen verwijden. Aan oude eiken, ook wel op eikenhout. Het geheele jaar. vr. a.
TABEL TOT HET BEPALEN DER TRILZWAMMEN-SOORTEN.
1. P. wit, melkachtig, later lichtbruin: Exídia álbida No. 181. P. geel, oranje of lichtbruin 2 P. zwart, grauw of bruinzwart 3
2. P. klein, 3-5 mM., geel tot oranje: Dacryomýces stillátus No. 180. P. grooter, 2-5 cM., geel of licht oranje, sterk geplooid: Tremélla mesentérica No. 178. P. 2-8 cM., sterk gekroesd, lichtbruin, bij opdrogen vuilbruin: Tremélla foliácea No. 179.
3. P. vrijwel rond, knoopvormig, zie Bulgária ínquinans No. 9. P. dun, schelp- of oorvormig, bruinachtig of grauw-grijs, aderig geplooid: Hirnéola Aurícula Júdae No. 177 (fig. 82). P. dik, week, gezwollen, zwart: Exídia glandulósa No. 182.
No. 177. Hirnéola Aurícula Júdae. Judas-oor (fig. 82).
3-10 cM., schelp- of oorvormig, zittend, aderig geplooid, grauw-bruin tot zwart, van buiten fijn behaard; binnenzijde meer groenig of violetgrauw (jong lichtgrijs); taai-geleiachtig, bij uitdroging hoornachtig. Meest op oude vlierstammen, vaak in groepjes. Herfst-winter. vr. a.
No. 178. Tremélla mesentérica. Gele trilzwam.
2-5 cM., week, geleiachtig, geplooid en gewonden, helder geel tot oranje, later wit berijpt, vervloeiend. Op oude palen en takken, voornamelijk van eiken. Herfst-winter vr. a.
No. 179. Tremélla foliácea. Bruine trilzwam.
2-8 cM., eveneens sterk gekroesd en gewonden, lichtbruin en doorschijnend, opgedroogd bruinzwart, door vocht sterk opzwellend. Aan stammen, takken en palen. Herfst-winter vr. a.
No. 180. Dacryomýces stillátus. Oranjedropzwam.
Bijna rond, 3-5 mM., aanv. geel; later oranje, geplooid; week-geleiachtig. Het geheele jaar door op takken, stronken, houtwerk. a. a.
No. 181. Exídia álbida. Stijfselzwam.
2-3 cM., rondachtig, vaak meerdere versmeltend, wit, melk- of glasachtig, later bruinachtig; aanv. glad, later met ondiepe groeven. Op losse, rottende takken. Herfst-voorjaar a.
No. 182. Exídia glandulósa. Zwarte trilzwam.
3-10 cM., grauw-zwart, week-gezwollen, meest met dunnen voet en naar boven verbreed, vaak bochtig geplooid. Bovenzijde eerst glad, later wrattig, onderzijde meest wat viltig. Bij 't opdrogen wordt het een dun glinsterend zwart korstje. Op half doode en losse rottende takken van eiken. Herfst-winter a.
Niet te verwarren met Bulgária ínquinans, zie No. 9.
Behalve de voorafgaande houtzwammen treft men nog een aantal andere aan. Zeer veelvuldig vooral eenige, die behooren tot het geslacht:
Stéreum. (fig. 9). Typische korstzwammen, hoofdzakelijk bestaande uit aangegroeide korsten. De naar buiten gekeerde zijde is vrijwel glad en draagt het kiemvlies. Bij sommige blijft 't hierbij; bij andere buigen de randen zich om, zoodat kleine vrije hoedjes ontstaan, waarbij nu het kiemvlies van onderen komt te liggen, terwijl de zijde van de korst, die tegen 't hout aangegroeid is tot de vrije bovenzijde van den h. wordt. (Zie fig. 9 blz. 54). Deze is meestal ± harig. Bij sommige soorten wordt het kiemvlies bloedrood als men het wrijft; dit zijn de 3 volgende:
No. 183. Stéreum sanguinoléntum. Bloedende korstzwam.
Dunne, lederachtige korsten, met wit tot lichtgrauwe bruine kiemvlieszijde (fig. o.z.); rand scherp, een weinig teruggebogen; b-zijde wit, aangedrukt, zijig. Hymeniun sterk bloedend, alleen op dennen, vaak groote korsten vormend. Najaar vr. a.
No. 184. Stéreum rugósum. Ruwe korstzwam. Dik-korstvormig, geheel aangegroeid of met weinig teruggebogen rand. Kiemvlieszijde (o.z.), veelal ruw bobbelig, berijpt, geelbruin of ook grijsachtig, bloedend. Op stammen en takken vooral van beuken. Najaar a. a.
No. 185. Stéreum spadíceum. Bruine korstzwam. Onderscheidt zich van de vorige, doordat hij dunner is, met bruiner niet berijpte kiemvlieszijde, meer omgebogen randen, waardoor meestal kleine h. ontstaan, 2-3 cM., afstaande, vaak dakpansgewijs bijéén; ze zijn van boven behaard, roestbruin, veelal met witten rand. Op oude stammen en stompen, voornamelijk van eiken. Najaar a. a.
Van de niet-bloedende korstzwammen vindt men meest:
No. 186. Stéreum purpúreum, de Purper-korstzwam en
No. 187. Stéreum hirsútum, de Gele korstzwam.
De eerste steeds te kennen aan het purper of wijn-roode hymenium (alleen bij oudere ex. wat bleek of bruin wordend) de tweede aan het gele hymenium (helder-, bleek- of grijsgeel). Beide hebben meestal goed ontwikkelde hoedjes (met witachtige of grijze harige bovenzijde) en worden daardoor wel verward met sommige gaatjeszwammen, die een dergelijke groeiwijze hebben. Ze onderscheiden zich daarvan door de gladde kiemvlieskant, zonder gaatjes. Beide op boomen, stronken, takken, het geheele jaar door. a. a.
No. 188. Clavária strícta. Houtkoraalzwam.
Tot 8 cM. hoog, rijk vertakt, bleekgeel, later bruinachtig, ook door wrijving. Takjes dun rond en stijf, in vorksgewijs vertakte bruinachtige puntjes eindigend. Op boomstompen, takken en dergelijken. Najaar vr. a.
No. 189. Calócera viscósa. Kleverig koraalzwammetje (fig. 83).
Tot 6 cM. hoog, rijk vertakt, goudgeel tot oranje; bij vocht zeer kleverig; takken naar boven veelal verbreed en vorksgewijs vertakt. Op oude wortels en vermolmde stronken van dennen. Juli-Nov. vr. a.
No. 190. Phlébia aurantíaca (radiáta). Oranje aderzwam.
Deze vormt fluweelige ± wasachtig-vleezige korsten, met plooien en aderen bedekt, meest fraai oranje met bleekere licht-paarse partijen, vooral naar den stralig-vezeligen rand. Op levende boomen kan zij groote, dikke plakkaten vormen, schitterend oranje; op losse, doode takken vindt men zwakkere, dunnere en bleekere exemplaren. Op oude, zieke boomen, takken en dergelijke. Sept.-Dec. vr. a.
No. 191. Sphaeróbolus stellátus. Kleine kogelwerper.
1,5-2 mM., kogelvormig oranjegeel, in 5-8 slipjes, stervormig openspringend. Binnenste peridium wit, half-kogelvormig op de puntjes van het buitenste zich verheffend. Sporenkogeltjes bruin. Op rottend hout, takjes, enz. Herfst vr. a.
No. 192. Crucíbulum vulgáre. Vogelnestjeszwam (fig. 84).
Tot 1 cM. hoog en breed, eerst kogelrond dan klokvormig, lederachtig; van buiten eerst geel en donzig, later lichtbruin, kaal; van binnen steeds kaal glanzend, witachtig, schijfjes wit. Zomer-winter vr. a.
PADDENSTOELEN VOORKOMENDE IN GEMENGDE BOSSCHEN, D.W.Z. BOSSCHEN, WAARIN VELERLEI OF EENIGE BOOMSOORTEN DOORÉÉNGROEIEN.
In deze bosschen worden de meeste soorten gevonden.
Basidiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Leucosporeën. Witsporigen.
[Amaníta (Zie tabel blz. 175)]
Amaníta phalloídes, groenachtig. Amaníta citrína (var. máppa), lichtgeel of wit. Amaníta panterína, bruin. Amaníta muscária, vuurrood of oranjerood. Amaníta rubéscens, vleeschkleurig of roodbruin. Amaníta vagináta, bruinrood of grijs.
[Lepióta]