Part 13
H. tot 18 cM., mooi omberbruin of bruin-olijfkleurig. Poriën oranje-rood, rood, bij druk blauw. Kenmerkend is vooral de buikige steel, die geel tot oranje-rood is en er fijn fluweelig uitziet door roode schubvlekjes, soms netvormig gerangschikt. Het gele vleesch kleurt zich zeer snel blauwgroen. Waarschijnlijk niet giftig. Nazomer-herfst. vr. a. v.
N.B. Deze zwam wordt vaak verward met de volgende, de zeer giftige Satanszwam, die veel zeldzamer is.
No. 108. Bolétus Sátanas. Satansboleet (fig. 58).
In vorm en grootte ongeveer als de vorige; onderscheidt zich vooral doordat het witachtige vleesch zich eerst rood, dan blauwachtig kleurt. Ook heeft hij nooit het fraaie omberbruin van B. luridus, doch is bleeker, meer vaal oker- of ledergeel. Juli-Sept. vr. z.
N.B. Men hoede zich voor deze zwam, die een aangename geur en smaak heeft en zich slechts weinig blauw kleurt, doch in de hoogste mate giftig is.
No. 109. Bolétus subtomentósus. Fluweelboleet.
Zeer veranderlijk van vorm en grootte; het best te herkennen aan den steel, die geel is met rood- of bruinachtige strepen of ribben, soms bijna geheel rood, vaak krom en verbogen; aan de groote hoekige poriën, die aanv. fraai goudgeel, later groenachtig zijn. H. fijn viltig, bruin-olijfkleurig, vaak met geelachtige of roode (B. chrysenteron) barsten. Zomer-herfst. a.
No. 110 en 111. Bolétus scáber, berkenboleet (fig. 57) en Bolétus rúfus, rosse boleet, beide met een ruwen fijn-schubbigen steel, gelijken veel op elkaar en komen ook veel door elkaar voor, bij voorkeur in of bij berkenboschjes, te midden van naaldbosschen. Ze onderscheiden zich van elkaar, doordat bij B. rufus de steel dikker en de hoed steeds fraai rossig is, met aan den rand vaak de overblijfselen van een vliezigen sluier, terwijl B. scaber meer grauwbruin of grijs-olijfkleurig is, zonder die overblijfselen. Zomer-herfst. vr. a. e. (vooral B. rufus).
TABEL VOOR DE AARDZWAMMEN=GESLACHTEN DER OVERIGE FAMILIES.
(Voor de houtzwammen zie blz. 257).
A. Polyporeën of Buisjeszwammen (Plaat 2 fig. IX). 1. Dikvleezige, gesteelde buisjeszwammen: Bolétus (Plaat 2 fig. IX). Zie blz. 207. 2. Leerachtige, tolvormige buisjeszwammen: Zie Polýporus perénnis. No. 145.
B. Hydnaceën of Stekelzwammen. (Plaat 2 fig. XI). Zie No. 247-254.
C. Telephoraceën of Korstzwammen: 1. Trechter- of trompetvormige, vliezig-vleezige zwammen: Crateréllus cornucopioídes. (Plaat 2 fig. XIII b). Zie No. 258. 2. Korstvormige, zachtvliezige, gefranjede zwammen: Teléphora terréstris (Plaat 2 fig. XIII a). Zie No. 225.
D. Clavariaceën of Koraalzwammen: 1. P. op een spons gelijkend, vleezig: Sparássis críspa (fig. 106). Zie No. 254. 2. P. koraalachtig vertakt, wasachtig: Clavária (Plaat 2 fig. XII a). Zie No. 226-231.
E. Phallaceën of Stinkzwammen: (Plaat 2 fig. XIV). Zie No. 231 en 232.
F. Nidulariaceën of Nestzwammen: Leerachtige op bekertjes of vogelnestjes gelijkende zwammen: Cýathus (Plaat 2 fig. XV b). Zie No. 233 en 234.
G. Lycoperdaceën of Stuifzwammen: (Plaat 2 fig. XVI): 1. Er is een duidelijke afscheiding tusschen h. en st.: Tulóstoma mammósum (fig. 117). Zie No. 278. Er is geen duidelijk onderscheid tusschen h. en st. 2 2. Er zijn 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels, waarvan de buitenste in stervormige slippen openscheurt: Geáster (Plaat 2 fig. XV a). Zie No. 255-258 en 277. Er zijn geen 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels 3 3. Het omhulsel is dik, leer- of kurkachtig, dicht met wratten bezet. P. binnenin zwart: Sclerodérma vulgáre. (Plaat 2 fig. XVI f.) Zie No. 240. Omhulsel papierachtig 4 4. P. zelden kogelvormig, zittend, meestal kort- of langgesteeld peervormig en met wratten of stekels bezet: Lycopérdon (Plaat 2 fig. XVI a, b en fig. 99). Zie No. 235-240 en 271 en 272. P. altijd zittend, min of meer kogelrond, glad: Bovista (Plaat 2 fig. XVI c). Zie No. 273 en 274.
H. Hymenogastreën of Schijntruffels: Op aardappeltjes gelijkende zwammen: Rhizopógon lutéolus (fig. 103). Zie No. 241.
TABEL TOT HET BEPALEN DER ZWAMMEN, DIE VOORKOMEN OP HOUT (STAMMEN, STRONKEN, TAKKEN ENZ.)
(Hierbij ook Ascomyceten).
1. De zwam vormt een hoed, zittend of gesteeld, van onderen voorzien van plaatjes: Zie tabel, blz. 219, (fig. 61 of 65). Een hoed, zittend of gesteeld, van onderen met gaatjes of doolhofachtige gangen: Zie tabel, blz. 235, (fig. 69 of 80). [N.B. Hiertoe behooren óók eenige zeer harde, houtige zwammen, met zeer fijne gaatjes.] Geen hoeden met gaatjes of plaatjes 2
2. Weeke, geleiachtige, dikwijls gekroesde of geplooide, doch ook wel droppel- of knoopvormige zwammen, geel, bruin, wit of zwart: Trilzwammen. Zie tabel, blz. 257. (fig. 82). Niet week-geleiachtig 3
3. Gewei- of koraalachtig vertakt 4 Niet gewei- of koraalachtig vertakt 5
4. Heldergeel of oranje, kleverig Calócera viscósa. No. 189 (fig. 83). Bleekgeel tot bruinachtig, sterk vertakt, niet kleverig: Clavária strícta. No. 188. Zwart, wit gepunt: Xylária hypóxylon. No. 16. (fig. 44).
5. Zwart, van binnen wit, knotsvormig: Xylária polymórpha. No. 17. Niet zwart 6
6. Kleine bolletjes (1 à 2 mM.), stervormig openspringend. Sphaeróbolus stellátus. No. 191. Bekertjes, waarin kleine, ronde schijfjes: Crúcifulum vulgáre. No. 192. (fig. 84). Korstvormig, geheel aangegroeid of met omgebogen rand, waardoor hoedjes ontstaan 7
7. Oranje, stralig geplooid en geaderd, fluweelig: Phlébia aurantíaca. No. 190. Wit, paars, geel-grijs of bruin, niet str. geplooid. Stéreum. No. 183-187.
TABEL TOT HET BEPALEN DER PLAATZWAMMENSOORTEN, DIE VOORKOMEN OP HOUT, BOOMSTAMMEN, STRONKEN, PALEN, LOSSE TAKKEN, ENZ.
1. H. zittend, steel ontbrekend of uiterst kort 2 H. duidelijk gesteeld, kort of lang 5
2. H. week-vleezig, bijna geleiachtig, pl. later kaneelkleurig: Crepidótus móllis No. 131. (Plaat 4, fig. 22). H. niet week-vleezig 3
3. H. teer en klein, wit; op losse takjes, pl. meest naar boven gekeerd: Claudópus variábilis No. 130 (fig. 65). H. niet teer, taai, vleezig of kurkachtig, stijf 4
4. H. taai, kurkachtig, vrij hard en stijf: Lenzítes No. 143 en 144 (fig. 66). H. vleezig, glad, grijs of bruinachtig blauw: Pleurótus ostreátus No. 123. [Zie ook Panus stýpticus, met korten steel en Lentínus cochleátus].
5. H. en st. beide met sparrige afstaande schubben: Pholióta squarrósa No. 133 (Plaat 4, fig. 19). H. honingbruin met harige afstaande schubjes, steel glad met afstaanden ring, plaatjes later gevlekt, melig: Armillária méllea No. 113. (Plaat 2, fig. III en fig. 60). H. glad, zonder schubjes; òf met aangedrukte schubjes, die in kleur van de hoed verschillen 6
6. H. met aangedrukte, soms ietwat harige schubjes 7 H. zonder schubjes, glad, rimpelig of vezelig 11
7. St. zijdelings, h. wit of bleekgrijs met bruine schubjes: Pleurótus drýinus No. 124. St. middenstandig of eenigszins excentrisch 8
8. St. zonder ring; pl. afloopend, getand of ingescheurd 9 St. met ring; pl. niet afloopend. 10
9. H. dunvleezig tot lederachtig, met harige bruinzwarte schubjes: Lentínus tigrínus No. 126. (Plaat 4, fig. 14). H. dik, taaivleezig, later hard, met bruine vlek-schubben: Lentínus squamósus No. 125 (fig. 62). [H. steenrood-geelbruin, aan den rand met gele vlekken]: Hypholóma sublaterítium No. 138.
10. [H. geel- of blauwgroen, kleverig, soms met witte schubjes: Stropharia aeruginosa]. H. goudgeel-bruin met donkerder schubjes: Pholióta aurivélla No. 134.
11. St. met ring, H. groenachtig: Strophária aeruginósa No. 222. (Plaat 5, fig. 32). St. met ring, H. anders gekleurd 24 St. zonder ring 12
12. H. ingerold bruinrood (zie fig. 63); anijsgeur: Lentínus cochleátus No. 127 (fig. 63). H. niet ingerold, geen anijsgeur 13
13. St. zijdelings, kort en verbreed; zwammetjes in toefen: Pánus stýpticus No. 128 (fig. 64). St. niet zijdelings, hoogstens excentrisch. 14
14. Ledergele tot bruine paddenstoeltjes, met wit donzig voetje op losse takjes of plantenafval: Tubária furfurácea No. 135. (Plaat 4, fig. 24). Op boomen of stronken, geen donzig voetje 15
15. Paddenst. eenzaam of slechts weinige dicht bijeen 16 Paddenst. in bossen of talrijke troepjes bijeen 21
16. Taai en dikvleezig, st. excentrisch, op boomen: Pleurótus ulmárius No. 122 (Plaat 3, fig. 9). Niet taai; aan den voet der boomen of in de aarde daarbij 17
17. Pl. helder geel, geel-roodachtig Tricholóma rútilans No. 114. Pl. geelachtig, later bruin; St. zwart-bruin viltig: Paxíllus atrotomentósus No. 136. Pl. wit of rose 18
18. St. spoelvormig verdikt, vaak gevoord: Collýbia fúsipes No. 116. St. niet zeer slank, gedraaid, wit met zwarte vezeltjes: Plúteus cervínus No. 129. (Pl. 4, fig. 16). St. zeer slank, glad, lichtgrijs of bruin 19
19. St. met fijne evenwijdige groeven, grijs-blauw: Mycéna polygrámma No. 121. (Plaat 3, fig. 7). St. zonder groeven en anders gekleurd 20
20. St. naar onderen verdikt en in een wortel uitloopend; H. 5 à 10 cM.: Collýbia radicáta No. 115. St. gelijk dik, bleekgrijs met behaarden scheeven wortel. H. 2 à 3 cM.: Mycéna rugósa No. 120. [Zie ook Mycena galericulata, die soms eenzaam voorkomt].
21. Teere paddenstoel. H. tot 2 cM. in groepjes 22 Grooter; meer in bossen of zoden 23
22. Pl. spoedig grauw-zwart, op stronken, oude stammen, enz.: Psathyrélla dissemináta No. 141. (Plaat 5, fig. 36). Pl. bleek blijvend; op bemoste stammen: Mycéna cortícola No. 118.
23. [St. excentrisch, h. taai en dik-vleezig, zie Pleurotus ulmarius]. St. middenstandig 24
24. St. met ring, h. wit, kleverig, meest op beuk: Armillária múcida No. 112 (fig. 59). St. met ring; daaronder sparrig schubbig. H. bruin: Pholióta mutábilis No. 132. St. zonder ring, hoogstens met gordijnresten 25
25. St. spoelvormig verdikt, vaak gevoord: Collýbia fúsipes No. 116. St. niet aldus 26
26. St. met fijne evenwijdige groeven: Mycéna polygrámma No. 121. St. niet aldus 27
27. St. bruin tot zwart, fluweelig: Collýbia velútipes No. 117 (fig. 61). St. kaal 28
28. St. glad, witachtig of grijs 29 St. geel, geelbruin of bruin, pl. geel- of groenachtig, later grauw of paars-zwart wordend: Hypholóma No. 138-140. (Plaat 5, fig. 30).
29. Pl. wit of lichtrose blijvend. H. klokvormig: Mycéna galericuláta No. 119. (Plaat 3, fig. 7). Pl. bruin of zwart wordend door de sporen 30
30. H. kegel-klokvormig, geelbruin gestreept, pl. zwart wordend: Coprínus micáceus No. 142. (Pl. 5, fig. 34). H. aanv. bol, later uitgespreid, pl. bruin wordend: Bolbítius (Hypholóma) hydróphilus No. 137.
No. 112. Armillária múcida. Porceleinzwam (fig. 59).
H. wit, soms lichtgrijs of bruinachtig, slijmerig, rimpelig, 3-12 cM. St. wit met witten gestreepten R. Vooral op beuken, die er soms van onder tot boven mee begroeid zijn. Aug.-Oct. vr. a.
No. 113. Armillária méllea. Honingzwam, "Hallimasch" (fig. 60 en Plaat 2, fig. III).
H. geel-honingbruin, met harige, meest donkerder schubjes en gestreepten rand, 5 à 18 cM., met afstaanden vlokkigen R. St. bleek rood- of bruinachtig. Pl. later rood of bruinachtig gevlekt, ± afloopend a. a. e.
No. 114. Tricholóma rútilans. Purperroode houtzwam.
H. geelachtig met purperrood vilt bedekt, dat later in schubjes afscheurt; eerst klokvormig, dan uitgespreid en bolrond, 6-10 cM. Vleesch geel. Pl. goudgeel, eerst aan de snede verdikt, dan gezaagd. St. krachtig, gevuld 5-8 cM. hoog, licht geel met purperroode vezels. In troepjes bijéén op of aan den voet van boomstronken. Zomer-herfst. a.
No. 115. Collýbia radicáta. Wortelcollybia.
H. dunvleezig, grauwbruin tot olijfkleurig, rimpelig, geaderd, 6-12 cM. Pl. breed, wijd uit elkaar, fraai wit. St. slank, meest naar onderen verdikt, en met een stevigen wortel in den grond bevestigd. Aan den voet van boomen, vooral beuken. Zomer-herfst. vr. a.
No. 116. Collýbia fúsipes. Spoelvoet (Collybia).
H. roodbruin of okerkleurig, soms ook bleeker, 6-10 cM. Lamellen breed, wijd uiteen, bleek rose of licht roodbruin. Kenmerkend is vooral de steel: verdikt-gezwollen, naar onderen spoelvormig verdund, gestreept of gegroefd, vaak verdraaid, bruin, bruin-rood. Aan den voet van oude boomen. Zomer-herfst. vr. a.
No. 117. Collýbia velútipes. Fluweelpootje.--Winterzwammetje (fig. 61).
H. geel, goud-geel, bruinachtig, vochtig, kleverig, 2-8 cM., de rand vaak gestreept. St. bruin tot zwartbruin, fluweelig. Pl. geelachtig, ver uiteen. In zoden, aan stronken van hakhout, aan boomstammen, ook in de steden, van Sept.-Maart. a. a. e.
No. 118. Mycéna cortícola. Schorsmycena.
H. grijs of licht-bruin rose, gevoord, 2-6 mM. St. licht-grijs of bruinachtig, berijpt. Pl. bleek, breed.
In troepjes op bemoste boomstammen. Oct.-Feb. a.
No. 119. Mycéna galericuláta. Helm mycena. (Plaat 3, fig. 7).
H. kegel- of klokvormig, 2-4 cM. in vele tinten van grijs, geel-grauw, bleek-bruin; droog en kaal, vaak wat rimpelig gestreept. Pl. wit tot bleek-rose, met een tand afloopend. St. glad en glanzend, grauw of grijs-bruin, vaak wortelachtig verlengd en dun behaard. Op of dicht bij stronken en stammen, vele bijeen. Zomer-herfst. a. a.
No. 120. Mycéna rugósa. Rimpelige mycena.
Deze gelijkt veel op de vorige, doch onderscheidt zich, door een meer rimpeligen, grauwen hoed, een wat taaier substantie (vooral de grijze steel). Pl. bleekgrijs. Ze komt meer eenzaam of slechts weinige bij elkaar voor. Stronken enz. Herfst. a.
No. 121. Mycéna polygrámma. Streepsteel-mycena.
H. kegel-klokvormig. Zwak bultig, in vele tinten van grijs-grauw- of bruinachtig, 2-4 cM. Pl. wit of bijna wit. St. over zijne geheele lengte met fijne groeven, grijs, blauwgrijs, meestal wortelend en van onderen behaard. Aan stammen en stronken, tusschen dorre bladeren, enz. Zomer-herfst. vr. a.
No. 122. Pleurótus ulmárius. Iepenzwam. (Plaat 3, fig. 9).
H. taai-vleezig, vast, geelachtig, okerkleurig, soms wat grijzig, vaak gevlekt of in veldjes gebarsten, 8-20 cM. St. stevig, excentrisch, vast, kleur als hoed of wat bleeker. Pl. wit, breed. Aan boomstammen, vooral iepen, vaak in groepjes bijeen; soms zeer hoog. Herfst. vr. a.
No. 123. Pleurótus ostreátus. Oesterzwam.
H. vleezig, schelpvormig, grauw, grijs, blauw, bruinachtig, later soms geelachtig verbleekend, 5 à 15 cM.; rand aanv. ingerold. St. kort of bijna ontbrekend, wit, onderaan wit-behaard. Pl. wit, geel- of grijsachtig. Meestal vele boven elkaar aan boomstammen. Sept.-Nov. vr. a.
No. 124. Pleurótus drýinus. Grijze zadelzwam.
H. taai, witachtig of bleek-grijs, met bruine schubjes, 4-9 cM. Pl. afloopend, wit of geelachtig. St. zijdelings, kort (± 2 cM.), wit, fijn-schubbig, met vergankelijken ring. Aan eikestammen, zieke ooftboomen en dergelijke. Herfst. vr. a.
No. 125. Lentínus squamósus (lepideus.) Geschubde houtzwam. (fig. 62).
H. dik- en taaivleezig, later hard en droog, 8-15 cM.; wit of bleek okerkleurig, met donkere, aangedrukte schubben. Pl. afloopend, wit of geel-bruinachtig, getand, vaak ingescheurd en dwarsgestreept. St. gevuld, vast, fijn schubbig. Reuk aangenaam zoetig; op dennestompen en vooral op bewerkt hout: balken, palen, trapjes, vr. a.
Deze zwam kan soms zeer afwijkende, monstreuse vormen aannemen, vooral in het duister.
No. 126. Lentínus tigrínus. Getijgerde houtzwam. (Plaat 4, fig. 14).
Kleiner dan de voorafgaande, dunner en slapper; meer trechtervormig met neergebogen rand. Wit of grijs-geelachtig met zwarte harige schubjes. Pl., wit of lichtgeel, fijn getand. Vindplaats als de vorige Zomer-herfst. vr. a.
No. 127. Lentínus cochleátus. Bruine anijszwam (fig. 63).
Vormt dichte toefen van ± slakkenhuisvormige ingerolde hoeden, licht roodbruin, en heeft een sterken anijsgeur. In 1912 op verscheidene plaatsen waargenomen, aan stronken. Herfst. e.
No. 128. Pánus stýpticus. Scherpe schelpjeszwam (fig. 64).
Deze vormt zoden van meest zeer talrijke exemplaren: kleine leder- tot okerkleurige hoedjes met een zijdelingsch, kort steeltje dat naar boven verbreed is. De okerkleurige plaatjes zijn door fijne aderen verbonden. Het vleesch smaakt zeer scherp.
Aan stronken en stammen, het geheele jaar a. a.
No. 129. Plúteus cervínus. Hertenzwam. (Plaat 4, fig. 16).
H. 6-9 cM., dunvl. klokvormig, later uitgespreid, glad, ietwat zijdeachtig, kaal of fijn-schubbig, in verschillende tinten: bruinachtig, grauw-bruin. Pl. spoedig bleekrose, breed. Sporen rose. St. 5 à 9 cM. hoog, wit met fijne zwarte vezeltjes, vaak wat gedraaid. Aan den voet van boomstammen, op stronken, enz. eenzaam of in groepjes. Aug.-Oct. vr. a.
No. 130. Cláudopus variábilis. Witte schelpjeszw. (fig. 65).
Kleine, vleezige, ongesteelde hoedjes, 1-2 cM., wit, fijn viltig; hoed vaak teruggeslagen, met de plaatjes naar boven; deze zijn eerst wit, later rose of bruin. Sporen roodachtig. Op takjes, enz. Aug.-Nov. vr. a.
No. 131. Crepidótus móllis. Weeke schelpzwam. (Plaat 4 fig. 22.)
H. geleiachtig-vleezig, slap, ei- of niervormig, vaak gegolfd-gelobd, wit-geelachtig, bruin. St. ontbrekend of zeer kort. Pl. van het aanhechtingspunt uitstralend; wit, later kaneelkleurig. Sporen bruin. Op oude stammen en stronken, vooral populieren. Zomer-herfst. vr. a.
No. 132. Pholióta mutábilis. Gladde pholiota.
H. bruin, kleverig of vochtig, eerst bol en bultig met ingerolden rand, later vlak, 3-6 cM. Pl. aangegroeid, soms wat afloopend, eerst bleek, dan geelbruin of kaneelkleurig. Sporen bruin. St. 3-6 cM. hoog, later hol, met dun-vliezigen ring; daaronder bruin en ± sparrig-schubbig, er boven bleeker en glad. (Ring en schubben worden vaak slechts onduidelijk zichtbaar). In bossen op stronken, vooral van beuken en elzen. Herfst, vooral in 't Z. en O. a. e.
N.B. Deze niet te verwarren met de zwavelkopjes, met groenig-gele plaatjes, die paarszwart worden!
No. 133. Pholióta squarrósa. Schubbige pholiota. (Plaat 4, fig. 19 en 20).
Gemakkelijk kenbaar aan de sparrige omgebogen schubben op den hoed en den steel. Alleen boven den vlokkigen vergankelijken ring glad. H. 4-6 cM. Geheel goudgeel tot roestbruin. Pl. eerst bleek olijfkleurig, dan bruin. Sporen bruin. In bossen aan den voet van boomen, vooral beuken. Oct.-Nov. vr. a.
No. 134. Pholióta aurivélla. Goudvlieszwam.
H. eerst bol, dan vlak gewelfd, 6-10 cM., goudgeel-bruin met aangedrukte bruinachtige schubjes; vochtig kleverig, droog glanzend. Pl. eerst witachtig, dan geel, later bruin. Sporen bruin. St. dik, hol, geel met wat afstaanden ring; daaronder vlokkig-schubbig. Aan loofboomen. Herfst. vr. a.
No. 135. Tubária furfurácea. Donsvoetje. (Pl. 4, fig. 24).
H. ledergeel bij droogte; vochtig donkerder, bruin; eerst bol of vlak, later verdiept, ± trompetvormig, bedekt met kleine zemelachtige schubjes. Pl. okerkleurig tot kaneelkleurig, eenigszins afloopend. Sporen bruin. St. van onderen meestal met een wit dons bedekt. Op takjes, bladeren, plantenafval, enz. Herfst-winter. a. a.
No. 136. Paxíllus atrotomentósus. Zwartvoet.
Zeer kenbaar aan den korten dikken steel, die met een donkerbruin tot zwart fluweelig vilt is bedekt. H. 7-15 cM., bruin, oppervlak als zeemleer, breed-trechtervormig, doch vaak scheef, met excentrischen steel. Sporen bruin. Op of bij oude naaldboomen of stronken daarvan. Herfst. vr. a.
No. 137. Bolbítius (Hypholóma) hydróphilus. Grijze vochtzwam.
H. eerst bol, met neergebogen rand, later uitgespreid, hygrophaan, bleek kastanjebruin. Plaatjes bruin. Sporen bruin. Kenmerkend vooral de witachtige golvende steel (vooral bij jonge exemplaren) Op stronken enz. meest in groote bossen. Herfst. a.
Hypholóma. Zwavelkopjes.
De zwavelkopjes zijn de gele of geelbruine, zoo algemeene stronkbewoners, waarvan de plaatjes paars-zwart of grauw worden door de sporen, en waarbij gewoonlijk op hoed of steel duidelijk resten van het gordijn zichtbaar zijn; bij jonge exemplaren is het vaak heel mooi te zien; zij smaken bitter.
No. 138. Hypholóma sublaterítium, met ± steenroode hoeden, 4-10 cM. die aan den rand vaalgele vlokken of vlekken vertoonen (gordijnresten), en een steel, die naar onderen versmald is en roestbruin. Pl. aanv. licht grijsgroen. Vleesch geelwit. a. v.
No. 139. Hypholóma fasciculáre, kleiner, 2-6 cM. meer geelbruin, zonder randvlekken, steel ± overal even dik en geler. Pl. aanv. zwavelgeel. Vleesch geler. Beide aan stronken en boomen. a. a. v.
Voorts vindt men op dennenstronken en in de buurt daarvan, vooral in 't Oosten:
No. 140. Hypholóma epixánthum, meer bleekgeel van kleur, met geelwitachtige plaatjes, die grauw worden. Oct.-Dec. vr. a.
Voor hypholóma Candolleánum zie blz. 278.
No. 141. Psathyrélla dissemináta. Grijze klokjes. (Plaat 5, fig. 36).
H. eerst ei- dan klokvormig, 1 à 1 1/2 cM.; wit, grijs of licht okerkleurig., gevoord-gestreept, aanv. zeer fijn bestoven. Pl. eerst wit, dan grauw en zwart door de sporen. St. wit. Teere paddenstoeltjes in grooten getale bijeen aan den voet van boomen, op stronken, uit vloeren en plafonds van huizen, op bladaarde, enz. Voorjaar-herfst a.
No. 142. Coprínus micáceus. Glimmerinktzwam. (Plaat 5, fig. 34)
H. eerst ei- dan klokvormig, 3 à 5 cM. geelbruin gestreept, met fijne glinsterende korreltjes bezet, die echter spoedig verdwijnen. Pl. wit, bruin dan zwart door de sporen. St. wit, een weinig zijachtig, glad hol. In grooten getale bijeen op stronken en boomen; ook op de aarde. Voor- en najaar a. a.
Lenzítes. Dit geslacht vormt in menig opzicht een overgang tusschen plaat- en buisjeszwammen. Jong vertoonen zij gaatjes, maar bij uitgroeiing vormen zich duidelijke plaatjes, die echter stijf en kurkachtig zijn. De geheele hoed is trouwens zoo; hierdoor en door hun voorkomen en groeiwijze gelijken zij veel op sommige Polyporaceën; vooral als men ze alleen van boven beschouwt, kan men ze licht daarmede verwarren. De plaatjes zijn vaak vertakt en zijdelings verbonden, waardoor soms gaatjes ontstaan, die dan echter altijd veel grover zijn, dan bij de echte buisjeszwammen. Soms vertoonen zij dicht bij hun aanhechtingspunt gaatjes en meer naar den rand toe plaatjes. De meest voorkomende zijn:
No. 143. Lenzítes betulína. Berken-plaatjeshoutzwam. (fig. 66).
H. 2-10 cM. breed, ± met banden geteekend, viltig-harig, fluweelig, grauw-bleekbruin (dikwijls ook groenig). Pl. wit tot lichtgrijs-bruin. Vaak vele bijeen, dakpansgewijs. Op stronken van berken, esschen, eiken e.a. 't geheele jaar a.
No. 144. Lenzítes saepiária. Bruine plaatjeshoutzwam.
H. 2-12 cM., borstelig viltig, fluweelig, aanv. geel, later van uit 't midden bruin wordend, bruin met oranje-gele rand, ten slotte geheel donkerbruin. Pl. oranje-geel, vaak vertakt en verbonden. Op oude stronken van naaldhout, en op balken, schutting, enz., daaruit vervaardigd, 't geheele jaar vr. a.
N.B. De Nos. 112-128 en 143, 144 hebben witte sporen. Bij de andere is het afzonderlijk vermeld.
TABEL TOT HET BEPALEN DER MEEST VOORKOMENDE GESLACHTEN DER POLYPORACEËN OF BUISJESZWAMMEN.