Het paddenstoelenboekje

Part 12

Chapter 123,530 wordsPublic domain

H. en st. fraai eenkleurig oranje-rood. H. vleezig, glad, iets kleverig, 2-5 cM. breed. Pl. talrijk, eerst wit, dan okerkleurig. St. 2-5 cM., gekromd, onderaan dunner. Herfst. vr. a.

No. 61. Lact. glyciósmus. Geurende melkzwam.

H. zeer verschill. in kleur, geelwit, vleeschkleurig, grauw- of lood-grijs met paarse tint (bij ouderdom), soms met gordels; 3-8 cM. breed, droog, dof, fijn-schubbig, dunvleezig. Pl. geelachtig-okerkleurig, soms wat rose. St. 4-8 cM. hoog, dun. Reuk naar bergamotolie. Herfst. vr. a.

No. 62. Lact. subdúlcis. Bitter-zoete melkzwam.

Deze paddenstoel komt voor in verschillende kleuren, meest roodbruin, ook lichter of ros-kaneelkleurig, zonder gordels, 5-7 cM. breed, droog, glad, glimmend. Pl. crême-rosachtig. St. bleeker dan h. eenigszins gekromd 3-4 cM. hoog. Herfst. vr. a.

No. 63. Lact. rúfus. Rossige melkzwam.

H. rossig, rood-bruin, glanzend, zonder gordels, 5-11 cM. breed (meest 4 cM.). Jong bol, iets bultig, rand ingerold, later trechtervormig, pl. oker-bruin, st. kleur als h. 5-8 cM. hoog, aan den voet donzig. Zomer-herfst. a.

No. 64. Lact. túrpis. Zwarte melkzwam.

H. donkerbruin, olijfgroen, zwart gevlekt, zonder gordels, 6-15 cM. breed, eenigszins kleverig, vleezig, St. kl. als h. 3 cM. hoog. Juli-Oct. In 't Z. en O. van ons land. a. v.

No. 65. Lact. torminósus. Giftige melkzwam. (Plaat 2, fig. Vb en fig. 52).

H. oranjerood of lichter tot bij wit af, 3-10 cM. breed, gelijkende op L. deliciosus doch nooit groen aanloopend, meest met duidelijke gordels. Kenmerkend is de sterk omgekrulde, dik viltige hoedrand. St. kleur als h., 3-6 cM. hoog. Juli-herfst. vr. a. g.

No. 66. Lact. velléreus. 't Schaapje.

H. wit, later vuil geelachtig-rood, fijn donzig, vleezig, droog, 10-20 cM. breed, eerst bol dan vlak ingedrukt, trechtervormig met ingerolden rand, zonder gordels. Plaatjes wit, wijd uitéén, melksap spaarzaam. St. dik 3-6 cM. hoog, fluweelig wit. Zomer-herfst. vr. a.

No. 67. Lact. piperátus. Gepeperde melkzwam.

Paddenstoel van dezelfde kleur en vorm als vorige, doch kaal niet viltig, plaatjes dicht bijéén, met langeren steel. Smaak van 't vleesch scherp, minder alg. Zomer-herfst. v.

TABEL TOT HET BEPALEN DER RUSSULA-SOORTEN.

(Plaat 2, fig. IV).

1. Vleesch bij doorbreken eerst rood, dan zwart wordend, plaatjes breed en dik: R. nígricans. No. 68 (fig. 53) Niet zoo: 2

2. H. wit of witachtig, plaatjes wijd uitéén, afloopend: R. délica. No. 69. Niet zoo: 3

3. H. geel of bruin: 4 H. anders gekleurd: 8

4. Sterke, onaangename geur. H. rossig geelbruin met knobbelig-gestreepten rand: R. fóétens. No. 70. Geen onaangename reuk: 5

5. H. heldergeel: 6 H. bruin, omberkleurig, in 't midden donkerder, hoedrand knobbelig gestreept, dikwijls tot in het centrum toe: R. pectináta. No. 71.

6. Smaak scherp, hoedrand glad, bleeker, steel grijswit; pl. wit, soms geel getint: R. ochroléúca. No. 72. Smaak zoet, of eerst zoet, daarna iets scherp: 7

7. Pl. geelwordend. St. wit, nasmaak scherp: R. ochrácea. No. 73. Pl. wit, st. wit, smaak zoet: R. citrína. No. 74.

8. H. groen of groenachtig: 9 H. rood of violet: 11 H. anders gekleurd: 18

9. Smaak scherp, vleesch roodachtig onder de opperhuid, die groen of geelgroen is, met steeds groen als boventoon. St. wit, pl. wit, dikwijls gevorkt (zie fig. 11): R. furcáta. No. 75. Smaak zoet: 10

10. Kleur eerst bleekgroen, later frisch lichtgroen. H. door barsten in wrattige vakjes verdeeld: R. viréscens. No. 76. Kleur olijfgroen, meestal met geel, grijs, paars en rood getint. Pl. wit, zeer dicht opeen: R. heterophýlla. No. 77.

11. Smaak niet scherp: 12 Smaak scherp: 15

12. Pl. wit: 13 Pl. geel: 14

13. H. carmijn of rose-rood. Vleesch hard, st. wit, vaak met rose getint. R. lépida. No. 78. H. roodachtig of bleek purper-violet, bij ouderdom vuil geel wordend. St. grijsachtig: R. depállens. No. 79. H. blauw- of donker violet-purper, gemengd met rood, bleek-groen en geel, straalsgewijs gestreept. St. wit. Vleesch onder de opperhuid meestal roodachtig: R. cyanoxántha. No. 80.

14. H. kleverig, gestreept, rood- of bruin-rood; bij ouderdom de roode kleur verliezend. St. gestreept, wit: pl. geelachtig. Vroege soort: R. íntegra. No. 81. H. droog, glad, rood of purperrood met groen gevlekt. St. wit of rood gevlekt, pl. ledergeel. Late soort: R. alutácea. No. 82.

15. H. donker purper of zwart-violet; rand lichter. St. sterk violet of rose-violet gekleurd. Pl. wit (dennenbosschen): R. Quelétii. No. 83. H. rood, rose of paars. 16

16. Vleesch onder de opperhuid rose: 17 Niet zoo. H. rood, paars, wit met rood of paars gevlekt; soms geheel rose. St. hol, zeer breekbaar: R. frágilis. No. 84.

17. H. éénkleurig, vuurrood, droog, vast. St. meestal wit. Opperhuid moeilijk loslatend: R. rúbra. No. 85 (fig. 54). H. en st. meestal verschillend getint, bont-rood waterig; opperhuid gemakkelijk loslatend: R. emética. No. 86.

18. De kleur van verschillende der bovenstaande soorten van 't geslacht Rússula, kan zeer varieeren, o. a. kan R. emética bijna bruin zijn, evenzoo R. integra en R. heterophýlla; R. cyanoxántha soms geheel blauw-violet, vaak met oranje gevlekt; of geheel vuilgeel wordend met paarse vlekken; het is daarom aan te raden steeds zooveel mogelijk exemplaren van verschillenden leeftijd te verzamelen.

No. 68. R. nígricans. Grofplaat-Russula. (fig. 53).

H. wit, grauw, olijfkleurig bruin, ten slotte zwartachtig, 8-14 cM., met omgebogen rand. Vleesch hard en vast, wit, eerst roodachtig, dan zwart verkleurend. Pl. dik en grof, wijd uiteen. St. dik, tot 8 cM. hoog, kleur als h. In bosschen. Zomer-herfst. a.

N.b. Op oude, rottende exemplaren ziet men niet zelden andere kleine, wit of bruin gekleurde paddenstoeltjes (plaatzwammetjes) groeien. Deze behooren ten eerste tot de soort: Nýctalis asteróphora No. 87, het Sterzwammetje, (fig. 52). H. 1-2.5 cM. breed, bolrond, eerst wit, spoedig bruin gekleurd, door een bruine, stuifzwamachtige laag van z.g.n. "chlamydosporen", die ontstaan zijn uit het hoedje en onder 't microscoop bezien een stervormige gedaante hebben. Ten tweede, tot de soort: Collýbia tuberósa No. 88. "Knolletjes-collybia". H. wit, teer, 2-8 mM. breed, meest met langen en dunnen st. en aan den voet daarvan een geel-bruin zaadjesachtig knolletje of sklerotium, waaruit 't paddenstoeltje gegroeid is. Deze soort groeit meestal in groote groepjes bijeen, op de plaatjes der rottende exemplaren ook van andere Rússula- en van Lactárius-soorten.

No. 69. R. délica. Witte Russula.

Geheele paddenstoel wit of geelwit, eenigszins glanzend, vleezig, eerst bol, dan trechtervormig, 8-14 cM. breed. Pl. wijd uiteen, afloopend, bij ouder worden, vooral bij den steel blauwachtig of grijsgroen. St. krachtig, tot 6 cM. hoog.

Deze Russula gelijkt op Lact. velléreus (No. 66). (Soms, doch zelden, groeit uit haar hoed een andere kleine paddenst. Nýctalis parasítica). Najaar. vr. a. e.

No. 70. R. foétens. Stinkende Russula.

H. rossig, geelbruin met gestreepten en knobbeligen rand tot 13 cM. br. eerst bol dan plat. Pl. wit, vleesch met zeer onaangenamen walgelijken geur, smaak scherp. St. wit tot 12 cM. hoog. Zomer-najaar. vr. a. v.

No. 71. R. pectináta. Gestreepte Russula.

H. bruin, omberkleurig, in 't midden meestal donkerder. Hoedrand dikwijls tot aan het midden toe gestreept of knobbelig gevoord, vl., eerst ineen gedrongen bol, dan vlak, soms iets kleverig, 6-8 cM. breed. Pl. wit; vleesch niet naar blauwzuur doch zeer onaangenaam riekend en bitter smakend. St. wit, gestreept, gezwollen. 2-3 cM. hoog. vr. a. v.

No. 72. R. ochroleúca. Scherp-gele Russula.

H. vuil-geel, naar den rand toe iets bleeker. 5-7 cM. breed. Pl. wit, soms met iets geel, bijna alle even lang, sporen wit. Vleesch zeer scherp. St. grijs wit, tot 8 cM. hoog, netvormig gerimpeld. Zomer-najaar. a.v.

No. 73. R. ochrácea. Gele geel-plaat Russula.

H. geel-bruin, eerst ingerold dan vlak en ingedrukt, vleesch geelachtig, 5-7 cM. breed. Pl. spoedig geel; sporen okergeel, vleesch met scherpen nasmaak. St. wit of bruinachtig tot 6 cM. hoog. Najaar in 't O. vr. a. v.

No. 74. R. citrína. Zoet-gele Russula.

H. mooi citroengeel, glad, eenigszins glanzend, dadelijk plat, dan ingedrukt met gemakkelijk loslatend huidje, 5-10 cM. breed. Pl. en st. mooi wit, smaak zoet. In 't O. en Z. vr. a.

No. 75. R. furcáta. Geelgroene Russula.

H. groen of geelgroen, ook groenachtig-bruin, glad, eerst bol dan trechtervormig, 10-15 cM. breed. Vleesch onder de opperhuid roodachtig, smaak scherp. Pl. wit, wijd uiteen, sterk gevorkt. St. wit, dik, onderaan smaller, 3-5 cM. hoog. Najaar. a. v.

No. 76. R. viréscens. Grasgroene Russula.

H. frischgroen, geelgroen verbleekend, eerst half kegelvormig, dan vlak, dikwijls gespleten en de droge opperhuid door barsten en wrattige vakjes verdeeld, 6-12 cM. breed. Pl. en st. fraai wit. St. krachtig, tot 8 cM. hoog. Juni-Sept. in 't O. en Z. vr.a.e.

No. 77. R. heterophýlla. Olijfgroene Russula.

H. olijfgroen, meestal geel, paars of rood getint, eerst bol dan vlak en komvormig verdiept, 5-12 cM. breed, bij vocht eenigszins kleverig. Pl. zeer dicht bijeen, met kleine en gevorkte er tusschen. St. witachtig, stevig, tot 8 cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in 't O. a. e.

No. 78. R. lépida. Slanke Russula.

H. carmijn, meestal roserood, naar 't midden verbleekend, vleezig, eenigszins kegelvormig bol, 6-10 cM. breed. Vleesch hard, droog, smaak zoet. Pl. wit, later geelachtig. St. meest slank, gekromd, wit soms rood getint, 6-8 cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in 't O. en Z. vr. a. e.

No. 79. R. depállens. Verbleekende Russula.

H. roodachtig of bleek purperviolet, spoedig vooral in 't midden wit of vuilgeel wordend, eenigszins kleverig, eerst bol dan vlak en gegolfd, flauw gestreept, tot 8 cM. breed. Vleesch niet scherp. Pl. talrijk, grijsachtig wit. St. grijswit, tot 4 cM. hoog. Najaar. a. e.

No. 80. R. cyanoxántha. Blauw-gele Russula.

H. blauw of donker violetpurper, vermengd met rood, bleekgroen en geel, eerst halfrond of bol, dan vlak, komvormig verdiept of trechtervormig, met straalsgewijs gestreepten rand. Vleesch onder de opperhuid roodachtig, smaak zoet. St. dik, wit, glad, tot 8 cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in 't O. en Z. vr. a. e.

No. 81. R. íntegra. Vroege geel-plaat Russula.

H. rood, bruinrood of bruin, kleverig, eerst bol dan plat en ingedrukt met gestreepten rand, 6-12 cM. breed. Pl. breed, bleek-geel. St. wit, buikig, gestreept, 5-8 cM. hoog. Smaak zoet. Zomer-najaar. a. e.

No. 82. R. alutácea. Roode geel-plaat Russula.

H. zeer verschillend in kleur, meest rood of purperrood met groen gevlekt, verbleekend, droog, glad. eerst bol dan plat met gestreepten rand, 5-15 cM. br. Pl. ledergeel, dik, wijd uiteen. St. gevuld, wit soms met rood, tot 5 cM. hoog. Smaak zoet. Najaar. vr. a.

No. 83. R. Quelétii. Purperroode Russula.

H. donker purper of zwart-violet, rand wat lichter, eerst bol dan vlak, 3-8 cM. breed. Pl. wit, st. sterk violet of rose-violet, tot 5 cM. hoog. Smaak zeer scherp. Najaar in 't O. vr. a. v.

No. 84. R. frágilis. Broze Russula.

H. licht rose-rood, dikwijls wit of violet verkleurend, dun vleezig, breekbaar, vlak, 3-6 cM. br, met gestreepten rand. Pl. wit, st. wit, hol, zeer breekbaar, 2-5 cM. hoog. Smaak zeer scherp. Zomer-winter. a. a. v.

No. 85. R. rúbra. Vuurroode Russula (fig. 54).

H. jong eenkleurig, vuurrood, droog, vast, met omgerolden rand, later verbleekend, geelachtig of bont, vlak, dikwijls gespleten, 6-8 cM. breed. Opperhuid moeilijk te verwijderen, vleesch daaronder rood; zeer scherp. Pl. wit, st. stevig, wit, onderaan iets roodachtig, 4-6 cM. Zomer-najaar. vr. a. v.

No. 86. R. emética. Braking verwekkende Russula. "Speiteufel".

H. en st. meest van dezelfde kleur, deze zeer verschillend: roserood, bontrood of bruin, door regen verbleekend, waterig. H. plat met gestreepten rand, soms in 't midden bultig. Vleesch onder de gemakkelijk afscheidbare opperhuid roodachtig, zeer scherp. Pl. wijd uiteen, breed, gelijk, grijsachtig wit. St. veerkrachtig, 6-8 cM. hoog. (Op sommige menschen moet reeds de geur van dezen paddenstoel braking-verwekkend werken.) Najaar. a. g.

No. 87. Nýctalis asteróphora. Zie blz. 199.

No. 88. Collýbia tuberósa. Zie blz. 199.

TABEL TOT HET BEPALEN DER MEEST VOORKOMENDE CORTINÁRIUS-SOORTEN.

(Plaat 5, fig. 25-29 en fig. 14).

1. H. en st. kleverig: 2 H. en st. niet kleverig: 4

2. St. schubbig, h. geel of roodachtig bruin. Pl. eerst violet dan bruin: C. (Myxácium) collinítus No. 89. St. niet schubbig: 3

3. St. met paarse band (overblijfsel van cortina). H. bruin-violet, bol-bultig, weinig kleverig. Pl. eerst bleek violet, dan bruin: C. (Myxácium) elátior No. 90. St. niet met paarse band, wit. H. geel-bruin, vlak, zeer kleverig. Pl. eerst geel- dan rood-bruin: C. (Myxácium) mucósus No. 91.

4. St. van onderen knolvormig, met 2-4 vermiljoenroode concentrische banden. H. rood-bruin: C. (Telamónia) armillátus No. 92. St. met witten band. H. puntig kegelvormig, bruin met witten rand, dikwijls gebarsten: C. (Telamónia) hinnúleus No. 93. St. zonder banden: 5

5. St. stevig, min of meer knol- of knotsvormig. H. en st. licht lila, zijdeachtig glanzend: C. (Inolóma) álbo-violáceus No. 94. St. dun, niet knolvormig: 6

6. Pl. bloedrood: C. (Dermócybe) cinnabarínus No. 95. Pl. kaneelkleurig: C. (Dermócybe) cinnamómeus No. 96.

No. 89. C. (Myx.) collinítus. Schubsteel-slijmkop.

H. geel- of roodachtigbruin, eerst met een dikke slijmlaag bedekt, later glanzend; eerst bol dan uitgespreid, 5-10 cM. breed. Pl. eerst kleikleurig-violet, dan roestbruin. St. met schubben als kleur van de h., 10-20 cM. hoog. Aug.-Oct. vr. a.

No. 90. C. (Myx.) elátior. Hooge gordijnzwam.

H. verschillend van kleur, meest bruin-violet (soms geheel paars), weinig kleverig, eerst bol dan uitgespreid en bultig, 4-12 cM. breed. Pl. eerst violet, dan bruin. St. naar boven verdund, van onderen spoel- of wortelvormig verlengd. Zijdeachtig, witachtig; vooral jong, bovenaan met duidelijke, paarse concentr. band, 12-15 cM. hoog. Najaar in 't O. a.

No. 91. C. (Myx.) mucósus. Gele slijmkop (fig. 14).

H. geel-bruin, in 't midden bruin, zeer slijmerig, eerst bol dan vlak, 6-10 cM. breed. Vleesch bitter smakend. Pl. eerst wit dan roestkleurig. St. wit (soms bovenaan iets paars), rolrond tot 8 cM. hoog. Najaar in 't Z. en O. vr. a.

No. 92. C. (Telam.) armillátus. Armbandzwam.

H. rood-bruin, eenigszins vezelig of schubbig, dikwijls aderig gerimpeld, klokvormig uitgespreid, 6-15 cM. breed. Pl. eerst bleek- dan kaneel-bruin. St. onderaan knolvormig, rosrood of grijs met 2-4 duidelijke concentr. vermiljoenroode banden, tot 15 cM. hoog. De P. riekt soms naar radijs. Najaar in 't Z. en O. vr. a.

No. 93. C. (Telam.) hinnúleus. Kegelv. gordijnzwam.

H. kegel-klokvormig, bij vochtig weer kastanje, bij droogte lederbruin, vaak met witten omgebogen rand, dunvleezig, 3-7 cM. breed. Pl. wijd uitéén eerst witachtig dan donkerkaneelkleurig. St. jong met reinwitten ring, later vuilbruin tot 8 cM. hoog. Zomer-herfst. a.

No. 94. C. (Inol.) albo-violáceus. Lila gordijnzwam.

H. en st. licht lila, zijdeachtig glanzend, eerst kegelvormig dan bol bultig, fijn vezelig, 5-10 cM. breed. Pl. eerst aschgrauw-paars, dan bruin. St. onderaan knotsvormig, tot 15 cM. hoog. Meestal meerdere exemplaren bijéén. Zomer-herfst vr. a.

No. 95. C. (Derm.) cinnabarínus. Vermiljoenzwam.

H., st. en pl. vermiljoenrood (de pl. 't mooiste). H. zijdeachtig of fijn schubbig, eerst klokvormig dan uitgespreid, 4-8 cM. breed. Reuk naar radijs. Najaar in 't Z. en O. a. verder vr. a.

No. 96. C. (Derm.) cinnamómeus. Kaneelkleurige zwam.

H. kaneelkleurig of roodbruin, zijdeachtig vezelig, bol, bultig, 2-8 cM. breed. Hoedvleesch dun, geel. Pl. eerst geelachtig dan licht kaneelkleurig. St. onderaan, kleur als h., bovenaan met gele cortina, 5-8 cM. hoog. Alleenstaand of in groepjes. Zomer-najaar a.

Bolétus. (Plaat 2, fig. IX).

De Boleten zijn alle vleezige grondpaddenstoelen. Reeds hierdoor onderscheiden zij zich van de echte Polyporeeën; kenmerkend is bovendien, dat men de poriënlaag zonder moeite van het hoedvleesch kan afscheiden. Er zijn een aantal goede eetzwammen onder (zie blz. 97); enkele giftige of verdachte kan men zonder moeite herkennen. Zij komen vrijwel alle op zandgrond voor en verschijnen al in den zomer. De meeste soorten vindt men in of bij de naaldbosschen, waar men ze in nazomer en herfst vaak in ontzaggelijke hoeveelheden kan aantreffen.

TABEL TOT HET BEPALEN DER BOLÉTUS-SOORTEN.

1. Met een ring (zoek vooral bij jonge exemplaren): a. H. bruin-bruingeel. Ring later paarsbruin, ten slotte meestal als een donkere band zichtbaar: B. lúteus No. 103 (fig. 26 en 56). b. H. geel-goudgeel. Ring wit-vuilgeel: B. élegans No. 104 (Plaat 2, fig. IXb). Zonder ring: 2

2. Het vleesch wordt bij doorbreken snel en duidelijk blauw: 3 --niet of heel weinig blauw: 7

3. De geheele zwam, zoowel steel als hoed, heeft zoowat eenzelfde kleur, bleek, wit-geel of okergeel-bruin: 4 Niet aldus, gedeeltelijk rood: 5

4. De geheele zwam is bleek, witgeel-geelbruin en wordt door druk overal fraai blauw: (indigoboleet) B. cyanéscens No. 105. Zij is okergeel tot geelbruin en alleen het vleesch kleurt zich bij doorbreken min of meer blauw: Zie B. variegátus, zie ook B. bádius.

5. Poriën bleekgeel tot groenig, door druk blauw: B. cálopus No. 106. Poriën oranje-rood of rood: 6

6. H. bruin, vleesch geel, snel blauw-groen wordend: B. lúridus No. 107. H. lichter, vuil grijs-geel tot licht-bruin; vleesch bijna wit, eerst rood- dan blauw wordend: B. Sátanas No. 108 (fig. 58).

7. Poriën oranje-rood of rood: Zie B. Sátanas. Poriën anders: wit-geel, rose, groenig, bruinachtig. 8

8. Vleesch bitter, poriën witachtig of vuil rose: B. félleus. No. 98. Niet bitter, poriën anders gekleurd: 9

9. Steel ruw door vezelige schubjes: a. H. rossig bruin, aan de rand vaak resten van een sluier: B. rúfus No. 110. b. H. grijs-grauw of grauw-bruin geen resten: B. scáber No. 111 (fig. 57). Niet aldus: 10

10. Steel dik, meestal buikig (zie Pl. 2 fig. IX) en van boven vaak netvormig geteekend: B. edúlis No. 97 (fig. 21). Steel niet dik, rolrond, niet buikig en niet netvormig geteekend: 11

11. H. fijn-viltig, steeds droog en zacht: B. subtomentósus (chrysénteron) No. 109. H. glad en kaal, bij vochtig weer vaak slijmerig: 12

12. H. bruin, ± kastanje, poriën worden bij druk groenig: B. bádius No. 99. H. meer geel of geel-bruin, poriën niet aldus: 13

13. H. bij vocht zeer slijmerig, aan de poriën meestal kleine melkdruppeltjes, steel citroengeel: B. granulátus No. 102 (fig. 55). H. niet zeer slijmerig, hoogstens kleverig: 14

14. H. okergeel-geelbruin, met donkere schubjes: B. variegátus No. 100. H. geelachtig bruin-oranje, zonder schubjes: B. bóvinus No. 101. Voor B. parasíticus, zie blz. 287.

No. 97. Bolétus edúlis. Eekhoorntjesbrood. (Cèpe, Herrenpilz), (fig. 21).

Groote, vleezige boleet, h. 10-25 cM., licht tot donkerbruin, poriën eerst wit, later groen-geelachtig, fijn. St. eerst knolvormig, later buikig; bleek bruinbeige, van boven meestal een fijn witachtig adernet; vleesch wit, onder de opperhuid vaak rose; onveranderlijk. Smaak aangenaam, nootachtig. Zomer en herfst. a. e.

N.B. Niet te verwarren met de bittere boleet (Bolétus félleus).

No. 98. Bolétus félleus. Bittere boleet.

Onderscheidt zich van de vorige: hij is kleiner (5 à 10 cM.); het witte vleesch kleurt zich rose en smaakt bitter; de poriën worden van wit, lichtrose-bruin. De steel is meest wat meer cylindrisch en voorzien van een bruinachtig adernet. Zomer-Herfst. vr. a.

N.B. Een enkele bittere boleet kan een geheel maal van B. edúlis oneetbaar maken. Daarom prente men zich deze verschillen goed in!

No. 99. Bolétus bádius. Kastanje-boleet.

H. 5 à 12 cM. fraai bruin, bij vocht kleverig, droog, glanzend. Poriën bleek-geel tot groenachtig, bij druk blauwgroen wordend. St. rolrond, 1 à 3 cM. dik, 5-9 cM. hoog, vaak gekromd, geel bruin met fijne bruine stipjes. Vleesch wit of zeer licht geel, bij doorbreken lichtblauw. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 100. Bolétus variëgátus. Geschubde boleet.

H. 5 à 12 cM. okergeel tot geelbruin, met kleine donkerder haarschubjes bedekt. (Deze kunnen bij regenweer verdwijnen). Poriën geel-wit tot geel, later weer bruinachtig. Steel zelfde kleur als de hoed, wat lichter, cylindrisch, van onderen meest verdikt. Vleesch licht geel, bij doorbreken wat licht blauw. Zomer-herfst. a.

No. 101. Bolétus bovínus. Koeienboleet.

H. 4 à 8 cM. helder geelachtig-bruin of ietwat oranje-rose, vochtig kleverig; droog glad en glanzend; poriën bij volwassen exempl. groot, hoekig en samengesteld, d.i. door dieper gelegen tusschenwandjes in kleinere verdeeld; bovendien afloopend op den steel. Zij zijn grijs-wit, geelachtig, roestkleurig of groen-bruin. De steel is meestal kort (2 à 6 cM.) en rolrond, kleur als de h. Vleesch blijvend wit. Vaak meerdere exemplaren met de stelen vergroeid. Zomer-herfst. vr. a.

N.B. Niet te verwarren met B. variegátus. Men vindt beide soorten vaak dooreen in naaldbosschen.

No. 102. Bolétus granulátus. Melkboleet (fig. 55).

H. 4 à 8 cM., helder geel tot bruin, vochtig zeer slijmerig; droog glanzend. Poriën aanv. zeer fijn, geel-wit en witte droppeltjes afscheidend; later geel, geelbruin. De steel is kort ± cylindervormig, lichtgeel, bovenaan met korreltjes bezet; deze zijn eerst geel, later bruin tot zwart. Vleesch blijvend lichtgeel. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 103. Bolétus lúteus.

Bruine ringboleet (fig. 56 en 26). H. 6 à 10 cM. bruin tot bruingeel, meest zeer slijmerig, eenigszins kegelvormig of bolrond. Poriën fijn, licht-geel. Ring aanv. wit geelachtig, later paars-bruin, ten slotte als een donkere band zichtbaar. Vleesch wit tot geelwit. Nazomer-herfst. In of bij naaldbosschen. vr. a. e.

No. 104. Bolétus élegans.

Gele ringboleet. (Plaat 2, fig. IXb).

Onderscheidt zich van de vorige door lichter, geler kleur. Zij is ook minder forsch (5 à 8 cM.), de ring wordt niet paars-bruin en is vergankelijk en ten slotte vaak alleen als eene aanzwelling aan den steel zichtbaar. Nazomer-herfst. vr. a. e.

No. 105. Bolétus cyanéscens. Indigo-boleet.

De geheele P. (h. st. en pl.) is bleek, witgeel-geelbruin en wordt door druk overal fraai blauw. H. bol of bolvlak, een weinig viltig of schubbig, 5-12 cM. breed. St. 5-7 cM. lang. Zomer-herfst. vr. a. v.

No. 106. Bolétus cálopus. Pronksteel-boleet.

H. tot 15 cM., bruin-olijfkleurig dof, fijn viltig. Poriën bleek-geel, door druk blauw. St. dik, aanv. buikig, dan rolrond, geheel, of alleen bovenaan, fraai rood en netvormig geaderd. Vleesch wit, lichtgeel, blauw wordend. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 107. Bolétus lúridus. Heksenboleet.