Het paddenstoelenboekje

Part 11

Chapter 113,465 wordsPublic domain

1. Eenigszins teere p. met langgest. kegelv. hoed: Mycéna No. 202-204. (Plaat 3, fig. 7). Taaie, droge, niet rottende p.: Marásmius No. 209-215 (Plaat 4, fig. 13 en fig. 25). Taaie, vochtige, rottende p.; st. bovenaan meest afgeplat: Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6). Vleezige p.: 2 2. Pl. bochtig aan den steel vastgehecht: Tricholóma. Zie tabel blz. 180. (Plaat 3, fig. 4). Pl. zonder bochtje aan den st. verbonden, bros: Rússula, zie tabel blz. 196. (Plaat 2, fig. IV, Pl. 3, fig. 12 en fig. 54).

AFDEELING 2.

1. Sporen wit: 2 Sporen rose: 3 2. Pl. lichtrose, teere p. met lange st., kegelv. hoed, zie Mycéna. Pl. helrose, witbestoven h. en st. van dezelfde kleur: Laccária laccáta No. 197. 3. Pl. eerst witachtig dan rose, geheel vrij, st. forsch. gedraaid: Plúteus cervínus No. 129. (Plaat 4, fig. 16). Pl. eerst grijs dan rose, bijna vrij; h. grijs of bruinglanzend: Nolánea páscua No. 268. (Plaat 4, fig. 17).

AFDEELING 3.

Pl. bloedrood (sporen wit) wijd uitéén: Hygróphorus, zie tabel blz. 188. (Plaat 3, fig. 10). Pl. bloedrood (sporen bruin) dicht bijéén: Cortinárius cinnabarínus No. 95. Pl. paars (roodekoolkleurig) wit bestoven, wijd uitéén: Laccária laccáta var. amethýstina. No. 198 (fig. 28). Pl. paars (violet) dicht bijeen: Tricholóma núdum No. 29. Pl. groenachtig-geel: Hygróphorus psittacínus No. 55. Pl. geel, dik, wasachtig of vochtig: Hygróphorus ceráceus No. 54. Pl. geel, droog, bochtig aangehecht aan den st.: Tricholóma sulfúreus, equéstre en rútilans. Zie tabel blz. 180.

AFDEELING 4.

1. H. kegelvormig: 2 Niet zoo: 4 2. St. pijpachtig dun: 3 St. eenigszins vleezig, h. schubbig of zijdeachtig: Inócybe No. 216 en 217. 3. H. kleverig: Bolbítius vitellínus No. 262. (Plaat 5, fig. 29). H. droog: Galéra hypnórum No. 219. (Plaat 4, fig. 21). 4. H. ledergeel, voorjaarsp.: Pholióta práécox No. 261. H. anders van kleur: 5 5. Pl. eenigszins afloopend. H. bruin; op plantenafval en takjes: Tubária furfurácea No. 135. (Plaat 4, fig. 24). Niet zoo: 6 6. H. glad met omgeslagen witten rand: Hebelóma crustulinifórmis No. 218. (Plaat 4, fig. 20). H. meest fijn geschubd: Cortinárius, zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 27). Zie ook Naucória No. 275.

AFDEELING 5.

1. Pl. spoedig vervloeiend tot een inktachtige vloeistof: 2 Pl. niet vervloeiend, opdrogend: 3 2. Pl. eerst wit, spoedig zwart: Coprínus No. 142 en 266-270. (Pl. 2, fig. VIII en fig. 114). Pl. eerst grijs, dan violet-zwart: Psathýra corrúgis No. 224. (Plaat 5, fig. 33). 3. Pl. geheel zwart, teere kleine p. in dichte zoden: Psathyrélla dissemináta No. 141. (Plaat 5, fig. 36). Pl. met lichteren rand, in kleine troepjes: Panáéolus campanulátus No. 270. (Plaat 5, fig. 35).

N.B. Van de volgende geslachten vindt men de tabellen: Amaníta (blz. 175), Tricholóma (blz. 180), Clitócybe (blz. 184), Hygróphorus (blz. 188), Lactárius (blz. 191), Rússula (blz. 196) en Cortinárius (blz. 204).

Voor de andere geslachten, zoeke men, al naar de plaats waar men de paddenstoelen verzameld heeft, onder één van de rubrieken: gemengde bosschen, naaldbosschen, enz.

TABEL TOT HET BEPALEN DER AMANÍTA-SOORTEN. (PLAAT 2 FIG. I.)

1. Steel zonder ring (manchet): a. steel zonder knol, doch met wijden zak of scheede: h. bruinrood of grijs: Am. vagináta. No. 19. b. steel met knol zonder zak; hoed geel: Am. junquíllea. No. 20. (fig. 46). Steel met ring: 2

2. H. rood (licht of vleeschrood) of roodbruin met witte wratjes; het vleesch kleurt bij verwonding rood: Am. rubéscens. No. 21. Hoed vuurrood of oranjerood, meestal met witte plakjes bedekt. 't Vleesch kleurt niet rood: Am. muscária No. 22 (fig. 47). H. anders gekleurd. 3

3. H. chocoladebruin met witte of grijze wratjes: Am. pántherina. No. 23. H. wit, geel of groen. 4

4. Steel met door een zak omgeven knol, h. groen, meest kaal: Am. phalloídes. No. 24 (fig. 48). Steel met knol zonder zak; h. lichtgeel of wit met witte of bruine plakjes: Am. citrína var. máppa. No. 25 (fig. 49).

No. 19. Am. vagináta. Slanke Amaniet.

H. klokvormig, later vlak, roodbruin of grijs; 3-10 cM. breed, met gestreepten rand, glanzend, kaal of met enkele witte plakjes bedekt; St. lang, slank, wit; het ondereinde besloten in een scheede, die teer en wit is. Zomer-Najaar in 't Z. en O. van ons land. a. e.

No. 20. Am. junquíllea. Gele Amaniet (fig. 46).

H. citroengeel, 5-6 cM. breed, met gestreepten rand, glanzend met witte plakjes bedekt. Plaatjes wit. St. 7-9 cM. hoog, wit-vlokkig en bij jonge exemplaren soms met een teeren, vergankelijken ring. Zomer-najaar op diluvialen grond. vr. a.

No. 21. Am. rubéscens. Paarl-Amaniet.

H. vleeschrood of roodbruin met kleine, witte wratjes bezet, 8-15 cM. breed. Steel, ring en plaatjes later roodachtig; de ring gestreept. Knol naar boven in meerdere ringen eindigend. Deze amaniet wordt soms met Am. panth. verward, doch is van deze te onderscheiden, door het rood worden van het vleesch bij 't doorbreken. Zonder opperhuid is zij eetbaar, doch door haar gelijkenis met Am. panth. niet aan te bevelen. Zomer-winter. a. a.

No. 22. Am. muscária. Vliegenzwam. (fig. 13 en 47).

H. vuur- of oranjerood, glanzend met groote witte of geelachtige plakjes bezet, 10-15 cM. breed, met kortgestreepten rand. St. vol, zuiver wit, 12-18 cM. hoog. Ring wit, vaak crême, breed afhangend. Groote bolronde knol, naar boven in vlokkige, onduidelijke ringen eindigend. Zomer-najaar. a. v.

No. 23. Am. pantherína. Panter-Amaniet.

H. chocoladebruin, glanzend met witte of grijze wratjes bezet, 5-10 cM. breed, met gestreepten rand. Ring klein, teer, gestreept, soms ontbrekend, evenals de st. eenigszins geelachtig. St. 12-18 cM. hoog. De knol eindigt naar boven duidelijk in 2-3 ringen. Zomer-najaar. a. g.

No. 24. Am. phalloídes. (bulbósa). Groene knolamaniet (fig. 48 en 16).

H. bleek, geelgroen of brons, later witachtig, 8-10 cM. breed, glanzend, kaal, zelden met witte of bruine plakjes bezet. Plaatjes wit of groenachtig, st. evenzoo, vlokkig, 8-12 cM. hoog. Ring breed afhangend. Knol naar boven in een zak uitloopend, die den steel als een scheede omvat. Onaangename geur, eenigszins naar rauwe aardappelen. Zomer-najaar. a. d.g.

No. 25. Am. citrína. Gele knolamaniet. (fig. 49 en 16).

H. meest wit, soms geel, als regel met witte of bruine (var. máppa) plakjes bezet, 6-9 cM. breed. St. en ring roomkleurig-wit, knol naar boven meestal in één ring afscheurend. (Gelijkt op Am. phall. is meestal korter van steel, heeft de h. lichter van kleur en met plakjes bezet, en geen zak om de knol). Zomer-winter. a.a. g.

N.b. Zie ook Am. junq. die soms resten van een ring vertoont.

TABEL TOT HET BEPALEN DER TRICHOLÓMA-SOORTEN. (PLAAT 3, FIG. 4).

1. Vroeg in 't voorjaar verschijnend in weilanden en in bosschen. H. lichtgeel of grijsachtig. St. wit. Vleesch riekend naar versch meel: Tr. gambósum (Tr. Georgii) No. 26. Niet vroeg in 't voorjaar, pas in den zomer of in 't najaar verschijnend: 2

2. H. en st. zuiver wit, glanzend; vaak bij kneuzing rose, geel of groen aanloopend: Tr. columbétta No. 27. H. muisgrijs met fijne zwarte schubjes. Pl. eerst wit dan grijs, wijd uitéén, voornamelijk in naaldbosschen: Tr. térreum No. 28. H. paars: 3 H. geel of geelachtig: 4 H. anders gekleurd: 6

3. H. fraai paars, St. krachtig, vleezig. In bosschen vooral eikenbosschen: Tr. núdum No. 29. H. bruinachtig paars, St. dun, taai, meest in weilanden, wegranden, enz.: Tr. sórdidum No. 30.

4. H. geelachtig, met groen of bruin; vezelig. St. wit, uitsluitend in naaldbosschen: Tr. lúridum No. 31. H. en St. zuiver geel: 5

5. H. glad, St. lang en dun, pl. wijd uitéén, vleesch dun met sterk onaangenamen reuk: Tr. sulphúreum No. 32. H. eenigszins schubbig, St. kort en dik, pl. dicht bijéén, vleesch zonder reuk: Tr. equéstre No. 33.

6. St. met duidelijke zwarte schubjes. H. groenachtig bruin, vleesch bij doorsnijden roodachtig, reuk soms naar zeep: Tr. saponáceum No. 34. St. zonder schubben: 7

7. St. vleezig, krachtig, roomkleurig of geelachtig, H. bij vocht iets kleverig, bij droogte glanzend, bruin, zwartachtig met violette weerschijn, in bosschen: Tr. portentósum No. 35. St. dun, taai, gestreept, H. grauw, zwartachtig, bij opdroging aschgrauw; op grazige plaatsen: Tr. melaléúcum No. 36. Voor Trich. rútilans zie blz. 223.

No. 26. Tr. gambósum (Geórgii). Voorjaarsridderzwam. H. wit-geelachtig, soms grijsachtig, verschillend in vorm en grootte 5-10 cM. breed, met zachtvlokkigen, gegolfden, later omgerolden rand. Pl. wit, dicht bijéén. St. tot 6 cM. hoog, dik, wit, krachtig, bovenaan vlokkig. Het vleesch riekt naar versch meel. Meestal in heksenkringen groeiend. Voorjaar. vr. a. e.

No. 27. Tr. columbétta. Duifzwam. Geheele p. fraai wit. H. 4-10 cM., vaak wat onregelmatig, met ingerolden rand, eerst glanzend, kaal, later vezelig. St. eenigszins wortelend, glanzend, 3-9 cM. hoog. H. en St. vertoonen dikwijls rose, gele of groene vlekken. Najaar. vr. a. e.

No. 28. Tr. térreum. Grijze ridderzwam. H. tot 10 cM. breed, muiskl. of bruin-zwart-grijs met fijne zwartachtige schubjes bedekt, zeer bros, dunvleezig, eerst klokvormig, dan vlak met bult in 't midden en gegolfden rand. Pl. eerst wit, dan grijs, breed, wijd uitéén. St. slank, witachtig, glanzend, 3-8 cM. hoog. Zomer-herfst, vooral in naaldbosschen. a.

No. 29. Tr. nùdum (personátum). Paarse ridderzwam.

Geheele p. paars of bruinachtig paars. H. 6-15 cM., breed, kaal, dikwijls vochtig, eerst met ingerolden rand, later gegolfd. Pl. fraai paars, dicht bijéén. St. stevig. 4-9 cM. hoog; onderaan verdikt en viltig. Meest in eikenbosschen, veelal in heksenkringen groeiend. Zomer-herfst. a.e.

No. 30. Tr. sórdidum. Vaal-paarse ridderzwam.

Deze soort gelijkt veel op Tr. núdum, doch heeft een langeren, meer rolronden en dunneren st. dan deze en de h. is meestal kleiner tot 6 cM. breed, minder vleezig en van een bruin- of vuilpaarse kleur. Meest in weilanden langs wegranden, enz. Najaar. vr. a. e.

No. 31. Tr. lúridum. Groenige ridderzwam.

H. geel met groen of bruin, in 't midden donkerder, glanzend met kleine schubjes, 6-9 cM. breed, vleezig, bolrond met gegolfden rand, gewoonlijk gebarsten. Pl. geel of groenachtig. St. krachtig 4-8 cM. hoog, dun, vlokkig bestoven. Uitsluitend in naaldbosschen. Najaar in het Z. en O. vr. a.

No. 32. Tr. sulphúreum. Narciszwam.

Geheele p. geel. H. 3-6 cM. breed, in 't midden iets donkerder gekleurd (soms bruinachtig), kaal; pl. zwavelgeel, breed, wijd uitéén; vleesch geel, riekt onaangenaam (volgens sommigen naar narcissen of boerenjasmijn, volgens anderen naar zwavel-dioxyde). St. eenigszins gekromd, licht gestreept 5-9 cM. hoog. Zomer-herfst. vr. a. v.

No. 33. Tr. equéstre. Gele ridderzwam.

Geheele p. geel of bruingeel, gelijkt wat op sulphúreum, mist echter den onaangenamen geur. H. vleeziger en soms met fijne schubjes. Pl. dichter bijéén en talrijker. St. korter en krachtiger, meest in naaldbosschen. Herfst. vr. a. e.

No. 34. Tr. saponáceum. Zeepzwam.

H. zeer verschillend in kleur: lichtgrijs, donkerbruin en groenachtig (vooral aan den rand); eerst bol dan vlak, dikwijls in schubjes gebarsten, 4-10 cM. breed. Pl. wijd uitéén, eerst wit dan groen-geel. St. stevig, wortelend tot 8 cM. hoog, gedeeltelijk met zwartachtige schubjes bedekt. Kenmerkend voor deze soort is behalve de fijngeschubde st., het rood worden van het vleesch (dat bitter smaakt en soms naar zeep riekt) bij 't doorsnijden, vooral waar te nemen, aan 't ondereinde van den steel. Najaar in 't O. en Z. vr. a. v.

No. 35. Tr. portentósum. Glanzende ridderzwam.

H. grijs of donkerbruin, vaak violet getint, bij vochtig weer eenigszins kleverig, bij droogte glanzend gestreept door zwart-bruine vezels, stevig, 8-12 cM. breed, eerst bol, dan uitgespreid, dikwijls gebarsten. Pl. breed, geel groenachtig. St. roomkleurig of geelachtig 6-8 cM. hoog. Het vleesch riekt naar versch meel. Najaar. vr. a. e.

No. 36. Tr. melaleúcum. Zwart-witte ridderzwam.

H. 4-7 cM. breed, asch-grijs of zwartachtig, eerst kegel-klokvormig, later uitgespreid met zwakke bult, dun-vleezig. Pl. wit, dicht bijéén. Steel slank, 6-9 cM. hoog, elastisch, wit, meest fijn grijs-vezelig, van onderen wat verdikt. Bosschen, wegranden, enz. Nazomer-herfst. vr. a.

TABEL TOT HET BEPALEN DER CLITÓCYBE-SOORTEN. (PLAAT 3, FIG. 5).

1. Sterken geur naar anijs: a. H. groot, groen: Clit. ódóra. No. 37. b. H. klein, beige: Clit. suavéolens. No. 38. Geen sterken geur naar anijs. 2

2. Plaatjes grijs, bij vochtig weer blauwachtig zwart: Clit. obbáta. No. 39. Plaatjes wit: 3

3. H. bruin, plaatjes talrijk: Clit. fláccida. No. 40. H. anders gekleurd: 4

4. H. sierlijk trechtervormig, ledergeel: Clit. infundibulifórmis. No. 41 (fig. 50). H. niet duidelijk trechtervormig: 5

5. St. opgeblazen, h. grauw, bruingrijs. Clit. clávipes. No. 42. Niet zoo: 6

6. H. groot tot 12 cM., grijs of aschgrauw, wit bestoven, vleezig, st. zuilvormig: Clit. nebuláris. No. 43. (fig. 27). H. kleiner, leerachtig, wit of beige: Clit. dealbáta. No. 44. Voor Clit. (Laccária) laccáta zie blz. 266.

No. 37. Clit. odóra. Groene anijszwam.

H. blauw of grijsgroen, kaal, eenigszins vochtig, tot 6 cM. breed, aanv. bol, dan vlak met gewoonlijk onregelmatig gegolfden rand, soms bultig. Hoedvleesch stevig, evenals de plaatjes grijsachtig, deze niet dicht opéén, weinig afloopend. St. tot 5 cM. hoog, lichtgroen, scheef wortelend. Augustus-winter. vr. a. e.

No. 38. Clit. suavéolens. Kleine grijze anijszwam.

H. beige- of witachtig, in 't midden donkerder, dunvleezig, eerst plat met ingerolden rand dan trechtervormig met ten laatste neergebogen, gestreepten rand, tot 3 cM. breed; plaatjes dicht bijeen, afloopend, witachtig. St. veerkrachtig, tot 4 cM. hoog, onderaan dikker en eenigszins viltig. Juli-winter. vr. a.

No. 39. Clit. obbáta. Kleine grijze trechterzwam.

H. bij vochtig weer bruin-zwartachtig, waterig, dun vleezig, bij droogte sterk verbleekend, 2-3 cM. breed, eerst vlak dan trechtervormig, aan den rand tot bijna in 't midden gestreept. Plaatjes niet dicht bijeen, afloopend. St. taai, bruinachtig glad of wit gestreept, 5-6 cM. hoog. Alleen of in kleine troepen groeiend. Najaar-winter. vr. a.

No. 40. Clit. fláccida. Rood-bruine trechterzwam.

H. bruin- of rood-bruin, jong vleezig, later slap en verbleekend, 6-12 cM. breed, eerst met ingerolden, later met sterk gegolfden rand; plaatjes wit, later geelachtig, dicht bijeen, sterk afloopend. St. lichtgeel 3-8 cM. hoog, onderaan viltig. Najaar-winter, vr. a. e.

No. 41. Clit. infundibulifórmis. Slanke trechterzwam. (fig. 50).

H. ledergeel of kaneelkleurig, zijdeachtig, slap, 4-6 cM. breed, eerst bol en bultig, dan sierlijk trechtervormig. Plaatjes wit, dicht bijeen, sterk afloopend. St. dezelfde kleur als de hoed of lichter, 5-7 cM. hoog, slank, onderaan met een wit dons op de bladeren wortelend. Eenzaam of in kleine groepjes. Najaar. vr. a. e. (bevat blauwzuur).

No. 42. Clit. clávipes. Knotsvoet-trechterzwam.

H. bruin of grauwbruin, aan den rand vaak wit, sierlijk trechtervormig tot 5 cM. breed. Plaatjes wit, niet dicht bijeen, sterk afloopend. St. opgeblazen met knotsvormigen voet, deze meestal hol, 4-6 cM. hoog, kleur als van den hoed. Eenzaam of in slechts enkele exemplaren bijeengroeiend. Najaar. vr. a.

No. 43. Clit. nebuláris. Nevelzwam. (fig. 27).

H. grijs of aschkleurig, jong meelachtig bestoven dikvleezig, 8-14 cM. breed, eerst bolrond met ingerolden rand, later komvormig rond, dikwijls gegolfd. Plaatjes dicht bijeen, afloopend, eerst wit, later geelachtig. St. wit, grijs gestreept, krachtig, gevuld, tot 8 cM. hoog, onderaan viltig. Sept.-winter. a. e.

No. 44. Clit. dealbáta. Weide-trechterzwam.

Hoed vuilwit, of beige, eenigszins glanzend, dun vleezig, slap, 2-5 cM. breed, trechtervormig met gegolfden rand. Plaatjes dicht bijeen, weinig afloopend, wit. St. taai, tot 4 cM. hoog. Meestal in heksenkringen groeiend. Zomer-najaar. a.

TABEL TOT HET BEPALEN DER HYGRÓPHORUS-SOORTEN. (PLAAT 3 FIG. 10).

1. H. sneeuwwit of ivoorblank (versche ex.). 2 H. anders, veelal levendig gekleurd: 3

2. H. ivoorkleurig, halfbol tot vlak, 3-8 cM.: H. ebúrneus. No. 45 H. zuiver wit (bij oudere soms wat bruinachtig), meestal kleiner: H. níveus No. 49 (fig. 10) en H. virgíneus No. 48

3. H. levendig rood, of oranje-geel: 4 H. geel (goud- of was-), groen, bruin of violet: 6

4. St. glad, pl. aangegroeid of wat afloopend: H. coccíneus No. 50 en H. miniátus. No. 51 St. vezelig gestreept, pl. bijna vrij: 5

5. St. van onderen, witachtig, H. stomp kegelvormig: H. puníceus. No. 52. St. van onderen geel- of zwartachtig, H. spits kegelvormig: H. cónicus. No. 53.

6. Plaatjes wit, H. omber-olijfbruin, zeer slijmerig: H. limácinus. No. 46. Plaatjes geel of groenachtig: 7

7. H. en st. groen, groen-geelachtig of bont: H. psittacínus. No. 55. H. en st. wasgeel: H. ceráceus. No. 54. H. bruin, geelbruin of violet, slijmerig; st. geelwit: H. hypothéjus. No. 47.

No. 45. Hygróphorus ebúrneus. Ivoorzwam.

H. 3-8 cM. breed, ivoorwit, halfbol-vlak, slijmerig, droog glanzend; pl. ivoorwit. St. 5-12 cM., wit, slijmerig; van boven droog en ruw door schubjes en puntjes. Nazomer-herfst in 't O. en Z. vr. a. e.

No. 46. Hygróphorus limácinus. Bruine slijmkop.

H. 3-6 cM., omber-olijfbruin, soms bleeker, vooral de rand, gewelfd, later vlak, zeer slijmerig. Pl. wit, later grauw. St. 5-8 cM. stevig, dik, bleek-olijfkleurig, vezelig gestreept, kleverig, van boven fijn-schubbig. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 47. Hygróphorus hypothéjus Dennenslijmkop.

H. 2-6 cM.; dikslijmerig, kleur verschillend, geel-, bruin- of donkervioletachtig, doch de pl. steeds dooiergeel, evenals de st., die van onderen geel-wit is, glad en slijmerig met zeer vergankelijken ring. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 48. Hygróphorus virgíneus. Leliezwam.

H. 2-6 cM., dunvleezig gewelfd of vlak met bult in 't midden. De geheele paddenstoel wit, later lichtgeel-bruin. De h. is vochtig-vettig op 't gevoel, droog vaak vlokkig. St. gevuld. Zomer-herfst. vr.a.

No. 49. Hygróphorus níveus. Sneeuwzwammetje (fig. 10).

Eveneens geheel wit, doch kleiner (2-3 cM.), vochtig, eenigszins doorzichtig en kleverig, met gestreepten rand, steel hol. Herfst. vr. a.

No. 50. Hygróphorus coccíneus. Scharlakenzwammetje.

H. 2-6 cM., kegel-klokvormig, oranje-scharlakenrood, verbleekend, vochtig, kleverig, glad; vaak gespleten. Pl. geelrood, later rood met grauwe snede, aderig verbonden, met een tandje afloopend. St. vrij dik (± 1 cM.) en hol, van boven rood, van onderen geel. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 51. Hygróphorus miniátus. Vuurzwammetje.

Kleiner dan de vorige (h. 1-3 cM.), meer vermiljoenrood, niet kleverig, en vaak fijnschubbig, meer uitgespreid en zelden gespleten, pl. geel of oranjegeel. St. dunner (± 1/2 cM.). Nazomer-herfst. vr. a.

No. 52. Hygróphorus puníceus. Granaatbloemzwam.

In kleur, vorm en grootte vrijwel gelijk aan H. cónicus, doch er van te onderscheiden, door de gestreepte st., die van onderen wit is, en de pl. die bijna vrij zijn, niet met een tand afloopend. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 53. Hygróphorus cónicus. Gele kegelzwam.

H. 2-4 cM., geel tot oranjerood, spits-kegelvormig; van de voorafgaande vooral te onderscheiden door de bijna geheel vrije (oranje of gele) pl. en de vezelige en gestreepte, vaak gedraaide st. (kleur als h.).

Gewoonlijk wordt deze door ouderdom, vooral ook bij druk of verwonding of zware regens vuil-groenig tot zwart. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 54. Hygróphorus ceráceus. Waszwammetje.

H. 2-4 cM. bijna vliezig, bol-vlak, wasgeel, slechts weinig kleverig, spoedig droog, matglanzend, fijn gestreept. Pl. en st. als h. gekleurd of wat lichter. Pl. breed aangehecht of een weinig afloopend. Herfst. vr. a.

No. 55. Hygróphorus psittacínus. Papegaaizwammetje.

H. 2-3 cM. klokvormig, later meer uitgespreid, fijn gestreept, slijmerig, groen- of geelachtig, vaak bont met rood of rose gekleurd; droog: geel en glanzend. Pl. aangegroeid, geel- of groenachtig. St. hol, gekleurd als h., van boven meest groen. Herfst. vr. a.

TABEL TOT HET BEPALEN DER LACTÁRIUS-SOORTEN.

(Plaat 2, fig. 5).

1. Melksap oranje, plaatjes bij kneuzing groen: Lact. deliciósus No. 56. Melksap eerst wit, spoedig zwavel-geel, scherp: Lact. theiógalus No. 57, (fig. 51). Melksap eerst wit, bij opdrogen grijs of grijsverkleurend: 2 Melksap blijvend wit: 3

2. Melksap eerst zoet dan scherp, h. loodgrijs tot vleeschkleurig: Lact. iétus No. 58. Melksap dadelijk zeer scherp, h. grijs of geelgroen, droppelv. gevlekt. Lact. blénnius No. 59.

3. Melksap eerst zoet dan scherp; h. en st. mooi oranje-rood: Lact. aurantíacus No. 60. Melksap nooit scherp hoogstens iets bitter: 4 Melksap altijd scherp: 5

4. H. grijs of bruinachtig, met rood of violet, geur aangenaam: Lact. glyciósmus No. 61. H. éénkleurig, roodbruin, geen geur: Lact. subdúlcis No. 62.

5. Hoed kaal: H. en st. rossig bruin: Lact. rúfus No. 63. H. zwart-bruin, groot, st. kort: Lact. túrpis No. 64. H. groot, wit, zie Lact. piperátus. No. 67. (Zie ook Lact. blénnius). H. viltig: 6

6. H. vleeschrood of witachtig (gelijkt op Lact. deliciósus) met ingerolden, sterk viltigen rand: Lact. torminósus. No. 65, (fig. 52). H. wit, groot, tot 20 cM., trechtervormig, weinig viltig, st. kort: Lact. velléreus No. 66. H. kleverig, zie: Lact. blénnius, Lact. aurantíacus.

No. 56. Lact. deliciósus. Oranjegroene melkzwam. (Plaat 2, fig. Vc).

H. oranjeachtig-steenrood, met oranje of groene gordels 4-10 cM. breed. Vleesch en plaatjes rood oranje, geelachtig-groen wordend. St. kleur als h. kort. Zomer-herfst vr. a. e.

No. 57. Lact. theiógalus. Zwavelmelkzwam (fig. 51).

H. meest rose-rood, geelachtig, met gordels, 4-6 cM. breed, iets glanzend; jong bol met ingerolden rand, later ingedrukt. Vleesch op de breuk geel. St. lichter dan h., 2-3 cM. hoog. Zomer-winter. a. v.

No. 58. Lact. viétus. Roodgrijze melkzwam.

H. loodgrijs tot vleeschkleurig, grauw, met gordels of vlekjes, 2-14 cM. breed, eerst bultig, later vlak of trechtervormig. St. kleur als h. 2-10 cM. hoog. Zomer-herfst, in 't Z. en O. vr. a. v.

No. 59. Lact. blénnius. Grijsgroene melkzwam.

H. grijsgroen met in kringen geplaatste droppelv. vlekken, bij vochtig weer zeer kleverig. Hoedrand jong omgekruld en donsachtig. St. kort 2-3 cM. Vleesch onder de opperhuid bruin of grijs. Zomer-herfst. a. v.

No. 60. Lact. aurantíacus. Oranje melkzwam.